Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1290

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-11-2018
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
18/00472
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:440
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 19 december 2017, nr. 17/00736.

Op 25 juni 2016 heeft de Heffingsambtenaar bij een controle in Delft geconstateerd dat ten aanzien van een auto van de kentekenhouder (niet zijnde belanghebbende) de verschuldigde parkeerbelasting niet is betaald. Daarom is aan hem een naheffingsaanslag van € 89 opgelegd. Het aan hem toegezonden duplicaat van de naheffingsaanslag parkeerbelasting is gedagtekend 14 juli 2016.

In de onderhavige procedure komt belanghebbende kennelijk, in haar visie, als feitelijke parkeerster van de auto tegen deze naheffingsaanslag op. In het tegen de naheffingsaanslag gerichte bezwaarschrift van 8 augustus 2016 maakt haar gemachtigde overigens geen melding van die hoedanigheid. In het bezwaarschrift wordt inhoudelijk het standpunt ingenomen dat geen sprake zou zijn geweest van parkeren in de zin van de Gemeentewet, nu ‘het voertuig niet op een fiscale parkeerplek stond omdat er sprake was van strijd met een wettelijk voorschrift’.

Bij brief van 7 september 2016 heeft de Heffingsambtenaar aan de gemachtigde van belanghebbende bericht dat de naheffingsaanslag is opgelegd aan de kentekenhouder en is aan de gemachtigde verzocht om een machtiging over te leggen waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens de kentekenhouder in de procedure op te treden. Tevens is de gemachtigde verzocht om voor 21 september 2016 een nadere motivering van het bezwaar in te dienen.

De gemachtigde heeft niet gereageerd, waarna de Heffingsambtenaar bij brief van 5 oktober 2016 opnieuw om een machtiging en een reden voor termijnoverschrijding heeft gevraagd. Tevens heeft de Heffingsambtenaar bericht voornemens te zijn het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren als binnen de gestelde termijn geen juiste machtiging en reden voor de termijnoverschrijding mocht worden ontvangen.

Bij uitspraak op bezwaar van 29 oktober 2016 heeft de Heffingsambtenaar om reden van het niet overleggen van een juiste machtiging het bezwaar ‘kennelijk niet-ontvankelijk’ verklaard, met mededeling dat daarom van horen wordt afgezien.

In beroep heeft de Rechtbank overwogen dat op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging kan verlangen. De Rechtbank heeft vastgesteld dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan de kentekenhouder is opgelegd, dat aan de gemachtigde is verzocht om een machtiging waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens de kentekenhouder op te treden en dat deze machtiging niet is ontvangen.

Volgens de Rechtbank lag het op de weg van belanghebbende om in het bezwaarschrift of op enig later moment in de bezwaarfase toe te lichten waarom zij bevoegd was om bezwaar te maken en dat daar (gelet op de brieven van de Heffingsambtenaar van 7 september 2016 en 5 oktober 2016) voldoende gelegenheid voor gegeven is. Dat pas in beroep de, door de Heffingsambtenaar betwiste, stelling is ingenomen dat belanghebbende als bestuurster het voertuig heeft geparkeerd, kan volgens de Rechtbank niet tot het oordeel leiden dat zij bevoegd was om bezwaar te maken tegen de aan opgelegde naheffingsaanslag. Volgens de Rechtbank blijkt uit niets dat belanghebbende als bestuurder heeft geparkeerd.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank onderschreven, met de toevoeging dat weliswaar uit de gedingstukken naar voren komt dat belanghebbende en de kentekenhouder kennelijk op hetzelfde adres wonen, maar dat er verder geen enkel bewijs aanwezig is voor de eerst in beroep aangevoerde stelling dat het belanghebbende is geweest die de auto op 25 juni 2016 rond 22.06 uur op de bewuste locatie heeft geparkeerd.

In cassatie voert belanghebbende aan dat zij aan het verzoek van de Heffingsambtenaar om een machtiging van de kentekenhouder over te leggen niet heeft voldaan omdat het bezwaar was ingesteld namens haar en niet namens de kentekenhouder. Het bezwaar acht zij aldus ontvankelijk. Voorts klaagt belanghebbende dat het op de weg van de Heffingsambtenaar had gelegen om een toelichting te vragen aan de gemachtigde waarom namens belanghebbende en niet namens de kentekenhouder bezwaar was gemaakt.

Het komt de A-G voor dat het beroep in cassatie van belanghebbende in wezen ziet op bewijsoordelen van de Rechtbank (‘uit niets blijkt dat eiseres als bestuurder heeft geparkeerd’) en het Hof (‘maar dat uit de gedingstukken verder geen enkel bewijs is te putten voor de eerst in beroep aangevoerde stelling dat het belanghebbende is geweest die de auto op 25 juni 2016 rond 22.06 uur op de bewuste locatie heeft geparkeerd’).

Bij betwisting geldt als uitgangspunt: ‘wie stelt die moet bewijzen’. Belanghebbende had ten aanzien van de vraag of zij de feitelijke parkeerster was bijvoorbeeld aan de bewijslevering (aannemelijk maken) kunnen voldoen door een verklaring over te leggen van de kentekenhouder dat zij inderdaad op 25 juni 2016 de auto heeft gebruikt, en/of door zelf een gemotiveerde verklaring daarover over te leggen of mondeling te geven ter zitting. Echter, dit alles ontbreekt en noch belanghebbende noch haar gemachtigde is verschenen ter zitting.

Belanghebbendes klachten in cassatie zien vooral op de eenzijdige, formele benadering door de Heffingsambtenaar. De Heffingsambtenaar lijkt namelijk vooral te zijn gefixeerd op de vraag of er wel een juiste machtiging is afgegeven door de kentekenhouder en gaat in de bezwaarfase niet in op de mogelijkheid dat ook een feitelijke parkeerder het recht heeft om een bezwaarschrift in te dienen. Dat had naar volgens de A-G zorgvuldiger gekund, maar van een (afdwingbare) onderzoeksplicht op de heffingsambtenaar is hier, naar de A-G meent, geen sprake.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-01-2019
FutD 2019-0215
V-N Vandaag 2019/204
NTFR 2019/308 met annotatie van mr. R. Marchal
NLF 2019/0366 met annotatie van Tom Noë
V-N 2019/9.25 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2019/86
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. R.L.H. IJzerman

Advocaat-Generaal

Conclusie van 15 november 2018 inzake:

Nr. Hoge Raad: 18/00472

[X]

Nr. Gerechtshof: BK-17/00736

Nr. Rechtbank: ROT 16/8062

Derde Kamer B

tegen

Parkeerbelasting 2016

Regionale Belasting Groep

1 Inleiding

1.1

Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 18/00472, naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X] , belanghebbende, tegen de uitspraak van gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) van 19 december 2017.1

1.2

Op 25 juni 2016 heeft de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep2 te Schiedam (hierna: de Heffingsambtenaar) bij een controle in Delft geconstateerd dat ten aanzien van een auto van kentekenhouder [A] (hierna: de kentekenhouder), de verschuldigde parkeerbelasting niet is betaald.3 Daarom is aan hem een naheffingsaanslag van € 89 opgelegd. Het aan hem toegezonden duplicaat van de naheffingsaanslag parkeerbelasting is gedagtekend 14 juli 2016.

1.3

In de onderhavige procedure komt belanghebbende kennelijk, in haar visie, als feitelijke parkeerster van de auto tegen deze naheffingsaanslag op.4 In het tegen de naheffingsaanslag gerichte bezwaarschrift van 8 augustus 2016 maakt haar gemachtigde overigens geen melding van die hoedanigheid. In het bezwaarschrift wordt inhoudelijk het standpunt ingenomen dat geen sprake zou zijn geweest van parkeren in de zin van de Gemeentewet, nu ‘het voertuig niet op een fiscale parkeerplek stond omdat er sprake was van strijd met een wettelijk voorschrift’.

