Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1283

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-09-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
17/05861
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2093
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling door ander, die op de grond lag, met kracht tegen zijn hoofd te schoppen en te slaan, nadat deze zwangere zus van verdachte heeft bespuugd en dreigde te slaan en hij verdachte klap heeft gegeven, art. 302.1 Sr. Noodweerexces, art. 41.2 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. vereisten voor een geslaagd beroep op noodweerexces. Hof heeft geoordeeld dat de door verdachte gepleegde poging tot zware mishandeling niet kan worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van een door de daaraan voorafgaande aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat m.b.t. de hevige gemoedsbeweging niet meer is gesteld dan dat verdachte in hevige paniek en stress is geraakt terwijl Hof heeft vastgesteld dat slachtoffer reeds roerloos op de grond lag en als b.m. o.m. als verklaring van verdachte heeft gebezigd: “Ik heb de armen waarmee hij zijn gezicht bedekte weggehaald om hem beter te raken. Het was mijn bedoeling om hem met die vuistslagen blijvend buiten gevecht te stellen en uit te schakelen. Ik wilde voorkomen dat hij nog achter mij aan kon gaan. Ik wilde hem die kans niet geven. Na de eerste klap is hij blijven liggen. Ik heb veel letsel bij hem aangericht. Ik ben wreed op hem los gegaan.” Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/05861

Zitting: 25 september 2018

Mr. A.J. Machielse

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 29 november 2017 voor: poging tot zware mishandeling, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel klaagt dat het hof het beroep op noodweerexces ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen omdat het hof niet blijkt omstandigheden die volgens de rechtspraak van de Hoge Raad relevant zijn, bij zijn overwegingen te hebben betrokken. Het middel noemt de aard en intensiteit van de hevige gemoedsbeweging en het tijdsverloop tussen aanranding en verdedigingshandeling. Hierover heeft het hof zich niet uitgelaten.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat:

"hij op 20 september 2015 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet terwijl die [slachtoffer] op de grond lag die [slachtoffer] met kracht op/tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt en geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

3.3. Onder het hoofd "Strafbaarheid van de verdachte" heeft het hof het volgende in het arrest opgenomen:

"Beroep op noodweerexces

De verdediging heeft een beroep op noodweerexces gedaan en op grond daarvan om ontslag van alle rechtsvervolging gevraagd. Ter onderbouwing is door de verdediging kort gezegd het volgende aangevoerd.

Voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten schold het slachtoffer op de zus van de verdachte en haar vriendin.

Toen de zus en haar vriendin naar het slachtoffer toe liepen, escaleerde de situatie. De verdachte zag dat het slachtoffer zijn zus, die zwanger was, bespuugde en een klap wilde geven. De verdachte wilde dat laatste voorkomen en kwam tussenbeide. Hij is toen door slachtoffer aangevallen en heeft een klap van hem gekregen. In reactie daarop heeft hij het slachtoffer een klap gegeven waardoor deze naar de grond ging. Vervolgens heeft hij verder geweld gebruikt. Met betrekking tot het verdere geweld, dat bestaat uit de bewezenverklaarde handelingen, beroept de verdachte zich op noodweerexces. Volgens de verdachte was dat verdere geweld (eveneens) het onmiddellijke gevolg van de door de eerdere aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.

Het hof overweegt als volgt.

Tijdens de terechtzitting van 15 november 2015 heeft het hof zich in het dossier bevindende camerabeelden afgespeeld en bekeken. Op deze camerabeelden, die op 20 september 2015 vanaf zes uur en 46 seconden door de afdeling cameratoezicht van de gemeente Rotterdam zijn gemaakt op de hoek Coolsingel/Stadhuisstraat, is volgens het hof - in navolging van de rechtbank - onder meer het volgende te zien.

De verdachte zit aanvankelijk op een bankje op de Coolsingel. Verderop is een aantal mensen aan het duwen en trekken. De verdachte staat op, loopt naar die mensen toe, en geeft het latere slachtoffer een paar vuistslagen. Het slachtoffer komt hierdoor ten val. Nog tijdens die val, dan wel direct daarna, geeft de verdachte het slachtoffer met kracht een schop tegen het hoofd. De verdachte buigt zich vervolgens over het roerloos op de grond liggende slachtoffer heen, doet de arm van diens gezicht opzij en slaat hem twee keer met de vuist met kracht tegen het hoofd. Vervolgens trapt de verdachte in de richting van het hoofd van het slachtoffer.

