Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1296

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-10-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
18/01378
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2380, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onteigeningsrecht. Vrijwel gelijktijdige verzoeken tot vervroegde plaatsopneming door deskundigen (art. 54a Ow) en tot vervroegde onteigening (art. 54f Ow). Aanbod aan onteigenden tot voortgezet gebruik van de percelen niet in het dictum vermeld als een veroordeling tot gestanddoening. De Hoge Raad doet ten aanzien van dit laatste zelf de zaak af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 18/01378

mr. W.L. Valk

Zitting: 26 oktober 2018

Conclusie inzake:

1. [eiser 1]

2. [eiseres 2]

tegen

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eisers] respectievelijk de Gemeente.

1 Inleiding en samenvatting

1.1.

Met het eerste onderdeel is in deze zaak de vraag aan de orde of de onteigenende partij zeer kort na elkaar een verzoekschriftprocedure op de voet van art. 54a Ow (vervroegde plaatsopneming) en een dagvaardingsprocedure op de voet van art. 54f Ow (vervroegde onteigening) aanhangig mag maken. De strekking van het middel is dat dit niet is toegelaten, maar voor die opvatting zie ik geen grond. Zie hierna onder 3.4 e.v.

1.2.

Het tweede onderdeel klaagt op zichzelf terecht erover dat de rechtbank in het dictum van het onteigeningsvonnis had moeten opnemen dat de onteigende partij haar aanbod dat onteigenden het gebruik van het onteigende tijdelijk mogen voortzetten, gestand moet doen. Onteigenden hadden hierin echter ook kunnen voorzien door de rechtbank om aanvulling van het vonnis te verzoeken. Zie hierna onder 3.14 e.v.

1.3.

Het derde onderdeel bevat al evenzeer een op zichzelf terechte klacht, namelijk dat de rechtbank heeft nagelaten om een datum voor de nederlegging van het deskundigenrapport vast te stellen, zoals in art. 54j lid 2 Ow wordt voorgeschreven. Bij de klacht bestaat echter geen belang omdat de onteigende eigenaren ook in het vervolg van de procedure de rechtbank kunnen verzoeken om alsnog een concrete datum vast te stellen waarop het deskundigenrapport nedergelegd moet worden. Zie hierna onder 3.22.

2 Feiten en procesverloop

2.1.

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1

2.1.1.

Bij Koninklijk Besluit (hierna: KB) van 23 maart 20172 zijn ten algemene nutte en ten name van de Gemeente voor de realisatie van het bestemmingsplan Oostland-Pijnacker (hierna: het bestemmingsplan) ter onteigening aangewezen de volgende perceelsgedeelten (hierna gezamenlijk: ‘de percelen’ dan wel ‘het onteigende’):

 een gedeelte groot 1.64.70 ha van het perceel kadastraal bekend gemeente Pijnacker-Nootdorp, [001] , in totaal groot 2.99.43 ha (grondplannummer 11);

 het perceel kadastraal bekend gemeente Pijnacker-Nootdorp, [002] , in totaal groot 00.10.55 hectare (grondplannummer 13);

beide gelegen nabij het adres [adres] .

2.1.2.

In het KB zijn [eisers] vermeld als eigenaar van de percelen.

2.1.3.

Het perceel met [001] is belast met twee hypothecaire inschrijvingen. Het perceel met [002] is ook belast met twee hypothecaire inschrijvingen. Op het perceel met [002] rusten tevens drie zakelijke rechten als bedoeld in artikel 5 lid 3 onder b Belemmeringenwet Privaatrecht (oud). Het perceel met [002] is verpacht aan Ecofresh B.V.

2.2.

De Gemeente heeft op 7 juli 2017 bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend strekkende tot vervroegde plaatsopneming door deskundigen.3 Bij beschikking van 10 augustus 2017 heeft de rechtbank deskundigen en een rechter-commissaris benoemd en de opneming door de deskundigen bepaald op 23 oktober 2017.

2.3.

De Gemeente heeft bij dagvaarding van 10 juli 20174 de vervroegde onteigening van de percelen gevorderd, met nevenvorderingen.

2.4.

Op 27 september 2017 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen, waarin Coöperatieve Rabobank U.A. en Rabohypotheekbank N.V. (hierna: Rabobank c.s.) zijn toegelaten als tussenkomende partijen.

