Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1299

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-09-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
18/03514
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2102, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Machtiging tot voortgezet verblijf. Motivering van afwijzing verzoek om second opinion t.a.v. stoornis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JGZ 2019/5 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 18/03514

mr. M.L.C.C. Lückers

Zitting: 14 september 2018

Conclusie inzake:

[betrokkene]

(hierna: betrokkene),

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later

tegen

De Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland,

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

In deze zaak heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis verleend. In cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank ongemotiveerd voorbij is gegaan aan een verzoek om een contra-expertise met betrekking tot de bij betrokkene vastgestelde stoornis. Verder wordt opgekomen tegen het oordeel dat de stoornis betrokkene gevaar zal doen veroorzaken.

1 Feiten en procesverloop

1.1

De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, op 1 mei 2018 ingekomen ter griffie van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 15 Wet Bopz). Bij het verzoekschrift waren gevoegd:1 (i) een geneeskundige verklaring van 25 april 2018, afgegeven door geneesheer-directeur [betrokkene 1], die betrokkene daartoe heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 2], (ii) een behandelplan, op 27 juli 2017 opgesteld door psychiater [betrokkene 3], (iii) een bericht over de staat van uitvoering daarvan en (iii) de wettelijke aantekeningen2.

1.2

Op 14 mei 2018 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Zij heeft gehoord: betrokkene, zijn advocaat mr. M.J.H. Mühlstaff en psychiater [betrokkene 3] voornoemd.

1.3

De rechtbank heeft bij beschikking van 14 mei 2018 een machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis tot en met 8 mei 2019. De rechtbank was van oordeel dat bij betrokkene sprake is van een stoornis in de zin van de Wet Bopz, dat die stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken, dat gebleken is dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend en dat betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid om vrijwillig verder te verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis.

1.4

Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel bevat twee onderdelen.

2.2

Onder verwijzing naar een passage uit het proces-verbaal van de zitting van 14 mei 2018 neemt onderdeel I tot uitgangspunt dat betrokkene heeft aangevoerd dat hij een second opinion wil over de stoornis. Het onderdeel klaagt vervolgens dat de rechtbank ten onrechte geen (gemotiveerde) beslissing heeft gegeven op dit verzoek.

2.3

Op grond van art. 8 lid 6 Wet Bopz kan de betrokkene de rechter verzoeken om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een nader onderzoek door een of meer deskundigen te gelasten (bij wijze van contra-expertise naast de door de officier van justitie overgelegde geneeskundige verklaring). Gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing kan een verzoek aan de rechtbank om door een deskundige nader onderzoek te doen verrichten, ingevolge vaste jurisprudentie slechts gemotiveerd worden afgewezen.3 De Hoge Raad heeft in dat verband als volgt geoordeeld:4

“(…) De rechter is derhalve overeenkomstig de algemene regels in de verzoekschriftprocedure vrij een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige af te wijzen. Niettemin moet, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing worden aangenomen dat een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige slechts gemotiveerd kan worden afgewezen. De eisen die aan die motivering moeten worden gesteld, hangen af van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten.”

2.4

Bij de bespreking van het onderdeel neem ik de volgende feiten tot uitgangspunt:

(a) in de geneeskundige verklaring van 25 april 2018, opgemaakt door psychiater [betrokkene 2], staat onder 3a (“op grond van welke symptomen, gedragingen en feiten oordeelt u dat betrokkene lijdt aan een stoornis van geestvermogens?”) dat betrokkene al jarenlang bekend is met een schizo-affectieve stoornis, middelenafhankelijkheid en persoonlijkheidsproblematiek. Verder wordt vermeld dat betrokkene voorafgaand aan de afgegeven rechterlijke machtiging (de voorlopige machtiging) jarenlang is behandeld door verslavingsinstelling Tactus en dat hij met een IBS (inbewaringstelling) in Zutphen opgenomen is geweest. In de geneeskundige verklaring staat verder dat er duidelijk negatieve symptomen zijn en dat ziektebesef en ziekte-inzicht volledig ontbreken.

