Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1287

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-10-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
17/00853
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2345
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Profijtontneming. Falende klachten over verwerping verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM en oordeel hof dat geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden aan overschrijding redelijke termijn. Slagende klacht m.b.t. schatting w.v.v. Hof heeft in het midden gelaten welke strafbare feiten het voordeel hebben gegenereerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00853 P

Zitting: 9 oktober 2018

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 1 februari 2017 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 1.083.691,47 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/00855. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Namens de betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat de verdachte door de (aanzienlijke) overschrijding van de redelijke termijn in de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en (derhalve) in zijn recht op een eerlijk proces is geschaad.

5. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen (onder weglating van voetnoten):

“Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie primair niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu veroordeelde ernstig in zijn verdedigingsrechten is geschaad als gevolg van het niet in acht nemen van de redelijke termijn ex artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Een tweede grond is gelegen in een schending van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, omdat de processen-verbaal van de getapte geheimhoudersgesprekken niet onverwijld door de officier van justitie zijn vernietigd.

(…)

Daartoe is het volgende gesteld:

De raadsman heeft aangevoerd dat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 september 2016 heeft overwogen dat overschrijding van de redelijke termijn in uitzonderlijke gevallen kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De inbreuk op de verdedigingsrechten van verdachte dient dan van dien aard en zodanig ernstig te zijn dat er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De raadsman is van mening dat veroordeelde, gezien het tijdsverloop, zich ter terechtzitting niet behoorlijk kan verweren. Omdat de verweten gedragingen zo lang geleden plaatsvonden zal niet van getuigen verlangd kunnen worden dat zij daaromtrent nog kunnen verklaren, zodat veroordeelde tevens geschaad wordt in zijn ondervragingsrecht. De raadsman heeft aangegeven dat dit met name van toepassing is op het ondervragen van getuige Cremers, die is gehoord, maar verklaarde zich niets meer te herinneren en de getuigen Knopper en Blanker, die inmiddels beiden zijn overleden.

Door de duur van de vervolging is de veroordeelde derhalve niet meer in staat een effectieve verdediging te voeren. Voorts dient rekening gehouden te worden met het feit dat veroordeelde al tien jaar in onzekerheid leeft en hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim een miljoen euro boven het hoofd hangt. De hele zaak trekt een zware wissel op diens leven.

(…)

De raadsman heeft betoogd dat beide gronden in onderlinge samenhang bezien onmiskenbaar het recht van veroordeelde op een eerlijk proces hebben geschonden. De normschending die is veroorzaakt door het openbaar ministerie raakt het wettelijk systeem in de kern en dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring.

(…)

Het oordeel van het hof

De redelijke termijn

Veroordeelde is op 8 mei 2007 aangehouden. Op 21 augustus 2007 heeft een pro formazitting plaats gevonden bij de Rechtbank Utrecht. De rechtbank heeft het verzoek van de raadsman toegewezen om tien getuigen te horen. Naar aanleiding van de pro formazitting op 8 oktober 2007 heeft de rechtbank het verzoek van de raadsman tot het horen van vijf getuigen toegewezen. Op 21 januari 2009 heeft de rechtbank opnieuw een verzoek tot het horen van vijf getuigen toegewezen, onder wie [betrokkene 1] (-onder voorwaarde dat hij kan worden opgespoord-) en het verzoek tot het doen van onderzoek naar de geheimhouders gesprekken eveneens toegewezen. De strafzaak is vervolgens op 21 april 2009, 23 april 2009 en 3 juni 2009 inhoudelijk behandeld, gelijktijdig met de zaken tegen medeveroordeelden [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Op 8 juni 2009 is het vonnis in de hoofdzaak uitgesproken. In de ontnemingszaak heeft de rechtbank op 1 februari 2012 uitspraak gedaan.

Op 17 september 2013 vond een regiezitting in de ontnemingszaak plaats.

