Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:130

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-02-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
17/02125
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:398
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie A-G. Uitlevering naar Republiek Albanië ter executie van verstekvonnis. Klacht over naleving verzekering dat de opgeëiste persoon een nieuw proces krijgt na uitlevering. Flagrante inbreuk art. 6 EVRM? CAG strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02125 U

Zitting: 13 februari 2018

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

  1. De rechtbank Amsterdam, internationale rechtshulpkamer, heeft bij uitspraak van 11 april 2017 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek Albanië toelaatbaar verklaard ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de hem in de Republiek Albanië opgelegde vrijheidsstraf zoals bekrachtigd bij de verstekuitspraak van de Albanese Criminal Section of the Supreme Court van 29 mei 2013.

  2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt over de motivering van het oordeel van de rechtbank dat de Albanese autoriteiten de verzekering hebben gegeven dat de opgeëiste persoon een nieuw proces krijgt na uitlevering en/of over de motivering van de beslissing van de rechtbank dat op grond van het vertrouwensbeginsel ervan kan worden uitgegaan dat de Republiek Albanië (verder: Albanië) de bepalingen van de toepasselijke uitleveringsverdragen1 zal naleven en derhalve de “verzekering” dat de opgeëiste persoon een nieuw proces krijgt na uitlevering gestand zal doen, zulks in het licht van het risico van een flagrante inbreuk op een ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht van de opgeëiste persoon, terwijl er geen rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.

4. De rechtbank heeft, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 3 Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag (hierna: TAP EUV) betreffende uitlevering

5.1 Rechtsgang in Albanië en toezegging van de Albanese minister van Justitie

(…)

De brief van the General Prosecution Office of the Republic of Albania, Directory of Foreign Jurisdictional Relations van 14 november 2016 houdt onder meer het volgende in:

- The judgment in the Court of First Instance Durres, Durres Appeals Court and then in the Supreme Court has been held in the absence of the defendant [de opgeëiste persoon] .

- The defendant was absent during the investigation as well as in all the hearings held in Court. Court pursuant to Albanian legislation has regularly made announcements in his residence address to participate in the hearings. Initially the defendant is initially protected in investigation and trial by the lawyer [de advocaat 1] , Member of the Tirana Chamber of Advocates, a lawyer with close family ties with the citizen [de opgeëiste persoon] , appointed with Proxy no. 835 Rep, Col. 383, dated 05.11.2009 (issued by the national [betrokkene 1], mother of the citizen [de opgeëiste persoon] ). Then due to truancy of the lawyer [de advocaat 1] during the trial of the case, the Court of First Instance Dürres decided his replacement by appointing as defender the lawyer [de advocaat 2] .

- The judgment no. 432, dated 13.06.2011 of the Court of First Instance Durres has become final, dated 29.05.2013, the date on which the Criminal Chamber of the Supreme Court decided to uphold the decision.

De brief van de minister van Justitie van de Republiek Albanië van november 2016 - als bijlage gevoegd bij de hiervoor genoemde brief van 14 november 2016 - houdt onder meer het volgende in:

Ministry of Justice of the Republic of Albania, pursuant to article 122 of the Constitution of the Republic of Albania, article 3 of the Second Additional Protocol to the European Convention of Extradition, article 504//2 of the Albanian Criminal Procedure Code and article 51 of the Law no. 10193 dated 03.12.2009 ‘On Jurisdictional Relations with Foreign Authorities in Criminal Matters’, referring to the fact that the Albanian citizen [de opgeëiste persoon] is tried in absentia, guarantees on behalf of the Albanian state:

1. The observance of the right to retrial of this subject upon his request, pursuant to the Constitution and articles 147, 148, 449, 450, 453 of the Criminal Procedure Code of the Republic of Albania.

We stress that the Constitution of the Republic of Albania, in article 122 thereof, establishes that each International Treaty ratified makes part of the domestic legal order after its publication in the Official Journal of the Republic of Albania and even prevails over the laws of the country that are not incompatible with it.

When the decision is rendered in absentia, the defendant shall enjoy the effective right to retrial under article 450 of the Criminal Procedure Code of the Republic of Albania, because this provision is interpreted in the Supreme Court Decision No.812. dated 17 September 2010.

