Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1307

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-11-2018
Datum publicatie
08-01-2019
Zaaknummer
17/01969
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:19, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Levert het toevoegen van de woorden "zal ik jou eens met GHB inspuiten?" bedreiging a.b.i. art. 285 Sr op? Voor een veroordeling t.z.v. bedreiging met zware mishandeling isi.c.vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen (vgl. ECLI:NL: HR:2005:AT3659). Het oordeel van het Hof dat hiervan in het onderhavige geval sprake is geweest door het toevoegen van de woorden: "zal ik jou eens met GHB inspuiten?", getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2019/29 met annotatie van B.A.A. Postma
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01969

Zitting: 27 november 2018

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 24 maart 2017 bevestigd het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 29 maart 2016, waarbij de verdachte wegens 1. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, 2. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” en 3. “bedreiging met zware mishandeling”, is veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar en waarbij de gevorderde tenuitvoerlegging na een voorwaardelijke veroordeling is afgewezen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt met betrekking tot het onder 3 bewezenverklaarde dat de verwerping van het verweer dat de toediening van GHB geen zware mishandeling kan opleveren en/of de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is/zijn omkleed.

3.1. Alvorens het middel te bespreken, geef ik kort aan wat zich in deze zaak heeft voorgedaan. De aangeefster – de halfzus van de verdachte – zag de verdachte in de tuin van haar en haar moeder staan. Zij (aangeefster en haar moeder) hadden al lange tijd problemen met de verdachte. Aangeefster zag dat de verdachte haar fiets vastpakte en hiermee wilde weglopen. Aangeefster is naar buiten gelopen en heeft tegen de verdachte gezegd dat hij haar fiets moest laten staan. Zij zag dat de verdachte uit zijn jaszak een spuit haalde en dat er een kleine hoeveelheid doorzichtige vloeistof in de spuit zat. Zij hoorde hem op het moment dat de verdachte de spuit in zijn hand vasthield zeggen: “Zal ik jou eens met GHB inspuiten?”. De moeder van aangeefster heeft verklaard dit ook te hebben gehoord en aangegeven dat het om een spuit zonder naald ging.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat hij:

“op 15 december 2015 te Eindhoven [betrokkene 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [betrokkene 1] dreigend de woorden toegevoegd: “Zal ik jou eens met GHB inspuiten?”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.”

3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2017 heeft de raadsman van de verdachte aldaar voor zover hier van belang het volgende aangevoerd:

“De raadsman voert het woord tot pleidooi:

(..)

Mijn cliënt ontkent dat hij zijn zus heeft bedreigd met de woorden: “Zal ik jou eens GHB inspuiten” (feit 3). Stel je gaat uit van de bewijsbaarheid van deze uiting, betreft het hier dan een bedreiging met zware mishandeling. Ik verwijs in dit verband naar ECLI:NL:HR:2014:3055 vervolg op ECLI:NL:HR:2012:BX5468. Het effect van GHB is niet zodanig groot dat er sprake zou zijn van zware mishandeling. Hoogstens zou sprake zijn van eenvoudige mishandeling, hetgeen niet ten laste is gelegd.

Gelet op al het voorgaande verzoek ik het hof mijn cliënt integraal vrij te spreken.

(..)

De raadsman voert andermaal het woord:

Gootsteenontstopper is een ingrediënt om uiteindelijk te kunnen komen tot GHB. In de parallel die de advocaat-generaal schetst1 kun je ook limonade in de injectiespuit stoppen. Het gaat er om dat wordt gezegd dat het GHB is. GHB wordt veelal gedronken en zorgt voor een roesje.”

3.4. Het door het hof bevestigde vonnis houdt onder meer in (met weglating van de voetnoten):

Bewijs

(…)

Het standpunt van de verdediging.

(…) De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat de zin “zal ik jou eens met GHB inspuiten” geen bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht of bedreiging met zware mishandeling kan opleveren.