1.4

Bij brief van 7 september 2016 heeft de Heffingsambtenaar aan de gemachtigde van belanghebbende bericht dat de naheffingsaanslag is opgelegd aan de kentekenhouder en is aan de gemachtigde verzocht om een machtiging over te leggen waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens de kentekenhouder in de procedure op te treden. Tevens is de gemachtigde verzocht om voor 21 september 2016 een nadere motivering van het bezwaar in te dienen.

1.5

De gemachtigde heeft niet gereageerd, waarna de Heffingsambtenaar bij brief van
5 oktober 2016 opnieuw om een machtiging en een reden voor termijnoverschrijding heeft gevraagd. Tevens heeft de Heffingsambtenaar bericht voornemens te zijn het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren als binnen de gestelde termijn geen juiste machtiging en reden voor de termijnoverschrijding mocht worden ontvangen.

1.6

Bij uitspraak op bezwaar van 29 oktober 2016 heeft de Heffingsambtenaar om reden van het niet overleggen van een juiste machtiging het bezwaar ‘kennelijk niet-ontvankelijk’ verklaard, met mededeling dat daarom van horen wordt afgezien. Overigens zij vermeld dat In de uitspraak op bezwaar niets staat over overschrijding van de bezwaartermijn, hoewel het bezwaarschrift blijkbaar meer dan zes weken na dagtekening van de naheffingsaanslag is ingediend.

1.7

Daarop heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard.5

1.8

De Rechtbank heeft overwogen dat op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging kan verlangen. De Rechtbank heeft vastgesteld dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan
de kentekenhouder is opgelegd, dat aan de gemachtigde is verzocht om een machtiging waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens de kentekenhouder op te treden en dat deze machtiging niet is ontvangen.

1.9

Volgens de Rechtbank lag het op de weg van belanghebbende om in het bezwaarschrift of op enig later moment in de bezwaarfase toe te lichten waarom zij bevoegd was om bezwaar te maken en dat daar (gelet op de brieven van de Heffingsambtenaar van 7 september 2016 en 5 oktober 2016) voldoende gelegenheid voor gegeven is. Dat pas in beroep de, door de Heffingsambtenaar betwiste, stelling is ingenomen dat belanghebbende als bestuurster het voertuig heeft geparkeerd, kan volgens de Rechtbank niet tot het oordeel leiden dat zij bevoegd was om bezwaar te maken tegen de aan opgelegde naheffingsaanslag. Volgens de Rechtbank blijkt uit niets dat belanghebbende als bestuurder heeft geparkeerd.

1.10

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof. Bij het Hof was evenals bij de Rechtbank in geschil of belanghebbende de bevoegdheid had bezwaar tegen de naheffingsaanslag te maken.

1.11

Het Hof heeft bij uitspraak van 19 december 2017 overwogen dat de Rechtbank, gelet op de beschikbare gegevens, terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het gelijk aan de zijde van de Heffingsambtenaar is. Belanghebbende heeft volgens het Hof tegenover de formele en inhoudelijke uiteenzettingen in de verweerschriften, geen feiten of omstandigheden en evenmin valabele argumenten aangevoerd, ook niet in hoger beroep, die de conclusie rechtvaardigen dat het bezwaar ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard. Daarbij heeft het Hof overwogen dat weliswaar uit de gedingstukken naar voren komt dat belanghebbende en de kentekenhouder kennelijk op hetzelfde adres wonen, maar dat er verder geen enkel bewijs aanwezig is voor de eerst in beroep aangevoerde stelling dat het belanghebbende is geweest die de auto op 25 juni 2016 rond 22.06 uur op de bewuste locatie heeft geparkeerd.

1.12

Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.13

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof. Volgens belanghebbende is aan het verzoek van de Heffingsambtenaar om een machtiging van de kentekenhouder over te leggen door haar niet voldaan omdat het bezwaar was ingesteld namens haar en niet namens de kentekenhouder. Het bezwaar acht zij ontvankelijk, zelfs ongeacht of de gemachtigde het bezwaarschrift namens haar of ‘als gemachtigde van de gemachtigde van De kentekenhouder’ heeft ingediend.

1.14

Voorts klaagt belanghebbende dat het op de weg van de Heffingsambtenaar had gelegen om een toelichting te vragen aan de gemachtigde waarom namens belanghebbende en niet namens de kentekenhouder bezwaar was gemaakt.

1.15

Deze conclusie is verder als volgt opgebouwd. In onderdeel 2 worden de feiten en het procesverloop weergegeven, gevolgd door een beschrijving van het geding dat nu in cassatie voorligt in onderdeel 3. Onderdeel 4 omvat een overzicht van relevante wet- en regelgeving en jurisprudentie.6 In onderdeel 5 wordt de klacht van belanghebbende beoordeeld, gevolgd door de conclusie in onderdeel 6.

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

Feiten

2.1

Door het Hof zijn de volgende feiten vastgesteld:

2.1.

Aan (de kentekenhouder, A-G) is naar aanleiding van de bij een controle gedane bevinding dat niet blijkt dat de voor het op 25 juni 2016 rond 22.06 uur parkeren van de auto aan de [a-straat1] in [Q] verschuldigde parkeerbelasting is betaald, de onderwerpelijke naheffingsaanslag van € 89 (belasting: € 29 + kosten: € 60) opgelegd. Het aan hem toegezonden Duplicaat Naheffingsaanslag Parkeerbelasting is gedagtekend 14 juli 2016.

2.2.

Bij brief van 8 augustus 2016, bij de heffingsambtenaar binnengekomen op 10 augustus 2016, geeft (…) het bureau [B] te [R] te kennen namens (belanghebbende, A-G) te [Z] bezwaar tegen de naheffingsaanslag te maken.

2.3.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar wegens het ontbreken van een juiste machtiging niet-ontvankelijk verklaard.

Rechtbank Den Haag

2.2

De Rechtbank heeft overwogen:

1. Aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar heeft verweerder ten grondslag gelegd dat [belanghebbende/eiseres; A-G] de gevraagde machtiging niet (binnen de gestelde termijn) heeft overgelegd.

2. Eiseres voert aan dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van een machtiging van de kentekenhouder. Het bezwaar (en beroep) is ingesteld

door eiseres omdat zij als bestuurder het voertuig heeft geparkeerd. De beroepsgrond faalt.

2.1.

Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - voor zover van belang - kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

2.2.

De rechtbank stelt vast dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting is opgelegd aan de kentekenhouder, dat tegen die aanslag door de gemachtigde namens eiseres bezwaar is gemaakt, dat verweerder bij brief van 7 september 2016 (na de constatering dat de naheffingsaanslag aan de kentekenhouder is opgelegd) aan de gemachtigde heeft verzocht om een machtiging waaruit blijkt dat hij (de gemachtigde) bevoegd is om namens de kentekenhouder op te treden, dat verweerder bij brief van 5 oktober 2016 daar nogmaals om heeft verzocht onder mededeling dat bij gebreke daarvan het bezwaar niet- ontvankelijk zal worden verklaard en dat verweerder de gevraagde machtiging niet binnen de gestelde termijnen heeft ontvangen.

2.3.

In het bezwaarschrift heeft de gemachtigde zonder verdere toelichting gesteld dat eiseres zich tot hem heeft gewend in verband met een aan hem/haar opgelegde naheffings-

- aanslag parkeerbelasting. De naheffingsaanslag is echter opgelegd aan de kentekenhouder.