2.5.

Bij vonnis van 7 maart 2018 heeft de rechtbank de vervroegde onteigening van de percelen uitgesproken. De rechtbank heeft het voorschot op de schadeloosstelling begroot op € 1.115.700,—, waarvan een bedrag van € 775.000,— door de Gemeente rechtstreeks dient te worden voldaan aan Rabobank c.s. en heeft bepaald dat geen nadere zekerheid behoeft te worden gesteld voor de voldoening van de aan [eisers] verschuldigde schadeloosstelling. Verder heeft de rechtbank de deskundigen verzocht om, zodra dit mogelijk is, een voorstel voor een tijdpad van het deskundigenonderzoek van conceptrapport tot en met het definitieve rapport aan de rechtbank te doen toekomen. Ten slotte heeft de rechtbank twee kranten aangewezen waarin een uittreksel van de beslissing omtrent de vervroegde onteigening zal worden geplaatst. Voor het overige heeft de rechtbank alle beslissingen aangehouden.

2.6.

Op 14 maart 2018 hebben [eisers] – gelet op art. 52 lid 2 en lid 3 Ow jo. 54l lid 1 en 80 Ow tijdig – ter griffie van de rechtbank verklaard cassatieberoep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank van 7 maart 2018.

2.7.

Op 3 april 2018 hebben [eisers] – gelet op art. 53 lid 1 jo. art. 54l lid 1 en 80 Ow tijdig – een procesinleiding ingediend bij de Hoge Raad. Op 4 april 2018 hebben [eisers] – gelet op art. 53 lid 1 jo. art. 54l lid 1 en 80 Ow tijdig – de akte verklaring cassatie en de procesinleiding aan de Gemeente betekend. De Gemeente heeft een verweerschrift ingediend en heeft verzocht om spoedbehandeling, welk verzoek is toegestaan. De Gemeente heeft haar standpunt schriftelijk doen toelichten door haar advocaat. [eisers] hebben afgezien van een schriftelijke toelichting. [eisers] hebben gerepliceerd.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1.

Het middel bestaat uit vier onderdelen.5

3.2.

Onderdeel 1 richt zich tegen rechtsoverweging 2.13 van het vonnis van 7 maart 2018, waar de rechtbank heeft overwogen:

‘2.13. De rechtbank is van oordeel dat het vrijwel gelijktijdig aanhangig maken van de procedure tot vervroegde plaatsopneming (artikel 54a Ow) en vervroegde onteigening (artikel 54f Ow), zoals in deze onteigening is gebeurd, niet in strijd komt met de Onteigeningswet. Uit de wet kan niet worden opgemaakt dat vereist is dat de vervroegde plaatsopname, als ook het uitbrengen van een mogelijk voorlopig deskundigenoordeel als bedoeld in artikel 54e Ow, moeten hebben plaatsgevonden voordat kan worden overgegaan tot dagvaarding op grond van artikel 54f Ow. Dit volgt evenmin uit de door [eisers] geciteerde parlementaire geschiedenis. Wel volgt daaruit dat een samenloop van de procedures is toegestaan. Beide procedures zijn in de eerste plaats gericht op het bespoedigen van het proces. Het zou haaks staan op het doel van versnelling wanneer vereist zou zijn dat met dagvaarden wordt gewacht totdat de vervroegde plaatsopname heeft plaatsgevonden. Overigens heeft [eisers] ook niet inzichtelijk gemaakt dat hij geschaad is door het gelijktijdig aanhangig maken van beide procedures.’

3.3.

Alle klachten van het onderdeel, dat uiteen valt in vier subonderdelen (genummerd 1.1 tot en met 1.4), berusten op de opvatting dat het aan een onteigenende partij niet vrijstaat – althans, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, niet steeds – om (zeer) kort na het aanhangig maken van een procedure tot vervroegde plaatsopneming als bedoeld in art. 54a Ow, op de voet van art. 54f Ow de vervroegde onteigening te vorderen.

3.4.