This article has now generated a consolidated jurisprudence in the judicial and legal doctrinal tradition of the Republic of Albania. The Supreme Court Decision no. 812 dated 17 September 2010 is referable as a precedent for all lower courts in Albania and operates precisely with the same effect in all cases of citizens, subject to extradition, tried and sentenced in absentia.

(...)

Bij deze brief is de tekst van de in de brief genoemde Albanese bepalingen gevoegd.

5.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Uit de stukken blijkt niet dat de opgeëiste persoon op enig moment op de hoogte is gesteld van de tijd en plaats van de zitting(en). Weliswaar heeft een advocaat de verdediging gevoerd, maar dit was buiten medeweten van de opgeëiste persoon.

Albanië heeft geen duidelijke verzetgarantie gegeven. Niet wordt bevestigd dat de opgeëiste persoon bij aankomst in Albanië direct de uitspraak betekend zal krijgen. Niet wordt bevestigd dan wel gegarandeerd dat de opgeëiste persoon in Albanië geïnformeerd wordt over zijn recht(en) om een nieuwe procedure aan te vragen. Al helemaal wordt niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon sowieso het recht heeft op een nieuwe procedure waarbij nieuw bewijs gebezigd kan worden en waarbij de bestaande uitspraak over de kop zal kunnen gaan.

De gedane toezeggingen leveren geen duidelijke verzetgarantie op, zodat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard.

Nu er geen garantie is gegeven, komt de verdediging niet toe aan toepassing van de door de Hoge Raad gegeven criteria (HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7699, r.o. 3.3). Als de verdediging deze zaak desalniettemin langs de lat van de Hoge Raad legt, dan komt zij tot de volgende conclusie. Vanwege het gegeven dat Albanië de gedane ‘toezeggingen’ niet – ondanks herhaalde verzoeken – wenst te verduidelijk c.q. aan te scherpen moet er wat betreft de verdediging ernstig rekening gehouden worden dat Albanië de gedane ‘toezegging’ niet zal nakomen waardoor de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem in gevolge van artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht. Datzelfde geldt mutatis mutandis voor de vraag of de opgeëiste persoon een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.

In het arrest EHRM 5 november 2013, 34783/06 (Izet Haxhia/Albanië) – waar een schending van artikel 6 EVRM is aangenomen – komt voornoemde problematiek in de paragrafen 37 tot en met 39 kort aan de orde. Er worden drie zaken genoemd waarbij de opgeëiste personen uiteindelijk een nieuw proces hebben gekregen in Albanië. Bij al deze zaken had de Albanese minister van Justitie aan het aangezochte land gegarandeerd dat de opgeëiste persoon een nieuw proces (‘re-trial’) zou krijgen. Die garantie ontbreekt in deze zaak. De verdediging beschikt niet over de in die zaken gegeven garanties waardoor vergelijken onmogelijk is.

Interessant is vervolgens paragraaf 53 van datzelfde arrest waar het EHRM het volgende overweegt:

the Court has not been presented with the terms of any assurance given by Albania to Turkey. Nor does it have any knowledge of any concessions made so as to enable the Supreme Court to be seized under article 450 of the CCP with a request for re-trial. In this circumstances, the Court rejects as unsubstantiated the Government’s objection under this head.

De vrije vertaling van de verdediging komt er op neer dat, nu het EHRM niet

beschikte over de voorwaarden van enige garantie de bezwaren van Albanië als ongefundeerd terzijde worden geschoven.

In de onderhavige zaak heeft Albanië slechts verwijzingen naar de algemene regel- en wetgeving in Albanië gegeven (waarover dus ook het EHRM in voornoemde zaak beschikte) en heeft Albanië geen duidelijke, ondubbelzinnige garanties willen geven ten aanzien van de opgeëiste persoon. Onder die omstandigheden is het naar mening van de verdediging in lijn met voornoemd arrest om de uitlevering te weigeren om op die manier een schending van art. 6 EVRM te voorkomen.

