Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1280

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-09-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
17/00856
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2094
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bedreiging door met bijl slaande bewegingen te maken naar ander, die n.a.v. eerder incident op ramen van woning verdachte heeft gebonkt, art. 285.1 Sr. Beroep op noodweer, art. 41.1 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. belang van consistente feitelijke vaststellingen bij beoordeling van beroep op noodweer en subsidiariteitseis. Hof heeft geoordeeld dat het gebonk op de ramen en het geschreeuw van A geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding oplevert (en ook geen reële dreiging daarvan), waartegen verdachte zich zou moeten verdedigen. Gelet op wat namens verdachte is aangevoerd ter onderbouwing van de aanranding - waarvan Hof de juistheid deels in het midden heeft gelaten - is dit oordeel niet z.m. begrijpelijk. V.zv. Hof daarnaast aan de verwerping van het verweer ten grondslag heeft gelegd dat voor verdachte geen noodzaak tot verdediging bestond omdat verdachte ook een andere keuze had kunnen maken, bijv. de politie bellen, is dat oordeel niet toereikend gemotiveerd, nu Hof niet heeft doen blijken te hebben onderzocht of dit van verdachte ook kon worden gevergd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00856

Zitting: 25 september 2018

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 16 februari 2017 wegens het onder 1. subsidiair bewezen verklaarde “mishandeling” en het onder 2. bewezen verklaarde “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

2. Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld en heeft mr. R. Schreudering, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel is gericht tegen de verwerping van het beroep op noodweer.

4. Ten laste van de verdachte is – voor zover relevant – bewezen verklaard dat:

“2. hij op 22 september 2013 te Tiel [betrokkene 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [betrokkene 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je kapot" en/of: "Ik sla je hartstikke dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en heeft hij, verdachte, ten overstaan van en zichtbaar voor [betrokkene 1] een bijl getoond en heeft hij, verdachte, met een bijl in de hand slaande bewegingen gemaakt naar of in de richting van het lichaam van [betrokkene 1] en is hij, verdachte, met een bijl in zijn hand achter [betrokkene 1] aangerend.”

5. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotitie is, voor zover relevant, namens de verdachte het volgende aangevoerd:

“Feit strafbaar

13. Verdediging doet een beroep op noodweer. Cliënt zegt de bijl pas te hebben getoond nadat achtereenvolgens; hard op de ramen werd gebeukt, zo hard dat “ze er bijna uitvlogen”; dreigende termen waren geuit door aangever jegens cliënt en aangever dreigend met een metalen voorwerpen richting de deur van aangever ging. Hij is pas achter aangever aangelopen nadat hij door aangever met de zware balk geslagen is.

14. Deze omstandigheden creëren minst genomen een onmiddellijk dreigend gevaar van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf en zijn woning. Het gevaar voor zijn lijf is zelfs verwezenlijkt. Cliënt mocht verdedigen tegen deze aanhoudende, onmiddellijke dreiging en de daarop volgende aanranding. De dreiging was naar uiterlijke verschijningsvorm zo danig, dat aangever niet te stoppen leek. Er wordt door getuigen beschreven dat aangever dreigde, bleef schreeuwen; ontplofte.

15. Cliënt had onder die omstandigheden de verwachting dat hij hem te lijf zou gaan, en zelfs na de eerste keer tonen van de bijl, gebeurde dat ook. Aangezien aangever niet uit zichzelf ophield en de dreiging dat ramen ingeslagen zouden worden, en binnen blijven of op andere wijze vluchten geen optie was, was het handelen van cliënt geboden (subsidiair).

16. Cliënt wilde aangever laten stoppen en heeft om die reden de gedreigd; in verhouding tot de dreiging van aangever en het daadwerkelijk gebruikte geweld, waardoor cliënt ernstig letsel heeft opgelopen, is de dreiging van cliënt noodzakelijk (proportioneel) geweest. Cliënt komt een geslaagd beroep op noodweer toe; ik verzoek u cliënt voor het onder twee tenlastegelegde te ontslaan van alle rechtsvervolging.”

Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting blijkt voorts – voor zover relevant – het volgende:

“De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven — als volgt:

(…)

Ik had al twee keer de stadswachten op [betrokkene 3] afgestuurd. Dat had geen effect. Ik ben toen zelf op haar afgestapt. Ik ben niet binnen geweest. Ze begon tegen mij te schreeuwen. Ik heb het hekje uit de grond gehaald en in de tuin gegooid. De eerste stap was per ongeluk, want ik liep tegen het hekje aan. De doorgang werd geblokkeerd door het omgelopen hekje. Ik heb niet overwogen om het te repareren. Enkele minuten later kwam er een auto de straat in gescheurd.

