Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1272

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
17/01588
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:18, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over onder meer witwassen - aankoop onroerend goed met crimineel geld - naar oud respectievelijk nieuw Arubaans recht. De AG adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01588 A

Zitting: 13 november 2018

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij strafvonnis van 6 februari 2017 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) wegens 1 primair: “medeplegen van opzettelijk uit de opbrengst van door misdrijf verkregen geld voordeel trekken en medeplegen van opzettelijk een gewoonte maken van witwassen van geld” en 2 primair: “medeplegen van een gewoonte maken van witwassen” veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf en het betalen van een geldboete van Afl. 100.000,-, subsidiair een jaar hechtenis. Voorts heeft het Hof beslissingen genomen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen, een en ander als nader in het strafvonnis omschreven.

  2. Namens de verdachte heeft mr. G. de Hoogd, advocaat te Aruba, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat het hof zonder enige nadere motivering “is voorbijgegaan aan het gemotiveerde beroep van de verdachte dat het Hof niet tot ontvankelijkheid van het openbaar ministerie had kunnen komen.”

  4. De toelichting op het middel doelt daarbij op hetgeen over de aanleiding en de start van het onderzoek is aangevoerd in de overgelegde en aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2017 gehechte pleitnota, die daarover het volgende inhoudt:1

“Aanleiding van het onderzoek

38. Voor zover wordt geconcludeerd dat [verdachte] strafbaar is, stelt de verdediging het volgende:

39. De aanleiding tot dit onderzoek mist een valide grondslag althans dit onderzoek is gestart op een valse althans gefabriceerde grondslag/vermoeden.

Het onderzoek is immers gestart aan de hand van een rapport van de Criminele Inlichtingen Dienst Aruba van mei 2009 waarin staat dat [verdachte] zich bezig hield met de handel in verdovende middelen en het organiseren van drugstransporten. Dit was pertinent niet waar en hiervoor was geen enkel bewijs en ter zake kon dan ook geen enkel vermoeden bestaan. Uit het onderzoek bleek dat er inderdaad sprake was van handel in verdovende middelen, maar dat dit niet op Aruba plaatsvond en [verdachte] was daar niet bij betrokken.

Dat [verdachte] zich ook zou bezighouden (wat een continuïteit impliceert) met witwassen en dat dit gebeurde middels rechtspersonen die met crimineel geld onroerende goederen op Aruba kochten, was ook gefabriceerd nu deze onroerende goederen (in 2009) reeds 13 jaar voor (in 1996) waren aangekocht. Na 1996 zijn er geen onroerende goederen meer gekocht. Het moge duidelijk dat naar een reden werd gezocht om het onderzoek op te starten: Het onderzoek heeft echter geen valide basis en had nimmer mogen worden opgestart althans is opgestart met gebruikmaking van verzinsels. Althans is dit een drogreden om een onderzoek te kunnen starten naar de herkomst van de onroerende zaken.

5. Dat aan dit verweer door of namens de verdachte de conclusie is verbonden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte moet worden verklaard, haal ik op geen enkele wijze uit de pleitnota, noch uit hetgeen blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting door de verdachte en diens raadsvrouw toen voor het overige naar voren is gebracht.

6. De toelichting op het middel betrekt bij de klacht tevens het ter ’s Hofs terechtzitting gedane beroep van de raadsvrouw op “Undue delay/nodeloze vertraging”, waarvan de inhoud als volgt luidt:

Undue delay/nodeloze vertraging

40. Het onderzoek is in 2009 gestart, [verdachte] is in juni 2010 als verdachte aangemerkt doch pas in december 2015 komt er uitspraak.

41. Een onderzoek / vervolging van ruim 6 jaar over een periode van 16 jaar is te lang. Dit zijn redenen voor het niet ontvankelijk verklaren van Het Openbaar Ministerie dan wel voor een fikse strafkorting (vergelijk laatstelijk op Curaçao de straf in de strafzaak tegen [A] (Campo Alegre). In plaats van 5 jaar kreeg hij 18 maanden).

42. De aankoop van de onroerende zaken met eventuele criminele gelden dateert, anno 2017, 21 jaar geleden. Derhalve meer dan 10 jaar voor de wetswijzing in 2006, meer dan 13 jaar voor de aanvang van het onderzoek, ruim 18 jaar voordat de dagvaardingen zijn uitgebracht en 19 jaar voor de uitspraak in 1e aanleg.

