Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1305

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-10-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
17/02988
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2156
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op gehuurde graafmachine onder klager t.z.v. verdenking van verduistering, waarna zowel klager als verhuurbedrijf klaagschrift indient. Ontvankelijkheid cassatieberoep na last tot teruggave aan ander, art. 134.2 Sv. Hof heeft klaagschrift van klager bij onderhavige beschikking ongegrond verklaard en klaagschrift van verhuurbedrijf bij andere (inmiddels onherroepelijke) beschikking gegrond verklaard met last tot teruggave van graafmachine aan dit bedrijf. HR: Op gronden vermeld in CAG kan klager niet worden ontvangen in beroep. CAG: Onherroepelijke beschikking waarbij teruggave van inbeslaggenomen voorwerp wordt gelast, leidt ertoe dat beslag is beëindigd, hoewel dat niet valt te lezen in art. 134.2 Sv. Dat brengt mee dat klager geen belang heeft bij vernietiging van bestreden beschikking. Rechter die na verwijzing of terugwijzing over zaak moet oordelen, kan klager immers slechts n-o verklaren in zijn beklag, nu beslag reeds is beëindigd. Wanneer door verschillende partijen afzonderlijk klaagschriften zijn ingediend die betrekking hebben op hetzelfde inbeslaggenomen voorwerp, verdient het voor evenwichtige en doelmatige afdoening van zulke zaken aanbeveling dat rechter bevordert dat dergelijke klaagschriften gevoegd worden behandeld en vervolgens in één beschikking worden beoordeeld, zodat daartegen gericht beroep ook beslissing kan betreffen t.a.v. andere belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02988 B

Zitting: 2 oktober 2018

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft het klaagschrift van de klager – strekkende tot opheffing van het beslag op een graafmachine en tot teruggave van die graafmachine aan klager – bij beschikking van 3 februari 2017 ongegrond verklaard.

  2. Tegen deze beschikking is namens de klager cassatieberoep ingesteld.

  3. Namens de klager heeft mr. P. Bonthuis, advocaat te Joure, een middel van cassatie voorgesteld. Gelet op het navolgende dient het middel echter buiten bespreking te blijven.

  4. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

4.1. Uit de bestreden beschikking en de overige stukken die door de griffier van het hof op de voet van art. 447, lid 2 Sv aan de griffier van de Hoge Raad zijn gezonden, kan het volgende worden opgemaakt.

(i) [A] B.V. heeft in 2011 een graafmachine (merk Hanix, type H75c) verhuurd aan de firma [B] . De firma [B] heeft die graafmachine onderverhuurd aan klager. Op 15 januari 2013 is de firma [B] failliet gegaan. [A] B.V. is met klager op 16 januari 2013 overeengekomen dat het contract onder dezelfde voorwaarden zou worden voortgezet. Kort daarna heeft een mailwisseling tussen beide partijen plaatsgevonden, nu de verhuurder van mening was dat de klager de huurtermijnen voor januari en februari 2013 niet had voldaan. Eerstgenoemde heeft naar aanleiding van deze wanprestatie de overeenkomst ontbonden bij schrijven van 22 januari 2013;

(ii) Op 26 januari 2013 is namens [A] B.V. aangifte gedaan van verduistering van de graafmachine door klager;

(iii) Op 27 februari 2013 is de graafmachine op grond van art. 94 Sv in beslag genomen en tegelijkertijd heeft de officier van justitie [A] B.V. als bewaarder van de graafmachine aangesteld in afwachting van een uiteindelijke beslissing.1 De graafmachine is op die datum in handen gesteld van voormeld verhuurbedrijf;2

(iv) Op 18 september 2014 is de klager, in de strafzaak die volgde op de aangifte, in eerste aanleg wegens verduistering veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 750,-;

(v) Tegen dit vonnis is de klager in hoger beroep gegaan en op 5 oktober 2015 heeft de enkelvoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden hem vrijgesproken van de tenlastegelegde verduistering. Het hof achtte zich niet in staat om op het beslag te beslissen.3 Tegen dit arrest is, naar het mij voorkomt, geen rechtsmiddel ingesteld;

(vi) Op 15 januari 2016 is namens de klager bij voormeld hof een klaagschrift ingediend strekkende tot opheffing van het beslag op de graafmachine en tot teruggave van die graafmachine aan hem;

(vii) Op 10 juni 2016 is de behandeling van het klaagschrift in raadkamer geschorst. Het hof heeft bij die gelegenheid vastgesteld dat [A] B.V. als ‘andere belanghebbende’ als bedoeld in art. 552a, lid 5 Sv dient te worden aangemerkt. Dientengevolge heeft het hof bevolen dat zowel de klager als [A] B.V. zouden worden opgeroepen voor een volgende zitting. Voorafgaand aan die zitting heeft de griffier het klaagschrift van de klager aan het verhuurbedrijf verstuurd en het bedrijf in de gelegenheid gesteld eveneens een klaagschrift in te dienen met betrekking tot de inbeslaggenomen graafmachine;

