Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1248

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
17/01962
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over ontucht en heimelijk filmen, het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv en de vordering van de benadeelde partij. De conclusie strekt tot verwerping van de cassatieberoepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01962

Zitting: 13 november 2018

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 13 maart 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. primair en 2. “telkens: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam”, 3. “door belofte van geld of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen”, 4. “een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd” en 5. “Gebruik maken van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Tevens heeft het hof een aantal beslissingen genomen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen en heeft het de vordering van de benadeelde partij voor een deel toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

  2. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft mr. A. van den Berg, advocaat te Utrecht, tijdig een schriftuur (zo begrijp ik) met een middel van cassatie ingediend.

De namens de verdachte voorgestelde middelen

3. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich tegen het onder 1 tenlastegelegde feit en valt in twee klachten uiteen. De eerste klacht luidt dat ’s hofs verwerping van een gevoerd betrouwbaarheidsverweer met betrekking tot de verklaringen van aangever [betrokkene 1] onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed. De tweede klacht houdt in dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed, nu het bewijs berust op slechts de verklaring van één getuige.

4. Aan de verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd dat:

Feit 1 primair:

hij op of omstreeks 17 juni 2014 te Houten, althans in het arrondissement Midden-Nederland met [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2001, die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren bereikt buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestaan hebben uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [betrokkene 1] , hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal:

- de borst en/of buik, althans het lichaam van [betrokkene 1] aangeraakt en/of betast en/of over de borst en/of buik, althans het lichaam van [betrokkene 1] gewreven en/of

- (vervolgens) [betrokkene 1] bewogen zijn T-shirt uit te trekken en/of te poseren waarna hij, verdachte, foto's van [betrokkene 1] (met ontbloot bovenlichaam) heeft genomen en/of

- (vervolgens) zijn, verdachtes penis in de mond van [betrokkene 1] gebracht en/of gehouden en/of (vervolgens) heen en weer bewogen;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 17 juni 2014 te Houten, althans in het arrondissement Midden-Nederland met [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2001, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het meermalen, in elk geval eenmaal, ontuchtig

- aanraken en/of betasten van de borst en/of buik, althans het lichaam van [betrokkene 1] en/of wrijven over de borst en/of buik, althans het lichaam van [betrokkene 1] en/of

- bewegen van [betrokkene 1] om zijn T-shirt uit te trekken en/of te poseren en/of (vervolgens) het nemen van foto's van [betrokkene 1] (met ontbloot bovenlichaam) en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes penis in/bij de mond van [betrokkene 1] en/of {vervolgens) heen en weer bewegen van zijn, verdachtes penis in de mond van [betrokkene 1] .”

5. Ten laste van de verdachte is onder feit 1 primair bewezenverklaard dat:

“hij op 17 juni 2014 te Houten met [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2001, die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [betrokkene 1] , hebbende verdachte:

- de borst en buik van [betrokkene 1] aangeraakt en over de borst en buik van [betrokkene 1] gewreven en - [betrokkene 1] bewogen zijn T-shirt uit te trekken en te poseren waarna hij, verdachte, foto’s van [betrokkene 1] met ontbloot bovenlichaam heeft genomen en

- zijn, verdachtes penis in de mond van [betrokkene 1] gebracht en gehouden en heen en weer bewogen;”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen

[…]

Ten aanzien van het onder 1 tot en met 5 bewezenverklaarde,

waarbij ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts wordt gebezigd voor het bewijs waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft:

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina’s 228- 235 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2014161918), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Ik ben via [betrokkene 2] op bullchat in contact gekomen met [betrokkene 1] . Ik heb hem leren kennen op het station bij de Jaarbeurs. Ik heb [betrokkene 1] opgehaald met de regiotaxi. Ik ging met [betrokkene 1] naar mijn huis in Houten. Ik heb een foto gemaakt van [betrokkene 1] .

[betrokkene 3] is drie keer bij mij geweest. Hij heeft een keer een nacht geslapen.

Er staan foto’s van [betrokkene 3] waarbij zijn geslachtsdeel te zien is op mijn computer, op die zwarte Asus. Dat zijn onder meer foto’s van [betrokkene 3] , van zijn geslachtsdeel.

Ik kan moeilijk een erectie krijgen. Wel met een lang voorspel.

Als iemand zich verkleed als vrouw, dan lukt het wel wat sneller.

Die poppers staan bij mij in de koelkast in kleine flesjes.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina ’s 103- 111 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2014161918), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Ik gebruik de naam “ [verdachte] ”. Dat is mijn naam.

Ik stel mij bij een ander voor als “ [verdachte] ”.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina ’s 273- 275 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2014161918), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als bevindingen van verbalisant:

Op 15 mei 2015 bekeek ik het filmpje “ [betrokkene 4] komt sletjuu spelen”.

- 00.51 min: [betrokkene 4] gaat naast [verdachte] zitten.

- 00.52 min: [verdachte] zegt: “je zou je broek uit doen toch?”

- 02.19 min: [verdachte] gaat met zijn linkerhand tussen de benen van [betrokkene 4] op zijn broek ter hoogte van zijn penis.

- 02.29 min: [verdachte] zegt: “Ik wil wel even voelen aan je piemel hoor”.

- 02.43 min: [verdachte] opent de broek van [betrokkene 4] .

- 03.02 min: [verdachte] gaat met zijn linkerhand in de boxershort van [betrokkene 4] en maakt bewegingen met zijn hand.

- 03.10 min: Hij vraagt aan [betrokkene 4] om hetzelfde te doen.

[betrokkene 4] gaat met zijn hand op de broek van [verdachte] ter hoogte van de penis van [verdachte] .

- 03.30 min: [verdachte] stuurt de hand van [betrokkene 4] in zijn broek (van [verdachte] ).