43. Het tot 1996 terug MOETEN gaan om te komen tot het MISDRIJF waar de opbrengsten in eerste instantie uit zouden zijn voortgekomen, het gronddelict, is een te lange periode.”

7. Nog los van de (onbeantwoorde) vraag wat de betekenis van dit onderdeel voor de in het middel vervatte klacht is, volstaat de toelichting op het middel in dit verband slechts met een blote herhaling van een ter terechtzitting gevoerd verweer – waarop het Hof heeft gerespondeerd en waarin het aanleiding heeft gezien om op de duur van de op te leggen straf een vermindering toe te passen van zes maanden –, zonder dat wordt aangegeven waarom de beslissing van het Hof ter zake onjuist zou zijn of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn. In zoverre voldoet het in de toelichting op het middel aangevoerde niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel in de zin der wet worden gesteld.2

8. Het eerste middel faalt.

9. Het tweede middel klaagt dat het Hof “op rechtens onbegrijpelijke en onjuiste wijze toepassing en invulling [heeft] gegeven aan artikel 1, tweede lid en art 3, tweede lid Lv Strafbaarstelling Witwassen”.

10. Kennelijk komt het middel alleen op tegen hetgeen onder 1 primair ten laste van de verdachte is bewezenverklaard, nu dit feit, zoals tenlastegelegd, is gestoeld op de destijds geldende Landsverordening strafbaarstelling witwassen van 22 december 1993 (AB 1993, 70), hier verder de Landsverordening (oud) te noemen; de strafbaarheid van feit 2 primair vindt haar basis in het Wetboek van Strafrecht Aruba (oud), dat op 12 mei 2006 in werking trad en waarmee de Landsverordening (oud) verviel.3

11. Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard:

“dat zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 11 mei 2006 in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk uit de opbrengst van door misdrijf verkregen gelden voordeel heeft getrokken, immers hebben zij, verdachte en/of verdachtes mededader alstoen in Aruba (telkens) opzettelijk en al dan niet met gebruik van een (of meer) rechtsperso(o)n(en) een (of meer) onroerende goederen in bezit gehad en/of verhuurd en/of voor bewoning gebruikt en/of doen gebruiken en doen bewonen en/of verkocht, waardoor op geld waardeerbaar voordeel werd verkregen, immers hebben zij:

1. - het perceel [a-straat 1] in bezit gehad en verhuurd;

2. - het perceel [b-straat 1] in bezit gehad en gebruikt voor bewoning;

3. - appartementen bij het perceel [b-straat 1] in bezit gehad en verhuurd;

4. - het perceel [c-straat 1] in bezit gehad en verhuurd en verkocht op 11 mei 2006;

5. - het perceel [d-straat 1] in bezit gehad en verkocht op 10 december 2004;

6. - het perceel [e-straat 1] in bezit gehad en verkocht op 23 september 2004;

7. - twee percelen grond met kadastrale nummers [001 en 002] te [plaats] in bezit gehad en verkocht op 21 april 2005 en 18 mei 2006;

8. het perceel [f-straat 1] in bezit gehad en verhuurd,

terwijl verdachte en verdachtes mededader wisten dat die onroerende goederen (mede) met uit misdrijven verkregen gelden werden aangeschaft en gebouwd, te weten met uit de handel in verdovende middelen, verkregen gelden,

van het plegen van welke misdrijven van witwassen verdachte en verdachtes mededader een gewoonte hebben gemaakt.”

12. Art. 1 van de Landsverordening (oud) luidde ten tijde van de tenlastegelegde pleegperiode:

“1. Als schuldig aan het opzettelijk witwassen van geld, geldswaardige papieren of vorderingen wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaar, hetzij met een geldboete van ten hoogste Afl. 1.000.000,-, hetzij met beide straffen:

a. degene die geld, geldswaardige papieren of vorderingen verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, terwijl diegene ten tijde van de verwerving, het voorhanden of de overdracht van het geld, de geldswaardige papieren of de vorderingen wist of moest weten dat het geld, de geldswaardige papieren of de vorderingen door misdrijf is dan wel zijn verkregen;

b. degene die opzettelijk uit winstbejag door misdrijf verkregen geld, geldswaardige papieren of vorderingen voorhanden heeft of overdraagt.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft degene die opzettelijk uit de opbrengst van door misdrijf verkregen geld, geldswaardige papieren of vorderingen voordeel trekt.”