De verdediging heeft een tweetal uitspraken van rechters uit het Verenigd Koninkrijk overgelegd waarin Albanese garanties ongenoegzaam werden bevonden.

5.3 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer niet kan slagen.

5.4 Oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op de zitting van 24 november 2016 heeft de rechtbank in aansluiting op het standpunt van de officier van justitie en gelet op de omstandigheid dat de officier van justitie nadere vragen had laten stellen over de ‘verzetgarantie’ het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, ‘teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om van de Albanese autoriteiten alsnog een verzetgarantie te verkrijgen, waaruit duidelijk volgt dat de opgeëiste persoon recht heeft op een nieuw inhoudelijk proces’.

Bij brieven van 23 januari 2017 en 15 februari 2017 heeft het Nederlandse ministerie van Veiligheid en Justitie nadere vragen gesteld over de brief van minister van Justitie van de Republiek Albanië.

Is een verzekering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: TAP EUV) vereist?

Artikel 3, eerste lid, TAP EUV luidt als volgt:

Wanneer een Verdragsluitende Partij een andere Verdragsluitende Partij om de uitlevering van een persoon verzoekt ten einde een strafvonnis of een bevel tot vrijheidsbeneming ten uitvoer te leggen dat bij verstek is gewezen, kan de aangezochte Partij weigeren hiertoe uit te leveren wanneer naar haar oordeel bij het strafproces de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen die tenminste aan een ieder, tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen. Niettemin dient uitlevering te worden toegestaan als de verzoekende Partij een verzekering geeft die voldoende wordt geacht om de opgeëiste persoon het recht te waarborgen op een nieuw proces waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd. Deze beslissing geeft de verzoekende Partij de bevoegdheid om hetzij het desbetreffende vonnis ten uitvoer te leggen indien de veroordeelde persoon geen verzet doet, hetzij een strafproces tegen de uitgeleverde persoon aan te vangen indien deze wel verzet doet.

Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ‘bij het strafproces de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen die tenminste aan een ieder, tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen’.

De eerste volzin van artikel 3, eerste lid, brengt in samenhang met artikel 5, derde lid, UW mee dat de uitleveringsrechter in een dergelijk geval de uitlevering ontoelaatbaar verklaart, tenzij de verzoekende staat ‘een verzekering geeft die voldoende wordt geacht om de opgeëiste persoon het recht te waarborgen op een nieuw proces waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd’.

Heeft de Republiek Albanië een verzekering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, TAP EUV gegeven?

De brief van de minister van Justitie van de Republiek Albanië houdt in dat de opgeëiste persoon ‘shall enjoy the effective right to retrial under article 450 of the Criminal Procedure Code of the Republic of Albania’ en verwijst daartoe naar de beslissing van het Supreme Court van Albanië van 17 september 2010, No. 812.

Volgens artikel 51, vierde lid, van de Law on Jurisdictional Relations with Foreign Authorities in Criminal Matters kan een ‘final criminal judgment rendered against the extraditee by local judicial authorities in his absentia, (...) be reviewed upon the request of the extraditee if the Minister of Justice has provided such a guarantee to the requested state’. De beoordeling van een dergelijk verzoek ‘shall be compliant with provisions of the Criminal Procedure Code’. Artikel 450 van de Criminal Procedure Code somt de gronden voor herziening van onherroepelijke veroordelingen op. Volgens artikel 453, derde lid, van de Criminal Procedure Code wordt de veroordeling bij inwilliging van het verzoek om herziening vernietigd en wordt de zaak ‘for reexamination’ teruggewezen naar ‘the court of first instance that has rendered the sentence’.

De rechtbank begrijpt de brief van de minister van Justitie van de Republiek Albanië aldus dat het Supreme Court van Albanië dit samenstel van bepalingen zo heeft uitgelegd, dat in geval van uitlevering aan Albanië onder de in artikel 3, eerste lid, TAP EUV bedoelde ‘verzekering’ de uitgeleverde persoon die bij verstek is berecht en veroordeeld het recht heeft op een nieuw proces via de procedure van artikel 450 van de Criminal Procedure Code (vgl. EHRM 5 november 2013, 34783/06 (Izet Haxhia/Albanië), § 37).