(viii) Op verzoek van de raadsvrouw van [A] B.V. is op 14 september 2016 de zaak in raadkamer opnieuw geschorst teneinde haar in de gelegenheid te stellen zich op de behandeling van het klaagschrift voor te bereiden;

(ix) Op 8 november 2016 is namens [A] B.V. eveneens een klaagschrift ingediend strekkende tot opheffing van het beslag op de graafmachine en tot teruggave van die graafmachine aan haar;4

(x) Op 20 januari 2017 zijn beide klaagschriften kennelijk gelijktijdig maar niet gevoegd in raadkamer behandeld. Het hof heeft de klager, diens raadsman en de raadsvrouw van [A] B.V. gehoord;

(xi) Bij beschikking van 3 februari 2017 heeft het hof het klaagschrift van de klager ongegrond verklaard (raadkamernummer 684-16). Tegen deze beschikking heeft de klager onderhavig cassatieberoep ingesteld;

(xii) Bij beschikking van diezelfde datum heeft het hof het klaagschrift van [A] B.V. gegrond verklaard en de teruggave gelast van de graafmachine aan dit bedrijf (raadkamernummer 1935-16).

4.2. Uit namens mij bij het hof ingewonnen inlichtingen is gebleken dat tegen laatstgenoemde beschikking (raadkamernummer 1935-16) geen rechtsmiddel is ingesteld en dat deze beschikking derhalve inmiddels onherroepelijk is. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de klager in een dergelijk geval niet kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep. Dit op grond van de redenering dat, alhoewel zulks in art. 134, lid 2 Sv niet valt te lezen, een onherroepelijke beschikking waarbij de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp wordt gelast, ertoe leidt dat het beslag is beëindigd. Dat brengt mee dat de klager geen belang heeft bij vernietiging van de bestreden beschikking. De rechter die na verwijzing of terugwijzing over de zaak moet oordelen, kan de klager immers slechts niet‑ontvankelijk verklaren in zijn beklag, nu het beslag reeds is beëindigd.5 Gelet hierop kan de klager in de onderhavige zaak dan ook bij gebrek aan belang niet worden ontvangen in zijn cassatieberoep.6

5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie de ‘Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv)’ van 27 februari 2013. Kennelijk heeft het OM hier gebruik gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in art. 116, lid 4 Sv.

2 Zie het ‘Bewijs van ontvangst; ontvangen door politie’, op 27 februari 2013 ondertekend door een medewerker van [A] B.V.

3 Art. 353 Sv bepaalt dat de rechter in het geval van vrijspraak een beslissing neemt over de met toepassing van art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. In combinatie met art. 415 Sv gelezen geldt deze bepaling ook voor de rechter in hoger beroep. Art. 353 Sv biedt de rechter niet de mogelijkheid zich buiten staat te verklaren. Wel kan hij de bewaring ten behoeve van de (mogelijk onbekende) rechthebbende gelasten.

4 Naar aanleiding van de schorsing van de raadkamer op 10 juni 2016 is aan het verhuurbedrijf namens de griffier van het hof een afschrift gestuurd van het klaagschrift van [klager] met daarbij een begeleidende brief waarin het verhuurbedrijf in de gelegenheid is gesteld binnen twee maanden zelf een klaagschrift in te dienen. Mij is niet bekend van welke datum die brief is en derhalve ook niet wanneer voormelde termijn afliep. Bij brief van 23 augustus 2016 heeft de raadsvrouw van het verhuurbedrijf gereageerd op het klaagschrift van [klager] en de inhoud daarvan betwist. Op 13 september 2016 is door de raadsvrouw verzocht de zaak aan te houden teneinde zich degelijk voor te kunnen bereiden. Eerst op 8 november 2016 is het klaagschrift namens het verhuurbedrijf ingediend. Dat doet de vraag rijzen of dit klaagschrift tijdig is ingediend. Maar aangezien de beschikking inzake dat klaagschrift (raadkamernummer 1935-16) geen onderwerp is van onderhavig cassatieberoep, laat ik deze vraag hier onbesproken.

5 Vgl. HR 6 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8215 en ECLI:NL:HR:2011:BQ8216, HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8757, HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8723, HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:8 en HR 14 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2861.

6 NB. De Hoge Raad heeft er in zijn beschikking van 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8757 op gewezen dat het in een geval als het onderhavige, waarin door verschillende partijen afzonderlijk klaagschriften zijn ingediend die betrekking hebben op hetzelfde inbeslaggenomen voorwerp, het voor een evenwichtige en doelmatige afdoening van zulke zaken aanbeveling verdient dat de rechter bevordert dat dergelijke klaagschriften gevoegd worden behandeld en vervolgens in één beschikking worden beoordeeld, zodat een daartegen gericht beroep ook de beslissing kan betreffen ten aanzien van, in dit geval, de andere belanghebbende. Het hof heeft in dit geval aan deze aanbeveling geen gehoor gegeven, hetgeen betreurenswaardig is gelet op de – voor klager onbevredigende – voorgestelde wijze van afdoening.