Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1304

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-10-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
17/01508
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2140
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94a Sv op onder oom van klager in beslag genomen Rolex-horloge. Middel over door Rb gehanteerde maatstaf en begrijpelijkheid ongegrondverklaring beklag. HR: art. 81.1. RO. CAG: Toepasselijke maatstaf is of buiten redelijke twijfel is dat klager als eigenaar moet worden aangemerkt en, zo ja, of zich situatie van art. 94a.4 of 94a.5 Sv voordoet. Toepassing door Rb van onjuiste - of in ieder geval niet ter zake doende - maatstaf leidt i.c. niet tot cassatie omdat uit overweging dat klager “niet aannemelijk heeft gemaakt” eigenaar te zijn, volgt dat Rb in ieder geval impliciet aan toepasselijke strengere maatstaf (“buiten redelijke twijfel”) heeft getoetst, terwijl oordeel Rb niet onbegrijpelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01508 B

Zitting: 2 oktober 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[klager]

  1. Bij beschikking van 10 maart 2017 heeft de Rechtbank Rotterdam het door klager ingestelde beklag ex art. 552a Sv strekkende tot teruggave aan klager van een onder de oom van klager in beslag genomen horloge van het merk Rolex ongegrond verklaard.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te ‘s-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het beklag. Volgens de steller van het middel heeft de rechtbank bij de beoordeling van het beklag een onjuiste toetsingsmaatstaf gehanteerd en/of is de ongegrondverklaring van de rechtbank zonder nadere motivering niet begrijpelijk.

3.1. De bestreden beschikking houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

“Procedure

De rechtbank heeft gezien het op de voet van artikel 552a Sv ingediende en onder bovenvermeld raadkamernummer geregistreerde klaagschrift. Daarnaast heeft de rechtbank gezien de stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier, waaronder de beschikking met raadkamernummer 16/976.

De rechtbank heeft in openbare raadkamer van 7 februari 2017 gehoord de officier van justitie mr. R.E.I. Steen, klager en de raadsman.

Feiten

Op 9 februari 2016 is te Capelle aan den IJssel onder [betrokkene 1] beslag gelegd op horloge van het merk Rolex (verder: de Rolex). Op 16 maart 2016 is door de rechter-commissaris, mr. A.M.G. van de Kragt een machtiging conservatoir beslag afgegeven op verdenking van oplichting ter hoogte van € 7.379,= ten laste van [betrokkene 1].

Inhoud van de klacht

Het klaagschrift, zoals in raadkamer nader toegelicht, strekt tot opheffing van het beslag op de Rolex, met last tot teruggave van de Rolex aan de klager. Daartoe is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat er geen strafvorderlijke belangen zijn die voortzetting van het beslag rechtvaardigen nu de herkomst van de Rolex legaal is en de Rolex niet toebehoort aan [betrokkene 1] maar aan klager. De Rolex in 2004 als erfstuk door klager is verkregen. [betrokkene 1] de Rolex om zijn pols had omdat klager een auto aan het wassen was. Door de raadsman zijn in raadkamer ter onderbouwing van het gestelde foto’s overgelegd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Daartoe is gesteld dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan [betrokkene 1] welke verdacht wordt van - kort zakelijk verwoord - oplichting, een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Voorts niet duidelijk is dat het op de foto’s getoonde horloge de Rolex betreft uit deze zaak.

Beoordeling van het beklag

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. [betrokkene 1] wordt verdacht van oplichting, een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. In de zich in het raadkamerdossier bevindende processenverbaal zijn de feiten en omstandigheden opgenomen waarop voornoemde verdenking jegens [betrokkene 1] is gebaseerd. Het betreft met name de processen-verbaal waaruit volgt dat [betrokkene 1] de laatste tenaam gestelde was van meerdere auto’s waarvan de kilometerstand was teruggedraaid. Deze auto’s zijn vervolgens, met valse garagefacturen, verkocht. Deze feiten en omstandigheden, mede in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen eerdergenoemdeverdenking jegens [betrokkene 1] als verdachte.

Voorts acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend aan [betrokkene 1] een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

De rechtbank overweegt tenslotte dat de klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen Rolex aan klager toebehoort.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beklag ongegrond.”

3.2. Zoals blijkt uit de inhoud van het – zich in het dossier bevindende – klaagschrift van 22 augustus 2016 heeft de klager ter onderbouwing van zijn verzoek om een last tot teruggave van het onder zijn oom in verband met een tegen deze bestaande verdenking op de voet van art. 94a Sv in beslag genomen Rolex-horloge primair aangevoerd dat het betreffende horloge aan hem toebehoort en dat dit horloge ten tijde van de inbeslagneming door zijn oom werd gedragen omdat hij zelf auto’s aan het wassen was. Van belang is verder dat de klager in verband met deze stelling bij de behandeling van het klaagschrift in de openbare raadkamer van 7 februari 2017 onder meer verschillende foto’s heeft overgelegd waarop hij volgens zijn eigen verklaring met het Rolex-horloge om zijn pols te zien is.