De vervroegde plaatsopneming (art. 54a-54e Ow) en de vervroegde onteigeningsprocedure (art. 54f-54t Ow) zijn geïntroduceerd in 1972. Beide procedures hebben tot doel het onteigeningsproces te versnellen.6 Daarbij was het de bedoeling dat beide procedures met elkaar kunnen worden gecombineerd. Zo is ook de praktijk. Met bepalingen als die van art. 54f tweede volzin, 54h, 54j lid 2, 54m lid 2, 54n lid 2 slot Ow heeft de wetgever afstemming tussen beide procedures gewaarborgd. Beperkingen in de mogelijkheden om beide procedures inderdaad met elkaar te combineren, zijn door de wetgever niet aangebracht.

3.5.

Dat in art. 54g Ow niet mag worden gelezen dat de dagvaarding strekkende tot vervroegde onteigening eerst mag worden uitgebracht nádat de eerder door de onteigenende partij verzochte voorlopige plaatsopneming heeft plaatsgevonden, is – zoals de steller van het middel heeft onderkend, zie voetnoot 10 van de procesinleiding – door uw Raad reeds beslist in een arrest van 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4927:7

‘3.1 De klacht van onderdeel B van het middel steunt op de opvatting dat artikel 54g van de Onteigeningswet (hierna: de Wet) meebrengt dat de onteigenende partij die een verzoek op de voet van artikel 54a van de Wet heeft gedaan eerst na de opneming door deskundigen overeenkomstig afdeling 1 van Hoofdstuk IIIA van de Wet mag overgaan tot dagvaarding op de voet van artikel 54f van de Wet. Deze opvatting is onjuist. Artikel 54g geeft slechts een regel voor het geval van dagvaarding na de opneming en behelst geen impliciet verbod aan de onteigenende partij om tot dagvaarding op de voet van artikel 54f over te gaan voordat de op de voet van artikel 54a verzochte opneming door deskundigen heeft plaatsgevonden. Dit onderdeel faalt derhalve.’

3.6.

Het gelukt mij ook niet om in art. 54g Ow te lezen dat de dagvaarding op de voet van art. 54f Ow niet mag worden uitgebracht voordat de rechtbank op het verzoek op de voet van art. 54a Ow tot vervroegde plaatsopneming heeft beslist, of dat die dagvaarding in ieder geval – zoals het onderdeel impliceert – niet mag worden uitgebracht binnen niet meer dan enkele dagen na de indiening van dat verzoek. Voor het gemak citeer ik art. 54g Ow:

‘Onverminderd de artikelen 64a, vierde lid, 78, achtste lid, en 79 moet de dagvaarding waarbij de vervroegde uitspraak tot onteigening wordt gevorderd, indien de opneming door de deskundigen overeenkomstig Afdeling 1 van dit Hoofdstuk heeft plaats gevonden, worden uitgebracht binnen twee maanden na de opneming ter plaatse door de deskundigen. Indien de plaatsing in de Staatscourant, bedoeld in artikel 64a, derde lid, dan wel 78, zevende lid, nog niet is geschied op de dag van de opneming, vangt de termijn van twee maanden aan op de tweede dag na de datum van dagtekening van de Staatscourant waarin die plaatsing geschiedt.’

Het is zoals uw Raad in het arrest van 28 juni 2002 overweegt: art. 54g Ow geeft slechts een regel voor het geval van dagvaarding ná de voorlopige plaatsopneming.

3.7.

Volgt nu – zoals het onderdeel onder 1.1.1 betoogt – uit de wetsgeschiedenis of de systematiek en de strekking van de procedure tot vervroegde plaatsopneming alsnog dat paal en perk behoort te worden gesteld aan de mogelijkheid dat de onteigenende partij reeds zeer spoedig na haar verzoek tot vervroegde plaatsopneming vervroegde onteigening vordert? Wat betreft de wetsgeschiedenis verwijst het onderdeel naar de plaatsen in de parlementaire stukken zoals aangehaald in de conclusie van antwoord in hoofdzaak en incident van 30 augustus 2017, onder 19. Ik vind die plaatsen zo weinig spreken voor de opvatting van het middel, dat ik het niet zinvol acht ze hier alle in te lassen. Ik beperk me tot twee representatieve plaatsen uit de memorie van toelichting:8

‘In het ontwerp wordt de mogelijkheid geopend, dat het deskundigenonderzoek plaats vindt voordat er tot onteigening gedagvaard is. Daarmee kan tijd gewonnen worden, omdat het deskundigenonderzoek kan plaats hebben voordat de administratieve procedure tot eindaanwijzing van de te onteigenen percelen of goedkeuring van een gemeentelijk besluit tot onteigening is voltooid, na welk moment pas tot dagvaarding kan worden overgegaan. De gerechtelijke onteigeningsprocedure kan daarna een vlugger verloop hebben, omdat dan niet meer op het deskundigenonderzoek behoeft te worden gewacht.