De raadsman heeft bij appelschriftuur van 1 juli 2009 en ter terechtzitting op 27 april 2011 onder meer verzocht om 31 getuigen in de strafzaak en de ontnemingszaak te horen en een reclasseringsrapport te doen opmaken. Bij tussenarrest van 11 mei 2011 heeft het hof het verzoek tot het horen van 15 getuigen (onder wie [betrokkene 1] ) toegewezen, alsmede het verzoek tot het opstellen van een reclasseringsrapport. De inhoudelijke behandeling zou gelijktijdig plaatsvinden met de zaken tegen zes medeveroordeelden. Bij brief van 19 augustus 2013 heeft mr. C. van Oort zich gesteld.

Op 13 januari 2014 en 15 januari 2014 is de zaak opnieuw ter terechtzitting behandeld. Uit het proces-verbaal terechtzitting blijkt dat alle genoemde getuigen met uitzondering van [betrokkene 1] zijn gehoord. De raadsvrouw heeft gepersisteerd bij het horen van deze getuige, van wie de raadsvrouw geen adres wist. Het hof heeft de zaak naar de raadsheer-commissaris verwezen om [betrokkene 1] alsnog te horen. Bij brief van 27 januari 2015 heeft mr. Y. Moszcowicz zich gesteld.

Nadat het adres van [betrokkene 1] bekend is geworden, heeft het hof op 26 november 2014 een rechtshulpverzoek gericht aan het IRC. Vervolgens zijn met de Maltese autoriteiten afspraken gemaakt om [betrokkene 1] te horen op respectievelijk 17 april 2015, 2 oktober 2015 en 30 november 2015. Om onbekende redenen zijn deze afspraken telkens door de Maltese autoriteiten afgezegd. Op het verzoek een nieuwe afspraak te plannen werd niet gereageerd. De advocaat-generaal heeft bij emailbericht van 7 maart 2016 aangedrongen op een vlotte afdoening van de zaak. Uiteindelijk is voorgesteld om het verhoor op 27 juli 2016 te laten plaatsvinden. Zowel de raadsman als de advocaat-generaal heeft meegedeeld op deze datum verhinderd te zijn.

De raadsheer-commissaris heeft vervolgens op 19 juli 2016 beslist dat, gelet op de gedateerdheid van de zaak en de moeizame communicatie met de Maltese autoriteiten, het verhoor op 26 juli 2016 doorgang zou vinden en de raadsman en de advocaat-generaal verzocht met het oog daarop op voorhand schriftelijk vragen in te sturen. Bij brief van 25 juli 2016 heeft de raadsman (opnieuw) verzocht het verhoor aan te houden en meegedeeld dat hij vanuit tactische overwegingen geen vragen zal indienen.

Uit bovenstaande weergave van het verloop van de procedure blijkt dat er veel tijd nodig is geweest voor het horen van een groot aantal getuigen, zowel in de strafzaak als de ontnemingszaak. Met name het horen van getuige [betrokkene 1] is de oorzaak geweest van langdurige, ongewenste vertraging. Het openbaar ministerie en de raadsheer- commissaris waren voor het horen van deze getuige aangewezen op de medewerking van de Maltese autoriteiten en op het uitstel hebben zij geen invloed gehad. Uiteindelijk is besloten dat het verhoor van [betrokkene 1] op 27 juli 2016 per video-verbinding zou plaatsvinden. De raadsman van veroordeelde heeft ervoor gekozen geen vragen in te dienen.

Het hof heeft te beoordelen of er door het geschetste tijdsverloop sprake is van een, door de Hoge Raad in het arrest van 13 september 2016 bedoeld uitzonderlijk geval, dat zou kunnen leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daarbij neemt het hof de volgende overweging van de Hoge Raad als uitgangspunt:

“Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen - in de bewoordingen van het EHRM- dat "the proceedings as a whole were not fair". Uit een en ander volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. Aan de motivering van die beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring worden hoge eisen gesteld zodanige inbreuk op de rechten van de veroordeelde is gemaakt, dat er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM.”

