Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1242

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-09-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
17/01837
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2051
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Belaging van medewerkster tabakszaak, art. 285b Sr. Stelselmatigheid? 2. Lokaalvredebreuk, art. 138 Sr. Is tabakszaak een besloten lokaal? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/02924.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01837

Mr. A.J. Machielse

Zitting: 18 september 2018 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 31 maart 2017 voor 1: belaging, 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, en 3: in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel keert zich tegen de veroordeling voor feit 1. De bewezenverklaring kan niet verantwoord worden door de gebezigde bewijsmiddelen. Met name kan daaruit niet worden afgeleid dat verdachte op stelselmatige wijze inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 9 september 2014 tot en met 3 oktober 2014 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] (medewerker bij [A] , gelegen aan Middenbaan-Noord), met het oogmerk [betrokkene 1] , te dwingen iets te dulden immers heeft hij, verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk en met voornoemd oogmerk op verschillende data in voormelde periode

- zich opgedrongen (door een fles wijn en/of een bos bloemen en/of drie zoenen te geven) aan [betrokkene 1]

- meermalen, zich bevonden en/of opgehouden in de nabijheid van voornoemde [A] en/of (gedurende enige tijd) door de ramen van [A] gegluurd en/of gekeken en/of gestaard naar [betrokkene 1]

- telefonisch contact gezocht met [betrokkene 1] en een andere medewerker van [A] op voor [betrokkene 1] intimiderende wijze heeft benaderd met de woorden: "Is [betrokkene 1] er? Dan blijf ik net zolang contact opnemen totdat zij er wel is".

3.3. Ter terechtzitting van 17 maart 2017 heeft de advocaat van verdachte het woord gevoerd volgens een overgelegde pleitnota. De advocaat heeft vrijspraak bepleit omdat wat blijkt uit de bewijsmiddelen nog geen stelselmatige inbreuk is op persoonlijke levenssfeer gelet op de aard, duur, frequentie, intensiteit en omstandigheden waaronder de gedragingen van verdachte zich hebben voorgedaan.

Op dit verweer heeft het hof in een nadere bewijsoverweging aldus gereageerd:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen, het verweer gevoerd dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat het gedrag van de verdachte geen stelselmatige inbreuk oplevert op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] .

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad zijn bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (onder meer: HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626, NJ 2013/394).

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat:

- de verdachte in de tenlastegelegde periode bijna dagelijks naar aangeefster heeft staan kijken terwijl zij aan het werk was in de tabakszaak [A] ;

- de verdachte dan langdurig (variërend van 10 tot 30 minuten) naar aangeefster stond te kijken;

- de verdachte hierbij - met zijn gezicht 30 cm van de ruit - door het raam naar binnen keek;

- de verdachte wel eens minutenlang in de deuropening van de winkel heeft staan kijken naar aangeefster;

- de verdachte ook eenmaal in de winkel een hand naar aangeefster uitgestoken;

- de verdachte op dagen dat aangeefster niet aan het werk was geen interesse toonde in de [A] .

Voorts blijkt uit het dossier dat de verdachte voorafgaand aan deze periode eenmaal aan aangeefster een bos bloemen en een fles wijn heeft aangeboden en haar hierbij drie zoenen heeft gegeven en dat de verdachte ook telefonisch contact had gezocht met aangeefster door naar [A] te bellen.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de gedragingen van verdachte waren ingegeven door een kennelijke behoefte van de zijde van verdachte om contact te blijven houden met aangeefster en ook specifiek op haar waren gericht. Het hof kent in dit verband ook belangrijke betekenis toe aan het gegeven dat aangeefster werkzaam was in de winkel en zich daardoor redelijkerwijs niet of nauwelijks kon onttrekken aan de op haar gerichte aandacht van de verdachte. Uit haar verklaring blijkt ook dat zij een dermate angst voor verdachte had ontwikkeld dat zij na enige tijd na afloop van haar werktijd de winkel alleen nog met assistentie van de beveiliging of haar vader durfde te verlaten. Ook uit de verklaring van haar werkgever blijkt dat aangeefsters gedrag door de gedragingen van verdachte is veranderd en zij daardoor slecht slaapt.

Deze omstandigheden maken naar het oordeel van het hof dat de invloed van verdachtes gedragingen op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (waaronder het hof ook het zich vrijelijk en onbespied kunnen bewegen op en van en naar de werkplek aanmerkt) - ook naar objectieve maatstaven - als aanmerkelijk moet worden beschouwd.

Het hof constateert voorts dat de gedragingen van verdachte met zich brachten dat hij zich gedurende meerdere weken vrijwel dagelijks op korte fysieke afstand van aangeefster bevond.