(…)

De vervroegde onteigening kan plaats vinden als vervolg op het vervroegde deskundigenonderzoek, dat vóór de dagvaarding heeft plaats gehad. Zij kan echter ook toepassing vinden zonder vervroegd deskundigenonderzoek.’

3.8.

Ik lees hierin dat de wetgever met de combinatie van beide procedures tijdwinst beoogde. Die tijdwinst is het grootste wanneer de vervroegde plaatsopneming wordt verzocht ruim vóórdat de administratieve procedure is voltooid. Het verzoek is in beginsel mogelijk zodra de vereiste terinzagelegging heeft plaatsgevonden (art. 54a lid 1 Ow) en aldus is komen vast te staan welke percelen zullen worden onteigend.9 Wordt inderdaad in een zo vroegtijdig stadium de vervroegde plaatsopneming verzocht, dan zal het vervroegde deskundigenonderzoek in de regel reeds vóór het uitbrengen van de dagvaarding strekkende tot vervroegde onteigening kunnen hebben plaatsgehad. In verband met de door hem beoogde tijdwinst, stond dit laatste geval de wetgever als ideaal voor ogen. Dit wil echter nog niet zeggen dat er reden bestaat om aan te nemen dat de wettelijke regeling naar haar strekking zich tegen een kortere opeenvolging van verzoek en dagvaarding verzet, in die zin dat dagvaarding niet is toegelaten tot het moment dat het vervroegde deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden. Ook in het geval van zo’n kortere opeenvolging zal er gemakkelijk tijdwinst optreden, omdat de duur van de onteigeningsprocedure nu eenmaal vooral door het verloop van het traject van het onderzoek door de deskundigen wordt bepaald. Indien dat traject dankzij een verzoek tot vervroegde plaatsopneming eerder wordt gestart, levert dat vrijwel altijd winst op. Welnu, zulke winst is juist hetgeen de wetgever met de mogelijkheid van de combinatie van een verzoek tot vervroegde plaatsopneming en een dagvaarding strekkende tot vervroegde onteigening heeft beoogd, ook als die winst niet zo aanzienlijk is als in het ideale geval dat hem voor ogen stond. In dit verband is veelzeggend subonderdeel 1.2 onder b van het middel, waar een ten overstaan van de rechtbank door [eisers] ingenomen stelling wordt aangehaald. Volgens die stelling is de korte opeenvolging van verzoekschrift en dagvaarding hier kennelijk bedoeld om een eerdere deskundigenbenoeming te verkrijgen. Anders dan de steller van het middel blijkbaar meent, is een zodanige bedoeling niet in strijd met de strekking van de wettelijke regeling en integendeel daarmee in overeenstemming.

3.9.

Het voorgaande wordt mijns inziens niet anders wanneer, zoals hier, het verzoekschrift mede het in art. 54e lid 2 Ow bedoelde verzoek inhoudt, namelijk dat de deskundigen een voorlopig oordeel over de schadeloosstelling zullen geven. Op zichzelf terecht wijst de steller van het middel erop dat zo’n voorlopig oordeel in de voorstelling van de wetgever10 de zin heeft dat ze een procedure kan voorkomen. Er bestaat echter geen reden waarom de onteigenende partij de door haar ingeslagen weg verplicht zou moeten vervolgen, in die zin dat zij door om een voorlopig oordeel van de deskundigen te vragen, zich de bevoegdheid ontneemt om reeds voorafgaande aan dat voorlopig oordeel de vervroegde onteigening te vorderen. Hier komt nog bij dat ook hangende de dagvaardingsprocedure een voorlopig oordeel van de deskundigen nog goede zin heeft, omdat dit voorlopig oordeel voor partijen aanleiding kan zijn de zaak alsnog te schikken en de procedure te beëindigen.

3.10.