Het lag op de weg van eiseres om in het bezwaarschrift of op enig later moment in bezwaar toe te lichten waarom zij bevoegd was bezwaar te maken. Zij was daartoe ook in de gelegenheid, bijvoorbeeld na(ar aanleiding van) de brieven van verweerder van 7 september 2016 en 5 oktober 2016. Zonder deze toelichting kon verweerder niet vaststellen waarom eiseres gerechtigd was haar bezwaar te maken. Verweerder heeft terecht de kentekenhouder om een machtiging gevraagd.

De pas in beroep naar voren gebrachte - en door verweerder betwiste - stelling dat eiseres als bestuurder het voertuig heeft geparkeerd kan niet leiden tot het oordeel dat zij bevoegd was om bezwaar te maken tegen de aan de kentekenhouder opgelegde naheffingsaanslag. Uit niets blijkt dat eiseres als bestuurder heeft geparkeerd.

3. Het beroep is ongegrond.

Gerechtshof Den Haag

2.3

Bij het Hof was in geschil:

4.1.

Partijen houdt in hoger beroep, net als voor de Rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of belanghebbende de bevoegdheid heeft bezwaar tegen de naheffingsaanslag te maken, welke vraag belanghebbende bevestigend en de heffingsambtenaar ontkennend beantwoordt.

2.4

Het Hof heeft geoordeeld:

5.1.

Gelet op de beschikbare gegevens heeft de Rechtbank naar 's Hofs oordeel terecht en op goede gronden geoordeeld dat het gelijk aan de zijde van de heffingsambtenaar is. Belanghebbende heeft, tegenover de formele en inhoudelijke uiteenzettingen in de verweerschriften, geen feiten of omstandigheden en evenmin valabele argumenten aangevoerd, ook niet in hoger beroep, die de conclusie rechtvaardigen dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het Hof neemt vooral in aanmerking dat uit de gedingstukken weliswaar naar voren komt dat belanghebbende en de kentekenhouder kennelijk op hetzelfde adres wonen, maar dat uit de gedingstukken verder geen enkel bewijs is te putten voor de eerst in beroep aangevoerde stelling dat het belanghebbende is geweest die de auto op 25 juni 2016 rond 22.06 uur op de bewuste locatie heeft geparkeerd.

5.2.

Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

3 Het geding in cassatie

3.1

Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Regionale Belasting Groep heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek7 ingediend en de Regionale Belasting Groep een conclusie van dupliek.

3.2

In cassatie klaagt belanghebbende:

In cassatie wordt aangevoerd dat niet is onderkend dat een bezwaar niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard op de grond dat een volmacht van de kentekenhouder ontbreekt, terwijl het bezwaar is gemaakt namens – en op verzoek van – belanghebbende.

De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat tegen de naheffingsaanslag door de gemachtigde namens belanghebbende bezwaar is gemaakt en dat de heffingsambtenaar heeft verzocht een machtiging van de kentekenhouder over te leggen (de onder r.o. 3 van de beslissing van het hof geciteerde beslissing van de rechtbank onder r.o. 2.2.).

Aan het verzoek van de heffingsambtenaar is niet voldaan, reeds omdat het bezwaar was ingesteld namens belanghebbende en niet namens de kentekenhouder.

Het bezwaar was derhalve ontvankelijk, ongeacht of ondergetekende het bezwaarschrift heeft ingediend namens belanghebbende, als degene die ten tijde van het parkeren de feitelijke beschikking over het betrokken voertuig had (vgl. HR 24 juli 2000, nr. 34578, BNB 2000/284, in het bijzonder rechtsoverweging 4.5, derde volzin), dan wel als gemachtigde van de gemachtigde (belanghebbende) van de kentekenhouder. Van belanghebbende is namelijk een geldige machtiging overgelegd.

Ik wijs ook op HR 14 juni 2002, ECU:NL:HR:2002:AE4134.

Indien de heffingsambtenaar zich zou hebben afgevraagd of belanghebbende in bezwaar kon worden ontvangen, had het op de weg van de heffingsambtenaar gelegen om een toelichting te vragen waarom namens belanghebbende, en niet namens de kentekenhouder, bezwaar was gemaakt. Een dergelijke toelichting is nooit gevraagd: de heffingsambtenaar heeft slechts om een volmacht van de kentekenhouder gevraagd en, enkel en alleen op die grond, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een volmacht van de kentekenhouder. De heffingsambtenaar heeft evenmin de gelegenheid geboden het bezwaar nader te motiveren, terwijl daarom wel uitdrukkelijk was verzocht.

4 Wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur

Wetgeving Awb

4.1

Artikel 2:1 van de Awb luidt:8

1. Een ieder kan zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

2. Het bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

4.2

Artikel 6:5, eerste lid, van de Awb luidt:

1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;

d. de gronden van het bezwaar of beroep.

4.3

Artikel 6:6 van de Awb luidt:

Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of

b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.4

Artikel 8:24 van de Awb luidt:

1. Partijen kunnen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

2. De bestuursrechter kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

3. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van advocaten.

Wetgeving Gemeentewet

4.5

Artikel 225 van de Gemeentewet luidt:

1. In het kader van de parkeerregulering kunnen de volgende belastingen worden geheven:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

3. De belasting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.

4. Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt degene die de belasting voldoet dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen.

5. Zolang geen voldoening van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde belasting heeft plaatsgevonden wordt de houder van het voertuig aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. Met betrekking tot een motorrijtuig dat is ingeschreven in het kentekenregister, bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, wordt als houder aangemerkt degene op wiens naam het motorrijtuig ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven. De tweede volzin vindt geen toepassing indien:

a. blijkt dat het motorrijtuig ten tijde van het parkeren op de naam van een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, in welk geval die ander wordt aangemerkt als degene die het motorrijtuig heeft geparkeerd;

b. een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het motorrijtuig was, in welk geval de huurder wordt aangemerkt als degene die het motorrijtuig heeft geparkeerd.

6. De belasting wordt niet geheven van degene die ingevolge het vijfde lid is aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig gebruik heeft gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

7. De belasting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.

8. Het tarief van de in het eerste lid bedoelde belastingen kan afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten.

4.6

Artikel 234, eerste en zevende lid van de Gemeentewet luiden:

1. De belasting, bedoeld in artikel 225, eerste lid, onder a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel op andere wijze.

(…).

7. Overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 wordt het aanslagbiljet bekend gemaakt door toezending of uitreiking. In afwijking daarvan kan het aanslagbiljet ook worden aangebracht op of aan het voertuig. Alsdan vermeldt het aanslagbiljet niet de naam van de belastingschuldige maar het kenteken van het voertuig. Bij gebreke van een kenteken vermeldt het aanslagbiljet een of meer gegevens die kenmerkend zijn voor het geparkeerde voertuig.

4.7

Artikel 253, eerste en vierde lid, van de Gemeentewet luiden:

1. Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, kan de belastingaanslag ten name van een van hen worden gesteld.

(…).

4. Tegen een met toepassing van het eerste lid vastgestelde belastingaanslag kan mede beroep bij de rechtbank worden ingesteld door de belastingplichtige wiens naam niet op het aanslagbiljet staat vermeld. Artikel 26a, derde lid, van de Algemene wet is van overeenkomstige toepassing.

Jurisprudentie Hoge Raad

4.8

De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 juli 2000 overwogen:9

4. Beoordeling van de klachten

4.1.

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat belanghebbende ter zitting van het Hof heeft erkend dat zij de auto met kenteken 00-AA-00 op 19 augustus 1995 om 14.40 uur zonder betaling van het vereiste parkeergeld heeft geparkeerd op een plaats waar krachtens de Verordening parkeerbelasting wordt geheven. De vaststelling van hetgeen ter zitting is voorgevallen en van hetgeen partijen ter zitting hebben gesteld en verklaard, is voorbehouden aan het Hof. De vaststelling door het Hof dat belanghebbende het hiervoor vermelde ter zitting heeft erkend, dient derhalve in cassatie te worden geëerbiedigd. In zoverre zij tegen deze vaststelling zijn gericht, falen de klachten.