Het oordeel van de rechtbank.

(..)

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank baseert haar oordeel op de navolgende bewijsmiddelen.

Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [betrokkene 1]:

Zij deed aangifte en verklaarde over een bedreiging op de [a-straat] te Eindhoven op 15 december 2015 te 14:30 uur. Op 15 december 2015 omstreeks 14:30 uur was ik thuis in de woning [a-straat] in Eindhoven. Op dat tijdstip zag ik dat mijn halfbroer [verdachte] bij ons in de tuin stond. Ik zag dat [verdachte] uit zijn jaszak een spuit haalde. Ik zag dat er een kleine hoeveelheid doorzichtige vloeistof in de spuit zat. Ik hoorde op het moment dat [verdachte] de spuit in zijn hand vasthield, dat hij tegen mij zei: “zal ik jou is (de rechtbank begrijpt: eens) met GHB inspuiten”.

Het proces-verbaal van telefonisch verhoor getuige [getuige]:

Ik zag toen dat [verdachte] iets uit zijn binnenzak pakte. Ik zag dat het een spuit zonder naald betrof. Ik zag dat er een doorzichtige vloeistof in de spuit zat. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “moet ik jou eens met GHB inspuiten”.

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde uitgewerkte bewijsmiddelen blijkt dat de bewoordingen “zal ik jou is met GHB inspuiten” die verdachte jegens [betrokkene 1] geuit heeft van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat bij [betrokkene 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen.

Gelet op het voorgaande, verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging en acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 3 ten laste gelegde bedreiging met zware mishandeling heeft begaan, zoals dat hierna wordt bewezen verklaard.”

3.5.

Het hof heeft in het arrest, ter aanvulling op het vonnis van de rechtbank, nog het volgende overwogen:

“Met betrekking tot feit 3: bedreiging van [betrokkene 1]

Het hof is van oordeel dat het door de rechtbank ter zake van dit feit gebezigde bewijs aanvulling behoeft en wel als volgt.

Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [betrokkene 1]:

Wij (het hof begrijpt: aangeefster en haar moeder) hebben al hele lange tijd problemen met [verdachte] en met zijn gedrag. Ik zag dat hij mijn fiets, die in de tuin stond, vastpakte en hiermee weg wilde lopen. Omdat ik weet dat hij mijn vorige fiets ook ooit heeft meegenomen en heeft verkocht, wilde ik dat hij mijn fiets liet staan. Ik ben naar buiten gelopen en heb tegen [verdachte] gezegd dat hij mijn fiets moest laten staan.

De raadsman heeft betoogd dat het uitspreken van de woorden “Zal ik jou eens GHB inspuiten” terwijl men een spuit met daarin een doorzichtige vloeistof in de hand heeft, niet kan worden aangemerkt als een bedreiging met zwaar lichamelijk letsel, hoogstens het dreigen met eenvoudige mishandeling, hetgeen niet strafbaar is.

Het hof deelt deze opvatting niet. Het gebruik van GHB [kan] ernstige risico’s [..] voor de gezondheid van de gebruiker opleveren en bij een overdosering zelfs tot coma lijden. Ook is niet uitgesloten dat, zoals ook door de raadsman ter terechtzitting naar voren is gebracht, de GHB (of wat daar voor door moet gaan) wordt gemaakt van gootsteenontstopper, hetgeen extra schadelijk is voor de gezond[heid]. Het (gedwongen) toedienen van GHB, kan derhalve verregaande lichamelijke consequenties hebben.

Het hof is derhalve van oordeel dat de bedreiging van dien aard was en onder zodanige omstandigheden plaats vond dat bij [betrokkene 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden en dat zij daardoor zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Het feit dat de spuit waarmee de verdachte dreigde niet voorzien was van een naald doet hier niet aan af nu GHB oraal gebruikt wordt.”

3.6.