Ik vermeld nog dat wat hier heeft plaatsgehad, zich in mijn waarneming ook in andere zaken heeft voorgedaan, zonder dat daarin tot op heden een probleem is gezien. Bij Sluysmans en Van der Gouw lees ik dat het zelfs voorkomt dat de vervroegde plaatsopneming plaatsvindt als de vervroegde onteigening reeds is uitgesproken.11 Dat is weliswaar anders dan het ideaal dat de wetgever voor ogen stond, maar er bestaat geen goede aanleiding om zulke praktijk te verbieden.

3.11.

Gelet op het voorgaande berusten de rechtsklachten van het onderdeel op een onjuiste rechtsopvatting. Uitgaande van de juiste rechtsopvatting zijn de in subonderdelen 1.2 en 1.3.2 aangeduide stellingen geen essentiële stellingen waarop de rechtbank verplicht was te responderen. Eveneens uitgaande van die juiste rechtsopvatting is ook – anders dan subonderdeel 1.4 inhoudt – geen sprake van strijd met de beginselen van een goede procesorde, van misbruik van procesrecht of van strijd met art. 6 EVRM. Dat de eigenaar wordt geconfronteerd met twee gelijktijdig lopende procedures over dezelfde aangelegenheid, te weten de onteigening, is niet bezwaarlijk. Beide procedures vinden plaats ten overstaan van dezelfde rechterlijke instantie, in beide procedures kan de eigenaar zich doen bijstaan door dezelfde advocaat en de onderlinge afstemming tussen beide procedures is onder meer met de hiervoor onder 3.4 genoemde wettelijke bepalingen voldoende gewaarborgd. Ook de overige klachten van het onderdeel kunnen mijns inziens geen doel treffen. Een nadere toelichting behoeft dat niet.

3.12.

Ik merk naar aanleiding van het eerste onderdeel nog op dat in deze zaak geen beantwoording behoeft de vraag of een verzoek tot vervroegde plaatsopneming ook nog kan worden gedaan nádat reeds een vordering tot vervroegde onteigening is ingesteld. Over die vraag ten overvloede het volgende. Dat een verzoek tot vervroegde plaatsopneming niet meer kan worden gedaan indien reeds een dagvaarding strekkende tot vervroegde onteigening is uitgebracht, zou men eventueel kunnen lezen in de aanhef van art. 54a lid 1 Ow:

‘De onteigenende partij, die voornemens is de procedure van Afdeling 2 van dit Hoofdstuk te volgen, kan zodra de ingevolge artikel 63, eerste lid, dan wel artikel 78, tweede lid, vereiste terinzagelegging, heeft plaats gevonden, aan de rechtbank voor wie de onteigening zal moeten worden gevorderd, verzoeken om de benoeming van een rechtercommissaris en van een of meer deskundigen in oneven getale, alsmede tot bepaling van de dag, waarop de opneming door de deskundigen van de ligging en gesteldheid der onroerende zaken, waarop de onteigening betrekking heeft, zal plaatsvinden.’

Die tekst lijkt me echter niet beslissend. Omdat ook hangende de dagvaardingsprocedure tot vervroegde onteigening een verzoek tot vervroegde plaatsopneming nog goede zin kan hebben,12 geef ik de voorkeur aan een andere lezing: in de aanhef van art. 54a lid 1 Ow heeft de wetgever slechts het gewone geval aangeduid, zonder daarmee een ander gebruik van de faciliteit van de vervroegde plaatsopneming uit te sluiten. In dit verband herinner ik eraan dat ook om een voorlopig bericht of verhoor van deskundigen en een voorlopige plaatsopneming als bedoeld in art. 202 Rv tijdens een reeds aanhangig geding kan worden verzocht. Het past bij het uitgangspunt van art. 2 Ow dat art. 54a lid 1 Ow in harmonie hiermee aldus wordt uitgelegd dat ook tijdens een reeds aanhangige dagvaardingsprocedure tot vervroegde onteigening nog om een vervroegde plaatsopneming kan worden verzocht, zo vaak als de onteigenende partij daarbij nog belang heeft. Dat een voorlopig deskundigenbericht of een voorlopige plaatsopneming in de gewone civiele procedure doorgaans niet en zelden alleen met het oog op te boeken tijdwinst wordt verzocht – aanleiding is immers vaak mede dat zonder het verzoek onzeker is of de rechter een ‘gewoon’ deskundigenbericht of een ‘gewone’ plaatsopneming zal bevelen, wat een onzekerheid is die in het onteigeningsgeding níét bestaat – zie ik in dit verband niet als een doorslaggevend verschil.