Twee personen kwamen naar de achterkant van mijn huis en één persoon naar de voorkant. Ze riepen dat ze me wilden vermoorden. Ik zag een kans om naar buiten te vluchten, maar toen de voordeur open ging, stond [betrokkene 1] daar. Ik wilde eigenlijk vluchten met de auto. Ik had een hersenschudding, waardoor mijn geheugen een aantal maanden verstoord is geweest.. Ik heb tegen de vriendin gezegd dat [betrokkene 1] weg moest. Hij haalde een ijzeren voorwerp uit de auto en kwam op mij af met dat ding boven zijn hoofd. Ik hield tot dat moment de bijl achter mij en pakte die tevoorschijn. Ik nam een bijl mee, omdat er meerdere mensen om mijn huis liepen. [betrokkene 1] hield mij tegen toen ik wilde vluchten.

Over mijn verklaring bij de politie kan ik u zeggen dat ik mij de volgorde van de gebeurtenissen destijds niet goed kon herinneren. Nu gaat dat beter. Ik heb niet gezegd dat [betrokkene 1] moest opsodemieteren. [betrokkene 1] gooide het ijzeren ding weg. Hij liep naar de tuin van z’n moeder onder geschreeuw van familie en pakte een balk van het hekje. Hij haalde meteen uit en ik weerde af met mijn linkerarm. Daarbij werd de linkerkant van mijn hoofd geraakt. Ik heb niets met de bijl gedaan. Mijn lichaam was toen slap geworden. Ik ben een stukje kwijt en kon op dat moment even niets zien. [betrokkene 1] wachtte een seconde op het effect van de klap en rende daarna weg. Ik kon er toen achteraan gaan, omdat ik niet wilde dat hij nog eens achter mij aan kwam. Ik kwam weer een beetje bij m’n positieven. De klap in mijn teelballen heb ik niet gezien maar wel gevoeld. De controle was daarna weg. Ik ben een paar meter achter hem aan gelopen, voordat ik uit evenwicht werd gebracht. Toen werd ik bij mijn keel gegrepen en op de grond gewerkt.

Alle agressie was door toedoen van [betrokkene 1]. Ik heb niet geslagen met de bijl. De onderhandse klap heeft niet plaatsgevonden. [betrokkene 2] trok de bijl weg, waarbij mogelijk de arm van [betrokkene 1] is geraakt. De bijl hield ik de hele tijd bij me, omdat ik hem weg wilde jagen zodat hij niets anders kon pakken.

Vanwege de medicijnen was ik niet helder om goed te kunnen verklaren, ook al staat dat niet in de verklaring. De opgenomen verklaring is stopgezet. De balk is een dag later aan de politie overgedragen.

De raadsman deelt mede - zakelijk weergegeven:

Mijn cliënt heeft de balk na het incident van de buren gekregen. De foto’s daarvan heb ik aan uw hof doen toekomen, omdat het dossier op dat punt onduidelijk was.

De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

De foto’s zijn anderhalf tot twee jaar geleden gemaakt. Bij de rechtbank zijn ze niet getoond. Ik kreeg de indruk dat de rechtbank geen goed idee had bij de balk. Het hekje van [betrokkene 3] stond los in de grond met drie palen en het stond in de doorgang. Ik ben over het hekje gestruikeld en heb [betrokkene 3] gevraagd of ze het weg wilde halen. Ik heb het niet bewust omgetrapt. Het hekje was te hoog om overheen te stappen.

Het ijzeren voorwerp was ongeveer 50 centimeter groot en vierkant. Ik keek op dat moment tegen het zonlicht in. [betrokkene 1] pakte daarna de balk. Ik heb zelf veel gereedschap in huis liggen, omdat mijn auto is opengebroken.”

6. Het hof heeft omtrent de strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit 2 het volgende overwogen:

“Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Beroep op noodweer ter zake van het onder 2 tenlastegelegde

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde een beroep op noodweer toekomt. [betrokkene 1] is immers degene die het conflict heeft veroorzaakt door zo hard op de ramen te bonken dat verdachte dacht dat “zé er bijna uitvlogen”. Verschillende getuigen hebben verklaard dat [betrokkene 1] ontplofte. Volgens de raadsman was aldus sprake van een onmiddellijk dreigend - en zelfs deels verwezenlijkt - gevaar van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Standpunt van het openbaar ministerie

Volgens de advocaat-generaal komt verdachte geen beroep toe op noodweer ten aanzien van feit 2.