Volgens de stellers van het middel kan uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen niet volgen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling. Gelet op de omstandigheden dat aangeefster heeft waargenomen dat het ging om een geringe hoeveelheid GHB, GHB normaal gesproken slechts een ‘roesje’ veroorzaakt en dat, indien de GHB daadwerkelijk in de mond van aangever zou worden gespoten, aangever nog steeds de mogelijkheid zou hebben om de GHB niet door te slikken maar bijvoorbeeld uit te spugen, kan, aldus de stellers van het middel, niet worden gesteld dat in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht.

3.7.

Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling in een geval als het onderhavige is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.2 Een bedreiging kan worden gedaan met woorden, maar ook met gedragingen of een combinatie van beide. Ook bewoordingen die op zichzelf niet van dien aard zijn dat zij een redelijke vrees voor zware mishandeling opleveren, kunnen onder omstandigheden, die dan uit de bewijsmiddelen moeten blijken, een strafbare bedreiging met zware mishandeling opleveren.3

3.8.

In de schriftuur wordt gesteld dat nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangeefster heeft waargenomen dat het ging om een geringe hoeveelheid GHB, GHB normaal gesproken slechts een ‘roesje’ veroorzaakt en dat, indien de GHB daadwerkelijk in de mond van aangever zou worden gespoten, aangever nog steeds de mogelijkheid zou hebben om de GHB niet door te slikken maar bijvoorbeeld uit te spugen, bij de aangeefster niet in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat haar zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht.

3.9.

Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat en waarom het van oordeel is dat – anders dan de verdediging heeft aangevoerd – toediening van GHB kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Het hof heeft daartoe overwogen dat het gebruik van GHB ernstige risico’s voor de gezondheid van de gebruiker kan opleveren en bij een overdosering zelfs tot coma kan lijden. Ook acht het hof het niet uitgesloten dat, zoals ook door de raadsman ter terechtzitting naar voren is gebracht, de GHB (of wat daar voor door moet gaan) wordt gemaakt van gootsteenontstopper, hetgeen extra schadelijk is voor de gezond[heid]. Het (gedwongen) toedienen van GHB, kan derhalve verregaande lichamelijke consequenties hebben.

3.10.

Het is – mede gelet op alle berichtgeving daarover in de media - een feit van algemene bekendheid dat – zoals het hof ook heeft overwogen – de lichamelijke gevolgen van het gebruik van GHB zeer ernstig kunnen zijn. Dit wordt ook bevestigd bij een kleine zoekslag op internet: GHB is moeilijk te doseren en door het gebruik daarvan kan men in een diepe slaap raken en het bewustzijn verliezen, met alle gevolgen van dien.4 Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de verdachte, waarmee aangeefster al lange tijd problemen had, naast zijn uiting (inhoudende “Zal ik jou eens met GHB inspuiten?”) haar tegelijkertijd ook een spuit met daarin een vloeistof heeft getoond. Een spuit met vloeistof voldoet naar de uiterlijke verschijningsvorm aan hetgeen nodig is om de dreiging te verwezenlijken. Deze omstandigheid verhoogt dus het dreigende karakter van de bewezenverklaarde gedraging en in deze context bezien kon bij de aangeefster naar objectieve maatstaven de vrees ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Ik meen dan ook dat het oordeel van het hof dat sprake is van bedreiging met zwaar lichamelijk letsel, gelet op de gebezigde bewijsvoering en de daaruit blijkende context, niet onbegrijpelijk is. De bewezenverklaring is naar de eis der wet met redenen omkleed. Dat de aangeefster heeft waargenomen dat het om een kleine hoeveelheid vloeistof ging en de aangeefster de GHB, indien deze in haar mond zou worden gespoten, uit had kunnen spugen, doet aan het voorgaande niet af. Ook de verwerping van het verweer is, gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, voldoende met redenen omkleed.

3.11.

Het eerste middel faalt.

4. Het tweede middel – gelezen in samenhang met de toelichting daarop – klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft gereageerd op een verweer omtrent de lengte en de aftrek van de voorlopige hechtenis en de strafoplegging daarom onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.

