Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1268

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
17/04936
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Art. 5 WVW. Ongeluk met tractor op een provinciale weg met dodelijk gevolg. Veroorzaken van gevaar op de weg in de zin van art. 5 WVW. Middel over de motivering van de bewezenverklaring door het hof slaagt volgens de AG niet en geadviseerd wordt het cassatieberoep met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/04936

Zitting: 13 november 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 13 oktober 2017 door het gerechtshof 's‑Hertogenbosch wegens “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft het hof de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte.

  3. Mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, heeft namens de verdachte één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring.

4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 20 oktober 2015, omstreeks 19.52 uur, in de gemeente Gennep, als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker met aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg N271, welke weg door middel van het bord G3 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, als autoweg was aangeduid, onvoorzichtig heeft gereden, terwijl aan de achterzijde van de voortbewogen aanhangwagen de verplichte markeringslichten ontbraken en die aanhangwagen niet was voorzien van een verplichte retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek en voor hem, verdachte, als bestuurder van dat motorrijtuig (landbouwtrekker met aanhangwagen) het gebruik van de als autoweg, aangeduide Rijksweg N271, niet was toegestaan, door welke gedraging van hem, verdachte, gevaar op die weg werd veroorzaakt.”

4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2015195313, afgesloten d.d. 16 juni 2016 (doorgenummerde pagina's 1 tot en met 86).

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

1. Het proces-verbaal van aanrijding overtreding d.d. 16 juni 2016 (pg. 2-11), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op 20 oktober 2015 te 19:52 uur, kregen wij kennis van een verkeersongeval. Op de plaats van het verkeersongeval werd door [betrokkene 1] , de noodzakelijke hulp verleend. Daarbij zijn een aantal personalia en bevindingen genoteerd. Deze personalia en bevindingen zijn aan ons overgedragen.

Locatie ongeval

Datum: 20 oktober 2015

Omstreeks: 19:52 uur

Locatienaam: Rijksweg N271

Plaats: Gennep

Soort weg: Een weg, zijnde voor het openbaar verkeer openstaande weg

Lichtgesteldheid: Duisternis

Bijzonderheden: De weg betreft een autoweg, op deze weg is landbouwverkeer niet toegestaan

Maximum snelheid: 100 km per uur

Vermoedelijke toedracht

Voertuig 1, landbouwtrekker, merk Case, type IH1455, kleur rood, met aanhangwagen, merk AJK, kleur rood. Bestuurder [verdachte] .

Voertuig 2, personenauto, merk Kia, type Picanto, kleur wit, kenteken [AA-00-BB] . Bestuurder [slachtoffer] (overleden).

Beide voertuigen reden op de Rijksweg N273 [naar ik begrijp: N271, TS], vanuit Milsbeek richting Gennep. Voertuig 2 reed achterop voertuig 1. De bestuurder van voertuig 2 overleed ter plaatse.

Op genoemde autoweg is landbouwverkeer wettelijk niet toegestaan, dit is aangegeven middels verkeersbord G3.

2. Het proces-verbaal van de VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 8 april 2016 (pg. 47-74), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

(Pg. 50)

Wij hebben op 20 oktober 2015, omstreeks 21.20 uur geassisteerd bij de afwikkeling van het hierna bedoelde verkeersongeval.

Een bestuurder van een landbouwtrekker, met een daarachter gekoppelde aanhangwagen, reed over de Rijksweg N271, vanuit de richting Milsbeek in de richting van Gennep. Een bestuurder van een personenauto naderde de landbouwtrekker met aanhangwagen van achteren. De bestuurder van de personenauto reed tegen de achterzijde van de aanhangwagen en overleed als gevolg van de aanrijding.

Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:

Voertuig 1, landbouwtrekker, merk Case, type IH1455, kleur rood met een daarachter gekoppelde aanhangwagen, merk AJK, kleur rood.

Voertuig 2, personenauto, merk Kia, type Picanto, kleur wit, kenteken [AA-00-BB] .

(pg. 52)

Wij zagen het volgende:

- Voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 100 km/h.

- Genoemde weg was voor het openbaar verkeer openstaand.

- Ter plaatse waren de volgende verkeerstekens van toepassing, betrekking hebbende op dit ongeval: bord G3 van de Bijlage 1 van het RVV 1990 (Autoweg).

Wij zagen dat het ter plaatse zeer duister was.

Volgens opgave van het KNMI, afdeling klimaatdata en advies, was het tijdstip zonsondergang 18:36 uur.

Wegverlichting: geen straatverlichting.

(Pg. 60)

Tijdens het onderzoek op de plaats van het ongeval trof ik, verbalisant [verbalisant 3] , in het instrumentenpaneel de snelheidsmeter van de Kia aan op een snelheid van ongeveer 110 km/uur.