(b) onder 3c (“tot welke diagnose bent u gekomen op basis van uw onderzoek?”) van de geneeskundige verklaring vermeldt [betrokkene 2] dat bij betrokkene is vastgesteld dat sprake van een schizo-affectieve stoornis van het bipolaire type, verslavingsproblematiek en persoonlijkheidsproblematiek passend bij persoonlijkheidsstoornissen uit cluster A en B. Hij schrijft verder dat hij geen reden ziet vanuit de voorgeschiedenis, de informatie van de behandelaar en het team en het contact met betrokkene zelf hier iets anders van te vinden en dat hij alle reden ziet deze diagnoses te bevestigen. Vervolgens worden onder 3c de volgende stoornissen aangekruist: “overig (inclusief ongespecificeerde) organische hersensyndromen)” en “overig (inclusief ongespecificeerde) psychotische stoornissen”, waarbij de laatstgenoemde stoornis als de belangrijkste wordt aangemerkt.

(c) [betrokkene 2] beantwoordt in de geneeskundige verklaring vraag 3d (“waarom oordeelt u dat de stoornis van de geestvermogens van betrokkene ook na afloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn?”) als volgt:

“Wegens het chronische karakter en het huidige toestandsbeeld. Medicatie en een adequate spiegel hiervan, speelt een noodzakelijk rol bij verbetering in gedrag en symptomen, en moet er toe leiden dat patiënt minder paranoïde is, een verbeterde stemming gaat ervaren en actiever wordt, en hij minder chaotisch in denken en handelen is. Het is nog onvoldoende gelukt de (dwang)medicatie zo in te stellen dat de gewenste positieve effecten optreden, wel zijn na een medicatiewisseling inmiddels effecten opgemerkt, die hoopvol stemmen. Er is sprake van een gebrek aan ziektebesef en ziekte-inzicht en resistentie tegen medicatie, die, zo is de verwachting, patiënt, vanuit zijn huidige toestandsbeeld, zal laten staan zodra e.e.a. slechts afhankelijk is van zijn keuze en motivatie, met alle risico’s van dien op verwaarlozing en agressieve uitingen.”

(d) psychiater [betrokkene 3] vermeldt in het behandelplan van 27 juli 2017, dat blijkens de aanhef is besproken met betrokkene, onder meer het volgende:

“(…) Er is sprake van een schizo-affectieve stoornis van het bipolaire type, met achterdocht, visuele en auditieve hallucinaties en ontremming. Vanuit deze symptomen is er plotselinge agressie, matige zelfzorg en sterke initiatiefloosheid. Daarnaast is er een jarenlang bestaande afhankelijkheid van opiaten, benzodiazepines, alcohol en nicotine.

Er wordt in eerdere rapportages gesproken over persoonlijkheidsproblematiek met schizoïde, schizo-typische en antisociale trekken. Patiënt toont zich zeer autoriteitsgevoelig, is zeer gesteld op eigen autonomie, grote impulsiviteit en met name bij begrenzing een zeer snelle opbouw van woede. Op een ontspannen moment kan patiënt ook sociaal gedrag laten zien en rekening houden met een ander.”

(e) in zijn wat meer recente brief van 24 april 2018 aan GGZ Drenthe komt [betrokkene 3] onder het kopje “Diagnose” (blz. 2 en 3) tot dezelfde conclusies als in het eerder door hem opgestelde behandelplan van 27 juli 2017. Onder het kopje “Reden aanvraag Rechterlijke Machtiging” schrijft hij onder meer dat betrokkene geen besef heeft van de ernstige psychotische stoornis met ontremming (schizo-affectieve stoornis) die mede ten grondslag liggen aan de agressieve uitbarstingen, dat onder invloed van middelen (alcohol benzo’s, drugs) de agressiecontrole ernstig tekort schiet, dat niet waarschijnlijk wordt geacht dat betrokkene veel aan ziektebesef of inzicht zal winnen en dat gewerkt zal worden aan het vergroten van probleembesef.