4.1.

Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank bevat de volgende strafmotivering:

“Oplegging van maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de duur van twee jaren in een inrichting voor stelselmatige daders (‘ISD-maatregel’) wordt geplaatst.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat geen ISD-maatregel wordt opgelegd, maar dat verdachte een traject van mediation volgt met zijn moeder en (half)zussen. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de feiten waarvoor verdachte in het verleden is veroordeeld met name vervelend zijn voor zijn familie en minder van belang zijn voor de samenleving als geheel. De moeder en (half)zussen van verdachte hebben schriftelijk te kennen gegeven dat zij willen meewerken aan mediation. De moeder van verdachte heeft daarbij wel kenbaar gemaakt dat er voorwaarden aan dit traject moeten worden verbonden. In dat kader heeft verdachte zich ter terechtzitting bereid verklaard mee te werken aan psychologisch onderzoek. De raadsman verzoekt aanhouding van de zaak om dergelijk onderzoek te laten verrichten.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf of maatregel die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee bedreigingen en een vernieling. Hij heeft zijn moeder met de dood bedreigd en een ruit van haar woning vernield. Zijn destijds slechts 15-jarige halfzusje heeft hij bedreigd GHB bij haar in te spuiten. Er is sprake van nare feiten, waarbij telkens naaste familie van verdachte het doelwit is. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 februari 2016 en het over verdachte door de reclassering opgemaakte rapport van 14 maart 2016, blijkt dat huiselijk geweld en door verdachte tegen zijn moeder gepleegd geweld als een rode draad door verdachtes leven loopt. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

De reclassering heeft bij voornoemd rapport van 14 maart 2016 het recidiverisico bij verdachte ingeschat als hoog. Voorts is in het rapport onder meer het volgende vermeld:

“Er is sprake van een jarenlang patroon van huiselijk geweld, dat ondanks reclasseringstoezichten, (voorwaardelijke) detenties en een (voorwaardelijke) ISD-maatregel onverminderd doorgaat. De reclassering geeft in overweging om na te gaan of er sprake is van gedragingen die een klinische observatie rechtvaardigen, om zodoende te onderzoeken welk juridisch kader het best passend is bij de problematiek van betrokkene. Indien dit niet aan de orde is, dan zien wij de ISD-maatregel als beste alternatief”. Voorts maakt het rapport er melding van dat verdachte in september 2015 zijn medewerking aan een dubbel Pro Justitia onderzoek heeft geweigerd en dat meerdere klinische opnametrajecten door de opstelling van verdachte voortijdig werden afgebroken.

De rechtbank kan op vordering van het openbaar ministerie een ISD-maatregel opleggen, indien aan de in art. 38m lid 1 Wetboek van Strafrecht neergelegde vereisten is voldaan. De rechtbank stelt in dit kader het volgende vast:

- De door de verdachte begane bedreigingen zijn strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

- Verdachte is blijkens de justitiële documentatie in de vijf jaren voorafgaand aan de thans begane feiten ten minste driemaal voor misdrijven onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf en/of taakstraf. Voorts moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat hij wederom een misdrijf zal begaan, zo kan ook uit voormeld rapport van de reclassering worden opgemaakt.

- De veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de ISD-maatregel. Verdachte is in de afgelopen jaren herhaaldelijk door de strafrechter veroordeeld, met name ook voor bedreigingen. Daarbij zijn hem onder meer gevangenisstraffen opgelegd, al dan niet (deels) voorwaardelijk. Dit alles heeft hem er niet van kunnen weer houden steeds opnieuw te recidiveren.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ter zake van verdachte is voldaan aan de voorwaarden die artikel 38m lid 1, van het Wetboek van Strafrecht stelt aan het opleggen van de maatregel tot plaatsing van een verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders.