4.2.

Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat op 19 augustus 1995 inderdaad een naheffingsaanslag is opgelegd. Deze naheffingsaanslag - die aanvankelijk niet ten name van een bepaalde belastingschuldige was gesteld - is blijkens de uiteindelijke tenaamstelling volgens het tot de stukken van het geding behorende “duplicaat” van het aanslagbiljet opgelegd aan A BV (hierna: de leasemaatschappij), die kennelijk ten tijde van het parkeren de houder was van het voertuig als bedoeld in artikel 3, lid 2, letter b, van de Verordening. Het op de voet van deze bepaling aanmerken van de leasemaatschappij als belastingschuldige, en het dienovereenkomstig aan haar opleggen van de naheffingsaanslag, is, naar het Hof terecht heeft geoordeeld (onderdeel 3.4 van zijn uitspraak) in overeenstemming met artikel 225, lid 5, van de Gemeentewet. Daarin is immers bepaald dat zolang geen voldoening van de in dat artikel in het eerste lid, letter a, bedoelde parkeerbelasting heeft plaatsgevonden, de houder van het voertuig wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd.

4.3.

Het Hof heeft echter tevens vastgesteld (onderdeel 1 van zijn uitspraak) dat de naheffingsaanslag aan belanghebbende is opgelegd en is in zijn uitspraak daarvan verder uitgegaan. Het heeft klaarblijkelijk aangenomen dat terzake van hetzelfde belastbare feit meer dan één aanslag kan worden opgelegd. Dat is echter niet juist. Terzake van hetzelfde belastbare feit kan slechts één aanslag worden opgelegd. Dit wordt niet anders doordat in artikel 225, lid 5, met het oog op een praktische gang van zaken zolang geen voldoening van de belasting heeft plaatsgevonden, de houder als belastingplichtige is aangewezen. Weliswaar kan met deze bepaling, gelet op de strekking ervan de invordering van parkeerbelastingen te vergemakkelijken, niet zijn bedoeld uit te sluiten dat de aanslag wordt opgelegd aan degene die het voertuig heeft geparkeerd, en dient deze bepaling dan ook zo te worden gelezen dat naast de houder ook degene die in artikel 225, lid 3, in de eerste plaats als belastingplichtige is aangewezen, als zodanig blijft aangemerkt, maar dat laat onverlet dat slechts één aanslag kan worden opgelegd, aan één van de als belastingplichtige aangewezen personen.

4.4.

Nu aan belanghebbende geen naheffingsaanslag is opgelegd, zou zij strikt genomen niet uit eigen hoofde doch slechts namens de leasemaatschappij in bezwaar en beroep kunnen komen. Aldus zou echter voor dergelijke gevallen het recht op toegang tot de rechter onvoldoende zijn gewaarborgd voor degene die het voertuig feitelijk heeft geparkeerd en die naar aan te nemen valt door de leasemaatschappij ook aansprakelijk kan worden gesteld voor de door deze betaalde belasting. De wettelijke regeling, bij het ontwerpen waarvan de aandacht kennelijk vooral erop was gericht betaling van de naheffingsaanslag zeker te stellen, vertoont op dit punt een leemte, die met inachtneming van het stelsel van de wet dient te worden opgevuld. Daarom moet worden aangenomen dat in gevallen waarin de naheffingsaanslag is opgelegd aan een ander dan degene die feitelijk het voertuig heeft geparkeerd, ook deze laatste naast degene aan wie de aanslag is opgelegd - en, ingevolge artikel 225, lid 4, van de Gemeentewet, naast degene die de belasting heeft voldaan - het recht heeft tegen de naheffingsaanslag een bezwaarschrift in te dienen. Met betrekking tot de daarbij in acht te nemen termijn voor het maken van bezwaar geldt het volgende.

4.5.

Indien op de voet van het bepaalde in artikel 234, lid 8, van de Gemeentewet [10] voor de uitreiking van het aanslagbiljet is volstaan met het aanbrengen van het aanslagbiljet op of aan het voertuig, moet worden aangenomen dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift als bedoeld in artikel 22a (thans 22j) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aanvangt met ingang van de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet. Indien niet vaststaat dat het aanslagbiljet op deze wijze is uitgereikt, vangt de termijn voor het instellen van bezwaar eerst aan op de dag na dagtekening van een “duplicaat” van het aanslagbiljet waarin naast het daarin reeds vermelde kenteken van het voertuig ook de naam en het adres van de belastingschuldige zijn vermeld, aan de hand waarvan kan worden geconstateerd of het “duplicaat” op de juiste wijze is verzonden. Een en ander geldt ook indien na toepassing van artikel 234, lid 8, en toezending van een “duplicaat” het bezwaarschrift wordt ingediend door degene die stelt dat hij niet de houder van het voertuig of degene die de belasting heeft voldaan is, maar degene die ten tijde van het geconstateerde parkeren de feitelijke beschikking over het betrokken voertuig had. In die situatie dient in voorkomend geval met het oog op de toepassing van het bepaalde in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat het “duplicaat” van het aanslagbiljet aanvankelijk is verzonden aan de houder van het voertuig.

4.6.

Het Hof heeft niet vastgesteld of het aanslagbiljet op de voet van artikel 234, lid 8, van de Gemeentewet op of aan het geparkeerde voertuig is aangebracht, noch of, uitgaande van het blijkens het hiervoor overwogene bij gebreke van een dergelijke uitreiking geldende aanvangstijdstip, de bezwaartermijn in acht is genomen en evenmin of, uitgaande van dat aanvangstijdstip, de - mogelijke - termijnoverschrijding met inachtneming van de omstandigheid dat het “duplicaat” niet aan belanghebbende maar aan de houder van het voertuig is verzonden, verschoonbaar is. Nu niet duidelijk is van welke situatie het Hof op deze punten is uitgegaan, is zijn oordeel dat belanghebbende terecht in haar bezwaar niet is ontvangen, onvoldoende met redenen omkleed. In zoverre slagen de klachten. De uitspraak van het Hof kan derhalve niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling meer. Verwijzing moet volgen.

4.9

De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 juni 2002 overwogen:11

4.1.

Tot de stukken van het geding behoort een op 30 december 1999 gedagtekend biljet met het opschrift "Naheffingsaanslag parkeerbelasting". Dit biljet bevat de gegevens van de onderwerpelijke naheffingsaanslag. Het is gesteld ten name van A B.V. te Q (hierna: de leasemaatschappij), kennelijk in haar hoedanigheid van houder van het voertuig als bedoeld in artikel 3, lid 2, letter b, van de Verordening ten tijde van het parkeren ter zake waarvan de naheffingsaanslag is opgelegd. Dit een en ander laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat de naheffingsaanslag (uiteindelijk) ten name van de leasemaatschappij is gesteld. Zulks brengt mee dat de bezwaartermijn is aangevangen de dag na de dagtekening van het vorenbedoelde biljet of, indien de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking, de dag na die van de bekendmaking (vergelijk artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 6:8, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht).

4.2.

Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat het tegen de naheffingsaanslag gerichte bezwaarschrift is ingediend op 11 januari 2000, hetgeen gerekend vanaf
30 december 1999 is binnen de termijn van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bezwaar is derhalve ontvankelijk, ongeacht of belanghebbende het bezwaarschrift heeft ingediend voor zichzelf, als degene die ten tijde van het parkeren de feitelijke beschikking over het betrokken voertuig had (vgl. HR 24 juli 2000, nr. 34578, BNB 2000/284, in het bijzonder rechtsoverweging 4.5, derde volzin), dan wel als gemachtigde van de leasemaatschappij. De klachten treffen mitsdien doel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de verzetzaak afdoen. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling.