- 03.56 min: [verdachte] haalt de penis van [betrokkene 4] uit de broek van [betrokkene 4] en hij gaat met zijn mond naar de penis van [betrokkene 4] .

- 03.57 min: [verdachte] gaat op en neer met zijn hoofd en bovenlichaam.

- 04.27 min: [verdachte] pijpt [betrokkene 4] .

- 04.54 min: [verdachte] gaat hierop voor [betrokkene 4] staan en zegt: “nu mag jij”. Met zijn linkerhand pakt [verdachte] [betrokkene 4] bij zijn achterhoofd en beweegt het hoofd van [betrokkene 4] in de richting van zijn penis.

- 12.17 min: [verdachte] pakt de rechterhand van [betrokkene 4] en legt die op zijn (van [verdachte] ) penis. Vervolgens gaat [verdachte] met zijn linkerhand op de penis van [betrokkene 4] .

- 13.35 min: [verdachte] doet zijn broek open en stopt de hand van [betrokkene 4] in zijn broek.

- 14.00 min: [verdachte] doet de broek van [betrokkene 4] open.

- 14.22 min: [verdachte] gaat met zijn linkerhand in de boxershort van [betrokkene 4] en haalt de penis van [betrokkene 4] uit zijn broek en maakt trekkende bewegingen.

- 15.19 min: [verdachte] vraagt [betrokkene 4] om zijn broek uit te doen. [betrokkene 4] doet zijn broek een stukje naar beneden.

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

4. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 29 juli 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[betrokkene 1] is bij mij in huis geweest op 17 juni 2014 en ik heb foto’s gemaakt. Er zijn foto’s gemaakt van zijn blote bovenlichaam.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina’s 26- 32 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2014161918), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 5]:

[betrokkene 1] is volledig genaamd [betrokkene 1] . Hij is geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] .

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina ’s 33- 43 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2014161918), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 2001, d.d. 1 juli 2014:

We gingen met de taxi naar hem toe. Hij raakte steeds mijn bovenlichaam aan en hij maakte ook nog foto’s van mij.

Ik ben 13 jaar.

Ik ben via Bull.chat.nl in contact gekomen met die man. We wisselden elkaars telefoonnummers uit. We hebben toen op de WhatsApp verder gepraat. Hij noemde zichzelf “ [verdachte] ”. Ik heb hem verteld dat ik 13 was.

Ik ben naar het station gegaan, want daar hadden we afgesproken. Het was Utrecht centraal. Hij had een foto gestuurd en toen zag ik hem. Toen gingen we met een taxibusje naar zijn huis. Dat huis was in Houten. Hij maakte foto’s van mij. Ik wilde het niet, maar hij zei tegen mij dat ik anders niet naar huis mocht. Hij zei: “geen foto’s, dan mag je ook niet naar huis.” Er werden foto’s gemaakt met mijn kleding aan en een paar met mijn t-shirt uit.

We zaten op de bank in de woonkamer. Hij raakte mijn bovenlichaam aan. Een beetje aaiend met zijn linkerhand. Hij raakte daarmee mijn buik en mijn borst.

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina ’s 51-56 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2014161918), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] :

Ik heb een aanvulling op mijn verhoor.

Omdat ik hem moest pijpen. Dit gebeurde met “ [verdachte] ”. Die man uit Houten.

Ik moest op het bed zitten. Toen deed hij zijn broek uit en toen moest ik hem pijpen. Pijpen is dat zijn piemel in mijn mond gaat. Hij zei op dat moment: “zitten en pijpen.” Zijn piemel was stijf toen hij die in mijn mond deed. Hij deed zijn piemel in mijn mond.

Opmerking verbalisant: getuige [betrokkene 1] pakt zijn kaak en trekt zijn onderkaak naar beneden.

Hij ging met zijn piemel heen en weer in mijn mond. Dit duurde een paar minuten.

Hij zei op een gegeven moment zullen we even naar de slaapkamer gaan. Toen duwde hij mij op bed.

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina ’s 57-58 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2014161918), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als bevindingen van verbalisant:

Op 2 juli 2014 heb ik de op 19 juni 2014 inbeslaggenomen telefoon van [betrokkene 1] aangeboden voor onderzoek bij het digitaal plateau te Nieuwegein. Op 2 juli 2014 kreeg ik de beschikking over veiliggestelde gegevens van de telefoon van [betrokkene 1] . Uit deze gegevens blijkt dat het eerste contact tussen de telefoon van [betrokkene 1] en “ [verdachte] ” middels WhatsApp is geweest op 14 juni 2014.

Op 15 juni 2014 stuurt [betrokkene 1] naar [verdachte] : “Dinsdag kan ik om 13.30 op Jaarbeursplein zijn”. [verdachte] stuurt daarop: “ik ook”. (Opmerking hof: 15 juni 2014 blijkt een zondag te zijn. Dinsdag betreft derhalve 17 juni 2014.)”

7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2017 heeft de raadsvrouw van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder het opschrift “ [betrokkene 1] ” het volgende in:

Feit 1

6. Ten aanzien van [betrokkene 1] wordt cliënt verweten dat hij op 17 juni 2014 seksueel is binnengedrongen in zijn lichaam terwijl [betrokkene 1] op dat moment nog geen 16 jaar oud was of dat hij op diezelfde datum ontucht heeft gepleegd met voornoemde [betrokkene 1] .

7. Zoals is aangegeven meent de verdediging dat de verklaringen van [betrokkene 1] niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt nu de verklaringen evident niet overeenkomstig de waarheid afgelegd blijken te zijn. De verdediging meent dat ook dat deze verklaringen niet tot het bewijs van het tenlastegelegde kunnen worden gebezigd.