Tevens blijkt uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder ook uit de verklaring van aangeefsters werkgever, dat verdachte is meegedeeld, dat de mensen in de winkel zich onprettig voelen bij zijn gedraging, maar dat verdachte zich vervolgens intimiderender ging gedragen.

Voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, brengen het hof tot het oordeel dat de verdachte op stelselmatige wijze een inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster [betrokkene 1], als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Het tot een andere conclusie strekkende verweer wordt dan ook verworpen."

3.4. In bewijsmiddel 1 verklaart aangeefster eerst over de voorvallen op 16 en 18 augustus 2014. Op 9 september zag zij verdachte voor het raam van de winkel staan. Verdachte heeft wel een halfuur naar aangeefster zitten kijken. Daarna kwam het vrijwel dagelijks voor dat verdachte voor de winkel stond en naar binnen keek. De ene keer was het 10 minuten een andere keer 30 minuten. Ook kwam hij de winkel wel binnen of bleef in de deuropening staan. De werkgever van aangeefster heeft in bewijsmiddel 3 verklaard dat het heel vervelend was dat de verdachte steeds voor de deur stond. Toen de werkgever tegen verdachte er iets van zei werd zijn gedrag intimiderender. Het personeel voelde zich ook geïntimideerd. Hij kwam alleen als aangeefster werkte.

3.5. De strafbaarstelling van belaging vindt haar oorsprong in een initiatiefwetsvoorstel van leden van de Tweede Kamer. Belaging wordt daar omschreven als het herhaaldelijk lastigvallen. Dat kan geschieden door dezelfde activiteit maar ook door een variëteit aan gedragingen zoals het op straat achtervolgen, bedreigingen uiten, telefonisch of schriftelijk ongewenst benaderen, voor de woning of voor de werkplek posten. De gedragingen kunnen zich ook uitstrekken tot bijvoorbeeld de werkgever en collega's. Het slachtoffer kan zich genoodzaakt voelen op het werk voorzieningen te treffen, buren en anderen in te schakelen et cetera.2

De oorspronkelijke Memorie van toelichting bij dat voorstel is vrij kort over het bestanddeel 'stelselmatig':

“Hieronder wordt verstaan: volgens een voorbedacht plan, niet zo maar toevallig. Eén enkel nachtelijk telefoontje is geen belaging. Uiteraard kan de combinatie van gedragingen wel het stelselmatige karakter opleveren.

Zo zal het plaatsen van één overlijdensadvertentie, één vervelend telefoontje, en het bezorgen van een rouwkrans wel belaging kunnen opleveren.” 3

Nadien is de Memorie van toelichting nog gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Raad van State en is over het bestanddeel 'stelselmatig' het volgende opgenomen:

“Onder stelselmatig wordt hetzelfde verstaan als in het op 17 juni 1997 ingediende wetsvoorstel dat de bijzondere opsporingsbevoegdheden regelt (kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pag. 27). Stelselmatig betekent met een bepaalde intensiteit, duur en/of frequentie. Eén enkel nachtelijk telefoontje is geen belaging. Uiteraard kan de combinatie van gedragingen wel het stelselmatige karakter opleveren.” 4

Ook wordt wel gebruikgemaakt van aanduidingen als 'patroon'5 en gewezen op de kenmerkende herhaling van gedragingen.6 En er wordt gewezen op het permanent karakter van belaging.7

3.6. De rechtspraak heeft aansluiting gezocht bij de invulling die in de wetsgeschiedenis van het bestanddeel 'stelselmatig' is voorgesteld. Onder meer de aard, de duur en de frequentie van de gedragingen van verdachte zijn voor het oordeel of er 'stelselmatig' inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer relevant. In HR 29 juni 2004, NJ 2004/426 m.nt. de Jong was aan verdachte tenlastegelegd dat hij in een periode van vijf maanden aangeefster had belaagd door zich in die periode veelvuldig en geruime tijd (ook in de nachtelijke uren) in de (onmiddellijk) nabijheid van de woning en de werkplek van aangeefster op te houden en veelvuldig aangeefster te volgen en te observeren. De klachten in cassatie betwistten dat er sprake was van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer omdat de gedragingen van verdachte zich op de openbare weg afspeelden waar verdachte vrij is te gaan en te zitten op een voor het publiek bestemd bankje. Bovendien heeft binnen het tijdsbestek van vijf maanden slechts ongeveer zeven maal een ontmoeting of confrontatie met aangeefster plaatsgevonden. Het hof wees erop dat de persoonlijke levenssfeer niet ophoudt als men huis, tuin of erf verlaat. Ook iemand die buitenshuis aan het werk is kan daar worden belaagd. Het zich veelvuldig en geruime tijd, ook in de nachtelijke uren ophouden in de onmiddellijke nabijheid van de woning en de werkplek van aangeefster en het veelvuldig volgen en observeren van aangeefster kan volgens het hof worden gebracht onder het inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van een ander. De HR overwoog:

"3.6.2. In aanmerking genomen hetgeen de bewijsmiddelen inhouden omtrent de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van P.R. van H, getuigt - mede in het licht van de ontstaansgeschiedenis van art. 285b, eerste lid, Sr - het oordeel van het Hof dat de gedragingen van de verdachte, ook in de publieke ruimte, "inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer" van P.R. van H niet van een onjuiste uitleg van de genoemde bepaling. De bewezenverklaring is in zoverre ook toereikend gemotiveerd.

