Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1257

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-09-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
17/01878
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2013
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Toewijzing immateriële schade aan b.p. wegens erfvredebreuk, art. 138 Sr. Verdachte heeft b.p. A (die in het kader van zijn werk als toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit in het verleden het boerenbedrijf van verdachte heeft bezocht) en diens echtgenote b.p. B thuis opgezocht en zich niet aanstonds verwijderd toen A dat vorderde. Voldaan aan eisen art. 6:106 BW? Aantasting in de persoon? HR: art. 81.1 RO. CAG: Voor toewijsbaarheid van een vordering van vergoeding van schade die is veroorzaakt doordat benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast” i.d.z.v. art. 6:106.1.b BW is uitgangspunt dat benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Bij A is blijkens de door de b.p. overgelegde stukken een posttraumatisch stress syndroom vastgesteld n.a.v. het bewezenverklaarde. Bij B heeft het Hof uit de door de b.p. geproduceerde stukken afgeleid dat het feit psychische klachten tot gevolg heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0958
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01878

Zitting: 18 september 2018 (bij vervroeging)

Mr. A.J. Machielse

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 16 februari 2017 voor: wederrechtelijk in het besloten erf vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen, veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500. Aan deze veroordeling heeft het hof bijzondere voorwaarden verbonden. Tevens heeft het hof de vorderingen van benadeelde partijen ter zake van immateriële schade toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in het arrest omschreven.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt over de toewijzing van de vorderingen van benadeelde partijen en over het opleggen van de schadevergoedingsmaatregelen. Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat aan de eisen van artikel 6:106 BW was voldaan. Er kan niet gesproken worden van een "aantasting in zijn persoon". Evenmin is vastgesteld dat verdachte het oogmerk heeft gehad om de benadeelde partijen immateriële schade toe te brengen.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat:

"hij op 2 augustus 2014 te Someren, wederrechtelijk heeft vertoefd op een besloten erf gelegen aan de [a-straat 1] en in gebruik bij [betrokkene 1] en [betrokkene 2], en zich niet op de vorderingen van de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd."

3.2. [betrokkene 1] is werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit en verdachte heeft hem thuis opgezocht en wilde zich niet van het perceel verwijderen toen aangever dat vorderde. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte het tenlastegelegde ontkend en de vorderingen van de benadeelde partijen betwist.

3.3. Het hof heeft over de vorderingen van benadeelde partijen het volgende overwogen:

"Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

De benadeelde partij [betrokkene 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding ter zake van immateriële schade tot een bedrag van € 500,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 250,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [betrokkene 1] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof is, anders dan de eerste rechter, van oordeel dat het gehele gevorderde bedrag voor toewijzing vatbaar is. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken blijkt immers dat de benadeelde partij is gediagnosticeerd met PTSS naar aanleiding van het bewezen verklaarde. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en met een beslissing omtrent de kosten zoals hierna zal worden vermeld.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 250,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [betrokkene 2] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof is, anders dan de eerste rechter, van oordeel dat het gehele gevorderde bedrag voor toewijzing vatbaar is. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken blijkt immers dat de benadeelde partij psychische klachten heeft overgehouden aan het bewezen verklaarde. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en met een beslissing omtrent de kosten zoals hierna zal worden vermeld.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.”

3.4.

Artikel 6:95 BW bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Artikel 6:106 BW geeft hiervoor een nadere regeling. Artikel 6:106, eerste lid, BW luidt - voor zover hier van belang -:

"Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast."

3.5.

Voor de toewijsbaarheid van een vordering van vergoeding van schade die is veroorzaakt doordat eiser "op andere wijze" in zijn persoon is aangetast is uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen.1 Het hof heeft ten aanzien van beide benadeelde partijen geoordeeld dat aan deze voorwaarden is voldaan. Bij [betrokkene 1] is blijkens de door de benadeelde partij overgelegde stukken een posttraumatisch stress syndroom vastgesteld naar aanleiding van het bewezenverklaarde feit. Bij zijn echtgenote heeft het bewezenverklaarde feit psychische klachten tot gevolg gehad, hetgeen het hof uit de door de benadeelde partij geproduceerde stukken heeft afgeleid.

3.6.

Dat het oogmerk om de ander niet in vermogensschade bestaand nadeel toe te brengen niet kan worden vastgesteld staat er niet aan in de weg dat de rechter een schadevergoeding voor immateriële schade toekent. Dat is gehandeld met het oogmerk om een ander immaterieel te raken is immers een zelfstandige grond voor schadevergoeding, los van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 onder b BW.2 Een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kan ook zonder psychisch letsel een aantasting in de persoon opleveren die een vergoeding van andere schade dan vermogensschade rechtvaardigt.3 Dat blijkt ook uit de wetsgeschiedenis waarnaar de steller van het middel verwijst. Maar als er sprake is van psychisch letsel – en dat is meer dan gevoelens van onbehagen of het zich gekwetst voelen – komt artikel 6:106 BW in beeld.

3.7.

Het hof heeft kennelijk aangenomen dat de psychische klachten van [betrokkene 2] deze drempel overschreden en dat er sprake was van psychische schade. Mijns inziens geef de overwegingen van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ik lees in de schriftuur ook geen aanknopingspunten die steun zouden kunnen bieden aan het oordeel dat de afwegingen en vaststellingen van het hof onbegrijpelijk zouden zijn.

Het middel faalt.

4. Het voorgestelde middel faalt. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519.

2 Zie Groene Serie Schadevergoeding, Burgerlijk Wetboek Boek 6, Artikel 106, aantekening 2.2 en volgende (S.D. Lindenbergh); Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II/143 e.v.

3 HR 9 juli 2004, NJ 2005/391 m.nt. Vranken, r.o. 3.13.