8. De rechtbank heeft in haar vonnis al en het een ander opgemerkt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen en heeft ook opgemerkt dat [betrokkene 1] aantoonbaar heeft gelogen, desondanks heeft de rechtbank geoordeeld dat de verklaring voldoende betrouwbaar om tot het bewijs van het tenlastegelegde te gebruiken.

Totstandkoming verklaringen

9. De verschillende verklaringen van [betrokkene 1] bevatten wat betreft de verdediging echter zoveel tegenstrijdigheden dat deze onvoldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs van het tenlastegelegde te worden gebezigd.

10. [betrokkene 1] is meerdere keren gehoord op 1 juli 2014, 15 juli 2014, 14 oktober 2014 en uiteindelijk bij de RC. De wijze waarop de verklaring ten aanzien van het seksueel binnendringen tot stand is gekomen, de verklaring van 14 oktober 2014, roept vraagtekens op.

11. De vader van [betrokkene 1] is degene die de zaak uiteindelijk aan het rollen heeft gebracht nadat hij whatsapp berichtjes op de telefoon van zijn zoon heeft gelezen. Vervolgens confronteert hij zoon met deze berichtjes. Op dat moment is zijn zoon ook nog niet uit de kast gekomen. Voor vader is het duidelijk: er moet aangifte worden gedaan. Zoon wordt vervolgens uitgenodigd om een verklaring af te leggen. Alsdan kan het niet anders dat er al veel besproken binnen het gezin.

12. De verklaringen van 1 juli en 15 juli bevatten slechts een weergave van de ontmoeting en contacten tussen [betrokkene 1] en cliënt. Aan hem is meerdere malen voorgehouden of er toch echt niets anders is gebeurd? Zelfs wordt expliciet gevraagd naar of er verder nog andere dingen zijn gebeurd die niet zijn verteld en of hij verder nog iets heeft toe te voegen. [betrokkene 1] blijft weergeven dat er verder niks is gebeurd.

13. [betrokkene 1] verklaart pas over het vermeende orale contact, ruime tijd later op 14 oktober, nadat het geheel al meerdere keren is doorgesproken met ouders en de psycholoog.

14. Gelet op deze gang van zaken is niet uit te sluiten dat [betrokkene 1] uiteindelijk heeft verklaard dat hij cliënt moest pijpen/heeft gepijpt bij deze ontmoeting, omdat hem telkens dezelfde vraag door verschillende personen is gesteld. In ogenschouw dient te worden genomen dat het hier nog steeds om een jeugdige gaat, een jeugdige die kort daarvoor (noodgedwongen, doordat vader berichtjes op zijn telefoon vond) zijn seksuele geaardheid heeft kenbaar heeft moeten maken, naar zijn ouders terwijl onduidelijk is of deze jongen hier al wel aan toe was. Door de onbewuste druk van ouders op hun kind (en andersom) om goed te doen is alle behalve uit te sluiten dat de schaamte naar aanleiding van de ontdekking er toe heeft geleid dat [betrokkene 1] heeft verklaard om er maar vanaf te zijn, zonder dat dit zonder meer voor waarheid aangenomen kan worden.

Feitelijke onjuistheden en overige bijzonderheden

15. Uit het dossier volgt voorts dat [betrokkene 1] aantoonbaar heeft gelogen, over meerdere onderwerpen. Hij heeft gelogen over wanneer het eerste contact met [verdachte] is gestart. Hij heeft gelogen over zijn andere contacten op Bullchat, en de periode waar hij op Bullchat heeft gezeten. Ook heeft [betrokkene 1] aantoonbaar gelogen over de contacten met [verdachte] (cliënt) na 17 juni. Hij geeft aan dat er nog contact is geweest, doch dat cliënt een en ander zou hebben geïnitieerd. Niets is minder waar. Uit de WhatsApp berichten van cliënt blijkt het tegendeel.

16. Eveneens is reeds door de rechtbank vastgesteld dat de verklaring van [betrokkene 1] over seksueel getinte filmpjes die cliënt naar hem gestuurd zou hebben onjuist is.

17. Bovendien was [betrokkene 1] degene die de betreffende dag contact zoekt. Hij is degene die vragen stelt, die vragen stelt over andere jongens. Eerder verklaart hij dat [verdachte] het niet leuk vond dat hij niet had willen aaien, dat hij het saai vond. Ook die informatie lijkt niet te kunnen kloppen. Kennelijk heeft hij geen slecht gevoel overgehouden aan de ontmoeting, want hij neemt zelf weer contact op.

18. Hij heeft daarbij ook initieel verzwegen dat hij ook bij een andere ( volwassen) man thuis is geweest. Niet is uit te sluiten dat er met die man seksuele contacten hebben plaatsgevonden waar [betrokkene 1] over gezwegen heeft nu deze man geen onderwerp van onderzoek was.

19. Bijzonder is voorts dat [betrokkene 1] niets relevants kan verklaren over persoonlijke, lichamelijke details van cliënt. Als hij cliënt oraal heeft bevredigd had hem minimaal moeten opvallen dat cliënt verschillende tatoeages heeft, waaronder één in zijn schaamstreek. Hij heeft aldaar meerdere littekens. Bovendien is er sprake van een teelbal prothese. Bij de RC is [betrokkene 1] hier expliciet over bevraagd, doch antwoord hij nee op de vraag of [verdachte] tatoeages of littekens heeft. Hij heeft ze niet gezien. Dat terwijl hij kort daarvoor verklaart dat [verdachte] zijn t-shirt en broek uit heeft gedaan. Gelet op de tatoeages van cliënt kan het gewoonweg niet anders dan dat deze zijn opgevallen als [betrokkene 1] cliënt daadwerkelijk naakt zou hebben gezien. Dit bevestigt des te meer dat het niet uit te sluiten is dat [betrokkene 1] niet de waarheid heeft verklaard omtrent de seksuele handelingen, specifiek het pijpen.