3.13.

Onderdeel 2 richt zich tegen rechtsoverweging 2.15 van het vonnis van 7 maart 2018, waar de rechtbank heeft overwogen:

‘2.15. Ter zitting heeft de gemeente voortgezet gebruik voor een redelijke termijn aangeboden aan [eisers] Op verzoek van de gemeente neemt de rechtbank dit aanbod op in de overwegingen van dit vonnis.’

3.14.

Terecht klaagt het onderdeel erover dat de rechtbank het aanbod van een voortgezet gebruik niet in het dictum van het vonnis heeft opgenomen in de vorm van een veroordeling van de Gemeente tot gestanddoening van het ten processe gedane (bijkomend) aanbod van een voortgezet gebruik van het onteigende voor een redelijke termijn. Dat de rechter inderdaad in het dictum van het onteigeningsvonnis omtrent een bijkomend aanbod van de onteigenende partij dient te beslissen, is niet alleen in onteigeningszaken ‘te doen gebruikelijk’, zoals het onderdeel vermeldt, maar volgt mijns inziens rechtstreeks uit de wet, namelijk uit art. 54i lid 1 eerste volzin Ow:

‘Behoudens ingeval van nietigverklaring van de dagvaarding of niet-ontvankelijkheidverklaring dan wel ontzegging van de eis, spreekt de rechtbank de onteigening uit met bepaling van een voorschot op de schadeloosstelling voor de verweerders en bekende, niet betwiste derde belanghebbenden en van de door de onteigenende partij te treffen bijkomende voorzieningen, indien deze in het aanbod zijn opgenomen.’

Er bestaat mijns inziens geen aanleiding om het begrip ‘bijkomende voorzieningen’ in dit verband beperkt op te vatten en een aanbod tot voortgezet gebruik daaronder niet mede te begrijpen. Voor een zodanige beperkte opvatting heb ik in de literatuur en rechtspraak ook geen aanknopingspunt kunnen vinden. De systematiek van de Onteigeningswet lijkt mij eenvoudig deze dat met bijkomende aanbiedingen die voorafgaande aan het vonnis tot voorlopige onteigening zijn gedaan, bij de daarop volgende vaststelling van de schadeloosstelling rekening wordt gehouden, maar dat daar tegenover staat dat de onteigende partij een dergelijk aanbod enige tijd gestand moet doen en dat de rechter de onteigende partij daartoe ook bij vonnis moet verplichten.13

3.15.

Door het bijkomend aanbod enkel in de overwegingen van het onteigeningsvonnis te vermelden, heeft de rechtbank aan [eisers] een executoriale titel onthouden. Het moge zo zijn, zoals de Gemeente aanvoert, dat in het ‘onwaarschijnlijke’ geval dat de Gemeente het aanbod ten onrechte niet gestand zou doen, [eisers] zich tot de voorzieningenrechter in kort geding kunnen wenden,14 maar het belang van [eisers] is juist erin gelegen dat zo’n kort geding niet nodig zal zijn.

3.16.

In zaken uit 199115 en 200316 leidde het verzuim van de rechtbank om te beslissen over de door de onteigenende partij aangeboden bijkomende voorzieningen tot vernietiging van het vonnis, waarbij uw Raad de zaak steeds zelf afdeed. Ook hier moet dit mijns inziens de uitkomst zijn.

3.17.

Ik wijs er nog wel op dat sinds 1 januari 2002 art. 32 Rv voorziet in de mogelijkheid van aanvulling van een vonnis op verzoek van een van partijen. Die mogelijkheid bestaat in verband met art. 2 Ow ook in het onteigeningsgeding. In verband met de eigen aard van dat geding – die onder meer erin bestaat dat de rechter zonder vordering of verzoek van de onteigende ambtshalve beslist over onder meer aangeboden bijkomende voorzieningen, zoals hij dat ook doet over het voorschot, en later in het geding over de definitieve schadeloosstelling – is die aanvulling mogelijk ook al is geen sprake van een verzuim om ‘te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte’, maar in plaats daarvan van een verzuim om ambtshalve te beslissen. Het behoeft geen betoog dat de route van aanvulling van het vonnis onnodige vertraging van het onteigeningsgeding voorkomt, partijen moeite en kosten bespaart en bovendien bevordert dat de Hoge Raad zich kan richten op zaken die er uit het oogpunt van rechtseenheid en rechtsontwikkeling toe doen. Dit alles zonder dat de rechtsbescherming schade lijdt.