(Pg. 61)

Wij zagen dat op het dak van de Case twee oranje, in werking zijnde, zwaailichten aanwezig waren. Wij zagen, staand in het midden achter de aanhangwagen, op diverse afstanden (10, 25 en 50 meter), dat deze zwaailichten door de aanhangwagen werden afgeschermd en in het geheel niet zichtbaar waren.

(Pg- 70)

In artikel 22 lid 1 onder c RVV 1990 is geregeld dat voor land- en bosbouwtrekkers de bijzondere maximum snelheid van 25 km per uur geldt.

De Case is een landbouwtrekker en mocht derhalve niet op genoemde autoweg rijden.

Ar 5.14.51 onder h Regeling Voertuigen.

Aanhangwagens moeten zijn voorzien van:

h. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig breder is dan 2,10 m.

De AJK had een breedte van 2,45 meter en was in het geheel niet voorzien van markeringslichten.

Artikel 5.18.36b Regeling Voertuigen

1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- en bosbouwtrekkers en hun aanhangwagens alsmede wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van één rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.

De AJK was in het geheel niet voorzien van een afgeknotte driehoek.

(p. 72)

Indien de bestuurder van de Case met de daarachter gekoppelde AJK, zou hebben gereden terwijl de AJK voldeed aan de volgens de Regeling voertuigen vereiste verlichting en reflectie, zou de zichtbaarheid beter zijn geweest.

3. Het proces-verbaal overlijdensonderzoek en lijkschouw d.d. 8 april 2016 (pg. 85-86), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Op 20 oktober 2015 vond er een dodelijk verkeersongeval plaats op de N271 te Gennep. Hierbij werd een landbouwvoertuig (tractor met aanhanger) door een personenauto van achteren aangereden. De bestuurder van de personenauto, [slachtoffer] overleed hierbij aan zijn opgelopen letsel.

Op 20 oktober 2015 te 20:59 uur werd door de aangewezen lijkschouwer, M. Verhagen, in het bijzijn van mij ter plaatse lijkschouw verricht.

Op basis van hetgeen door mij werd vastgesteld, alsmede de resultaten van de schouw, wordt gesteld dat de genoemde persoon niet op natuurlijke wijze is overleden als gevolg van een ongeval.

4. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 29 september 2017, voor zover inhoudende:

Op 20 oktober 2015 bestuurde ik in de avonduren een landbouwtrekker met aanhangwagen erachter. Ik reed op de rijksweg N271. Op zich mag je daar met een dergelijk voertuig niet rijden. Mijn trekker haalt een snelheid van 35 tot 40 kilometer per uur. Het was toen rond 20:00 uur. De aanhanger was niet voorzien van markerings-verlichting.”

4.3. Uit de aan het hof overgelegde pleitnota blijkt dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep op 29 september 2017 heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of de verkeersfouten die de verdachte heeft begaan de oorzaak zijn geweest van het ongeval, nu de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] daarover hun twijfel hebben uitgesproken in het proces‑verbaal “Verkeersongevallenanalyse” (in het bijzonder de doorgenummerde pagina’s 71 en 72). De verlichting van het landbouwvoertuig was volgens deze verbalisanten in het donker voldoende zichtbaar en ook getuigen hebben verklaard dat de verlichting van de combinatie waar de verdachte in reed het deed en de zwaailichten aanstonden. De verbalisanten hebben er geen verklaring voor dat de bestuurder van de personenauto de combinatie niet heeft opgemerkt. Daarnaast kan niet gezegd worden dat het rijden met een landbouwvoertuig op een autoweg in dit geval concreet gevaarscheppend gedrag opleverde, omdat dit ter plaatse al jarenlang gedoogd werd door de betrokken autoriteiten.

4.4. Het hof heeft dit verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:

“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

I.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de enkele aanwezigheid van zijn cliënt in een landbouwvoertuig op de Rijksweg N271, niet onomstotelijk de oorzaak is geweest van het ongeval en dat er daarnaast geen sprake is geweest van concreet gevaarscheppend gedrag van de verdachte door met een landbouwvoertuig te rijden op voornoemde weg.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep blijkt onder meer dat:

- de verdachte op de avond van 20 oktober 2015 met de in de tenlastelegging genoemde landbouwtrekker met aanhangwagen reed over de Rijksweg N271, waar een maximumsnelheid van 100 km per uur is toegestaan, met -naar eigen zeggen- een maximale snelheid van 35 tot 40 km per uur, waaruit volgt dat de snelheid waarmee verdachte reed, in aanmerkelijke mate afweek van de op die weg toegestane maximumsnelheid;