4.10

Bij arrest van 7 juli 2017 heeft de Hoge Raad geoordeeld:12

2.1. [

B] (hierna: [B]) is enig aandeelhouder en bestuurder van [A] Holding B.V. (hierna: Holding), welke vennootschap op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van [X] B.V. (hierna: [X]). [X] is op 19 augustus 2014 in staat van faillissement verklaard.

2.2.

Bij beschikking als bedoeld in artikel 52a, lid 1, AWR (hierna: de informatiebeschikking) heeft de Inspecteur vastgesteld dat [X] voor de jaren 2008 tot en met 2012 niet (volledig) heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 52 AWR. Blijkens de aanhef ervan is de informatiebeschikking gericht aan [X], ter attentie van [B].

2.3.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 augustus 2015 beslist op het door [X] gemaakte bezwaar tegen de informatiebeschikking.

(…).

2.5.

De Rechtbank heeft geoordeeld i) dat de informatiebeschikking is gegeven aan [X], ii) dat het door Holding en [B] ingestelde beroep niet namens of mede namens [X] is ingediend, en iii) dat Holding en [B] niet op grond van artikel 26a, lid 2, AWR beroep kunnen instellen tegen de informatiebeschikking. Op deze gronden heeft de Rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

2.6.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank is hoger beroep ingesteld door [X], Holding en [B]. Het Hof heeft geoordeeld dat het beroep bij de Rechtbank mede is ingesteld namens [X], zodat zij moet worden ontvangen in dat beroep, en dat het beroep bij de Rechtbank van Holding en [B] terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het Hof heeft daarom het hoger beroep van laatstgenoemden ongegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd voor zover die ziet op het niet ontvangen van [X] in het beroep bij de Rechtbank, en de zaak terugverwezen naar de Rechtbank voor een inhoudelijke behandeling van de zaak.

3. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

3.1.

Het middel richt zich tegen ’s Hofs oordeel dat het beroep bij de Rechtbank mede is ingesteld namens [X].

3.2.

Het Hof heeft aan het door het middel bestreden oordeel onder meer ten grondslag gelegd “de ter gelegenheid van de zitting bij de rechtbank gegeven duidelijke uiteenzetting, inhoudende dat Holding en [B] mede namens [X] beroep hebben ingesteld”.

Indien het Hof met deze overweging tot uitdrukking heeft willen brengen dat een na afloop van de beroepstermijn afgelegde verklaring alsnog kan bewerkstelligen dat het beroep is ingesteld door of namens een ander dan degene door of namens wie het beroepschrift is ingediend, berust zijn oordeel op een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 20 oktober 1993, nr. 28655A, BNB 1994/10).

Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting is zijn oordeel onbegrijpelijk aangezien de inhoud van zowel het beroepschrift als de begeleidende brief daarbij geen andere conclusie toelaat, ook niet in samenhang met de overige door het Hof in onderdeel 5.1 van zijn uitspraak genoemde omstandigheden, dan dat het beroep bij de Rechtbank uitsluitend is ingesteld door Holding en [B].

Jurisprudentie lagere rechters

4.11

De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 28 augustus 2012 overwogen:13

In de kern komt het betoog van mr. [gemachtigde] erop neer dat hij belastingschuldige was voor de parkeerbelasting en dat het mogelijk was om het aanslagbiljet terstond aan hem uit te reiken, zodat gelet op de tekst van artikel 234, achtste lid, van de Gemeentewet[14] niet kon worden volstaan met het aanbrengen van het aanslagbiljet op het voertuig onder vermelding van het kenteken. Nu dit wel is gedaan, moet de naheffingsaanslag volgens hem worden vernietigd.

Verweerder heeft de juistheid van dit betoog bestreden. Daarbij heeft verweerder gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2005, nr. 39.529, LJN AU 6887.

De rechtbank is van oordeel dat het betoog van mr. [gemachtigde] onjuist is. Weliswaar was hij ten tijde van het parkeren de belastingschuldige, maar doordat hij de parkeerbelasting niet op aangifte heeft voldaan, is volgens de tekst van de Gemeentewet en de Verordening eiseres als houder van de auto (in ieder geval mede) de belastingschuldige geworden. De uitzonderingen op deze regel doen zich in deze zaak niet voor, omdat eiseres de echte houder van de auto is en zij de auto aan mr. [gemachtigde] had uitgeleend. De naheffingsaanslag kon daarom aan haar worden opgelegd, zoals ook is gebeurd. Het achtste lid van artikel 234 van de Gemeentewet bevat geen regels over de vraag wie de belastingschuldige is, maar bevat alleen regels over de bekendmaking van de naheffingsaanslag. De Hoge Raad heeft in het door verweerder genoemde arrest uit 2005, maar ook in latere arresten (o.a. HR 29 juni 2012, nr. 11/03759, LJN BW0194), met verwijzing naar de wetsgeschiedenis beslist dat fouten in de bekendmaking niet ertoe leiden dat de naheffingsaanslag nietig is. Dergelijke fouten kunnen wel gevolgen hebben voor het moment waarop de bezwaartermijn gaat lopen. Dat aspect is in deze zaak echter niet aan de orde. De naheffingsaanslag is derhalve geldig, ook als artikel 234, achtste lid, van de Gemeentewet zo zou moeten worden uitgelegd dat de wijze van bekendmaking onjuist is geweest doordat de mogelijkheid bestond om de naheffingsaanslag aan mr. [gemachtigde] in persoon uit te reiken. De rechtbank kan dit punt daarom in het midden laten.

Bestudering van de parlementaire geschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, kamerstukken 19 405) geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. In tegendeel, uit deze stukken blijkt juist dat getracht is om voor een sluitende uitvoeringstechniek te zorgen door de houder van het voertuig als belastingschuldige aan te wijzen voor de gevallen waarin de parkeerbelasting niet is voldaan door degene die heeft geparkeerd (zie de Memorie van Antwoord, nr. 6, p.19-21). De opgenomen uitzonderingen zijn toegevoegd om onbillijkheden te voorkomen, maar uitgangspunt is dat de houder van het voertuig verantwoordelijk is en mag worden gehouden voor wat er met het voertuig gebeurt (zie ook de Nota naar aanleiding van het eindverslag, nr. 12, p. 4). Bovendien is de doelstelling van de regeling het bevorderen van efficiënt en financieel verantwoord gemeentelijk parkeerbeleid (zie nr. 10). Die doelstelling zou in het gedrang komen als het betoog van mr. [gemachtigde] juist zou zijn. Verder volgt uit de toelichting op het achtste lid van (het huidige) artikel 234 (destijds artikel 283a) dat dit artikellid alleen gaat over de bekendmaking en niet over de belastingplicht (zie Tweede nota van wijziging, nr. 13, p. 14). Bovendien volgt uit de parlementaire geschiedenis dat de regeling in het achtste lid is opgenomen om het gemeentes gemakkelijker te maken om op juiste wijze naheffingsaanslagen parkeerbelasting bekend te maken. Als het betoog van mr. [gemachtigde] juist zou zijn, zou het tegenovergestelde worden bereikt, hetgeen niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest.

Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

4.12

Gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 12 juli 2017 overwogen:15

5.1.

Gelet op HR 24 juli 2000, nr. 34578, ECLI:NL:HR:2000:AA6508 moet worden aangenomen dat in gevallen waarin de naheffingsaanslag in de belasting als bedoeld in artikel 225, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet is opgelegd aan een ander dan degene die feitelijk het voertuig heeft geparkeerd (de feitelijke parkeerder), ook de feitelijke parkeerder naast degene aan wie de naheffingsaanslag is opgelegd - en, ingevolge artikel 225, vierde lid, van de Gemeentewet, naast degene die de belasting heeft voldaan - het recht heeft tegen de naheffingsaanslag beroep in te stellen en daaraan voorafgaand bezwaar te maken.