13. Het Hof heeft mede naar aanleiding van een gevoerd verweer het volgende overwogen:

Bewijsoverwegingen

De verdachte en haar mededader hebben tezamen een of meer van de in de bewezenverklaring opgesomde onroerende zaken gedurende een periode van in totaal elf jaar in bezit gehad, verhuurd, voor bewoning gebruikt en/of doen gebruiken en doen bewonen en verkocht. Gelet op de aard, de omvang en de duur gedurende welke de verdachte en haar medeverdachte deze activiteiten hebben ontplooid en aldus voordeel hebben getrokken, acht het Hof bewezen dat de verdachte en haar mededader van dit witwassen een gewoonte hebben gemaakt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte samen met haar mededader de in feit 2 genoemde onroerende zaken in de bewezenverklaarde periode voorhanden heeft gehad en heeft gebruikt. […].

Strafbaarheid van het feit

Feit 1:

De verdediging heeft aangevoerd dat de onder 1 tenlastegelegde handelingen van de verdachte geen strafbaar feit opleveren. Hoewel de verdachte erkent dat de onroerende goederen met geld afkomstig uit misdrijf zijn gekocht, stelt de verdediging zich op het standpunt dat de regeling die ten tijde van de aankoop van de in de tenlastelegging opgenomen onroerende zaken van toepassing was (te weten de Landsverordening strafbaarstelling witwassen 1993) uitsluitend ziet op het verwerven, bezitten en overdragen van gelden, geldswaardige papieren en vorderingen, en niet van andere op geld waardeerbare objecten zoals onroerend goed. Het aanschaffen van onroerend goed met door misdrijf verkregen geld en dit vervolgens gebruiken levert volgens de verdediging daarom onder deze regeling niet het strafbare feit “witwassen” op.

Dit verweer gaat voorbij aan het feit dat niet ten laste is gelegd “het verwerven, bezitten en overdragen”, ex artikel 1, eerste lid en artikel 3, eerste lid van de Landsverordening, maar “het voordeel trekken uit de opbrengst van door misdrijf verkregen geld” zoals bedoeld in het tweede lid van voornoemde artikelen. Het Hof is van oordeel dat onder “de opbrengst van door misdrijf verkregen geld” in de zin van de Landsverordening begrepen kan worden de onroerende zaken die middellijk dan wel onmiddellijk met door misdrijf verkregen gelden zijn gekocht. Door het in bezit hebben, verhuren, voor bewoning gebruiken en/of doen gebruiken en doen bewonen en het verkopen van de onroerende zaken hebben de verdachte en haar mededader voordeel getrokken uit deze opbrengst van door misdrijf verkregen gelden. Een dergelijke handeling levert ook overeenkomstig de delictsomschrijving van voornoemde Landsverordening het strafbare feit “witwassen” op, zodat het verweer faalt.”

14. Evenals het verweer, betoogt de toelichting op het middel naar de kern bezien dat in 1996 naar toen geldend Arubaans recht het met crimineel geld aanschaffen van onroerende goederen niet strafbaar was, omdat ingevolge art. 1 van de Landsverordening (oud) witwassen alleen betrekking had op geld, geldswaardige papieren of vorderingen, dat wil zeggen het verwerven, het voorhanden hebben en het overdragen daarvan, en onroerende zaken daaronder uitdrukkelijk niet begrepen waren. Omdat in de onderhavige zaak geen voordeel is getrokken uit enige opbrengst van uit misdrijf afkomstige gelden, maar sprake is van opbrengst van legaal aangekochte onroerende goederen, doet zich hier niet de situatie voor dat deze opbrengst rechtstreeks of onmiddellijk afkomstig is van crimineel geld, noch middellijk nu in 1996 “het simpelweg niet strafbaar [was] om met crimineel geld onroerende zaken (aan) te kopen” (en pas strafbaar werd in 2006), aldus de toelichting op het middel. Zij gaat daarbij betrekkelijk uitvoerig in op de aankopen (de verwerving) van de verschillende percelen; deze zouden telkens door tussenkomst van een vennootschap in 1996 hebben plaatsgevonden.

15. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de bedoelde percelen (ruim) vóór 1 januari 2004 zijn “aangeschaft” of “gebouwd”. Het moment van aankoop of bouwen van die percelen is hier echter niet het punt. Waar het om gaat, wat de tenlastegelegde pleegperiode betreft (1 januari 2004 tot en met 11 mei 2006), is het in bezit hebben gehad, de verhuur, het gebruik, het doen gebruiken, het doen bewonen en het verkopen van de percelen. Dát handelen ziet op de opbrengst van uit misdrijf verkregen gelden, omdat uiteindelijk daardoor op geld waardeerbaar voordeel is verkregen. Ik kom daarop aanstonds terug.

16. Voorts wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat pas bij de “wetswijziging in 2006” (ik begrijp: de invoering van het toenmalige Wetboek van Strafrecht Aruba) expliciet “het verwerven enz. van onroerende zaken met crimineel geld strafbaar is gesteld met een herziene delictsomschrijving” van witwassen. Tot adstructie van deze stelling wordt de volgende passage uit de desbetreffende Memorie van Toelichting aangehaald:4

“Hoewel Aruba dus reeds meer dan tien jaar beschikt over een wet ter strafbaarstelling van het witwassen, is daarvan in de praktijk nog slechts weinig gebruik gemaakt. In die gevallen, waarbij er wel gebruik van is gemaakt, heeft het tot weinig veroordelingen voor het witwassen van criminelen geleid.

De reden daarvoor vormt in de eerste plaats het feit dat de bestaande regeling het delict witwassen in beginsel beperkt tot het verwerven, overdragen of voorhanden hebben van gelden, geldswaardige papieren en vorderingen.

Daarmee zijn de verwerving, het bezit en de overdracht van voorwerpen of op geld waardeerbare zaken daarvan uitgesloten, ofschoon het een bekend gegeven is dat veel criminelen hun vermogen besteden aan waardevolle objecten. Als gevolg van de beperkte opzet van de regeling echter konden zij hiervoor niet worden aangepakt, omdat geldswaardige objecten buiten de reikwijdte van de landsverordening blijven.”5

17. De steller van het middel ziet echter kennelijk niet alleen de woorden “in beginsel” over het hoofd, maar – belangrijker – tevens dat deze passage evident ziet op het eerste lid van art. 1 Landsverordening (oud), waarin het opzettelijk witwassen van geld, geldswaardige papieren of vorderingen strafbaar is gesteld. De geciteerde passage heeft géén betrekking op het tweede lid, waarin wordt gerept van “uit de opbrengst van door misdrijf verkregen gelden”. En het is juist dit tweede lid, en niet het eerste lid, waarop de tenlastelegging van feit 1 primair steunt. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent – gezien de diverse verwijzingen (in de toelichting op het middel) naar het eerste lid van art. 1 Landsverordening (oud) en de verwijzingen naar de verschillende wetswijzigingen alsmede de wetsgeschiedenis –, heeft noch de opsteller van de tenlastelegging, noch het Hof de witwasbepaling als omschreven in het eerste lid opgerekt (of willen oprekken) door daaronder ook onroerende goederen te scharen.

18. Het gaat bij de bewezenverklaring van feit 1 om het voordeel dat de verdachte en de medeverdachte (de ex-man van de verdachte) opzettelijk hebben getrokken “uit de opbrengst van door misdrijf verkregen gelden”, en wel, zoals het Hof terecht heeft geoordeeld, als bedoeld in art. 1, tweede lid, van de Landsverordening (oud).

19. Onder “de opbrengst van door misdrijf verkregen geld” kan volgens het Hof begrepen worden “de onroerende zaken die middellijk dan wel onmiddellijk met door misdrijf verkregen gelden zijn gekocht”. Voorts is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, die naar hun inhoud daarover geen enkele onduidelijkheid laten bestaan, bewezenverklaard dat de verdachte en de medeverdachte (naar zij ook zelf hebben verklaard) wisten dat de bedoelde onroerende goederen waren aangeschaft met uit misdrijf verkregen gelden (de jarenlange drugshandel immers, waaraan de ex-man van de verdachte zich schuldig heeft gemaakt en waarvan de verdachte op zijn minst heeft geprofiteerd).