- op genoemde datum, omstreeks 19:52 uur, [slachtoffer] als bestuurder van een personenauto (merk: Kia, type: Picanto) (met een snelheid van ongeveer 110 km/u) achterop het voertuig van de verdachte is gereden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] ter plaatse is overleden aan zijn verwondingen;

- op 20 oktober 2015 het tijdstip van zonsondergang in Nederland ongeveer 18:36 uur betrof, waaruit volgt dat het donker was ten tijde van het dodelijke ongeval;

- volgens het onderzoek uitgevoerd door de afdeling VerkeersongevallenAnalyse (VOA) van de politie, voor een landbouwtrekker als de onderhavige ingevolge artikel 22 lid 1 onder c RVV 1990 een bijzondere maximumsnelheid van 25 km per uur geldt, zodat de landbouwtrekker derhalve niet op de in de bewezenverklaring genoemde Rijksweg mocht rijden; voorts dat de aanhanger een breedte had van 2,45 meter en in het geheel niet was voorzien van de wettelijk verplichte markeringslichten1 en afgeknotte driehoek2; alsmede dat de zwaailichten van de trekker werden afgeschermd door de aanhanger en in het geheel niet zichtbaar waren, zoals ook te zien is op de ter terechtzitting in hoger beroep getoonde -in het procesdossier gevoegde- foto’s bij het proces-verbaal VOA (pagina’s 47 -74 politiedossier).

Op grond van het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, door onder voormelde omstandigheden deel te nemen aan het verkeer, door zijn gedragingen gevaar voor het verkeer op voormelde weg heeft veroorzaakt. Bijgevolg wordt het verweer verworpen.”

4.5. In het middel wordt gesteld dat het hof ten onrechte niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft gereageerd op het uitdrukkelijk gemotiveerde verweer dat in dit concrete geval geen sprake was van gevaarscheppend gedrag, nu het hof eraan voorbij is gegaan dat het voertuig van de verdachte voor het slachtoffer goed te zien was en de enkele (gedoogde) verkeersovertreding en het (in deze zaak niets uitmakende) ontbreken van de afgeknotte driehoek en de markeringslichten onvoldoende zijn voor een bewezenverklaring.

4.6. Art. 5 WVW 1994 beoogt het belang van de verkeersveiligheid te beschermen. Het gevaar als bedoeld in dit artikel heeft aldus betrekking op de veiligheid op de weg. Het gevaar is gelegen in een reële kans op een ongeval. Aan het veroorzaken van dat gevaar moet ongeoorloofd gedrag ten grondslag liggen, maar een enkele verkeersovertreding is onvoldoende om het gevaar aan te nemen waarop in art. 5 WVW 1994 wordt gedoeld.3 Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van het veroorzaken van gevaar op de weg in de zin van vorenbedoeld artikel is van belang dat degene die zich in het verkeer van een gevaar bewust behoort te zijn, “zichzelf in de gelegenheid moet stellen vast te stellen dat dit gevaar zich niet voordoet”.4 Voorts dient sprake te zijn van een causaal verband tussen het gedrag van de verdachte en het gevaar dat is veroorzaakt.5 Deze causaliteit wordt beoordeeld aan de hand van de leer van de redelijke toerekening, waarbij de voorzienbaarheid van het gevaar belangrijk is bij de invulling van dit criterium.6

4.7. Als al gezegd kan worden dat het door de verdediging in hoger beroep aangevoerde een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv oplevert, meen ik dat het hof – anders dan in het middel wordt gesteld – de bijzondere redenen heeft opgegeven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat die bijzondere redenen besloten mogen liggen in de bewijsmiddelen en/of een aanvullende bewijsmotivering en dat het hof bij de niet-aanvaarding van een dergelijk standpunt niet gehouden is op ieder detail van de argumentatie afzonderlijk in te gaan.7

4.8. Uit de gebezigde bewijsvoering, in het bijzonder de bewijsmiddelen 2 en 4, kan het volgende worden afgeleid:

(i) het ongeval heeft ’s-avonds in het donker plaatsgevonden op de Rijksweg N271; dit betreft een autoweg (aangegeven middels bord G3 van bijlage 1 bij het RVV 1990) en het stuk waar het ongeval plaatsvond was onverlicht,

(ii) de verdachte reed ten tijde van het ongeval in een landbouwtrekker waarachter een aanhangwagen gekoppeld was,

(iii) het was de verdachte bekend dat het verboden was om met dit voertuig op de Rijksweg N271 te rijden,

(iv) de verdachte reed ten tijde van het ongeval maximaal 35 tot 40 km/u, wat aanzienlijk langzamer was dan de ter plaatse geldende maximale snelheid van 100 km/u,

(v) de zwaailichten op het dak van de landbouwtrekker waren in werking, maar werden afgeschermd door de aanhangwagen en waren vanaf een afstand van 10, 25 en 50 meter in het geheel niet zichtbaar,

(vi) de aanhangwagen was ten tijde van het ongeval in strijd met de Regeling Voertuigen niet voorzien van de wettelijke verplichte markeringslichten en rode retroreflector (de afgeknotte driehoek) en

(vii) indien de verdachte deze wettelijke verplichte verlichting en reflectie wel had gevoerd zou zijn landbouwvoertuig beter zichtbaar zijn geweest voor andere weggebruikers.