2.5

Uit de in 2.4 weergegeven feiten kunnen als conclusies worden getrokken dat twee psychiaters op verschillende momenten5 na onderzoek tot het oordeel zijn gekomen dat bij betrokkene sprake is van meerdere stoornissen. [betrokkene 2] heeft in de geneeskundige verklaring geconcludeerd dat de stoornis van de geestvermogens bij betrokkene een chronisch karakter heeft. De rechtbank heeft op blz. 2 overwogen dat betrokkene “al jaren bekend is met een schizoaffectie stoornis, middelenafhankelijkheid en persoonlijkheidsproblematiek”.

2.6

Vaste jurisprudentie is dat ten aanzien van een verzoek om een nader, deskundig medisch-psychiatrisch onderzoek geen hoge eisen kunnen worden gesteld aan de stelplicht van betrokkene. Voldoende is dat duidelijk is waarom de conclusies van de geneeskundige verklaring in twijfel worden getrokken en waarop het verzochte onderzoek zich zou moeten richten.6 Het ter zitting gedane verzoek van betrokkene is wel zeer summier en voldoet niet aan deze (minimum)eisen. Blijkens het proces-verbaal heeft betrokkene ter zitting verklaard dat hij een second opinion wil over “de stoornis”. Meer is niet aangevoerd. Betrokkene heeft ook niet gespecificeerd over welke van de vastgestelde stoornissen hij een nader onderzoek wenst. Betrokkene is ter zitting bijgestaan door een advocaat. De advocaat is op het punt van de second opinion echter in het geheel niet ingegaan. Indien de advocaat het met de oordelen van de psychiaters omtrent de stoornissen niet eens was, dan had het op zijn weg gelegen om het verzoek van betrokkene nader te onderbouwen. Dit heeft hij niet gedaan. Uit het proces-verbaal kan worden afgeleid dat hij uitsluitend verweer heeft gevoerd op het punt van de vastgestelde gevaren.

2.7

Het onderdeel betoogt met juistheid dat de rechtbank op het verzoek van betrokkene om een second opinon niet expliciet een beslissing heeft gegeven. Standaard jurisprudentie van Uw Raad is dat gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing een verzoek aan de rechtbank om door een deskundige nader onderzoek te doen verrichten slechts gemotiveerd kan worden afgewezen.7 Uw Raad heeft in de beschikking van 29 april 2005 geoordeeld dat de eisen die aan de motivering van de rechtbank moeten worden gesteld, afhangen van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten8. In het licht van het in 2.6 vermelde had de rechtbank naar mijn mening kunnen volstaan met een summier gemotiveerde afwijzing van het verzoek. Het is niet ondenkbaar dat in het oordeel van de rechtbank besloten ligt dat zij het verzochte nadere onderzoek naar de vastgestelde stoornissen niet nodig heeft geoordeeld, omdat daaromtrent reeds voldoende duidelijkheid bestond nu (i) de diagnose door verschillende psychiaters op verschillende tijdstippen is gesteld en (ii) één van hen heeft geoordeeld dat de stoornis van de geestvermogens bij betrokkene een chronisch karakter heeft. Echter het proces-verbaal noch de bestreden beschikking maken van deze eventuele gedachtegang melding. Nu een expliciete beslissing op een gedaan verzoek om een second opinion vereist is en de rechtbank die beslissing niet heeft gegeven, kan de bestreden beschikking op dit punt niet in stand blijven.

2.8

Gezien het bovenstaande meen ik dat het onderdeel slaagt.

2.9

Onderdeel II is gericht tegen het volgende oordeel:

“Ook is komen vast te staan dat deze stoornis betrokkene ook dan nog gevaar zal doen veroorzaken.