20. Eveneens dient te worden opgemerkt dat uit de berichten tussen cliënt en [betrokkene 1] blijkt dat zij om half 2 hebben afgesproken. Tegen 15.00 uur appt [betrokkene 1] alweer richting cliënt. Hij neemt het initiatief. Hij stelt vragen over 'jongens van zijn leeftijd'. Dit betekent dat cliënt en [betrokkene 1] in anderhalf uur heen en weer moeten zijn gereisd tussen Houten en Utrecht centraal, tv hebben gekeken (overigens heeft cliënt heeft TV in zijn woning, slechts computerschermen), foto's hebben gemaakt, seksuele handelingen verricht en weer zijn vertrokken. Dit tijdspad is gewoon weg te kort om al deze handelingen in te kunnen verrichten wat tot de enige conclusie kan leiden dat hetgeen door [betrokkene 1] verklaard is niet overeenkomt met de waarheid.

21. Juist deze gang van zaken alsook overige onderdelen van dat gesprek bevestigen de stelling van cliënt dat hij geen seks heeft of wil met minderjarige jongens. Hij waarschuwt hen tegen mannen die dit wel doen en willen. Dit wordt telkens weer verklaard door cliënt.

22. Daarbij blijkt dat cliënt sinds 2010 behept is met het syndroom van Klinefelter. Een van de gevolgen van Klinefelter is dat - omdat er te weinig testosteron wordt aangemaakt - dat er bij cliënt sprake is van een zeer laag libido. Cliënt dient specifieke medicatie te gebruiken om een erectie te krijgen. Cliënt gebruikte op dat moment geen medicatie en daarbij de medicatie die hij eerder voorschreven kreeg zorgde voor een laagje in zijn bloed waardoor het langzaam maar zeker, stapje voor stapje weer op gang gebracht werd. Bloedwaardes zijn daarbij leidend en bepalend. Slechts bij de juiste medicatie en met juiste omstandigheden is cliënt is staat een erectie te krijgen. Dit is wederom een indicatie dat er geen sprake kan zijn geweest van handelingen van ontuchtige aard.

23. De verklaring van [betrokkene 1] is derhalve op specifieke punten als leugenachtig aan te merken. Hij heeft daarbij wisselend verklaard over wat er feitelijke is gebeurd en welke contacten er voorafgaand en na 17 juni heeft gehad. Hij heeft zelfs initieel een fabeltje opgehangen toen zijn ouders hem hebben geconfronteerd met de berichtjes in zijn telefoon.

24. Primair meent de verdediging zoals betoogd dat de verklaring van [betrokkene 1] niet voor het bewijs gebezigd nu deze als onbetrouwbaar dient te worden aangemerkt. De verklaring van [betrokkene 1] is het enige bewijs ten aanzien van het seksueel binnendringen zoals primair ten laste is gelegd.

Unus testis nullus testis

25. De verdediging heeft primair bepleit dat de verklaringen niet voor het bewijs gebezigd mogen worden. Evident is dat er in ieder geval met de nodige voorzichtigheid dient te worden omgegaan als deze verklaringen wel voor het bewijs gebruikt zouden worden.

26. Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Ook niet als de rechter deze verklaring op zich betrouwbaar zou achten. Volgens de Hoge Raad (o.a. 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2440 en 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094) strekt deze bepaling ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gerelateerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

27. Dit geldt te meer nu ten aanzien van het eerste, primair tenlastegelegde feit slechts de verklaring van [betrokkene 1] voorhanden is. [betrokkene 1] stelt dat er seksueel contact heeft plaatsgevonden terwijl cliënt, die niet ontkent contact te hebben gehad met [betrokkene 1] van meet af aan heeft ontkend dat er seksuele handeling die te kwalificeren is als seksueel binnendringen.

28. De wet schrijft voor dat één verklaring onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat de verdachte het tenlastegelegde begaan heeft. De rechtbank heeft ten aanzien van haar bewezenverklaring de verklaring van [betrokkene 1] op onderdelen gebruikt.

29. De rechtbank heeft ten aanzien van het bewijs van het seksueel binnendringen kennelijk aangenomen dat er voldoende steunbewijs voorhanden is in het dossier. Echter vloeit dit steun bewijs voort uit dezelfde bron. [betrokkene 1] zelf. De vader van [betrokkene 1] verklaart over wat hij gehoord heeft. Ook [betrokkene 6] verklaart wat zij - desgevraagd, zo blijkt uit de verklaring van [betrokkene 1] - van haar cliënt heeft gehoord.

30. Het dossier biedt derhalve geen objectief bewijs voor de ontuchtige handelingen. Er is dan ook onvoldoende wettig bewijs voor het eerste primaire en subsidiair ten laste gelegde. Primair meent verzoek ik u Hof cliënt dan ook vrij te spreken. Meer subsidiair meen ik dat cliënt in ieder geval dient te worden vrij gesproken ten aanzien van het primair ten laste gelegde, nu in ieder geen andere verklaring voorhanden is voor het seksueel binnendringen dan de verklaring van [betrokkene 1] .”

Voorts heeft de raadsvrouw ter aanvulling van het voorgaande ter ’s hofs terechtzitting nog het volgende opgemerkt:

“Wat betreft punt 5 (ik begrijp punt 6, AG) heeft [betrokkene 1] wel verklaard over hoe de contacten tot stand zijn gekomen en wat er is gebeurd die bewuste middag. Specifiek over het seksueel binnendringen heeft hij niet verklaard.

In aanvulling op onderdeel 22 heeft verdachte in deze periode geen injecties gehad. Subsidiair is het standpunt datje niet altijd zonder meer van de werking uit kan gaan. De medicatie werkt voor verdachte niet afdoende.”