20. De uitleg die het Hof aan art. 1, tweede lid, Landsverordening (oud) heeft gegeven, is voorts geheel in overeenstemming met het doel dat de Arubaanse wetgever voor ogen stond met de invoering van de Landsverordening (oud). Blijkens de “preambule” van de Landsverordening is deze onder meer in het leven geroepen om uitvoering te geven aan zowel (in het bijzonder) art. 6 van het op 8 november 1990 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven (Trb. 1990, 172), alsook aan de aanbevelingen van de Financial Action Task Force on money laundering.6

21. Het middel klaagt verder over schending van art. 3, tweede lid, van de Landsverordening (oud). Deze bepaling stelde schuldwitwassen strafbaar. Schuldwitwassen is echter niet bewezenverklaard, zodat deze (sub)klacht feitelijke grondslag ontbeert.

22. Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat het bestreden oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en niet onbegrijpelijk is. Voorts is dat oordeel toereikend gemotiveerd.

23. Het middel faalt.

24. Het derde middel klaagt dat het Hof “op rechtens onbegrijpelijke en onjuiste wijze [is] gekomen tot verbeurd verklaring van de in 1996 aangekochte woningen”.

25. Wat betreft de inbeslaggenomen voorwerpen, heeft het Hof onder meer overwogen:

“Verbeurdverklaring

De in conservatoir beslag genomen onroerende goederen op de adressen [a-straat 1], [b-straat 1] en Ponton 90-1, waarvan is gebleken dat zij in juridische of in ieder geval in feitelijke en economische zin aan de verdachte toebehoren en die geheel of ten dele ten eigen bate kunnen worden aangewend en die geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten zijn verkregen, zullen worden verbeurd verklaard.”

26. Onder het hoofd “Toepasselijke wettelijke voorschriften” heeft het Hof onder meer verwezen naar art. 1:68 van het Wetboek van Strafrecht Aruba. Daarbij zal het Hof hebben gedoeld op het eerste lid onder a van deze bepaling, dat als volgt luidt:

“1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn aan de veroordeelde toebehorende voorwerpen: a. die geheel of ten dele te eigen bate kunnen worden aangewend en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.”7

27. Allereerst is het de vraag of het in de schriftuur aangevoerde een cassatiemiddel in de zin der wet is. Ik meen van niet, en wel om tweeërlei reden. In de eerste plaats wordt niet uitgelegd – en blijft derhalve onduidelijk – wat hier precies wordt bedoeld met verbeurdverklaring van “de in 1996 aangekochte woningen”. De onroerende goederen die door het Hof zijn verbeurdverklaard betreffen de adressen [a-straat 1], [b-straat 1] en [f-straat 1]. Blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen heeft echter de verdachte (kort gezegd) [b-straat 1] laten bouwen met geld dat mede is verkregen uit de verkoop van de woning aan de [d-straat 1]. Het was déze woning aan de [d-straat 1] – en niet [b-straat 1] – die in 1996 was gekocht met drugsgelden (en op 10 december 2004 is verkocht). Kennelijk gaat het de opsteller van de schriftuur dus niet om [b-straat 1], maar zekerheid geeft het middel daarover niet. In de tweede plaats verzoekt de (korte) toelichting op hetgeen als middel wordt gepresenteerd de Hoge Raad “hetgene juridisch relevant is uit middel 2 hierbij als herhaald en ingelast te beschouwen”; het is dus kennelijk aan de Hoge Raad in dit verband te bepalen wat juridisch relevant is en wat niet. Ook dát is niet een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.8 De enkele opmerking “Via een omweg kunnen deze woningen aldus thans niet enkel door een wetswijziging uit 2006, alsnog als strafbaar worden gekwalificeerd en aldus op rechtens geheel onbegrijpelijke en ontoelaatbare wijze, door het HOF [worden] verbeurd verklaard”, maakt dat niet anders. Nog daargelaten dat niet wordt geconcretiseerd om welke “omweg” en om welke woningen het (precies) gaat, ziet deze opmerking eraan voorbij dát de door het Hof verbeurdverklaarde onroerende goederen [a-straat 1] en [f-straat 1] (en, zij het niet rechtstreeks, ook [b-straat 1]) met crimineel geld zijn aangekocht en betaald en dát de verdachte tevens is veroordeeld voor feit 2 primair, dat de periode 12 mei 2006 tot en met 1 januari 2015 beslaat en het volgende inhoudt:

“2. dat zij op tijdstippen in de periode van 12 mei 2006 tot en met 1 januari 2015 in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander, (telkens) opzettelijk en al dan niet met gebruik van een (of meer) rechtsperso(o)n(en) een (of meer) onroerend(e) goed(eren) voorhanden heeft gehad en/of van een (of meer) onroerend(e) goed(eren) gebruik heeft gemaakt, immers hebben zij, verdachte en/of verdachtes mededader:

1. in bezit gehad en verhuurd het perceel [a-straat 1];

2. in bezit gehad en bewoond het perceel [b-straat 1];

3. in bezit gehad en verhuurd appartementen bij het perceel [b-straat 1];

4. […];

5. in bezit gehad en verhuurd het perceel [f-straat 1];”

terwijl verdachte en verdachtes mededaders wisten dat de onroerende goederen, middellijk of onmiddellijk, (mede) uit enig misdrijf, te weten de handel in verdovende middelen, afkomstig waren, van het plegen van welke misdrijven van witwassen verdachte en verdachtes mededader een gewoonte hebben gemaakt;”

28. Geheel ten overvloede wijs ik nog op het navolgende. Het Hof heeft vastgesteld dat de onroerende goederen in juridische of in ieder geval feitelijke en economische zin aan de verdachte toebehoren en geheel of ten dele ten eigen bate kunnen worden aangewend. Voorts heeft het Hof overwogen dat de onroerende goederen geheel of ten dele zijn verkregen door middel van “de strafbare feiten”. De verdachte is veroordeeld voor de hierboven weergegeven feiten 1 primair (randnummer 11) en 2 primair (randnummer 27). Niet is de verdachte in de onderhavige zaak veroordeeld voor de handel in verdovende middelen (cocaïne) waarmee de medeverdachte (de ex-man) van de verdachte zich heeft ingelaten (en waarvan blijkens de bewijsmiddelen de verdachte op zijn minst heeft geprofiteerd). Maar dat is met betrekking tot de verbeurdverklaring in deze zaak naar mijn inzicht geen probleem. Voor de wettelijke regeling van de verbeurdverklaring in het Wetboek van Strafrecht Aruba (artt. 1:67- 1:71) is de Nederlandse wettekst tot uitgangspunt genomen.9 Art. 33 Sr bepaalt dat verbeurdverklaring “kan worden uitgesproken bij veroordeling wegens enig strafbaar feit”, en art. 34 Sr noemt de voorwerpen die voor verbeurdverklaring vatbaar zijn, zoals: “voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen” (cursiveringen van mij, A-G). In het onderhavige geval staat het bewezenverklaarde witwassen in direct verband met het gronddelict, dat is de handel in verdovende middelen, een feit dat ook in 1996 naar Arubaans recht strafbaar was. Aldus staat de verbeurdverklaring van de onroerende goederen niet in een te ver verwijderd verband met het feitencomplex waarvoor de verdachte is veroordeeld.10 Tot slot zij overigens opgemerkt dat de vatbaarheid voor verbeurdverklaring moet berusten op gegevens die zijn gebleken bij het onderzoek ter terechtzitting en niet hoeft te blijken uit de bewijsmiddelen (HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4668, NJ 2007/109).

29. Het eerste en het tweede middel falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Hetgeen als derde middel wordt gepresenteerd is geen middel van cassatie in de zin der wet.

30. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De klacht is een vrijwel letterlijke herhaling van dit verweer.

2 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, 2018, p. 179. Overigens geldt rechtens dat voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging in verband met overschrijding van de redelijke termijn geen plaats (meer) is. (Ik verwijs de steller van het middel naar het aangehaalde werk van Van Dorst, p. 213/214).

3 De Landsverordening strafbaarstelling witwassen 1993 (oud) is ingetrokken bij de Landsverordening van 19 april 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht van Aruba (AB 2006, 11, art. IV). Met ingang van 12 mei 2006 was (opzet)witwassen strafbaar gesteld in art. 430b van het Wetboek van Strafrecht Aruba (oud). (Vandaar dat de opsteller van de tenlastelegging een “knip” in het feitencomplex heeft aangebracht en in deze zaak twee feiten heeft tenlastegelegd). Op 15 februari 2014 is het huidige Wetboek van Strafrecht Aruba in werking getreden. Opzetwitwassen is thans strafbaar gesteld in art. 1:404 van dat wetboek.