Uit de brief van de minister van Justitie van de Republiek Albanië volgt niet alleen dat de opgeëiste persoon het recht op een nieuw proces wordt toegezegd, maar ook - zoals volgt uit de verwijzing naar artikel 3, eerste lid, TAP EUV - dat hem wordt toegezegd dat in het nieuwe proces de rechten van de verdediging zullen worden gegarandeerd.

Anders dan de raadsman is de rechtbank dan ook van oordeel dat de brief van de minister van Justitie van de Republiek Albanië een verzekering inhoudt ‘die voldoende wordt geacht om de opgeëiste persoon het recht te waarborgen op een nieuw proces waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd’ in de zin van artikel 3, eerste lid, TAP EUV.

De eisen die de raadsman aan de inhoud van een ‘verzekering’ stelt, kunnen wellicht gebaseerd worden op het hier niet toepasselijke artikel 12 van de Overleveringswet, maar niet op de van toepassing zijnde verdragen.

Dreigt in geval van uitlevering aan de Republiek Albanië een flagrante schending van artikel 6 EVRM?

Nu de Republiek Albanië een verzekering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, TAP EUV heeft gegeven, brengt het vertrouwensbeginsel mee dat de rechtbank in beginsel ervan uitgaat dat de verzoekende Staat de bepalingen van de toepasselijke uitleveringsverdragen zal naleven en dus de ‘verzekering’ gestand zal doen.

Dat lijdt alleen uitzondering, indien:

(a) uit feiten en omstandigheden blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verzoekende Staat de gedane toezegging niet zal nakomen, waardoor de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en

(b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk (HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7699, r.o. 3.3).

Aan geen van beide voorwaarden is voldaan.

Het standpunt van de verdediging berust in wezen op de - hierboven al verworpen - stelling dat de Republiek Albanië geen verzekering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, TAP EUV heeft gegeven.

Dat de Republiek Albanië na herhaalde vragen van de zijde van het Nederlandse ministerie van Veiligheid en Justitie de gegeven verzekering - in de woorden van de verdediging - niet heeft verduidelijkt of aangescherpt, levert geen grond op voor een ernstig vermoeden dat de Republiek Albanië die verzekering niet zal nakomen. De al gegeven verzekering voldoet immers aan de eisen van artikel 3, eerste lid, TAP EUV, zodat de nadere vragen van het ministerie van Veiligheid en Justitie achteraf bezien niet nodig waren.

Tot slot merkt de rechtbank op dat de beslissingen van rechters uit het Verenigd Koninkrijk waarop de verdediging een beroep heeft gedaan dateren uit 2005 en 2007. Deze beslissingen zijn dus gegeven voordat het Supreme Court van Albanië het recht van Albanië zo heeft uitgelegd, dat in een geval als het onderhavige het recht op een nieuw proces bestaat. Reeds daarom zijn de beslissingen van de rechters uit het Verenigd Koninkrijk niet van belang.

Conclusie

De rechtbank verwerpt het verweer.”

5. Art. 3 TAP EUV houdt in:

“The Convention shall be supplemented by the following provisions:

Judgments in absentia

1. When a Contracting Party requests from another Contracting Party the extradition of a person for the purpose of carrying out a sentence or detention order imposed by a decision rendered against him in absentia, the requested Party may refuse to extradite for this purpose if, in its opinion, the proceedings leading to the judgment did not satisfy the minimum rights of defence recognised as due to everyone charged with criminal offence. However, extradition shall be granted if the requesting Party gives an assurance considered sufficient to guarantee to the person claimed the right to a retrial which safeguards the rights of defence. This decision will authorise the requesting Party either to enforce the judgment in question if the convicted person does not make an opposition or, if he does, to take proceedings against the person extradited. 2. When the requested Party informs the person whose extradition has been requested of the judgment rendered against him in absentia, the requesting Party shall not regard this communication as a formal notification for the purposes of the criminal procedure in that State.”