Ter terechtzitting van 15 maart 2016 heeft verdachte verklaard bereid te zijn mee te werken aan een psychologisch onderzoek. Desgevraagd heeft verdachte verklaard niet mee te willen werken aan enig contact met de reclassering. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de eerst ter terechtzitting gedane toezegging mee te willen werken aan psychologisch onderzoek, gelet op de ernst van de problematiek van verdachte, de eerdere weigering aan rapportage mee te werken en de categorische onwil om contact te hebben met de reclassering, onvoldoende grond om tot een dergelijk onderzoek over te gaan. In dat licht acht de rechtbank ook de door de raadsman voorgestane mediation ontoereikend om een verandering in het gedrag van verdachte en vermindering van recidive te bewerkstelligen.

Gelet op dit alles en in aanmerking genomen het rapport van de reclassering en het steeds opnieuw recidiveren van verdachte, ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een ISD-maatregel. Om de beëindiging van de recidive en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van de problematiek van verdachte alle kans te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

De rechtbank acht het noodzakelijk dat negen maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel zal plaatsvinden en zal aldus beslissen.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van de raadsman om aanhouding van de zaak teneinde psychologisch onderzoek te laten verrichten, wordt afgewezen”.

4.2.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2017 is door de raadsman van de verdachte het volgende aangevoerd:

“Indien het hof toch tot een bewezenverklaring mocht komen, wil ik het volgende opmerken met betrekking tot de op te leggen straf.

De vraag doet zich voor in hoeverre de verdachte zich kan schikken in de ISD-maatregel. Duidelijk moge zijn dat hij het niet rationeel kan benaderen. Het tijdsverloop komt overigens niet alleen voor rekening van mijn cliënt.

Ik verwijs naar een tweetal uitspraken met betrekking tot oplegging van een ISD- maatregel: ECLENL.GHLEE:2006:AV1781 (tijdslijn ISD) en ECLI:NL:GHLEE:2005 AU0310 (doel ISD-maatregel /beveiligen). Mijn ervaringen met de ISD-maatregel zijn overigens niet onverkort positief.

Ik weet dat het onverstandig is, maar de houding van mijn cliënt is dat hij de ISD- maatregel kaal zal uitzitten en niet zal meewerken aan de behandeling.

Mijn cliënt bevindt zich al een jaar en drie maanden in voorlopige hechtenis. De ISD-maatregel opleggen betekent dat hij nog twee jaar vast blijft zitten. Mijn cliënt heeft er grote moeite mee dat het voorarrest niet in aftrek zal worden gebracht.

Het vasthouden van de motivatie, voor zover die er al zou bestaan, zal heel moeilijk zijn. Mijn cliënt zal mogelijkerwijs nog verder verzuren omdat hij zich in een hoek geduwd voelt.

Ik stel voor dat bij de strafoplegging wordt uitgegaan van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de ISD-maatregel, te weten 2 jaar. Een lange gevangenisstraf gelet op de bewezen verklaarde feiten. Na aftrek van voorarrest zou dan een detentieduur van 9 maanden resteren. Ik verzoek het hof hier een deels voorwaardelijke straf van te maken, waarbij gedacht kan worden aan het opleggen van bijzondere voorwaarden als begeleiding door Neos, gedragsverplichtingen ten aanzien van de familie, etc.

Er wordt dan voldaan aan de eis van de bescherming van de maatschappij en mijn cliënt blijft gemotiveerd om mee te werken.”

4.3.

Het hof heeft in het bestreden vonnis nog de volgende aanvullende strafmotivering opgenomen:

“Aanvullende gronden oplegging ISD-maatregel

De verdediging heeft in hoger beroep verweer gevoerd tegen het onvoorwaardelijk opleggen van ISD-maatregel en bepleit dat het gerechtshof in de plaats daarvan aan de verdachte, in overeenstemming met het advies van drs. Steketee, een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen en verdachte in dat kader te verplichten zich te laten behandelen/begeleiden door NEOS.