8. Het hof heeft, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende met betrekking tot het bewijs in het bestreden arrest overwogen:

“Verweer raadsvrouw

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van de feiten 1 tot en met 5 bepleit. Zij heeft hiertoe - kort samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer aangevoerd dat de verklaringen van zowel [betrokkene 1] , [betrokkene 7] als [betrokkene 4] dusdanig onbetrouwbaar zijn dat zij niet tot het bewijs mogen worden gebezigd.

Specifiek ten aanzien van [betrokkene 1] heeft de raadsvrouw aangegeven dat [betrokkene 1] aantoonbaar heeft gelogen. Zo heeft hij onder meer gelogen over wanneer het eerste contact met verdachte is geweest en over de contacten met verdachte na 17 juni 2014. Ook heeft [betrokkene 1] initieel verzwegen dat hij ook bij een andere man thuis is geweest. Niet is uit te sluiten dat er met die man seksuele contacten hebben plaatsgevonden. Daarnaast verklaart [betrokkene 1] pas op 14 oktober 2014 over het vermeende orale contact, nadat het geheel al meerdere keren is doorgesproken met zijn ouders en de psycholoog. […]. Verder is opvallend dat zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 7] niets kunnen verklaren over persoonlijke lichamelijke details van verdachte, nu verdachte verschillende tatoeages heeft, waaronder één in zijn schaamstreek. Ook heeft hij daar littekens.

Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat bij verdachte het syndroom van Klinefelter is vastgesteld. Eén van de gevolgen hiervan is dat er bij verdachte sprake is van een zeer laag libido. Hij is hierdoor niet of nauwelijks in staat om seksueel opgewonden te raken. Verdachte dient specifieke medicatie te gebruiken om een erectie te krijgen. Verdachte gebruikte in de periode van het onder 1 tenlastegelegde geen medicatie. Overigens heeft de raadsvrouw opgemerkt dat de werking van de medicatie niet afdoende was voor verdachte.

Voorts heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. Het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Ten aanzien van het onder 1, primair […] tenlastegelegde is slechts de verklaring van [betrokkene 1] […] voorhanden. Het steunbewijs zoals door de rechtbank is gebruikt ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde, komt voort uit dezelfde bron.

[…]

Oordeel hof

Het hof stelt vast dat de verklaring van [betrokkene 1] over seksueel getinte filmpjes die verdachte naar [betrokkene 1] zou hebben gestuurd, onjuist is. Dit maakt echter niet dat zijn verklaringen in hun geheel onbetrouwbaar zijn. Op diverse punten heeft [betrokkene 1] wel aantoonbaar naar waarheid verklaard. Immers, verdachte heeft bevestigd dat hij [betrokkene 1] via Bullchat heeft leren kennen. Op 17 juni 2014 heeft verdachte [betrokkene 1] opgehaald bij het Jaarbeursplein in Utrecht en zijn ze vervolgens met de regiotaxi naar de woning van verdachte gegaan. Ook heeft verdachte bevestigd dat hij in zijn woning foto’s van [betrokkene 1] heeft gemaakt, waarbij het bovenlichaam van [betrokkene 1] ontbloot was. Gelet hierop acht het hof, evenals de rechtbank, de verklaringen van [betrokkene 1] met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde geloofwaardig en ziet het hof geen aanleiding de verklaringen van [betrokkene 1] in hun geheel van het bewijs uit te sluiten.

[…]

Uit bovenstaande overwegingen volgt dat het hof ook het verweer van de raadsvrouw omtrent het beroep op artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering verwerpt. De verklaringen van zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 7] vinden voldoende steun in overige bewijsmiddelen.

[…]

Het hof is voor het overige van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”

9. Wat de eerste klacht betreft, betoogt de toelichting op het middel dat de verwerping van het betrouwbaarheidsverweer onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende met redenen omkleed is, nu het hof ten onrechte in het geheel niet heeft gereageerd op het verweer van de verdediging inhoudende dat het onmogelijk is dat de verdachte zijn broek heeft uitgedaan en aangever [betrokkene 1] de tatoeages, littekens en de teelbalprothese toen niet heeft waargenomen, zodat niet aannemelijk is dat verdachte zijn broek ook daadwerkelijk heeft uitgedaan en de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden.

10. Hetgeen door de raadsvrouw ter terechtzitting naar voren is gebracht met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer [betrokkene 1] kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht.1

11. Het hof heeft het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging verworpen en de verklaringen van [betrokkene 1] voor het bewijs gebezigd, ook al is naar het hof heeft vastgesteld de verklaring van [betrokkene 1] over seksueel getinte filmpjes die de verdachte naar [betrokkene 1] gestuurd zou hebben onjuist. Dat betekent volgens het hof echter niet dat de verklaringen van [betrokkene 1] in haar geheel onbetrouwbaar zijn, nu [betrokkene 1] op diverse punten wel aantoonbaar naar waarheid heeft verklaard. Het hof heeft deze punten expliciet genoemd. Daarmee heeft het hof de redenen opgegeven die ertoe hebben geleid dat het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging niet wordt aanvaard en heeft het voldaan aan de motiveringsplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv.2 Opgemerkt zij nog, dat deze motiveringsplicht niet zover gaat dat bij niet-aanvaarding van een dergelijk standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.3 Het hof was dan ook niet gehouden concreet in te gaan op de stelling van de verdediging dat de verklaringen van [betrokkene 1] niet betrouwbaar waren, omdat [betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte zijn broek had uitgedaan en vervolgens in antwoord op een vraag van de rechter-commissaris zou hebben gezegd dat hij geen tatoeages, littekens en/of een teelbalprothese heeft gezien, nog daargelaten dat de verklaring dat de verdachte zijn broek uitdeed niet uitsluit dat hij zijn onderbroek aanhield.

12. Dan de tweede klacht, die aanvoert dat het hof de bewezenverklaring enkel heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.