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Veroordeelde is op 8 mei 2007 aangehouden en op diezelfde datum heeft een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij een grote hoeveelheid hennep en geld is aangetroffen. Veroordeelde is aangehouden in het schuurtje waar de met hennep gevulde kartonnen dozen aanwezig waren, die net daarvoor door leverancier [betrokkene 4] waren afgeleverd. Veroordeelde moet zich hebben gerealiseerd waarvan hij werd verdacht. Het onderzoek naar het witwassen is kort daarop gestart en het (eind)proces-verbaal is op 20 september 2007 gesloten. Veroordeelde beschikte op dat moment over alle voor zijn verdediging benodigde gegevens en wist precies waar hij zich tegen had te verweren. Veroordeelde heeft zich in het vooronderzoek echter veelvuldig beroepen op zijn zwijgrecht en geen stukken overgelegd die zijn mogelijke verweren zouden kunnen onderbouwen. Evenmin heeft hij in die fase mededelingen gedaan, die aanknopingspunten konden bieden voor in het kader van zijn verdediging relevante onderzoekshandelingen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 21 januari 2009 meegedeeld dat hij een ontnemingsvordering zal indienen. De eerste van een aantal zittingen heeft plaats gevonden in 2007, waarbij telkenmale verzoeken tot het horen van een uiteindelijk groot aantal getuigen zijn toegewezen. De meeste getuigen zijn ook binnen vijf maanden gehoord. Tijdens de procedure in hoger beroep zijn opnieuw een groot aantal getuigen gehoord. Gelet op deze omstandigheden, ziet het hof niet in dat veroordeelde onvoldoende in staat zou zijn gesteld dan wel thans niet meer in staat is om zijn verdediging effectief te voeren. De procedure heeft weliswaar meer tijd in beslaggenomen dan de zaken tegen de medeveroordeelden (-die in 2014 zijn veroordeeld-), maar dat tijdsverloop is in overwegende mate te wijten aan de problemen rond het horen van [betrokkene 1] .

Tegen deze achtergrond wijst het hof naar rechtsoverweging 2.3.2 van hetzelfde arrest van de Hoge Raad:

“In genoemd arrest is voorts erop gewezen dat ook andere factoren nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van - bijvoorbeeld - getuigen. Genoemd voorschrift van art. 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling binnen een redelijke termijn heeft evenwel niet het oog op deze factoren en strekt in het bijzonder niet ertoe de verdedigingsrechten van een veroordeelde te waarborgen, zoals het recht getuigen te ondervragen. De in voormeld arrest geformuleerde uitgangspunten en regels houden alleen verband met het recht op behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en gelden dus niet voor de beoordeling van inbreuken op de verdedigingsrechten.”

Het hof is daarom van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging. Dat neemt niet weg dat de vervolging aanmerkelijk langer heeft geduurd dan in het licht van het bepaalde in artikel 6 EVRM voor redelijk gehouden mag worden, hetgeen een schending van de door dat artikel beschermde rechten van veroordeelde inhoudt.”

6. Het middel faalt op dezelfde gronden als waarop het eerste middel in de (samenhangende) strafzaak met nummer 17/00855 behoort te falen.

7. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

8. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende in:

“Subsidiair heeft de raadsman verzocht de overschrijding van de redelijke termijn en de vormverzuimen ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering te compenseren door het aan de Staat te betalen bedrag te matigen.

(…)

De raadsman heeft subsidiair betoogd dat een ruimhartige compensatie voor de schending van de redelijke termijn dient te volgen. Het hof acht daartoe geen plaats nu de overschrijding van de redelijke termijn reeds is verdisconteerd in de opgelegde straf in de strafzaak, waarin het hof heden arrest heeft gewezen.”

9. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat indien zowel in de ontnemingszaak als in de samenhangende strafzaak, die tevens in cassatie aanhangig is, de redelijke termijn is overschreden, de compensatie tot welke een overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, slechts wordt toegepast in de strafzaak. In dat geval staat het de feitenrechter vrij om in de ontnemingszaak te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.1

10. Het hof heeft in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, die door het hof gelijktijdig met de onderhavige ontnemingszaak is berecht, ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep strafvermindering toegepast door een straf op te leggen die op grond van art. 9 Sr als minder zwaar moet worden aangemerkt.2 Het hof kon in de onderhavige ontnemingszaak dan ook volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Het middel is evident kansloos.

11. Het derde middel behelst de klacht dat de schatting door het hof van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel onbegrijpelijk is gemotiveerd.

12. De schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel steunt, voor zover relevant, op de volgende bewijsmiddelen:

“(…)

5. Het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling met bijlagen, in wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden brigadier van politie, opgemaakt en gesloten en getekend op 5 februari 2008, waarin voor de onderbouwing wordt verwezen naar het bovengenoemde (hoofd)proces-verbaal, voor zover van belang inhoudende:

- De periode waarover het wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten loopt van 1 januari 2003 3 tot 8 mei 2007 (pagina 4)

- Het contante beginvermogen per 1 januari 2003 is nihil (pagina 18)

- De legale en verifieerbare contante ontvangsten in bedoelde periode € 35.250,-- bedroegen (pagina 20)

- Op 8 mei 2007 is er een bedrag van € 114.729,95 aangetroffen op verschillende vindlocaties (pagina 26). In de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is dit bedrag aangemerkt als contant eindsaldo van de kasopstelling (pagina 15)

- In de onderzoeksperiode is door verdachte € 45.600,-- contant uitgegeven ten behoeve van de aankoop van voertuigen (pagina 30)

- Aan huishoudelijke uitgaven is in de onderzoeksperiode € 41.600,-- contant uitgegeven (pagina 31)

- Ten behoeve van verbouwingen van de privé-woning is € 19.746,50 uitgegeven (pagina 32) en ten behoeve van de verhuurde panden € 37.095,-- (pagina 33)

- In de onderzoeksperiode is contant € 45.906,52 aan overige luxe goederen uitgegeven (pagina 32)

- Op de verschillende bankrekeningen van verdachte, zijn partners en bedrijf is een bedrag van totaal € 97.622,50 gestort (pagina 33)

- Kort voor zijn aanhouding heeft verdachte € 89.015,-- contant uitgegeven voor de aanschaf van een partij hennep (pagina 34)

- De totale waarde van de door verdachte bij de SNS bank omgewisselde bankbiljetten bedraagt € 637.500,-- (pagina's 36 en 42)

- De contante inkomsten uit de oud ijzerhandel, de tweede handsauto's en de verhuur zijn niet opgenomen in de kasopstelling omdat dit geen legaal en/of verifieerbaar contant inkomen betreft (pagina 11)

- Het resultaat van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt € 1.093.565,47 (pagina 15).

13. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende in:

“De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 1 februari 2017 (parketnummer 21-002399-09) ter zake van overtreding van de Opiumwet, witwassen en valsheid in geschrift veroordeeld tot straf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen en soortgelijke feiten financieel voordeel heeft genoten.

Het hof heeft veroordeelde vrijgesproken van het witwassen van een geldbedrag van € 9.874,-.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dit voordeel op een bedrag van € 1.083.691,47. Het hof komt als volgt tot deze schatting:

Voor de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel volgt het hof het proces-verbaal inzake de berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden financieel rechercheur bij de Divisie Recherche, gesloten en ondertekend op 5 februari 2008.