De advocaat-generaal heeft bevestiging van de beslissing tot oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel gevorderd.

In hoger beroep zijn op verzoek van de verdediging de volgende rapporten opgeleverd:

a) een psychologisch onderzoek d.d. 21 oktober 2016 opgesteld door drs. S.J.J. Steketee (klinisch psycholoog/ psychotherapeut inhoudende –uitgaande van het feit dat verdachte iedere medewerking aan begeleiding in het kader van een onvoorwaardelijke ISD weigert- het advies om binnen het kader van een voorwaardelijke ISD-maatregel te komen tot vermindering van (het hoge risico op) recidive in de vorm van een stabiele woon-en werkomgeving, trainingen op het gebied van coping en agressieregulatie alsmede systeemtherapie om de conflicten met de familie op te lossen. De deskundige merkt daarbij op dat de voorkeur uit zou gaan naar NEOS als begeleidende en behandelende instantie. Tevens wordt geadviseerd om verdachte te ontslaan van zijn meldplicht en de taken van de reclassering, vanwege de verstoorde relatie met verdachte, terug te brengen tot het monitoren van therapietrouw en het nakomen van afspraken.

b) een reclasseringsadvies d.d. 7 december 2016 waaruit blijkt dat verdachte niet mee wilde werken aan de opstelling van een reclasseringsadvies.

c) een reclasseringsadvies d.d. 23 februari 2017, waarin de reclassering onder meer het volgende rapporteert:

- NEOS biedt maatschappelijke opvang doch geen behandelingen of trainingen die gericht zijn op het terugdringen van de kans op recidive;

- het is gelet op de houding van verdachte en het verloop van eerder ingezette hulpverlening niet mogelijk om in het kader van een voorwaardelijke ISD-maatregel voorwaarden te stellen waaraan betrokkene zal willen meewerken;

- toezicht door de reclassering zonder meldplicht zoals door drs. Steketee voorgesteld is niet uitvoerbaar omdat er dan geen zicht is op betrokkene en de verschillende criminogene factoren.

De reclassering blijft derhalve bij het reeds eerder gegeven advies om de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

Alles overziende komt het hof, evenals de rechtbank en de advocaat-generaal, tot de slotsom dat, gelet op het hoge risico van recidive bij verdachte en de noodzaak om de veiligheid van personen te beschermen, niet valt te ontkomen aan het onvoorwaardelijk opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders. Een onvoorwaardelijke ISD-maatregel biedt verdachte de kans om, indien hij zijn principiële bezwaren tegen deze plaatsing laat varen, gesteund door zijn familie, oplossingen te vinden voor zijn problemen.”

4.4.

De stellers van het middel voeren blijkens de toelichting op het middel aan dat de strafoplegging, gelet op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt en de omstandigheid dat uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de tijd tussen de inverzekeringstelling en de berechting zo kort mogelijk dient te zijn, onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen omkleed is.

4.5.

Het is vaste rechtspraak dat de rechter in het algemeen vrij is in de keuze van de factoren die hij in het concrete geval van belang acht voor de strafoplegging. Deze keuze behoeft in principe geen motivering.5 Dat is anders wanneer in dat verband een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv op de terechtzitting is aangenomen. In zo een geval wordt van de feitenrechter een nadere motivering verlangd.6 Ik merk nog op dat er voor het overige grond kan zijn voor de Hoge Raad om in te grijpen en te oordelen dat de strafmotivering niet (zonder meer) begrijpelijk is, wanneer de strafmotivering verbazing wekt.7 Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake.

4.6.