3.18.

Een cassatieberoep dat uitsluitend ziet op bezwaren die eiser in cassatie kan doen herstellen door dezelfde rechter bij wie de zaak heeft gediend, is niet-ontvankelijk op grond van art. 399 Rv, in onteigeningszaken te lezen in verband met art. 2 Ow. Dat geval doet zich hier niet voor. Waar [eisers] in cassatie ook andere klachten aan de orde hebben gesteld, is de proceseconomie ermee gediend alle klachten in één uitspraak af te doen.17

3.19.

De omstandigheid dat de andere klachten van het middel geen doel treffen, heeft mijns inziens intussen gevolgen voor de beslissing omtrent de proceskosten in cassatie. Hoewel vernietiging dient plaats te vinden, zijn die kosten door eisers in cassatie nodeloos veroorzaakt als bedoeld in de laatste volzin van art. 237 lid 1 Rv.

3.20.

Onderdeel 3 richt zich tegen rechtsoverweging 2.19 en het dictum onder 3.4 van het vonnis van 7 maart 2018, die als volgt luiden:

‘2.19. Nu [eisers] het aan hem gedane aanbod niet heeft aanvaard, dient de rechtbank zich ingevolge artikel 54j Ow te laten voorlichten door deskundigen ter begroting van de aan [eisers] toekomende schadeloosstelling. Bij beschikking van 10 augustus 2017 (zaaknummer / rekestnummer: C/09/535722 / HA RK 17-343) heeft de rechtbank een commissie van deskundigen en een rechter-commissaris benoemd. De plaatsopneming heeft op 23 oktober 2017 plaatsgevonden en heeft betrekking gehad op hetzelfde in de dagvaarding ter onteigening aangewezen goed. Van deze plaatsopneming is proces-verbaal opgemaakt, waarin het verdere verloop van de procedure is geschetst. De in het proces-verbaal bepaalde termijnen zijn echter verstreken zonder dat een conceptrapport is uitgebracht. De rechtbank zal daarom de deskundigen verzoeken om, zodra dit mogelijk is, een voorstel voor een tijdpad van het deskundigenonderzoek van conceptrapport tot en met het definitieve rapport aan de rechtbank te doen toekomen.

3. De beslissing

De rechtbank

(…)

3.4.

verzoekt de deskundigen om, zodra dit mogelijk is, een voorstel voor een tijdpad van het deskundigenonderzoek van conceptrapport tot en met het definitieve rapport aan de rechtbank te doen toekomen;’

3.21.

Het onderdeel klaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd, heeft verzuimd om conform het bepaalde in art. 54j lid 2 Ow een datum vast te stellen waarop het deskundigenrapport nedergelegd moet worden. De bewoordingen ‘verzoekt’ en ‘zodra dit mogelijk is’ zijn uiterst vrijblijvend en daarom onvoldoende. De Onteigeningswet biedt daartoe niet de ruimte, zodat gelet op het overwogene in HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4927,18 rechtsoverweging 3.2, sprake is van een verzuim van de rechtbank. Het geval dat op andere wijze, via de rechter-commissaris, een termijn is gesteld voor het deskundigenrapport, zoals zich voordeed in de voornoemde uitspraak, is – ik geef nog steeds het onderdeel weer – hier niet aan de orde. De rechtbank heeft immers geconstateerd dat de bij de descente van 23 oktober 2017 bepaalde termijn voor het concept-rapport, zijnde 14 februari 2018, is verstreken zonder dat een (concept) rapport is uitgebracht.

3.22.

Dat het onderdeel bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden, volgt uit het arrest van uw Raad van 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:897,19 waarin is overwogen:

‘3.4.2 Art. 54j lid 2 Ow bepaalt dat, indien in het geval van een procedure tot vervroegde onteigening de opneming door deskundigen overeenkomstig Afdeling 1 van Hoofdstuk IIIA Ow reeds heeft plaatsgehad, de rechtbank in het vonnis waarbij de onteigening wordt uitgesproken een datum vaststelt waarop de nederlegging van het deskundigenrapport zal moeten plaatsvinden De rechtbank heeft (in rov. 2.8) overwogen dat over de begroting van de schadeloosstelling aan Van Waes c.s. een bericht van deskundigen dient te worden ingewonnen, dat daartoe reeds deskundigen en een rechter-commissaris zijn benoemd, en dat de descente heeft plaatsgevonden op 4 februari 2013. De rechtbank heeft in het dictum van haar vonnis evenwel geen datum bepaald voor nederlegging van het deskundigenrapport. Ofschoon het middel dus terecht is voorgesteld, kan het bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, in verband met het navolgende.