5.2.

Belanghebbende heeft op 12 juni 2015 bezwaar gemaakt. Belanghebbende had dit, gelet op HR 14 juni 2002, nr. 36796, ECLI:NL:HR:2002:AE4134, FED 2002/376, namens de houder van de auto – de BV – kunnen doen, doch hij stelt voor zichzelf, als feitelijk parkeerder van de auto, bezwaar te hebben gemaakt. Het Hof volgt belanghebbende hierin. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende de auto op 8 juni 2015 heeft geparkeerd op de [A] (aldus de heffingsambtenaar) of op de [D] (aldus belanghebbende) het Hof laat de precieze locatie in het midden, dat de naheffingsaanslag achter de ruitenwisser van de geparkeerde auto is aangebracht, dat op de naheffingsaanslag de naam van degene, aan wie de aanslag is opgelegd, niet is vermeld, dat belanghebbende, naar onder meer blijkt uit de onder 2.1. geciteerde e-mail, ervan uitging dat de naheffingsaanslag aan hem was opgelegd, dat belanghebbende kennelijk niet ervan op de hoogte was dat de gemeente beoogde de naheffingsaanslag op te leggen aan de BV, zijnde de houder van de auto in de zin van artikel 225, vijfde lid, van de Gemeentewet, dat gemachtigde, overeenkomstig het voorgaande, het bezwaar heeft ingediend ”tegen [de] naheffingsaanslag parkeerbelastingen ten name van [belanghebbende]” en dat de heffingsambtenaar eerst op 26 juni 2015, derhalve twee weken nadat het bezwaarschrift is ingediend, door middel van het duplicaat kenbaar heeft gemaakt dat hij de naheffingsaanslag aan de BV had opgelegd.

5.3.

Aangezien naar volgt uit het overwogene onder 5.2. belanghebbende het bezwaar voor zichzelf en niet namens de houder van de auto heeft ingediend en de heffingsambtenaar zich daarvan, gelet op de onder 2.7. genoemde brief van 20 augustus 2015, bewust was, had de heffingsambtenaar, zo hij beoogde met de onder 2.4 aangehaalde ”Uitspraak op bezwaarschrift Parkeerbelasting” te beslissen op het door belanghebbende gemaakte bezwaar, deze uitspraak overeenkomstig artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan belanghebbende moeten toezenden of uitreiken. Dit is voor noch na het einde van de beslistermijn op 31 december 2015 gebeurd zodat de zo-even vermelde ”Uitspraak op bezwaarschrift Parkeerbelasting” zo al moet worden aangenomen dat daarin op het bezwaar van belanghebbende is beslist gelet op artikel 3:40 Awb jegens belanghebbende niet in werking is getreden.

4.13

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in een uitspraak van 26 januari 2018 overwogen:16

Was belanghebbende bevoegd bezwaar te maken?

3.6.

De rechtbank heeft onderzocht (…) of belanghebbende wel bevoegd was om bezwaar te maken. Zou dat immers niet het geval zijn, dan zou het bezwaar reeds om die reden terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.

3.7.

Nu het duplicaat van de naheffingsaanslag aan [A] is gezonden, is de naheffingsaanslag niet aan belanghebbende maar aan [A] opgelegd (vgl. het arrest BNB 2000/284, rov. 4.3).

Belanghebbende heeft in (…) e-mailberichten verklaard dat de auto op naam van zijn partner [A] staat en bevestigd dat hij (belanghebbende) degene was die de auto heeft geparkeerd ten tijde van de naheffingsaanslag. De rechtbank heeft geen aanleiding om in dit geval aan de verklaringen te twijfelen en acht daarom aannemelijk dat belanghebbende de feitelijk parkeerder was.

Gelet op artikel 225, lid 3 van de Gemeentewet en het arrest BNB 2000/284, rov. 4.3 was dus (ook) belanghebbende aan te merken als belastingplichtige. Dit brengt mee dat, hoewel de naheffingsaanslag aan [A] is opgelegd, belanghebbende bevoegd was om daartegen bezwaar te maken. Zo dit laatste niet uit artikel 253, lid 4, van de Gemeentewet volgt, volgt dit in elk geval uit het arrest BNB 2000/284.

Is de niet-ontvankelijkverklaring terecht?

3.8.

Vast staat dat de gemachtigde niet op enig moment in de bezwaarfase kenbaar heeft gemaakt dat belanghebbende de feitelijk parkeerder was. Pas in beroep, bovendien pas ter zitting, heeft de gemachtigde dit kenbaar gemaakt.

3.9.

Aan de heffingsambtenaar moet worden toegegeven dat het onwenselijk is dat de gemachtigde niet eerder duidelijkheid heeft gegeven. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat er geen grond is voor de niet-ontvankelijkverklaring:

- Belanghebbende was bevoegd om bezwaar te maken (zie 3.7).

- De naam van degene namens wie bezwaar wordt gemaakt moet binnen de bezwaartermijn bekend zijn (vgl. HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1234). Dat is hier het geval (zie 1.2). Dat niet binnen de bezwaartermijn kenbaar was gemaakt dat belanghebbende de feitelijk parkeerder was doet daaraan niet af.

- Is het beroepschrift niet door de indiener zelf (mede)ondertekend maar slechts door ‘de gemachtigde’, dan dient bij het beroepschrift een schriftelijke machtiging te worden overgelegd (vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2). Gebeurt dat niet, dan is sprake van een vormverzuim, dat – indien niet hersteld – tot niet-ontvankelijkverklaring kan leiden. Hier is van een dergelijk vormverzuim geen sprake; de gemachtigde heeft immers direct een (toereikende) schriftelijke machtiging van belanghebbende overgelegd bij het bezwaarschrift (zie 1.2).

3.10.

In het midden kan blijven of het oordeel anders zou zijn geweest in de situatie waarin de heffingsambtenaar had gevraagd waarom belanghebbende in de opvatting van de gemachtigde bevoegd was om bezwaar te maken en de gemachtigde daarop geen duidelijkheid zou hebben geboden. Die situatie doet zich immers niet voor.

3.11.

Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank zal de zaak terugwijzen naar de heffingsambtenaar om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van de overwegingen van deze uitspraak.

5 Beoordeling van de klachten

Inleiding

5.1

Belanghebbende heeft, in haar visie, als feitelijke parkeerster bezwaar gemaakt tegen de onderhavige naheffingsaanslag parkeerbelasting.

5.2

Op grond van artikel 225, derde lid, van de Gemeentewet wordt de parkeerbelasting geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd. Op grond van artikel 225, vijfde lid, van de Gemeentewet, wordt (zolang de parkeerbelasting niet is voldaan) de kentekenhouder van het voertuig aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd.17, 18

5.3

In casu kan belanghebbende als vermeend feitelijke parkeerster op twee manieren op de hoogte zijn (geweest) van de onderhavige naheffingsaanslag parkeerbelasting, te weten: i) door ontvangst van de naheffingsaanslag bij de auto en ii) na kennisgeving door de kentekenhouder van diens ontvangst van het duplicaat van de naheffingsaanslag per post.

5.4

Indien belanghebbende daadwerkelijk de feitelijke parkeerster is, had zij de naheffingsaanslag op of aan het geparkeerde voertuig kunnen aantreffen, bijvoorbeeld onder de ruitenwisser van de auto.19 Het Hof heeft in casu vastgesteld dat de Inspecteur een duplicaat van de naheffingsaanslag naar het woonadres van de kentekenhouder heeft gestuurd, alwaar ook belanghebbende woonachtig was. Wat hiervan zij, de wijze van bekendmaking is voor het beroep in cassatie niet beslissend.