3.3. Het beklag van de klager betreft dus een beklag van een belanghebbende (zijnde niet de beslagene of de verdachte) die stelt de eigenaar van het in beslag genomen voorwerp te zijn. Ten aanzien van een dergelijk beklag geldt dat de beklagrechter als maatstaf dient aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en dat de beklagrechter van zijn daadwerkelijke toetsing aan deze maatstaf in zijn beslissing blijk dient te geven. Indien de klager inderdaad als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken of zich de situatie van art. 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet.1

3.4. Blijkens de hierboven onder 3.1. aangehaalde passage van de bestreden beschikking heeft de rechtbank bij de beoordeling van het beklag allereerst overwogen dat:

“[de rechter] bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv dient […] te onderzoeken a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen”.

3.5. Met deze overweging heeft de rechtbank aangesloten bij art. 94a lid 1 en 2 Sv, welke bepalingen geen betrekking hebben op het beklag van een derde niet-beslagene belanghebbende zoals de klager in deze zaak, maar alleen op het beklag van een belanghebbende die tevens verdachte is. De steller van het middel merkt dus terecht op dat de rechtbank hier een onjuiste – of in ieder geval niet ter zake doende – toetsingsmaatstaf heeft toegepast, aangezien de vraag naar de aard van enige verdenking niet relevant kan zijn voor de beoordeling van het beklag van een belanghebbende die zelf geen verdachte is.

3.6. Deze misslag van de rechtbank behoeft echter niet tot cassatie te leiden, wanneer kan worden vastgesteld dat de rechtbank met toepassing van de juiste maatstaf – namelijk of in casu sprake is van het geval dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het in beslag genomen voorwerp kan worden aangemerkt2 – zonder meer tot hetzelfde resultaat zou zijn gekomen. In dat geval heeft de klager geen belang bij het cassatieberoep.

3.7. Wat betreft het door de klager gestelde eigenaarschap van het Rolex-horloge geldt dat rechtbank in haar beschikking heeft overwogen dat “de klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen Rolex aan klager toebehoort”. De vraag is nu of de rechtbank met deze overweging, in het licht van hetgeen door de klager ter onderbouwing van het beklag is aangevoerd en mede gelet op het summiere karakter van de raadkamerprocedure, kon volstaan.

3.8. Anders dan de steller van het middel ben ik niet van mening dat de rechtbank door te overwegen dat de klager “niet aannemelijk heeft gemaakt” de eigenaar van het Rolex-horloge te zijn, in relevante zin is afgeweken van de letterlijke formulering van de hier toepasselijke toetsingsmaatstaf (die dus inhoudt dat “buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het in beslag genomen voorwerp kan worden aangemerkt”). De door de rechtbank genoemde ‘aannemelijkheid’ van het eigenaarschap van de klager is als maatstaf immers eerder minder streng dan dan de maatstaf dat het eigenaarschap van de klager ‘buiten redelijke twijfel is’, zodat de rechtbank het beklag van de klager in ieder geval impliciet ook aan de strengere maatstaf heeft getoetst.

3.9. Ik heb mij wel afgevraagd of de rechtbank haar overweging, dat de klager zijn eigenaarschap van het Rolex-horloge niet aannemelijk heeft gemaakt, niet nader had moeten motiveren. Het oordeel van der rechtbank hierover is nogal kort door de bocht.

3.10. Uit het proces-verbaal van de zitting en de stukken die zich in het dossier bevinden blijkt dat de klager foto’s heeft overgelegd, waarop te zien is dat hij de inbeslaggenomen Rolex om zijn pols had. Klager heeft gesteld dat hij de Rolex in 2004 van zijn peetvader had gekregen die in 2008 overleden is en dat hij op deze foto’s respectievelijk 14, 18 en 19 jaar oud was. Verder heeft klager tijdens de behandeling in raadkamer volgens het proces-verbaal verklaard:

“Ik had de Rolex geleend aan mijn oom omdat ik auto’s aan het wassen was. Ik was toen vanuit Duitsland naar Nederland gekomen. Mijn oom had mijn Rolex om.”

3.11. Ook al ontbreekt ten aanzien van het door de klager gestelde een nadere motivering in de beschikking van de rechtbank, ik kan mij voorstellen dat de rechtbank de verklaring van de klager niet aannemelijk heeft geacht. Het is evenmin evident dat de rechtbank op grond van het aangevoerde had moeten vaststellen dat het buiten redelijke twijfel is, dat de Rolex aan de klager toebehoort. De bestreden beschikking maakt bovendien melding van de omstandigheid dat de officier van justitie over de bij de behandeling van het klaagschrift overgelegde foto’s heeft opgemerkt dat deze foto’s niet duidelijk maken of het daarop getoonde horloge daadwerkelijk het horloge is dat in de onderhavige zaak in beslag is genomen. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de rechtbank zich daarbij, zij het impliciet, heeft aangesloten en een nadere motivering van zijn oordeel kennelijk niet nodig achtte. Het zou beter zijn geweest als de rechtbank dit explicieter had gemotiveerd, maar alles afwegende stel ik mij op het standpunt dat de bestreden beschikking in stand kan blijven. Het oordeel van de rechtbank dat de klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bij zijn oom inbeslaggenomen Rolex hem in eigendom toebehoorde is, gelet op het daartoe aangevoerde, naar mijn mening niet onbegrijpelijk.

4. Het middel treft geen doel. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. Mevis, rov. 2.15.

2 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. Mevis, rov. 2.15.