Het betreft het gevaar

• dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen;

• dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat;

• dat betrokkene zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen;

• dat betrokkene door hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen;

• dat betrokkene een ander van het leven zal beroven of ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen;

• voor de psychische gezondheid van een ander;

• voor de algemene veiligheid van personen of goederen.

Betrokkene is al jaren bekend met een schizoaffectie stoornis, middelenafhankelijkheid en persoonlijkheidsproblematiek. Vanuit achterdocht, hallucinaties (zowel auditief als visueel) en ontremming kan betrokkene tot impulsieve agressieve gedragingen komen. Daarbij is er sprake van slechte zelfzorg en weinig initiatief. Betrokkene is er van overtuigd dat anderen zaken doen en maatregelen treffen die hem schaden en hem belemmeren zijn leven te leiden zoals hij dat goed en prettig acht. Hij verzet zich hier tegen, ook met geweld, zodra er niet wordt meegegaan in zijn doelen en ideeën. Een en ander wordt de laatste tijd iets rustiger in die zin dat de controle iets lijkt toe te nemen na een wisseling van (dwang)medicatie. Wanneer er alcohol of drugs in het spel is schiet de agressiecontrole nog meer te kort en wordt betrokkene zeer snel dreigend en gewelddadig naar zijn omgeving. (…)”

2.10

Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onvoldoende actueel is en daarnaast onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd in het licht van hetgeen namens betrokkene is aangevoerd en hetgeen uit de stukken blijkt. Ter toelichting op de klacht voert het onderdeel, samengevat weergegeven, het volgende aan:

- betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij met psychiater [betrokkene 3] in anderhalf jaar geen gesprek heeft gehad en dat [betrokkene 3] wel op 24 april 2018 de aanvraag beoordeling rechterlijke machtiging heeft geschreven;

- [betrokkene 3] heeft ter zitting iets anders verklaard “met betrekking tot bijvoorbeeld het verlof” dan hetgeen hij eerder heeft geschreven in de aanvraag beoordeling rechterlijke machtiging;

- [betrokkene 3] heeft in de staat van uitvoering, overgelegd als bijlage bij de aanvraag beoordeling rechterlijke machtiging van 24 april 2018, onder meer het volgende geschreven:

“Er is nog steeds sprake van geheel afwezig ziekte besef met betrekking tot de psychose. Patiënt ontkent eerder door hem zelf genoemde psychotische symptomen, weet zich deze mogelijk ook niet meer te herinneren.

Het beeld is echter sterk verbeterd en het contact verloopt over het algemeen, met wat heftige momenten daarbij, goed.”

- uit de data die [betrokkene 3] vervolgens noemt (5 juni en 9 juni) kan worden afgeleid dat dit data zijn van vóór de datum van bestreden beschikking, en dat uit deze stukken “dus niet duidelijk is wat op het moment van de beoordeling van het verzoek aan de orde is” naast het feit dat betrokkene zelf verklaart dat hij [betrokkene 3] anderhalf jaar niet heeft gesproken;

- [betrokkene 3] heeft blijkens het proces-verbaal ter zitting verklaard dat betrokkene “naar verwachting geen medicatie zal blijven innemen en middelen zal blijven gebruiken, met gevaar voor escalaties zoals die zich eerder hebben voorgedaan”, doch niet duidelijk is waarop hij dit baseert;

- de advocaat van betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij zich verzet tegen het genoemde gevaar, dat hij betrokkene al heel lang kent, dat het enige gevaar zich voordoet in contacten met de politie, dat betrokkene niet suïcidaal is en dat er geen sprake is van teloorgang, dat het beter is dat betrokkene in een rustige omgeving, in een soort ‘hufterwoning’ gaat wonen, dat de genoemde gevaren dan niet spelen, en dat betrokkene geen ziektebesef heeft maar zijn medicatie zal blijven gebruiken.