Oordeel van het hof

Voor aanvaarding van een beroep op noodweer is vereist dat een feit wordt begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat verdachte en [betrokkene 1] beiden een aandeel hebben gehad in de aanleiding tot en de escalatie van het conflict. Verdachte is als eerste naar de moeder van [betrokkene 1] gegaan en heeft daar een hekje uit de grond gehaald. Pas daarna is [betrokkene 1] gearriveerd en is hij op de ramen van de woning van verdachte gaan bonken en naar verdachte gaan schreeuwen. Op dat moment heeft verdachte ervoor gekozen om met de bijl in zijn hand naar buiten te gaan en recht tegenover [betrokkene 1] te gaan staan. Hij had toen ook een andere keuze kunnen maken, bijvoorbeeld de politie bellen. Bovendien levert het gebonk op de ramen en het geschreeuw van [betrokkene 1] naar het oordeel van het hof geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op (en ook geen reële dreiging daarvan), waartegen verdachte zich zou moeten verdedigen. Het hof verwerpt daarom het beroep op noodweer.”

7. Uit de toelichting op het middel blijkt dat het zich richt tegen ‘s hofs verwerping van het beroep op noodweer wat betreft het tweede bewezen verklaarde feit. In het bijzonder wordt geklaagd dat het oordeel dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet begrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.

8. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge art. 41, eerste lid, Sr is niet strafbaar hij die een feit begaat dat is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Noodweer impliceert verdedigend optreden.1 Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard indien de gedraging van degene die zich op deze rechtvaardigingsgrond beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdedigend’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.2 Onder de in art. 41, eerste lid, Sr bedoelde rechtsgoederen lijf, eerbaarheid en goed is het enkele huisrecht niet begrepen.3 Voorts is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ‘ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding’. Daarbij is eveneens sprake bij de dreiging van zo een aanranding, hoewel de enkele vrees daarvoor onvoldoende is.4

9. Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Bij verwerping van dat beroep dient de feitenrechter duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.5

10. Het hof heeft geoordeeld dat het gebonk op de ramen en het geschreeuw van het slachtoffer geen (dreiging van een) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding opleveren en heeft het beroep op noodweer verworpen. In dit oordeel ligt mijn inziens besloten dat het hof de gedragingen van de verdachte kennelijk niet als verdedigend, maar – naar de kern bezien – als aanvallend heeft aangemerkt.6 Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat het conflict is ontstaan doordat de verdachte het tuinhekje uit de tuin van de moeder van het slachtoffer [betrokkene 1] heeft gehaald, zoals ook de verdachte zelf ter terechtzitting heeft verklaard, dat pas daarna het slachtoffer op de ruiten van de woning van de verdachte heeft geslagen en heeft geschreeuwd, en dat zowel het slachtoffer als de verdachte beiden een aandeel hadden in het conflict en de escalatie daarvan.7 De overweging dat de verdachte ook de politie had kunnen bellen moet mijn inziens worden geplaats in de context van het oordeel dat van een noodweersituatie geen sprake was en het gedrag van de verdachte naar de kern bezien niet als verdedigend kan worden gezien. In plaats daarvan heeft de verdachte ervoor gekozen de – mede door hem geprovoceerde situatie – verder te laten escaleren. Gelet hierop en hetgeen onder 8 is vooropgesteld, is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd. Dat het hof de (deels bekennende) verklaring van de verdachte voor de bewezenverklaring heeft gebezigd doet daaraan mijn inziens niet af.8 Ik merk tot slot op dat, voor zover de steller van het middel hierover heeft beoogd te klagen, het slaan van de verdachte door het slachtoffer [betrokkene 1] met een balk nadat de verdachte het slachtoffer is achterna gerend, niet ziet op de onder feit 2 bewezen verklaarde bedreiging. Mocht die situatie al als een noodweersituatie kunnen worden gekwalificeerd, hetgeen een feitelijke beoordeling vergt en zich derhalve niet leent voor toetsing in cassatie, dan kan daardoor niet met terugwerkende kracht de strafbaarheid komen te ontvallen van de bedreiging zoals die ten laste van de verdachte vóór het slaan met de balk door het slachtoffer is bewezen verklaard.

11. Het middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging worden afgedaan.

12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het bestreden beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vlg. J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 321-322.

2 Ibid, met verwijzing naar (onder meer) HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788, zoals is herhaald in HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 (overzichtsarrest noodweer(exces)).

3 HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1015, NJ 1998/662. Zie in dit verband kritisch De Hullu 2018, p. 323, hoewel hij concludeert dat dit in de regel geen probleem zal opleveren, omdat het wederrechtelijk binnendringen in een huis doorgaans gepaard gaat met onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding van lijf of goed.

4 HR 8 februari 1932, NJ 1932, p. 617 e.v. (Vrees-arrest).

5 Vlg. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 (overzichtsarrest noodweer(exces)).

6 Vlg. HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788; HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:108, en meer recent HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1072, welk cassatieberoep werd afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging.

7 Ook overigens is het slachtoffer [betrokkene 1] naar aanleiding van deze situatie veroordeeld, zo leid ik af uit het requisitoir van de advocaat-generaal in hoger beroep.

8 Vlg. HR. 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2645.