4 De toelichting op het middel verwijst kennelijk per abuis naar AB 2016/11, p. 8. Zie de hiernavolgende noot.

5 AB 2004, 51, p. 8.

6 Vgl. ook HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8314: Het gaat om “een effectieve bestrijding van witwassen, waaronder het tegengaan van het gebruik van goederen die zijn gekocht met van misdrijf afkomstige gelden, ongeacht de verschijningsvorm ervan.” Die zaak had weliswaar betrekking op de toentertijd op Curaçao geldende ‘Landsverordening strafbaarstelling witwassen van geld’, maar de desbetreffende strafbepaling was op nagenoeg dezelfde wijze geredigeerd als de onderhavige delictsomschrijving. Ik wijs voorts nog op de conclusie van de voormalige A-G Wortel in ECLI:NL:PHR:2003:AK3687 over de ‘Landsverordening strafbaarstelling witwassen van geld’, die eertijds in Sint Maarten gold.

7 In het voordien geldende Wetboek van Strafrecht Aruba (2006) was de bepaling ondergebracht in art. 35, eerste lid aanhef en onder a, dat ten opzichte van art. 1:68 Wetboek van Strafrecht Aruba (2014) wat anders was geredigeerd: “Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn: a. aan de veroordeelde toebehorend voorwerpen en vorderingen, die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.” Deze bepaling was van kracht tot aan 15 februari 2014, de dag waarop het huidige Wetboek van Strafrecht Aruba (met inbegrip van art. 1:68 Sr) in werking trad (zie voetnoot 3), en zij bestrijkt dus een belangrijk deel van de in feit 2 tenlastegelegde periode (12 mei 2006 tot en met 1 januari 2015). Over het redactionele verschil tussen art. 35, eerste lid aanhef en onder a (SrA 2006) en art. 1:68 (SrA 2014) wordt in de cassatieschriftuur met geen woord gerept. Dat punt zal ook ik hier dus laten rusten.

8 Van Dorst, a.w., p. 179.

9 H. de Doelder, B.A. Salverda, J.H.J Verbaan en R.J. Verbeek (red.), Wetboek van Strafrecht Aruba, Wolf Productions 2014, p. 366 e.v.

10 Vgl. onder meer HR 16 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB2952: “Naar uit het hiervoor onder 3.2. overwogene kan de memorecorder niet worden aangemerkt als een voorwerp dat op de voet van art. 33a, eerste lid, Sr voor verbeurdverklaring in aanmerking kan komen nu van een verband als bedoeld in die bepaling van dat voorwerp met het bewezenverklaarde feit geen sprake is (…).” Zie voorts Kamerstukken II, 1989-1990, 21 504, 3 (MvT), p. 18: “Wanneer er echter geen sprake is van voorwerpen die als onmiddellijk resultaat van een misdrijf zijn verkregen doch daartoe in een meer verwijderd verband staan, dan is toepassing van de maatregel van art. 36e Sr aangewezen." Deze beperking is nadien opgeheven bij de op 1 juli 2011 in werking getreden ‘Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming’ (Stb. 2011, 171). Sindsdien kan ook door middel van verbeurdverklaring de van het strafbare feit (wederrechtelijk) verkregen opbrengsten (de baten uit dat strafbare feit) worden ontnomen en kan de verbeurdverklaring in die zin hetzelfde doel dienen als de ontnemingsmaatregel. Zie daarover nader Kamerstukken II 2009/10, 32 194, 3 (MvT), p. 4. De auteurs Bleichrodt en Vegter spreken van een “relatie tot het delict” in hun handboek Sanctierecht (2017, p. 351). Vgl. nog de Nota van Wijziging bij het voorstel van wet dat heeft geleid tot het Wetboek van Strafrecht Aruba (2014):“Zo kunnen voorwerpen die niet rechtstreeks afkomstig zijn van het strafbare feit waarvoor een veroordeling is uitgesproken, maar die uit de baten daarvan zijn verkregen, worden verbeurdverklaard.” (Zie daarvoor De Doelder, Salverda, Verbaan en Verbeek (red.), a.w., p. 367). Deze passage is letterlijk gelijkluidend aan Kamerstukken II 2009/10, 32 194, 3 (MvT), p. 4.