13. Bij de beoordeling van deze klacht dient het volgende te worden vooropgesteld. Volgens art. 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige, met dien verstande dat dit voorschrift op de tenlastelegging in haar geheel ziet en niet op een onderdeel daarvan.4 Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.5

14. De Hoge Raad stelt aldus de eis dat de verklaring van de getuige voldoende steun moeten vinden in ander bewijsmateriaal.6 Tevens kan uit de rechtspraak van de Hoge Raad worden afgeleid dat het verband tussen de getuigenverklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal niet te ver verwijderd mag zijn.7 Ten aanzien van het steunbewijs geldt nog dat deze (in beginsel) niet uit dezelfde bron mag stammen als de getuigenverklaring.8

15. Het hof heeft gemotiveerd geoordeeld dat de verklaringen van [betrokkene 1] niet in haar geheel onbetrouwbaar zijn en dat [betrokkene 1] op diverse punten aantoonbaar wel naar waarheid heeft verklaard. Als eerder opgemerkt, het hof heeft deze punten in zoveel woorden aangehaald. Zo heeft de verdachte de verklaring van [betrokkene 1] dat zij elkaar hebben leren kennen via Bullchat bevestigd. Ook heeft de verdachte bevestigd dat hij [betrokkene 1] heeft opgehaald bij het Jaarbeursplein, dat zij vervolgens met de regiotaxi naar de woning van de verdachte zijn gegaan en dat hij op 17 juni 2014 in zijn woning foto’s van [betrokkene 1] heeft gemaakt, waarbij het bovenlichaam van [betrokkene 1] ontbloot was. Het zijn deze verklaringen van de verdachte – de bewijsmiddelen 1 en 4 – die steun bieden aan het bewijs van het tenlastegelegde feit 1 primair. Ook kan steun worden gevonden in bewijsmiddel 8, het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat er op 14 juni 2014 contact is geweest tussen de telefoon van [betrokkene 1] en [verdachte] (de verdachte) en dat [betrokkene 1] op 15 juni 2014 naar de verdachte heeft gestuurd “Dinsdag kan ik om 13:30 op Jaarbeursplein zijn”, waarop de verdachte reageert met: “ik ook”. Het verband van dit steunbewijs met de verklaringen van [betrokkene 1] is niet voor betwisting vatbaar. De slotsom is dan ook dat de verklaringen van [betrokkene 1] voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, te weten de bewijsmiddelen 1, 4 en 8. Anders dan het middel betoogt, is van schending van art. 342, tweede lid, Sv geen sprake.

16. Zowel ’s hofs verwerping van het verweer, als de bewezenverklaring is niet onbegrijpelijk en voldoende met redenen omkleed.

17. Het eerste middel faalt in beide onderdelen.

18. Het tweede middel klaagt dat het hof het onder feit 5 bewezenverklaarde – kort gezegd: het heimelijk filmen van aangever [betrokkene 4] – uitsluitend heeft gebaseerd op de verklaring van één getuige en daarbij niet heeft gereageerd op het door de verdediging gevoerde verweer ter zake.

19. Ten laste van de verdachte is onder feit 5 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 6 februari 2014 te Houten gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon (te weten [betrokkene 4] ) aanwezig op een niet voor het publiek toegankelijke plaats, namelijk de woning van verdachte, met behulp van een (film)camera een afbeelding te weten een film heeft vervaardigd”.

20. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen

[…]

Ten aanzien van het onder 1 tot en met 5 bewezenverklaarde,

waarbij ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts wordt gebezigd voor het bewijs waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft:

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina’s 228- 235 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2014161918), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Ik ben via [betrokkene 2] op bullchat in contact gekomen met [betrokkene 1] . Ik heb hem leren kennen op het station bij de Jaarbeurs. Ik heb [betrokkene 1] opgehaald met de regiotaxi. Ik ging met [betrokkene 1] naar mijn huis in Houten. Ik heb een foto gemaakt van [betrokkene 1] .

[betrokkene 3] is drie keer bij mij geweest. Hij heeft een keer een nacht geslapen.

Er staan foto’s van [betrokkene 3] waarbij zijn geslachtsdeel te zien is op mijn computer, op die zwarte Asus. Dat zijn onder meer foto’s van [betrokkene 3] , van zijn geslachtsdeel.

Ik kan moeilijk een erectie krijgen. Wel met een lang voorspel.

Als iemand zich verkleed als vrouw, dan lukt het wel wat sneller.

Die poppers staan bij mij in de koelkast in kleine flesjes.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina ’s 103- 111 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2014161918), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Ik gebruik de naam “ [verdachte] ”. Dat is mijn naam.

Ik stel mij bij een ander voor als “ [verdachte] ”.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina ’s 273- 275 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2014161918), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als bevindingen van verbalisant :

Op 15 mei 2015 bekeek ik het filmpje “ [betrokkene 4] komt sletjuu spelen”.

- 00.51 min: [betrokkene 4] gaat naast [verdachte] zitten.

- 00.52 min: [verdachte] zegt: “je zou je broek uit doen toch?”

- 02.19 min: [verdachte] gaat met zijn linkerhand tussen de benen van [betrokkene 4] op zijn broek ter hoogte van zijn penis.

- 02.29 min: [verdachte] zegt: “Ik wil wel even voelen aan je piemel hoor”.

- 02.43 min: [verdachte] opent de broek van [betrokkene 4] .

- 03.02 min: [verdachte] gaat met zijn linkerhand in de boxershort van [betrokkene 4] en maakt bewegingen met zijn hand.

- 03.10 min: Hij vraagt aan [betrokkene 4] om hetzelfde te doen.

[betrokkene 4] gaat met zijn hand op de broek van [verdachte] ter hoogte van de penis van [verdachte] .

- 03.30 min: [verdachte] stuurt de hand van [betrokkene 4] in zijn broek (van [verdachte] ).