2.11

Het onderdeel klaagt dat “gelet op alle discrepanties tussen de informatie die wordt verstrekt, informatie die duidelijk erg gedateerd is en in belangrijke mate afkomstig is van een psychiater die verzoeker al anderhalf jaar niet heeft gesproken”, onbegrijpelijk is dat de rechtbank tot haar conclusies met betrekking tot het gevaar komt. Het onderdeel stelt dat naar actuele gegevens moet worden gekeken en dat niet kan worden teruggegrepen naar het verleden “waar andere problemen een rol gespeeld kunnen hebben”. Het onderdeel klaagt tot slot dat de rechtbank ten onrechte een zo ernstig gevaar voortvloeiend uit een stoornis - waar betrokkene een second opinion over heeft gevraagd - heeft aangenomen dat een vrijheidsberoving voor de duur van een jaar kan rechtvaardigen, althans dat zij in het licht van alle stukken “een keuze uit die stukken heeft gemaakt” die onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is.

2.12

Het lijkt erop dat het onderdeel ervan uit gaat dat de rechtbank haar oordeel omtrent het gevaar uitsluitend dan wel grotendeels heeft gebaseerd op hetgeen psychiater [betrokkene 3] heeft geschreven in (i) het behandelplan van 27 juli 20179, (ii) de aanvraag beoordeling rechterlijke machtiging van 24 april 2018 en (iii) de daarbij behorende bijlage (staat van uitvoering), alsmede op hetgeen hij ter zitting heeft verklaard. Deze lezing mist feitelijke grondslag in de bestreden beschikking. Het onderdeel ziet er namelijk aan voorbij dat de gevaren die de rechtbank opsomt, alle worden genoemd in de recente geneeskundige verklaring van 25 april 2018. Deze verklaring is opgesteld na onderzoek door een andere psychiater, [betrokkene 2]. In punt 4 van de verklaring gaat [betrokkene 2] in op het gevaar. Onder 4a (“op grond van welke gedragingen van betrokkene oordeelt u dat de stoornis van de geestvermogens een gevaar oplevert voor betrokkene zelf, voor anderen of voor de algemene veiligheid van personen of goederen”) schrijft hij het volgende:

“Patiënt is er op basis van psychotische symptomen, ook wel in combinatie met persoonlijkheidstrekken, van overtuigd dat anderen zaken doen en maa(r)tregelen treffen die hem schaden en belemmeren zijn leven te leiden zoals hij dat goed en prettig acht. Hij verzet zich hier tegen ook met geweld zodra er niet wordt mee gegaan in zijn doelen en ideeën. E.e.a. wordt de laatste tijd iets rustiger in de zin dat controle iets lijkt toe te nemen, wat toch het gevolg lijkt van aanpassingen in de dwangmedicatie. Is alcohol of drugs in het spel dan schiet de agressiecontrole nog meer te kort en wordt patiënt vlot zeer dreigend en gewelddadig naar zijn omgeving.”

2.13

Uit hetgeen [betrokkene 2] onder 4c (“welke gedragingen en feiten (genoemd in vraag 4a en 4b), zijn niet door uzelf waargenomen, maar door anderen aan u meegedeeld?”) schrijft, blijkt dat de feiten en omstandigheden die hij onder 4a en 4b (“waarin bestaat dat gevaar”) opsomt, niet alleen afkomstig zijn van de behandelaar, maar ook van het behandelend team. [betrokkene 2] schrijft vervolgens onder 4c dat hij ook zelf contact heeft gehad met betrokkene en dat hij zich tijdens dat contact een oordeel heeft kunnen vormen over gebrek aan ziektebesef en ziekte-inzicht en de bij betrokkene afwezige motivatie tot verblijf en behandeling. Vervolgens vermeldt [betrokkene 2] onder 4d (“waarom oordeelt u dat dit gevaar, als gevolg van de stoornis van de geestvermogens van betrokkene, ook na beëindiging van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn?”) het volgende:

“De stoornis, met name het acute toestandsbeeld daaraan verbonden en het daaraan verbonden risico/gevaar is nog onvoldoende weggenomen door het verblijf en de (medicamenteuze) behandeling en bij gebrek aan ziekte-inzicht en ziektebesef is patiënt zelf niet gemotiveerd om vrijwillig en naar eigen inzicht de behandeling te vervolgen.