En art. 5 UW schrijft voor:

“1. Uitlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:

a. een door autoriteiten van de verzoekende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Nederland, een vrijheidsstraf van een jaar, of van langere duur, kan worden opgelegd;

b. de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de verzoekende staat te ondergaan wegens een feit als onder a bedoeld.

2. (….).

3. Indien, in het geval bedoeld in het eerste lid, onder b, de veroordeling tot vrijheidsstraf bij verstek heeft plaatsgevonden, kan de uitlevering slechts worden toegestaan, indien de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest of alsnog zal worden gesteld om zijn verdediging te voeren.”

6. Ingevolge art. 3, eerste lid, TAP EUV kan een uitlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een bij verstek gewezen veroordeling ontoelaatbaar worden verklaard, indien naar het oordeel van de uitleveringsrechter de verdachte in de verstekprocedure zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen.2 Deze weigeringsgrond is op grond van dezelfde bepaling niet van toepassing wanneer, vertaald in het Nederlands, de verzoekende staat “een verzekering geeft die voldoende wordt geacht om de opgeëiste persoon het recht te waarborgen op een nieuw proces waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd”.

7. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het aan de uitleveringsrechter is om te (be)oordelen of de in dit verband door de verzoekende staat gegeven verzekering voldoende is. Het vertrouwensbeginsel brengt naar het oordeel van de Hoge Raad in diens arrest van 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6798, NJ 2012/368 (rov. 3.5.4) mee dat “de uitleveringsrechter in beginsel ervan dient uit te gaan dat de verzoekende staat de bepalingen van de toepasselijke uitleveringsverdragen zal naleven”. Dat lijdt, zo vervolgt de Hoge Raad, slechts uitzondering indien (voor zover hier van belang):

“(a) uit feiten en omstandigheden blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verzoekende staat de gedane toezegging niet zal nakomen, waardoor de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.”3

8. De opgeëiste persoon is bij verstekvonnis van 13 juni 2011 van het Judicial District Court of Durrës voor feiten die naar Nederlands recht – kort gezegd – “doodslag” en “het voorhanden hebben van munitie van categorie II of III van de Wet wapens en munitie” opleveren, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden. Dit vonnis is, na aanvankelijk te zijn vernietigd door de Appeals Court of Durrës, bekrachtigd door de Criminal Section of the Supreme Court van Albanië. De rechtbank Amsterdam heeft vastgesteld dat in de Albanese verstekprocedure de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen die tenminste aan een ieder, tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen. Deze omstandigheid levert blijkens art. 5, derde lid, UW, dat in dwingender bewoordingen voortbouwt op het bepaalde in art. 3, eerste lid, TAP EUV, in beginsel een weigeringsgrond op. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank echter overeenkomstig de wettelijke uitzondering de uitlevering niettemin toelaatbaar verklaard, nu Albanië in overeenstemming met het bepaalde in art. 3, eerste lid, TAP EUV een verzekering heeft geboden “die voldoende wordt geacht om de opgeëiste persoon het recht te waarborgen op een nieuw proces waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd”.

9. In het licht van deze verzekering van Albanese zijde, is het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot ontoelaatbaarverklaring afgewezen. Daarover wordt nu in cassatie geklaagd: de toezegging van de minister van Justitie van Albanië zou onvoldoende concreet zijn, nu de bepalingen uit het Albanese Wetboek van Strafvordering, waarop deze minister zich beroept, onvoldoende zekerheid zouden bieden met betrekking tot de zogenoemde verzetgarantie. Daarnaast moet er volgens de steller van het middel ernstig rekening mee worden gehouden dat de bedoelde toezegging niet zal worden nagekomen, waardoor een flagrante inbreuk op art. 6 EVRM dreigt terwijl een adequaat rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ontbreekt.