- 03.56 min: [verdachte] haalt de penis van [betrokkene 4] uit de broek van [betrokkene 4] en hij gaat met zijn mond naar de penis van [betrokkene 4] .

- 03.57 min: [verdachte] gaat op en neer met zijn hoofd en bovenlichaam.

- 04.27 min: [verdachte] pijpt [betrokkene 4] .

- 04.54 min: [verdachte] gaat hierop voor [betrokkene 4] staan en zegt: “nu mag jij”. Met zijn linkerhand pakt [verdachte] [betrokkene 4] bij zijn achterhoofd en beweegt het hoofd van [betrokkene 4] in de richting van zijn penis.

- 12.17 min: [verdachte] pakt de rechterhand van [betrokkene 4] en legt die op zijn (van [verdachte] ) penis. Vervolgens gaat [verdachte] met zijn linkerhand op de penis van [betrokkene 4] .

- 13.35 min: [verdachte] doet zijn broek open en stopt de hand van [betrokkene 4] in zijn broek.

- 14.00 min: [verdachte] doet de broek van [betrokkene 4] open.

- 14.22 min: [verdachte] gaat met zijn linkerhand in de boxershort van [betrokkene 4] en haalt de penis van [betrokkene 4] uit zijn broek en maakt trekkende bewegingen.

- 15.19 min: [verdachte] vraagt [betrokkene 4] om zijn broek uit te doen. [betrokkene 4] doet zijn broek een stukje naar beneden.

Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

15. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina’s 223- 224 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2014161918), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als bevindingen van verbalisant:

Op 11 februari 2015 kwam ik tijdens een onderzoek een film tegen met daarin een jonge man. Ik hoorde in de film de jonge man onder andere zeggen: “Mijn naam is [betrokkene 4] ”. Ik zag op deze film dat de verdachte [verdachte] ontuchtige handelingen pleegde met deze jonge man. Ik zag onder andere dat de verdachte zijn hand in de broek van de jonge man stopte en zijn penis er uit haalde. Ik zag ook dat de verdachte de penis van deze jonge man in zijn mond stopte.

Bovenstaande informatie heb ik op 16 februari 2015 doorgegeven aan het onderzoeksteam met het verzoek om een onderzoek in te stellen naar de identiteit van deze jonge man.

Uit het door hen ingestelde onderzoek kwam toen onderstaande jonge man naar voren: [betrokkene 4] , geboren op [geboortedatum] 1990.

Ik zag een bestandsdatum van deze film van 6 februari 2014 en deze stond op de computer van het merk Sony, voorzien van het sinnummer [nummer] .

16. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina ’s 264- 267 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2014161918), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 4] :

Ik doe aangifte van heimelijk filmen. Ik ben in 2013 in contact gekomen met [verdachte] . Ik doe aangifte omdat ik er niet mee eens ben dat ik ongevraagd gefilmd ben. Ik ben heimelijk gefilmd toen ik hem bij hem thuis had ontmoet. Hij woont op de [a-straat] in Houten. Hij heeft mij in zijn woning zonder overleg gefilmd. Ik heb daar geen toestemming voor gegeven. Er zijn seksuele handelingen te zien op de film tussen mij [verdachte] .

21. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 februari 2017 gehechte pleitnota heeft de raadsvrouw van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

[betrokkene 4]

Feit 5

51. Cliënt wordt tot slot verweten dat hij [betrokkene 4] heimelijk heeft gefilmd. In deze kwestie is van meet af aan het twistpunt geweest of [betrokkene 4] nu wel of niet op de hoogte was van het filmen.

52. Cliënt zegt dat [betrokkene 4] hiervan op de hoogte was. [betrokkene 4] zegt echter dat hij hier echt niet van op de hoogte was. Client heeft verklaard dat hij nooit iemand zonder toestemming heeft gefilmd.

53. [betrokkene 4] verklaart daarbij over een ander moment waarop het filmpje zou zijn gemaakt dat cliënt. Cliënt hangt het tijdstip op aan objectieve gegevens: hij is eind november 2012 gaan wonen aan het [a-straat] te houten. In december kwam [betrokkene 4] over de vloer. Het filmpje is in die periode opgenomen en [betrokkene 4] heeft ook een kopie gehad van de filmpjes.

54. [betrokkene 4] stelt dat hij maar twee keer bij cliënt over de vloer is geweest. Gelet op de inhoud van het filmpje kan dit bijna niet kloppen. Dit zou betekenen dat de inhoud van de filmpjes ook direct de enige twee keer is dat [betrokkene 4] daar is geweest. Dit komt niet geloofwaardig over en roep vragen op. Bovendien verklaart [betrokkene 4] ook over contacten tussen zijn moeder en cliënt en zijn broertje en cliënt. Hij geeft aan dat zijn moeder voor de gezelligheid van cliënt over de vloer kwam en verklaard zelf dat hij ook heeft geholpen met schilderen. Hieruit volgt evident dat hij het achterste van zijn tong niet laat zien.

55. Daarbij is door cliënt verklaard dat de camera's in zijn woning niet te missen waren. Wat bovendien bevreemdt, is dat [betrokkene 4] bij de RC expliciet verklaart dat cliënt zou hebben gezegd dat er niet gefilmd zou worden zonder toestemming. Dat dit gezegd werd vond hij ook vreemd, maar geen aanleiding om te twijfelen. Geen aanleiding om te vragen hoe het nu zit. Een en ander dient te leiden tot de conclusie dat de verklaring van [betrokkene 4] ; dat hij het niet wist dat hij gefilmd werd vindt onvoldoende steun in het overige bewijs. Zijn eigen verklaring geeft weer dat er over filmen gesproken is waardoor de verklaring dat hij niet op de hoogte was van het filmen niet geloofwaardig is.