Hij zal, bij gebrek aan redelijk zicht op de consequenties van zijn handelen, vertrekken en zijn medicatie staken en daarmee weer in de gevarenzone belanden.

Een RM zorgt voor begrenzing en kadering waarbinnen patiënt beter, zo is de verwachting en dit is ook gebleken, functioneert en zich aan afspraken houdt, ondermeer m.b.t. medicatiegebruik. Helaas, maar dat is inherent aan gebrek aan ziektebesef en -inzicht en toch ook wel de negatieve symptomen, helpt dit niet echt om hem zich meer te laten richten op behandeling in plaats van op vertrek. Voor nu is langer verblijf noodzakelijk, overigens niet perse in de setting van klinische opname binnen de muren van de FPK, klinische opname onder vergelijkbare condities qua sturing en monitoring op het terrein van GGZ Drenthe, zou een haalbare stap kunnen blijken, om de overgang naar voldoende stabiel weer naar huis, een thuissituatie die nog geregeld dient te worden en waarschijnlijk een bescherm(en)de woonvorm dient te zijn, te realiseren. Verlenging van opname is nog noodzakelijk en niet mogelijk op basis van vrijwilligheid en heeft als doel te komen tot verbetering van het toestandsbeeld middels optimalisering van medicamenteuze ondersteuning en daarmee afname van gevaar en toename van perspectief op herstel.”

2.14

Uit deze passage blijkt duidelijk dat [betrokkene 2] vreest dat betrokkene bij gebrek aan ziekte-inzicht en ziektebesef zelf niet gemotiveerd is om vrijwillig en naar eigen inzicht de behandeling te vervolgen en dat hij bij gebrek aan redelijk zicht op de consequenties van zijn handelen zal vertrekken en zijn medicatie zal staken. Daarmee zal betrokkene, aldus nog steeds [betrokkene 2], “weer in de gevarenzone belanden”. Het oordeel van [betrokkene 2] is ter zitting bevestigd door psychiater [betrokkene 3], die heeft verklaard dat betrokkene de depotmedicatie die hij nodig heeft om goed te functioneren en het verlof goed te laten verlopen, weigert, dat hij geen ziektebesef heeft, dat hij naar verwachting geen medicatie zal blijven innemen en middelen zal blijven gebruiken, en dat hierdoor gevaar bestaat voor escalaties zoals die zich eerder hebben voorgedaan (veroorzaken overlast, conflicten met de politie, gevaar voor huisuitzetting). Blijkens het proces-verbaal heeft de advocaat van betrokkene ter zitting verklaard dat betrokkene geen ziektebesef heeft maar dat hij zijn medicatie zal blijven gebruiken.

2.15

Voor zover het onderdeel betoogt dat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het gevaar tevens onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is in het licht van de inhoud van de door [betrokkene 2] opgestelde geneeskundige verklaring, faalt deze klacht. Waar het betreft het punt “gevaar” blijkt uit de geneeskundige verklaring immers duidelijk dat vooral vrees bestaat dat betrokkene, die geen ziektebesef heeft10, geen medicatie zal innemen en (weer) middelen zal gaan gebruiken zodra er geen rechterlijke machtiging meer is. In dat geval zal betrokkene volgens [betrokkene 2] weer in de gevarenzone belanden. Het oordeel van de rechtbank dat de stoornis betrokkene de opgesomde gevaren zal doen veroorzaken berust op een waardering van de stukken en verklaringen. Die waardering is feitelijk en niet onbegrijpelijk.