Geschil en cassatieberoep

5.5

Het gaat in deze procedure namelijk niet om de vraag of de naheffingsaanslag parkeerbelasting op de juiste wijze bekend is gemaakt, maar om de vraag of belanghebbende bevoegd was om bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag en daarmee of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard door de Heffingsambtenaar om reden dat hem van die bevoegdheid niet gebleken was, ondanks verzoeken om toelichting aan belanghebbende.

5.6

Hier speelt dat (de gemachtigde van) belanghebbende niet heeft gerespondeerd op het verzoek van de Heffingsambtenaar om een machtiging van de kentekenhouder over te leggen en dat belanghebbende pas in de beroepsfase heeft vermeld dat zij als feitelijke parkeerster de auto heeft geparkeerd. Belanghebbende heeft dienaangaande in de aanvulling van haar beroepschrift opgenomen:20‘Eiser is degene die als bestuurder het voertuig heeft geparkeerd. Het bezwaar is namens eiser, (…) [belanghebbende, A-G], ingediend. Niet valt in te zien waarom verweerder een machtiging van ene [de kentekenhouder, A-G] verlangt’.

5.7

Daarbij merk ik ten eerste op dat de Heffingsambtenaar naar mijn mening beter, want zorgvuldig, meteen aan belanghebbende had kunnen vragen of zij bezwaar maakte namens de kentekenhouder of voor zichzelf als feitelijke parkeerster. Ten tweede merk ik op dat het op zichzelf geoorloofd is pas in beroep te komen met de feitelijke stelling dat belanghebbende bezwaar en beroep heeft ingesteld voor zichzelf als de feitelijke parkeerster. Alsdan moet die stelling, bij betwisting van de kant van de heffende instantie, door belanghebbende aannemelijk worden gemaakt.

5.8

De Rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het op de weg van belanghebbende lag om in het bezwaarschrift of op enig later moment in bezwaar toe te lichten waarom zij bevoegd was om bezwaar te maken. De Rechtbank heeft geconstateerd dat zij daartoe voldoende in de gelegenheid is gesteld. Het beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard, nu uit niets blijkt ‘dat (…) [belanghebbende, A-G] als bestuurder heeft geparkeerd’.21

5.9

Het Hof heeft bij uitspraak van 19 december 2017 overwogen dat de Rechtbank, gelet op de beschikbare gegevens, terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het gelijk aan de zijde van de Heffingsambtenaar is. Belanghebbende heeft volgens het Hof, ‘tegenover de formele en inhoudelijke uiteenzettingen in de verweerschriften, geen feiten of omstandigheden en evenmin valabele argumenten aangevoerd, ook niet in hoger beroep, die de conclusie rechtvaardigen dat het bezwaar ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard’.22 Daarbij heeft het Hof overwogen dat weliswaar uit de gedingstukken naar voren komt ‘dat belanghebbende en de kentekenhouder kennelijk op hetzelfde adres wonen, maar (…) verder geen enkel bewijs is te putten voor de eerst in beroep aangevoerde stelling dat het belanghebbende is geweest die de auto op 25 juni 2016 rond 22.06 uur op de bewuste locatie heeft geparkeerd’.

5.10

In cassatie klaagt belanghebbende dat zij niet aan het verzoek van de Heffingsambtenaar om een machtiging van de kentekenhouder over te leggen heeft voldaan, aangezien het bezwaar was ingesteld namens haar en niet namens de kentekenhouder.23 Het bezwaar acht zij ontvankelijk, zelfs ongeacht of haar gemachtigde het bezwaarschrift namens haar of ‘als gemachtigde van de gemachtigde van de kentekenhouder’ heeft ingediend.24

5.11

Voorts klaagt belanghebbende dat het op de weg van de Heffingsambtenaar had gelegen om een toelichting te vragen aan de gemachtigde waarom namens belanghebbende en niet namens de kentekenhouder bezwaar was gemaakt.

Jurisprudentie

5.12

In het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 200025 was een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan een leasemaatschappij (de kentekenhouder van de auto) en wilde de feitelijke parkeerder van de auto daartegen in rechte opkomen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat ‘moet worden aangenomen dat in gevallen waarin de naheffingsaanslag is opgelegd aan een ander dan degene die feitelijk het voertuig heeft geparkeerd, ook deze laatste naast degene aan wie de aanslag is opgelegd – en, ingevolge artikel 225, lid 4, van de Gemeentewet, naast degene die de belasting heeft voldaan – het recht heeft tegen de naheffingsaanslag een bezwaarschrift in te dienen’.26

5.13

In datzelfde arrest van 14 juli 2000 is tevens overwogen dat toelaatbaar is dat ‘het bezwaarschrift wordt ingediend door degene die stelt dat hij niet de houder van het voertuig of degene die de belasting heeft voldaan is, maar degene die ten tijde van het geconstateerde parkeren de feitelijke beschikking over het betrokken voertuig had’.

5.14

In de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 januari 2018 is overwogen dat de belanghebbende in die zaak heeft verklaard dat hij degene was die de auto heeft geparkeerd ten tijde van de naheffingsaanslag, de rechtbank ‘geen aanleiding heeft gezien om in dit geval aan de verklaringen te twijfelen’ en daarom aannemelijk acht dat belanghebbende de feitelijke parkeerder was.27 Ook in die zaak had de gemachtigde ‘niet op enig moment in de bezwaarfase kenbaar (…) gemaakt dat belanghebbende de feitelijke parkeerder was’.

5.15

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft voorts in voornoemde uitspraak overwogen ‘dat het onwenselijk is dat de gemachtigde niet eerder duidelijkheid heeft gegeven’, maar dat er desondanks geen grond is van een niet-ontvankelijkverklaring. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd, dat i) belanghebbende als feitelijke parkeerder bevoegd was om bezwaar te maken; ii) de naam van de bezwaarmaker binnen de bezwaartermijn bekend was28 en iii) de gemachtigde direct een (toereikende) schriftelijke machtiging van belanghebbende heeft overgelegd bij het bezwaarschrift.29

Beoordeling van de klachten

5.16

Het komt mij voor dat het beroep in cassatie van belanghebbende in wezen ziet op bewijsoordelen van de Rechtbank (‘uit niets blijkt dat eiseres als bestuurder heeft geparkeerd’) en het Hof (‘maar dat uit de gedingstukken verder geen enkel bewijs is te putten voor de eerst in beroep aangevoerde stelling dat het belanghebbende is geweest die de auto op 25 juni 2016 rond 22.06 uur op de bewuste locatie heeft geparkeerd’).

5.17

Een verschil tussen de onderhavige zaak en de zaak leidend tot de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 januari 2018 is dat in de laatstgenoemde zaak de rechtbank, gelet op verklaringen van de belanghebbende, aldaar aannemelijk heeft geacht dat hij de feitelijke parkeerder was.30 In casu heeft het Hof in het geheel geen aangebracht bewijs gezien voor belanghebbendes, door de heffende overheid betwiste, stelling dat zij de feitelijke parkeerster was.

5.18

Bij betwisting geldt als uitgangspunt: ‘wie stelt die moet bewijzen’. Belanghebbende had ten aanzien van de vraag of zij de feitelijke parkeerster was bijvoorbeeld aan de bewijslevering (aannemelijk maken) kunnen voldoen door een verklaring over te leggen van de kentekenhouder dat zij inderdaad op 25 juni 2016 de auto heeft gebruikt, en/of door zelf een gemotiveerde verklaring daarover over te leggen of mondeling te geven ter zitting. Echter, dit alles ontbreekt.