(…)

Het hof heeft voorts in aanmerking genomen hetgeen namens veroordeelde is gesteld bij de behandeling van de ontnemingszaak in hoger beroep:

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat twee derde deel van de ontnemingsvordering bestaat uit wisselingen van contant geld bij de SNS-bank. Volgens getuige [betrokkene 5] zou het gaan om twaalf wisselingen van ongeveer € 25.000,-, dus ongeveer € 300.000,- en geen € 637.5000,— zoals is opgenomen in de kasopstelling. Een aanzienlijk deel van het gewisselde geld zou bovendien aan [betrokkene 1] toebehoren.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat er mogelijk dubbeltellingen in de kasopstelling aanwezig zijn, nu het niet uitgesloten is dat veroordeelde met de (gewisselde) coupures van € 500,-- meegetelde goederen zoals de Mercedes en de Peugeot heeft aangeschaft. (…)

De raadsman heeft voorts bepleit dat het wisselen van de geldbedragen in andere coupures geen voordeel heeft opgeleverd, nu de vermogenspositie van veroordeelde daardoor niet is veranderd. Primair heeft de raadsman verzocht de wisselingen niet als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken en subsidiair dat het hof slechts de vergoeding die veroordeelde ontving voor het wisselen van de, aan [betrokkene 1] toebehorende geldbedragen, als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken. (…)

Het oordeel van het hof

(…)

Het aantal in de kasopstelling opgenomen geldwisselingen is gebaseerd op de resultaten van een door de SNS-bank uitgevoerd accountantsonderzoek, welk onderzoek het hof betrouwbaar acht. Wat de getuige [betrokkene 5] hierover heeft verklaard acht het hof, gezien zijn betrokkenheid bij de geldwisselingen, niet geloofwaardig.

De mogelijkheid dat er dubbeltellingen in de berekening aanwezig zijn, acht het hof niet aannemelijk. Veroordeelde heeft op de terechtzitting in eerste aanleg zelf verklaard dat hij de auto’s in coupures van € 50,- betaalde. Gezien de geringe acceptatie van € 500,— biljetten bij dagelijkse uitgaven, zou veroordeelde in staat moeten zijn geweest andere aankopen die hij met € 500,— biljetten heeft gedaan, te verantwoorden, hetwelk niet is geschied. Er is voorts geen enkele aanwijzing in het dossier voorhanden dat de geldbedragen niet aan veroordeelde toebehoorden.

(…)

Het hof volgt de raadsman niet in zijn stelling dat de geldwisselingen de vermogenspositie van veroordeelde niet hebben veranderd en derhalve niet als wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden aangemerkt. Veroordeelde heeft op geen enkele wijze aangetoond dat er een legale bron van inkomsten aan de aanwezigheid van deze geldbedragen ten grondslag ligt. Dat leidt onvermijdelijk tot de conclusie dat deze geldbedragen niet anders dan door misdrijven zijn verkregen. Het feit dat het wisselen van de coupures op zich geen voordeel oplevert doet daaraan niet af.

Voor zover veroordeelde heeft willen betogen dat het geld in de kluis bij zijn moeder en het ter wisseling aan de SNS-bank aangeboden geld aan derden toebehoorde, stelt het hof vast dat de desbetreffende derden dit in alle toonaarden ontkennen en er geen enkele verdere onderbouwing is van de stelling dat de gelden niet aan veroordeelde zouden toebehoren dan wel uit een legale bron zouden zijn verkregen.”

14. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat de door de betrokkene bij de SNS bank omgewisselde geldbedragen met een totale waarde van € 637.500,- kunnen worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel, onbegrijpelijk is, althans niet voldoende is gemotiveerd. De steller van het middel verwijst naar jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit volgt dat geldbedragen die het voorwerp zijn van het bewezen witwassen, niet reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormen.4

15. Zoals hierboven aangehaald heeft het hof geoordeeld dat “uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen en soortgelijke feiten financieel voordeel heeft genoten.” In de hoofdzaak is niet alleen bewezenverklaard dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen (feit 3), maar ook is bewezenverklaard dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan handelen in strijd met de Opiumwet (feit 1 en 2) en valsheid in geschrift (feit 4). Voorts heeft het hof soortgelijke feiten aan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag gelegd. Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat het hof enkel het bewezenverklaarde witwassen aan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag heeft gelegd, berust het middel op een verkeerde lezing van het arrest.

