Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1259

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-09-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
17/00730
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2064
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rijden terwijl verdachte redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Besluit tot ongeldigverklaring aan verdachte bekend gemaakt? HR: Op gronden vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld. CAG: Ongeldigverklaring is ex art. 132.4 WVW 1994 van kracht m.i.v. zevende dag na die waarop besluit tot ongeldigverklaring aan houder rijbewijs is bekendgemaakt. Gebezigde b.m. geven geen blijk van enige vorm van bekendmaking besluit aan verdachte. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat rijbewijs van verdachte op tlgd. pleegdatum ongeldig was verklaard, zodat evenmin uit b.m. kan volgen dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00730

Zitting: 18 september 2018

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 3 augustus 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week.

  2. Namens de verdachte heeft mr. T. van Assendelft de Coningh, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat niet uit enige omstandigheid blijkt dat de dagvaarding in hoger beroep op juiste wijze aan de verdachte is betekend dan wel dat de verdachte op de hoogte is geweest van de inhoudelijke zittingsdatum.1

4. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 augustus 2016 blijkt dat de verdachte aldaar niet is verschenen en er toen evenmin een raadsman van de verdachte aanwezig was, dat tegen de verdachte verstek is verleend en dat daarna de behandeling van de zaak is voortgezet.

5. Voorts bevindt zich in het dossier een dagvaarding van de verdachte in hoger beroep met betrekking tot de terechtzitting van het Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, d.d. 3 augustus 2016. In de daaraan gehechte akte van uitreiking valt te lezen dat op 5 juli 2016 is getracht de oproeping uit te reiken op het adres [a-straat 1] te Sneek, doch tevergeefs omdat volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond, de verdachte daar toen niet woonde noch verbleef. Blijkens de uittreksels Justitiële Informatiedienst, informatiestaat SKDB-persoon (d.d. 29 juni 2016, 08:52 respectievelijk 02-08-2016, 07:04) was dit adres toentertijd echter het BRP-adres van de verdachte. Vervolgens is de appeldagvaarding op 11 juli 2016 uitgereikt ter griffie van de rechtbank Noord-Nederland, omdat de verdachte blijkens de aan voormelde akte gehechte mededeling van de afdeling bevolking van diens woongemeente van de gerechtelijke brief en tenminste vijf dagen nadien op dit adres was ingeschreven en is blijkens de akte van uitreiking op 11 juli 2016 een afschrift van de dagvaarding aan dat BRP-adres van de verdachte verzonden.

6. Op grond van het voorgaande geeft het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat de dagvaarding van de verdachte voor de behandeling van de zaak in hoger beroep op 3 augustus 2016 rechtsgeldig is betekend, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook is dat oordeel niet onbegrijpelijk.2

7. Het eerste middel faalt.

8. Het tweede middel klaagt dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motovoertuigen was ontzegd.3

9. Het tweede middel lijkt daarbij het oog te hebben op art. 9, eerste lid, WVW 1994. Nu de verdachte door het hof echter is veroordeeld ter zake van het overtreden van art. 9, tweede lid, WVW 1994, lees ik het middel aldus, dat de klacht betrekking heeft op de bewezenverklaring van het weten of redelijkerwijs moeten weten dat een op naam van de verdachte gesteld rijbewijs ongeldig is verklaard in de zin van art. 9, tweede lid, WVW 1994.

10. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 3 juni 2014 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân, terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Stadsrondweg-Oost, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd”.

11. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“A.

Een digitaal gewaarmerkte fotokopie van een proces-verbaal met bonnummer 3.06.2014.0955.002392 en zaaknummer 001257081, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie d.d. 8 juli 2014 inhoudende als bevindingen van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik zag op 3 juni 2014 op de Stadsrondweg-Oost te Sneek, gemeente Südwest-Fryslân een auto rijden met kenteken [AA-00-BB]. Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde bepalingen heb ik de bestuurder gevorderd zijn motorrijtuig te doen stilhouden, waaraan hij voldeed. De bestuurder gaf op te zijn [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1958.

De bestuurder verklaarde:

Mijn rijbewijs is zoek. Het is kwijt geraakt bij het CBR.

Bij informatie bleek dat het rijbewijs van verdachte voor het besturen van genoemd motorvoertuig ongeldig was verklaard door het CBR voor categorie B.

B.

Een geschrift, zijnde een Besluit ongeldigverklaring rijbewijs van het CBR van verdachte

d.d. 16 januari 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Besluit

Uw rijbewijs is ongeldig vanaf de zevende dag na dagtekening van dit besluit.

C.

Een digitaal gewaarmerkte fotokopie van een proces-verbaal met nummer PL0200- 2014058943-2, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] voornoemd d.d. 27 mei 2015 inhoudende als bevindingen van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik kende verdachte toen ik hem op 3 juni 2014 staande hield. Op 10 maart 2014 had ik ook reeds proces-verbaal tegen hem opgemaakt. Dat proces-verbaal betrof eveneens het rijden terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte verklaarde ook op 10 maart 2014 al aan mij dat zijn rijbewijs zoek was geraakt bij het CBR.

D.

Een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 5 juli 2016.”

12. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“Bewijsmotivering:

Op 10 maart 2014 is verdachte staande gehouden door dezelfde verbalisant als die welke hem op 3 juni 2014 staande hield. Op 10 maart 2014 is aan verdachte door die verbalisant proces-verbaal aangezegd wegens, onder andere, rijden zonder geldig rijbewijs. Verdachte verklaarde toen dat zijn rijbewijs bij het CBR was zoek geraakt. Die mededeling hield in ieder geval in de wetenschap dat het rijbewijs bij het CBR was én dat verdachte dat rijbewijs nog niet terug had ontvangen. Op 3 juni 2014 was die situatie volgens verdachte ongewijzigd.

De op 10 maart 2014 aan hem door de verbalisant gedane mededeling over de ongeldigheid van zijn rijbewijs gevoegd bij zijn wetenschap dat het rijbewijs toen (op 10 maart 2014) en op 3 juni 2014 (nog steeds) bij het CBR was maakte dat verdachte op 3 juni 2014 redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.”

13. Anders dan in bewijsmiddel B staat vermeld, gaat de ongeldigverklaring van een rijbewijs niet in vanaf de zevende dag na de dagtekening van het besluit waarbij het rijbewijs ongeldig is verklaard. Art. 132, vierde lid, WVW 1994 bepaalt immers dat de ongeldigverklaring van kracht is met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekendgemaakt.4 Van enige vorm van bekendmaking van het in bewijsmiddel B weergegeven besluit aan de verdachte, geven de gebezigde bewijsmiddelen echter geen blijk. Derhalve kan in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat het rijbewijs van de verdachte op 3 juni 2014 ongeldig was verklaard, zodat evenmin uit deze bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Reeds om deze reden slaagt het welwillend door mij gelezen middel.

14. Indien de Hoge Raad evenwel van oordeel is dat in cassatie moet worden aangenomen dat het rijbewijs op 3 juni 2014 ongeldig was verklaard, heeft mijns inziens het volgende te gelden.

15. De vraag of de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, is in cassatie vaker aan de orde geweest.5 Uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en/of als gewone brief is verzonden en de brief niet als onbestelbaar retour bij het CBR is gekomen, kan niet zonder meer het “weten” of het “redelijkerwijs moeten weten” in de zin van art. 9, tweede lid, WVW worden afgeleid.6 Dat postbedrijven het aangetekende poststuk gewoonlijk retourneren indien het niet persoonlijk aan de geadresseerde kan worden uitgereikt, maakt dat niet anders.7 Voorts is de omstandigheid dat de verdachte er weet van heeft dat hem door het CBR de Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer is opgelegd en dat het niet nakomen van de daaraan verbonden verplichtingen tot ongeldigheid van het rijbewijs kan leiden, onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.8 Daartoe kan evenmin grond bieden het feit dat de verdachte eerder straf heeft ondergaan in het kader van rijden terwijl het rijbewijs ongeldig was verklaard.9 De rechtspraak waarnaar ik in de voetnoten heb verwezen, laat zien dat de Hoge Raad hoge eisen stelt aan de bewezenverklaring van het weten of redelijkerwijs moeten weten van de ongeldigverklaring van het rijbewijs.10

16. Op grond van de bewijsmiddelen staat weliswaar vast dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit zijn rijbewijs niet tot zijn beschikking had, maar niet blijkt daaruit dat het besluit van het CBR, zoals aangehaald in bewijsmiddel B, aan de verdachte is verzonden (en door hem is ontvangen). Om die reden al, schiet de bewijsvoering in de onderhavige zaak tekort.11 Dat tegen de verdachte op 10 maart 2014 een proces-verbaal in het kader van de ongeldigverklaring van het rijbewijs zou zijn opgemaakt, doet daaraan niet af, al was het maar omdat (ook) dit proces-verbaal met geen woord rept van enige bekendmaking van de ongeldigverklaring aan de verdachte. En, anders dan het hof heeft geoordeeld, uit de verklaring van de verdachte dat zijn rijbewijs is zoekgeraakt bij het CBR kan evenmin (zonder meer) worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.12

17. Ik meen dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, zodat het tweede middel in de welwillend door mij gelezen zin slaagt.

18. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het tweede middel slaagt.

19. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De schriftuur is niet voorzien van een nadere toelichting op het middel.

2 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken (rov 3.12 en 3.15).

3 Ook op het tweede middel wordt in de schriftuur geen toelichting gegeven.

4 Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga vóór HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3703 (r.n. 15 e.v.) en de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge vóór HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:995.

5 Vgl. mijn conclusie voorafgaand aan HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2587.

6 HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762 (rov. 2.4), HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1179 (rov. 2.5) en HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6673 (rov. 2.5).

7 HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6673 (rov. 2.5).

8 HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8246, NJ 2012/321 m.nt. Schalken (rov. 2.5.2).

9 HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3703, HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:259, HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:995 en HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:991.

10 Zie ook Schalken in zijn noot onder HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8246, NJ 2012/321 en de conclusies van mijn ambtgenoten Spronken en Knigge voorafgaand aan respectievelijk HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:991 en HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:995.

11 Vgl. HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2587.

12 Vgl. HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2587 en HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2494.