10. De rechtbank baseert haar bestreden oordeel over de voormelde verzekering van Albanië op een in november 2016 verstuurde brief van de minister van Justitie van deze republiek. De rechtbank geeft nadrukkelijk aan dat deze brief onder vermelding van een beslissing van de Supreme Court van Albanië van 17 september 2010, no. 812, inhoudt dat de opgeëiste persoon “shall enjoy the effective right to retrial under article 450 of the Criminal Procedure Code of the Republic of Albania”. Vervolgens wijst de rechtbank in het bijzonder op art. 51, vierde lid, van de Law on jurisdictional relations with foreign authorities in criminal matters, welke bepaling de opgeëiste persoon de mogelijkheid biedt tot het doen van een daartoe strekkend verzoek na een afgegeven garantie aan de aangezochte Staat. De ‘retrial’ vindt plaats volgens de bepalingen uit het Albanese Wetboek van Strafvordering, waarin de gronden voor herziening van onherroepelijke veroordelingen zijn opgesomd (art. 450) en ook de bepaling is opgenomen dat bij inwilliging van het verzoek de verstekuitspraak wordt vernietigd en voorts wordt voorzien in een reexamination-procedure (art. 453, derde lid). Ter onderbouwing van haar oordeel dat hier is voorzien in de mogelijkheid van een nieuw proces, haalt de rechtbank de in de brief van de minister van Justitie genoemde uitspraak van de Supreme Court van Albanië aan, waarin – naar de rechtbank begrijpt – het samenstel van de bepalingen als voornoemd aldus wordt uitgelegd dat, nadat de uitlevering feitelijk heeft plaatsgevonden, de ‘verzekering’ het recht van de opgeëiste persoon op een nieuw proces overeenkomstig voormeld art. 450 waarborgt.4

11. Gelet op het voorgaande meen ik dat het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een voldoende ‘retrial-assurance’ geenszins onbegrijpelijk is en voldoende is gemotiveerd. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, maakt de Albanese minister van Justitie in zijn brief reeds melding van art. 51 Law on jurisdictional relations with foreign authorities in criminal matters. Uit de omstandigheid dat de minister in deze brief wijst op “another instrument”, te weten de regeling uit art. 147 van het Albanese Wetboek van Strafvordering, kan niet worden afgeleid dat voormeld art. 51 geen toepassing vindt. De uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan de Albanese bepalingen is dan ook niet onbegrijpelijk.

12. Nu op grond van art. 79, eerste lid onder b, RO het oordeel van de rechtbank over bepalingen van vreemde staten in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst, is te dezen voor een verdergaande toetsing geen plaats.5 Het vertrouwensbeginsel brengt mee dat de uitleveringsrechter in beginsel ervan uit dient te gaan dat de verzoekende staat de “assurance” als vermeld in art. 3, eerste lid, TAP EUV daadwerkelijk zal naleven. Ook in dat licht bezien is de uitspraak van de rechtbank niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, en faalt de desbetreffende klacht die immers is gestoeld op de onjuiste veronderstelling dat een concrete toezegging van Albanese zijde ontbreekt.

13. Kortom, het oordeel van de rechtbank over de verzekering die Albanië heeft gegeven, is niet onbegrijpelijk en is voldoende gemotiveerd.

14. Daaruit vloeit voort dat ook het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken van een risico op een flagrante schending van enig op de opgeëiste persoon ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht en dat, zo leg ik de desbetreffende overweging van de rechtbank uit, de opgeëiste persoon na uitlevering een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat, niet onbegrijpelijk is en voldoende met redenen is omkleed. De klacht die daartegen opkomt, treft evenmin doel.

15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Aangehaald worden de artikelen 6 en 13 EVRM, art. 1 EUV – inclusief het daarbij door Nederland gemaakte voorbehoud -, art. 3 Tweede Aanvullend Protocol EUV en art. 5 UW.

2 Zie V.H. Glerum & N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in: R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Handboek internationaal strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 233-235.

3 Zie ook het overzichtsarrest van HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. Rozemond en eerder al HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0843 (rov. 3.5.2) en HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7699, NJ 2008/44 (rov. 3.3).

4 De limitatieve gronden die de Albanese wet aan een retrial verbindt, maken dat dus niet anders. Zie ook EHRM 5 november 2013, 34783/06 (Izet Haxhia/Albanië), § 37-39.

5 Zie bijv. HR 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3249, NJ 2001/671 en V.H. Glerum, Handboek strafzaken, 91.10.3 Cassatie (bijgewerkt tot en met 18 augustus 2010).