5.19

Belanghebbendes klachten in cassatie zien vooral op de eenzijdige, formele benadering door de Heffingsambtenaar en zijn in zoverre overigens wel begrijpelijk. De Heffingsambtenaar lijkt namelijk vooral te zijn gefixeerd op de vraag of er wel een juiste machtiging is afgegeven door de kentekenhouder en gaat in de bezwaarfase niet in op de mogelijkheid dat ook een feitelijke parkeerder het recht heeft om een bezwaarschrift in te dienen.31 Dat had naar mijn mening zorgvuldiger gekund.

5.20

Echter, anders dan belanghebbende lijkt te veronderstellen in haar cassatieberoepschrift, rust er geen (afdwingbare) onderzoeksplicht op de Heffingsambtenaar, op grond waarvan de Heffingsambtenaar zou zijn gehouden een toelichting te vragen waarom namens belanghebbende, en niet namens de kentekenhouder, bezwaar was ingesteld door de gemachtigde. Voor zover belanghebbendes (cassatie)beroep mede moet worden gezien als een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel, merk ik op dat de Heffingsambtenaar bij brief van
7 september 2016 de gemachtigde heeft verzocht om het bezwaar nader te motiveren. Dat heeft de gemachtigde evenwel nagelaten.

5.21

Daarbij merk ik op dat blijkens het proces-verbaal van respectievelijk Rechtbank en Hof de gemachtigde noch belanghebbende, hoewel daartoe opgeroepen, ter zitting verschenen zijn. Bij verschijning ter zitting zou er gelegenheid zijn geweest voor nader onderzoek naar feitelijk parkeerderschap en had kunnen worden gesproken over bewijslevering, waaronder eventueel een verklaring van de kentekenhouder. Echter, nu belanghebbende niet is verschenen, dient dat naar mijn mening voor haar rekening te blijven.

5.22

Op een en ander stuiten de cassatieklachten van belanghebbende af.

5.23

Ten slotte merk ik nog op dat de naheffingsaanslag op 25 juni 2016 is opgelegd en dat het bezwaar bij brief d.d. 8 augustus 2016, op 10 augustus 2016 bij de Heffingsambtenaar is binnengekomen.32 Dat is buiten de bezwaartermijn van zes weken. Een reden voor die termijnoverschrijding is door belanghebbende niet gegeven. Ook om die reden is het bezwaar naar mijn mening niet-ontvankelijk.

6 Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Gerechtshof Den Haag 19 december 2017, nr. 17/00736, ECLI:NL:GHDHA:2017:4017, FutD 2018-0319.

2 Een openbaar lichaam in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

3 In de naheffingsaanslag parkeerbelasting staat overigens onder ‘aanvullende opmerking’: ‘Uitsluitend voor vergunninghouders. Voertuig geen parkeerrecht voor vergunninghoudersplaats’.

4 Door het Hof is overigens opgemerkt dat uit de gedingstukken ‘naar voren komt dat belanghebbende en de kentekenhouder kennelijk op hetzelfde adres wonen’.

5 Rechtbank Rotterdam 7 juli 2017, nr. ROT 16/8062, ECLI:NL:RBROT:2017:5211 (niet gepubliceerd).

6 De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten.

7 Bij repliek heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat het verweerschrift buiten beschouwing dient te worden gelaten, nu het is ingediend namens het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep en niet door of namens de Heffingsambtenaar. Zoals verweerder terecht bij dupliek uiteenzet, bestaat er in casu geen bevoegdheidsgebrek. Hieraan zal ik verder geen aandacht besteden in de conclusie.

8 Blijkens artikel 3:60, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is volmacht ‘de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten’.

9 Hoge Raad 14 juli 2000, nr. 34 578, ECLI:NL:HR:2000:AA6508, na conclusie A-G Ilsink, BNB 2000/284 met noot Snoijink.

10 Voetnoot A-G: ‘Thans in enigszins gewijzigde vorm opgenomen in artikel 234, zevende lid, van de Gemeentewet. Zie onderdeel 4.6’.

11 Hoge Raad 14 juni 2002, nr. 36 796, ECLI:NL:HR:2002:AE4134, BNB 2002/298.

12 Hoge Raad 7 juli 2017, nr. 16/05590, ECLI:NL:HR:2017:1234, BNB 2017/183 met noot Spek.

13 Rechtbank Arnhem 28 augustus 2012, nr. AWB 11/4583, ECLI:NL:RBARN:2012:BX5658.

14 Voetnoot A-G: ‘Thans in enigszins gewijzigde vorm opgenomen in artikel 234, zevende lid, van de Gemeentewet. Zie onderdeel 4.6’.

15 Gerechtshof Den Haag 12 juli 2017, nr. BK 16/00582, ECLI:NL:GHDHA:2017:2173, Belastingblad 2017/372 met noot Eskes.

16 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 januari 2018, nr. AWB 17/372, ECLI:NL:RBZWB:2018:472, Belastingblad 2018/219.

17 Zie artikel 225 van de Gemeentewet, in onderdeel 4.5 van deze conclusie.

18 Dit laat blijkens het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2000 (zie onderdeel 4.8) onverlet dat er slechts één naheffingsaanslag kan worden opgelegd, aan één van de als belastingplichtige aangewezen personen.

19 Vgl. artikel 234, zevende lid, van de Gemeentewet in onderdeel 4.6. De Heffingsambtenaar heeft overigens blijkens het proces-verbaal van de zitting van 21 november 2017 bij het Hof opgemerkt dat ‘de naheffingsaanslag (…) onder de ruitenwisser [is] aangebracht op 25 juni 2016’.

20 Zie in het dossier de brief van belanghebbende aan de Rechtbank d.d. 17 januari 2017 met de gronden van het beroep.

21 Zie r.o. 2.3 van de uitspraak van de Rechtbank als opgenomen in onderdeel 2.2.

22 Zie r.o. 5.1. van de uitspraak van het Hof in onderdeel 2.4.

23 Zie voor de klachten in cassatie 3.2.

24 Kennelijk doet belanghebbende hiermee een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2002 en met name r.o. 4.2. Zie onderdeel 4.9. Dit arrest lijkt mij vooral te zien op de tijdigheid van een ingediend bezwaar, zodat het belanghebbende in casu niet kan baten.

25 Zie onderdeel 4.8.; zie ook de wettelijke regeling in 4.7.

26 Zie voor het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2000 onderdeel 4.8.

27 Zie onderdeel 4.13 voor de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 januari 2018.

28 De rechtbank verwijst (vgl.) hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2017, nr. 16/05590. Zie onderdeel 4.10.

29 Voorts heeft de rechtbank in de uitspraak van 26 januari 2018 overwogen dat ‘in het midden kan blijven of het oordeel anders zou zijn geweest in de situatie waarin de heffingsambtenaar had gevraagd waarom belanghebbende in de opvatting van de gemachtigde bevoegd was om bezwaar te maken en de gemachtigde daarop geen duidelijkheid zou hebben geboden’, nu ‘die situatie (…) zich immers niet voor [doet]’.

30 Vgl. ook de uitspraak van gerechtshof Den Haag van 12 juli 2017 als opgenomen in onderdeel 4.12.

31 In de beroepsfase heeft de Heffingsambtenaar blijkens het verweerschrift gepersisteerd bij het eerder ingenomen standpunt dat (alleen) de kentekenhouder belanghebbende is en dat voldoende gelegenheid is geboden een juiste machtiging te overleggen. Blijkens het verweerschrift in hoger beroep heeft de Heffingsambtenaar het standpunt ingenomen dat ‘ten tijde van het doen van uitspraak (…) de heffingsambtenaar uitsluitend [kon] concluderen dat belanghebbende niet bevoegd was om bezwaar in te dienen’.

32 Zie r.o. 2.2 van de uitspraak van het Hof in onderdeel 2.1 van deze conclusie.