56. Ook hier geldt dat het enige bewijsmiddel voor het ontbreken van wetenschap bij [betrokkene 4] dat hij gefilmd werd, voortvloeit uit de verklaring van [betrokkene 4] .

57. Resumé: ten aanzien van het heimelijk filmen bestaat onvoldoende bewijs om buiten gerede twijfel aan te kunnen nemen dat [betrokkene 4] niet wist dat hij gefilmd wordt. Bij twijfel dient vrijspraak te volgen en dit verzoek ik u hof dan ook.”

22. Het hof is in zijn arrest van dit standpunt van de verdediging afgeweken door het onder feit 5 tenlastegelegde bewezen te verklaren, zij het zonder daaraan een afzonderlijke overweging te wijden.

23. In dit verband dient het volgende te worden vooropgesteld. Wanneer de feitenrechter van oordeel is dat aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, is hij zeker niet altijd gehouden dat oordeel nader te motiveren, ook al is op dat punt verweer gevoerd. Een dergelijk verweer kan immers in voldoende mate zijn weerlegging vinden in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. In een dergelijk geval noopt art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv het hof niet zijn oordeel in dat opzicht nader te motiveren.9

24. Hetgeen door de raadsvrouw ter terechtzitting van 27 februari 2017 in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de “unus testis-regel” kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie (te weten: vrijspraak) ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. Ik meen evenwel dat zich hier een voorbeeld voordoet van een geval waarin het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. De verklaring van aangever [betrokkene 4] (b.m. 16) vindt immers in voldoende mate steun in de bewijsmiddelen 3 (de waarnemingen en bevindingen van de verbalisant bij het bekijken van het filmpje) en 15 (de waarnemingen en het relaas van de verbalisant betreffende het filmpje). Dat betekent dat art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet noopte tot een nadere motivering van de weerlegging van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt.

25. Daarnaast merk ik nog op dat het middel van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat voor zover het betoogt dat meer dan één gebezigde bewijsgrond de kern van het verwijt – het heimelijk filmen – dient te betreffen en dat dus ten minste één andere bewijsgrond het heimelijk filmen van [betrokkene 4] dient te bevestigen.10 Naar regels van het strafrechtelijk bewijsrecht is vereist dat de verklaring van [betrokkene 4] voldoende wordt ondersteund door bewijsmateriaal uit een andere bron.11 Daarvan is hier sprake.

26. Het tweede middel faalt.

27. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

28. Het middel is gegrond. Namens de verdachte is op 15 maart 2017 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 2 februari 2018 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. De inzendingstermijn, die in dit geval zes maanden bedraagt, is met afgerond vijf maanden overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.

Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

29. Op 31 juli 2018 is op de strafgriffie van de Hoge Raad een schrijven van mr. A. van den Berg ingekomen, dat ik welwillend versta als een schriftuur waarin namens de benadeelde partij [betrokkene 1] een middel van cassatie wordt voorgesteld. De klacht keert zich tegen de beslissingen van het hof met betrekking tot de door [betrokkene 1] ingediende vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3.243,64.

30. Het hof heeft deze vordering tot schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van € 2.153,60, bestaande uit € 653,60 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.243,64. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.153,60. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof wijst, anders dan de rechtbank, niet het bedrag toe wat betreft de GSM en het beltegoed ad € 90,04, nu dit bedrag door de verdediging gemotiveerd is betwist.

Ook voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

31. De klacht betoogt dat het hof ten onrechte niet de gehele vordering heeft toegewezen, nu de vordering met voldoende bewijsstukken is onderbouwd en er derhalve geen onevenredige belasting van het strafgeding is.

32. Op grond van art. 361, derde lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv kan het hof, indien het van oordeel is dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafproces oplevert, onder meer op verzoek van de verdachte bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Oordeelt het hof in navolging van voormeld verzoek van de verdachte de vordering (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk, dan is het niet gehouden dat oordeel nader te motiveren.

33. Door te oordelen dat voor het bedoelde gedeelte de benadeelde partij niet in haar vordering kan worden ontvangen en haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen, heeft het hof de juiste maatstaf toegepast.

34. Voorts is dit oordeel feitelijk van aard en kan het in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.12 Gelet op de inhoud van de ingediende vordering van de benadeelde partij en hetgeen namens de benadeelde partij ter onderbouwing van haar vordering naar voren is gebracht, en in aanmerking genomen dat de vordering wat betreft de GSM en het beltegoed namens de verdachte gemotiveerd is betwist, is dat oordeel niet onbegrijpelijk.13 Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

35. Het middel faalt.

36. De eerste twee namens de verdachte voorgestelde middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het derde namens de verdachte voorgestelde middel slaagt.

37. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

38. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.

39. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in de mate die de Hoge Raad aangewezen acht en voor het overige tot verwerping van de beroepen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma.

2 Zie voor een voorbeeld waar dat niet het geval was HR 13 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1094.

3 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma (rov. 3.8.4 onder d). In dezelfde zin HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7143.

4 HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512, m.nt. Borgers.

5 HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515, m.nt. Borgers (rov. 2.4). Zo ook HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BS7910, NJ 2012/251, m.nt. Schalken (rov. 2.4) en HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3052 (rov. 2.3).

6 Zie ook HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3704, NJ 2009/495.

7 HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512, m.nt. Borgers.

8 G.J.M. Corstens, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 844.

9 HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1493, NJ 2010/514, m.nt. Borgers.

10 G.J.M. Corstens, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 844. Zie voorts: HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6753; de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge vóór HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9859; en de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse vóór HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0076.

11 Zie daarover ook hierboven in de randnummer 13 en 14.

12 HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476, NJ 2014/281, m.nt. Schalken.

13 Ik verwijs daarbij naar de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2017 gehechte pleitnota (onder punten 72 en 73).