16. Gelet op het gebruik van de woorden ´soortgelijke feiten’ heeft het hof kennelijk beoogd toepassing te geven aan art. 36e, tweede lid (oud), Sr, jo art. 36e, eerste lid (oud), Sr. Daarin is immers bepaald dat aan degene die wegens een strafbaar feit is veroordeeld het voordeel kan worden ontnomen dat hij heeft verkregen door middel van of uit de baten van (1) het bewezenverklaarde feit, of (2) soortgelijke feiten of (3) feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.

17. Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat aan de hand van een eenvoudige kasopstelling over de periode van 1 januari 2003 tot 8 mei 2007. De eenvoudige kasopstelling kan (inderdaad) ook worden gehanteerd bij toepassing van het tweede lid van art. 36e (oud) Sr. In dat geval dient het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag wel in voldoende mate te (kunnen) worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e , tweede lid, Sr of, voor zover deze zijn begaan voor 1 juli 2011 (zoals in het onderhavige geval), soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.5

18. Terug naar de voorliggende zaak. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de uitkomst van de gebezigde kasopstelling het door de betrokkene daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel representeert. Dat oordeel is m.i. niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft in het middel gelaten welke strafbare feiten (het in de hoofdzaak bewezenverklaarde witwassen en/of de andere bewezenverklaarde strafbare feiten) het voordeel hebben gegenereerd. Indien moet worden aangenomen (dat het hof heeft geoordeeld) dat het voordeel (mede) voortkomt uit soortgelijke feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid (oud), Sr, blijkt uit ’s hofs vaststellingen dan wel de gebezigde bewijsmiddelen niet dat sprake is van soortgelijke feiten en evenmin dat voldoende aanwijzingen bestaan dat deze soortgelijke feiten door de betrokkene zijn begaan. In zoverre slaagt het middel.

19. Voor zover het middel klaagt dat de betrokkene in de gehanteerde berekeningswijze (de eenvoudige kasopstelling) tweemaal voor dezelfde uitgave wordt aangesproken, is het middel eveneens terecht voorgesteld. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet uit te sluiten dat het onder de betrokkene aangetroffen contante geldbedrag en de door betrokkene gedane uitgaven (anders dan de Mercedes, de Tabbert en de Peugeot) (gedeeltelijk) bestonden uit/zijn gedaan met de door de betrokkene omgewisselde geldbedragen.

20. Het eerste en tweede middel falen en kunnen met een aan art. 81 RO ontleende overweging worden afgedaan. Het derde middel slaagt.

21. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.6.3 en 3.23. Zie voorts HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721 m.nt. De Hullu.

2 Het hof heeft in zijn arrest in de strafzaak d.d. 1 februari 2017 het volgende overwogen: “Nu het hof echter heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in ernstige mate is overschreden, zal dit verdisconteerd moeten worden in de strafmaat. Het hof zal om die reden geen gevangenisstraf opleggen van een langere duur dan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft uitgezeten. In plaats daarvan zal het hof, naast een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis, een taakstraf opleggen van de maximale duur.”

3 Ik ga ervan uit dat sprake is van een kennelijke schrijffout en lees hier verbeterd 2003 i.p.v. 2013.

4 De steller van het middel verwijst onder meer naar HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3071.

5 Zie HR 14 maart 2017, ECLI NL:HR:2017:414, NJ 2017/151; HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1222, RvdW 2017/833; HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2258, RvdW 2017/941; HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:66, RvdW 2018/214; HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:543, RvdW 2108/516, en HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1684.