Het hof gaat er, hoewel de camerabeelden daarover geen uitsluitsel geven, vanuit dat in eerste instantie sprake is geweest van de situatie waarin de verdachte geweld heeft gebruikt in de noodzakelijke verdediging van zichzelf en zijn zus. Die situatie was naar het oordeel van het hof echter beëindigd toen het slachtoffer door toedoen van de verdachte naar de grond ging. De vraag die moet worden beantwoord is of de verdachte zich met betrekking tot de gewelddadige handelingen die daarop volgden, bestaande uit de bewezenverklaarde handelingen, met succes kan beroepen op noodweerexces. Die vraag kan slechts dan bevestigend worden beantwoord indien die gewelddadige handelingen van de verdachte - ook al was de noodweersituatie reeds beëindigd - het onmiddellijke gevolg waren van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Naar het oordeel van het hof kunnen de bewezenverklaarde gewelddadige handelingen van verdachte in de omstandigheden van het geval niet worden aangemerkt als het onmiddellijke gevolg van een door de voorafgaande wederrechtelijke aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Daarbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de bewezenverklaarde handelingen van de verdachte zeer disproportioneel waren.

Hij heeft op het bespugen van zijn zus, de dreiging dat zijn zus een klap van het slachtoffer zou krijgen en op de klap die hij naar eigen zeggen zelf van het slachtoffer heeft gekregen gereageerd met bijzonder grof geweld. Illustratief is dat de verdachte in dit verband bij de rechtbank heeft verklaard dat hij wreed op het slachtoffer los is gegaan. Naar het oordeel van het hof biedt de voorafgaande wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer geen enkele rechtvaardiging voor het bewezenverklaarde handelen door de verdachte.

Het voorgaande brengt mee dat verdachte zich niet met succes op noodweerexces kan beroepen. Het verweer wordt verworpen."

3.4. In HR 22 maart 2016, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond overwoog de Hoge Raad:

"Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien

b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

3.6.3. Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde "onmiddellijk gevolg", kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn."1

3.5. Het eerste bewijsmiddel dat het hof heeft gebezigd is een verklaring die verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd. Verdachte heeft toen verklaard dat hij op een bankje op de Coolsingel zat en dat zijn zus en haar vriendin weer naar het latere slachtoffer toe liepen en dat de ruzie toen weer oplaaide. Vervolgens is verdachte daar naartoe gelopen en heeft hij met zijn armen gezwaaid om [slachtoffer] van zich af te houden. Ook [slachtoffer] maakte tegelijkertijd een slaande beweging en verdachte trof [slachtoffer] in zijn gezicht waardoor deze viel. Verdachte haalde nog uit met zijn been en raakte [slachtoffer] in zijn gezicht. Daarna heeft verdachte de op de grond liggende [slachtoffer] nogmaals in zijn gezicht geslagen. Het was verdachtes bedoeling om [slachtoffer] met die vuistslagen blijvend buiten gevecht te stellen en uit te schakelen.

3.6. Het geweld dat verdachte bij de tweede confrontatie heeft gebezigd is volgens het hof niet het onmiddellijk gevolg geweest van een door de voorafgaande wederrechtelijke aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Het hof heeft gewezen op de zeer onevenredige reactie van verdachte jegens [slachtoffer]. De gedragingen van verdachte stonden in een zeer scheve verhouding tot de ernst van de aanranding. Daarom kan, aldus het hof, de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging niet worden toegerekend aan een hevige gemoedsbeweging. Dat getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.2 Daarbij is in aanmerking te nemen dat het hof in de bewijsvoering heeft vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] buiten gevecht wilde stellen en hem uit wilde schakelen. Dat duidt op een zekere doelgerichtheid en rationaliteit, waardoor het belang van de hevige gemoedsbeweging voor de overschrijding van de grenzen naar de achtergrond wordt gedrongen.3

3.7. In zijn rechtspraak heeft de Hoge Raad inderdaad beslist dat voor de beoordeling van de causaliteit die noodweerexces verlangt tussen de hevige gemoedsbeweging en het overschrijden van de grenzen van noodzakelijke verdediging ook betekenis kan toekomen aan de aard en intensiteit van de hevige gemoedsbeweging en het tijdsverloop tussen aanranding en verdediging. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat deze andere omstandigheden in deze zaak geen gewicht in de schaal leggen, gelet op hetgeen verdachte zelf over de gang van zaken heeft verklaard. Daarin wordt immers de invloed van de hevige gemoedsbeweging behoorlijk gemitigeerd. Daarom is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

4. Het middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond. Zie voorts HR 28 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:319, NJ 2017/424 m.nt. Wolswijk; HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2413; HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:194; HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:340.

2 HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4459, NJ 2008/312 m.nt. Keijzer.

3 HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794, NJ 2008/510 m.nt. Borgers; HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349, NJ 2012/520 m.nt. Keulen.