Ik merk op dat op grond van art. 38m, eerste lid, Sr de rechter in de daar genoemde gevallen op vordering van het openbaar ministerie de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders kan opleggen. Op grond van art. 38n geldt die maatregel voor de tijd van ten hoogste twee jaren, te rekenen vanaf het moment van onherroepelijk worden van de uitspraak en kan de rechter bij het bepalen van de duur van de maatregel rekening houden met de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in onder meer verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Een verplichting voor de rechter om de tijd die de veroordeelde in voorarrest heeft gezeten in mindering te brengen op de opgelegde ISD-maatregel bestaat dus niet8, zoals ook de stellers van het middel erkennen. De Hoge Raad heeft echter wel benadrukt dat gelet op het feit dat de rechter de mogelijkheid heeft om bij het bepalen van de duur van de maatregel geen rekening te houden met de preventieve hechtenis, de tijd tussen de inverzekeringstelling en de berechting zo kort mogelijk dient te zijn, zodat een zeer voortvarende behandeling en afdoening van de zaken, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, vereist is.9

4.7.

Hetgeen door de verdediging is aangevoerd kan mijns inziens bezwaarlijk worden opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, nu het hier slechts gaat om een enkele opmerking van de raadsman – inhoudende: “Mijn cliënt heeft er grote moeite mee dat het voorarrest niet in aftrek zal worden gebracht” – die onderdeel uitmaakt van een breder betoog in het kader van het pleidooi tegen het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Verwonderlijk is het dan ook niet dat het hof geen extra redenen heeft opgegeven in zijn aanvullende overweging ten aanzien van de beslissing om de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering te brengen op de ISD-maatregel. Daar komt nog bij dat uit het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank al blijkt waarom de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering wordt gebracht op de ISD-maatregel, namelijk omdat het van groot belang is dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen om de beëindiging van de recidive en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van de problematiek van de verdachte alle kans te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij. De strafoplegging is dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de tijd tussen de inverzekeringstelling en berechting zo kort mogelijk dient te zien en een zeer voortvarende behandeling en afdoening is vereist, doet hieraan niet af.10

4.8.

Het tweede middel faalt.

5. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

6. Ambtshalve merk ik op dat de zestien-maanden termijn in cassatie is overschreden. De Hoge Raad kan volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is geschonden, nu de aan de verdachte opgelegde ISD-maatregel zich naar de aard niet leent voor vermindering.11 Ook voor het overige heb ik geen ambtshalve grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Plv. AG

1 De advocaat-generaal heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2017 in repliek het woord gevoerd en met betrekking tot feit 3 opgemerkt: “indien je iemand bedreigt met een plastic mes dat grote gelijkenis vertoont met een echt mes, zodat de bedreigde het verschil niet kan zien, staat het feit dat het een plastic mes betreft niet in de weg aan een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling dan wel met een misdrijf gericht tegen het leven. Hier is sprake van een vergelijkbaar geval. En zoals de raadsman zegt, GHB kan bestaan uit gootsteenontstopper. Ik acht het feit zoals ten laste gelegd dan ook bewijsbaar.”

2 Vgl. o.a. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448; HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2215 en HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:909.

3 Vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448.

4 Zie onder meer https://www.drugsondercontrole.nl/veelgestelde-vragen-drugs/wat-zijn-gevolgen-van-ghb- en https://www.jellinek.nl/informatie-over-alcohol-drugs/ghb/basisinfo-over-ghb/wat-zijn-de-effecten-van-ghb/.

5 Zie bijv. HR 26 juni 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8474, NJ 1985/138 en HR 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9252, NJ 2010/393, m.nt. Mevis; Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 264-265.

6 Zie ook G.J.M. Corstens (bewerkt door: M.J. Borgers en T. Kooijmans), Het Nederlands strafprocesrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 925.

7 G.J.M. Corstens (bewerkt door: M.J. Borgers en T. Kooijmans), Het Nederlands strafprocesrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 922 en 926.

8 Zie ook HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA8511, NJ 2008/625, m.nt. Buruma.

9 HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA8511, NJ 2008/625, m.nt. Buruma.

10 Ik merk nog op dat in het verweer in hoger beroep ook geen aandacht is besteed aan deze rechtspraak van de Hoge Raad.

11 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.