4.9. Het hof heeft naast deze feiten en omstandigheden vastgesteld dat het slachtoffer met een snelheid van ongeveer 110 km/u op het landbouwvoertuig is gereden ten gevolge waarvan hij is overleden. Het hof is concluderend van oordeel dat deze feiten en omstandigheden maken dat de verdachte gevaar voor het verkeer op de weg heeft veroorzaakt en dat het verweer derhalve dient te worden verworpen. Voor zover het middel klaagt dat het hof ten onrechte niet op het bewijsverweer heeft gereageerd, berust het derhalve op een verkeerde lezing van het arrest. De vraag is vervolgens of de verwerping van het verweer ook toereikend is gemotiveerd.

4.10. In de feitelijke vaststellingen van het hof, dat het de verdachte niet was toegestaan met zijn landbouwvoertuig over de Rijksweg N271 te rijden en dat de verdachte zich daar ook van bewust was, maar desondanks in het donker met een zeer slecht tot niet zichtbaar landbouwvoertuig dat niet was voorzien van de wettelijk verplichte verlichting en reflectie op die weg is gaan rijden met een snelheid die ver onder de maximaal toegestane snelheid lag, ligt het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel besloten dat de verdachte onvoorzichtig heeft gereden ten gevolge waarvan gevaar op de weg is ontstaan, te weten een reële kans op een ongeval, welke kans zich uiteindelijk ook op tragische wijze heeft verwezenlijkt. Voorts ligt daarin besloten dat het al dan niet ter plaatse geldende ‘gedoogbeleid’ naar het oordeel van het hof aan het gevaarscheppend karakter van de gedragingen van de verdachte niet afdoet. Gelet op de gebezigde bewijsvoering is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

4.11. Tot slot merk ik nog op dat het hof uit het proces-verbaal “Verkeersongevallenanalyse” kennelijk en – gelet op de inhoud van het gebezigde bewijsmiddel 2 – niet onbegrijpelijk andere conclusies heeft getrokken dan de verdediging ter onderbouwing van het bewijsverweer heeft aangevoerd. Zo hebben de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , anders dan de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, juist vastgesteld dat de zwaailichten van de trekker vanaf verschillende afstanden in het geheel niet zichtbaar waren en dat het voertuig beter zichtbaar zou zijn geweest als het de wettelijk verplichte verlichting en reflectie zou hebben gevoerd. In het licht van de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de feitenrechter stond het het hof ook vrij om de door de verdediging aangehaalde – en van de context geïsoleerde – passages uit dat proces‑verbaal en de daaraan door de verdediging verbonden conclusies buiten beschouwing te laten. Die keuze behoefde geen nadere motivering. Gelet op het vorengaande heeft het hof het verweer dat in dit geval geen sprake was van rijgedrag dat gevaar in de zin van art. 5 WVW 1994 op de weg heeft veroorzaakt toereikend gemotiveerd verworpen.

4.12. Het middel faalt en kan met de aan art. 81, lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ten tijde van het ten laste gelegde luidde art. 5.14.51 Regeling Voertuigen – welk artikel is geplaatst in hoofdstuk 5 (Permanente eisen), afdeling 14 (Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken), voor zover thans van belang, als volgt: “Aanhangwagens moeten zijn voorzien van: (…) h. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig breder is dan 2.10 m.”[AG]

2 Ten tijde van het ten laste gelegde luidde art. 5.18.36b Regeling Voertuigen – welk artikel is geplaatst in hoofdstuk 5 (Permanente eisen), afdeling 18 (Gebruikseisen), voor zover thans van belang, als volgt: “Motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- en bosbouwtrekkers en hun aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines alsmede wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van één rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.” [AG]

3 Vgl. J. Remmelink, voortgezet door M. Otte, bewerkt door A.E. Harteveld en R. Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, Deventer: Kluwer 2012, paragraaf 4.2 e.v.

4 Vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3998, NJ 2005/435, rov. 3.5 en HR 23 oktober 1962, VR 1963/21.

5 HR 21 april 1941, NJ 1941, 575.

6 Vgl. Harteveld en Krabbe, ‘De Wegenverkeerswet 1994; een strafrechtelijk commentaar’, Deventer: Gouda Quint, 1999, p. 114 – 115.

7 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m. nt. Y Buruma, rov. 3.8.2 en 3.8.4.