De bepalingen van de Onteigeningswet brengen niet mee dat niet-inachtneming van het voorschrift van art. 54j lid 2 tot nietigheid leidt van het vonnis waarbij de vervroegde onteigening is uitgesproken. De rechtbank kan, op verzoek van partijen of ambtshalve, in het vervolg van de procedure alsnog een datum voor nederlegging van het deskundigenrapport vaststellen.’

[eisers] kunnen in het vervolg van de procedure de rechtbank verzoeken om alsnog een concrete datum vast te stellen waarop het deskundigenrapport nedergelegd moet worden. Daarom hebben zij bij de klachten van het onderdeel geen belang.

3.23.

Onderdeel 4 bevat enkel een voortbouwklacht en behoeft geen bespreking.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en afdoening door uw Raad.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vergelijk het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 september 2017 onder 2.1-2.6.

2 Besluit van 23 maart 2017, nr. 2017000497 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Pijnacker-Nootdorp krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Fes-Oostland), Stcrt. 2017, 18502.

3 De verzoekschriftprocedure is bij de rechtbank bekend onder nummer C/09/535722 / HA RK 17-343.

4 De dagvaardingsprocedure is bij de rechtbank bekend onder nummer C/09/536487 / HA ZA 17-782.

5 [eisers] hebben in hun procesinleiding onder 5.1 zich het recht voorbehouden om hun klachten aan te vullen indien en voor zover het proces-verbaal naar aanleiding van opmerkingen van partijen of ambtshalve zou worden aangepast of aangevuld. Uit de stukken blijkt niet of het proces-verbaal is aangepast of aangevuld. Hoe dan ook: [eisers] hebben hun klachten niet aangevuld.

6 MvT, Kamerstukken II, 1969-1970, 10590, nr. 3 p. 1, 10, 11.

7 NJ 2003/77, m.nt. P.C.E. van Wijmen.

8 Kamerstukken II, 1969-1970, 10590, nr. 3, p. 10, 11.

9 ‘In beginsel’, want in titel IV-onteigeningen pleegt de Kroon in het onteigenings-KB op te nemen dat de onteigeningsdagvaarding pas mag worden uitgebracht als het bestemmingsplan onherroepelijk is. Zie J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel e.a., Handboek onteigening, Deventer: Kluwer 2013, p. 50. In de onderhavige zaak speelt dit niet, want ten tijde van het onteigenings-KB was het bestemmingsplan reeds onherroepelijk. Zie het KB, p. 4 (midden).

10 Amendement, Kamerstukken II, 1971-1972, 10590, nr. 20.

11 J.A.M.A. Sluysmans & J.J. van der Gouw, Onteigeningsrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 79 (noot 121). In déze zaak heeft de voorlopige plaatsopneming op 23 oktober 2017 plaatsgevonden, dus ruimschoots voorafgaande aan het onteigeningsvonnis (7 maart 2018).

12 De schriftelijke toelichting van de zijde van de Gemeente onder 26 noemt het geval dat een verzoek om vervroegde plaatsopneming wordt ingediend hangende een cassatieprocedure tegen een vonnis waarbij de [vervroegde] onteigening is uitgesproken.

13 Vergelijk: E. van der Schans & A.C.M.M. van Heesbeen, Onteigening: het spel en de knikkers, z.pl.: Reed Business 2011, p. 83; J.A.M.A. Sluysmans & J.J. van der Gouw, Onteigeningsrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 58.

14 Schriftelijke toelichting mr. Wiegerink onder 43.

15 HR 9 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:AC0712, NJ 1991/355.

16 HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0873, NJ 2003/678.

17 HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:38, NJ 2013/521 m.nt. L.C.A. Verstappen, rechtsoverweging 5.2.

18 NJ 2003/77 m.nt. P.C.E. van Wijmen.

19 NJ 2014/215.