2.16

De klacht dat de rechtbank niet is ingegaan op het ter zitting door de advocaat van betrokkene naar voren gebrachte verweer met betrekking tot de aanwezig geoordeelde gevaren, faalt. In het oordeel van de rechtbank ligt de verwerping van dit verweer besloten. Daarbij zij nog opgemerkt dat de advocaat blijkens het proces-verbaal niet is ingegaan op de door [betrokkene 2] aangestipte nadelige gevolgen van de (bij afwezigheid van een rechterlijke machtiging gevreesde) inname door betrokkene van alcohol en drugs.

2.17

Onderdeel II stuit hierop af.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie blz. 1 van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 14 mei 2018 onder het kopje “Procesverloop”. Deze passage wordt in cassatie niet bestreden. In het inleidend verzoekschrift staat dat bij het verzoek tevens wordt overgelegd “een print screen van de BOPZ-historie”. Dit stuk kon ik niet terugvinden in het in cassatie overgelegde procesdossier.

2 Als prod. 4 in het overgelegde procesdossier is overgelegd een brief d.d. 24 april 2018 met bijlage van psychiater [betrokkene 3] aan GGZ Drenthe. In de brief wordt allereerst de “huidige situatie” van betrokkene beschreven. Vervolgens wordt een beknopt overzicht gegeven van de psychiatrische voorgeschiedenis. In de bijlage wordt een “staat van uitvoering” geschetst (een “samenvatting van het beloop gedurende de huidige machtiging (IBS of RM), met beschrijving van behandelinterventies en de effecten daarvan op het psychiatrisch toestandsbeeld dan wel de gevaren”). Ik ga ervan uit dat dit de wettelijke aantekeningen zijn als bedoeld in art. 37a Wet Bopz. Zie daarover HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7928, NJ 2013/100.

3 HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5978, NJ 2007/153 m.nt. J. Legemaate, BJ 2005/14 m.nt. W. Dijkers; HR 18 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6545, BJ 2008/23; HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3702, BJ 2008/48; HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7071, BJ 2008/56; HR 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8104, BJ 2010/6; HR 8 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7925, NJ 2013/157, JVggz 2013/19 m.nt. W. Dijkers; HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9327, NJ 2013/330; HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:528, NJ 2015/131, JVggz 2015/11; HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:108, NJ 2017/65, JVggz 2017/13 en HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2528.

4 HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5978, NJ 2007/153 m.nt. J. Legemaate, BJ 2005/14 m.nt. W. Dijkers.

5 Tussen het behandelplan en de geneeskundige verklaring liggen bijna negen maanden.

6 HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:528, NJ 2015/131, JVggz 2015/11.

7 HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5978, NJ 2007/153 m.nt. J. Legemaate, BJ 2005/14 m.nt. W. Dijkers; HR 18 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6545, BJ 2008/23; HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3702, BJ 2008/48; HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7071, BJ 2008/56; HR 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8104, BJ 2010/6; HR 8 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7925, NJ 2013/157, JVggz 2013/19 m.nt. W. Dijkers; HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9327, NJ 2013/330; HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:528, NJ 2015/131, JVggz 2015/11; HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:108, NJ 2017/65, JVggz 2017/13 en HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2528.

8 HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5978, NJ 2007/153.

9 Uit deze datum volgt dat de stelling van betrokkene ter zitting dat hij al anderhalf jaar geen gesprek heeft gehad met [betrokkene 3], niet juist is. In de aanhef van het behandelplan staat: “Informed consent vastgesteld op 27-jul-2017 17:39 door: [betrokkene 3] (Psychiater)”, almede “Besproken met patiënt: ja” en “Patiënt akkoord: ja”.

10 De advocaat van betrokkene heeft dit oordeel blijkens het proces-verbaal ter zitting bevestigd.