3.6.3. Het tweede middel faalt.

3.7. Mede gelet op de ontstaansgeschiedenis van genoemde bepaling en in aanmerking genomen hetgeen de bewijsmiddelen inhouden omtrent onder meer de aard, de duur en de frequentie van de gedragingen van de verdachte en zijn, mede uit die gedragingen af te leiden bedoeling, geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte "stelselmatig" inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van P.R. van H met het "oogmerk" haar te dwingen iets te doen of te dulden geen blijk van een onjuiste uitleg van art. 285b, eerste lid, Sr. De bewezenverklaring is ook in dit opzicht toereikend gemotiveerd. Het derde middel faalt."8

Het in een periode van twee maanden dagelijks opwachten op een invalidenparkeerplaats tot de buurman komt aanrijden en het betreden van het erf van die buurman tegen diens uitdrukkelijk verklaarde wil heeft het hof als belaging kunnen aanmerken gelet op de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangever.9

De omstandigheden van het individueel geval zijn daarbij belangrijk. Zo kunnen drie sms'jes die in een week aan een politiefunctionaris worden verstuurd, welke sms'jes gaandeweg specifieker en indringender werden en verband hielden met haar functionele betrokkenheid bij een grootschalig opsporingsonderzoek naar wapenhandel, gelet op de daardoor teweeggebrachte angst voor haar eigen veiligheid en die van haar kinderen en de ontwrichting van haar sociale en professionele leven, waardoor ze tijdelijk in het buitenland moest worden ondergebracht, gelet op de toetsingscriteria als stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer worden aangemerkt.10

Aldus kunnen de korte duur en een geringe frequentie van de gedragingen van verdachte worden gecompenseerd door de andere criteria, zoals de indringendheid en de aard van de gedragingen en de invloed van die gedragingen op het persoonlijke leven van getroffene.

Maar als verdachte in de periode van ongeveer twee maanden na het beëindigen van zijn relatie zijn ex-vriendin twee keer opbelt en zich vijf keer aan zijn ex vertoont in de straat waar zij woont kan niet gezegd worden dat sprake is van "stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer" gelet op wat de bewijsmiddelen inhouden over de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waarin deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster.11

Het in twee dagen drie keer langsgaan bij een ex die geen contact meer wil, het daarbij deponeren in de brievenbus van een enge foto met dwingende tekst en het drie keer opbellen naar aangeefster is gelet op de toetsingscriteria eveneens nog onvoldoende om van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer te kunnen spreken.12

3.7. In de onderhavige zaak heeft verdachte in de periode van 9 september 2014 tot en met 3 oktober 2014 op vrijwel iedere dag dat aangeefster aan het werk was, zich opgehouden voor of in de winkel en daarbij aangeefster telkens langdurig geobserveerd. Dit heeft zo'n impact gehad op haar welzijn dat zij de winkel enkel in het gezelschap van een beveiliger of haar vader durfde te verlaten. Al eerder had verdachte zich aan aangeefster opgedrongen. Dat verdachte zich voor de in de tenlastelegging genoemde periode heeft schuldig gemaakt aan zulke gedragingen kan worden betrokken bij de beoordeling van de gedragingen in de tenlastegelegde periode omdat die eerdere gedragingen kunnen worden aangemerkt als omstandigheden die van belang zijn voor de waardering van de gedragingen van verdachte.13

Het hof heeft geen blijk van gegeven van een onjuiste uitleg van artikel 285b Sr zijn oordeel dat er sprake is van belaging is gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld naar mijn mening niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt over de veroordeling voor feit 3. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de winkel [A] een besloten lokaal in de zin van artikel 138 Sr was. Het is een tabakswinkel die voor het publiek is opengesteld.

4.2. Als feit 3 is bewezenverklaard dat:

"hij, op 26 september 2014 te Rotterdam wederrechtelijk vertoeven de en is binnengedrongen in een besloten lokaal, gelegen aan de Middenbaan-Noord en in gebruik bij Primera, immers heeft hij, verdachte de in dat lokaal gevestigde [A] betreden, terwijl hem schriftelijke toegang tot dat lokaal (ingaande op 19 augustus 2000 0:46 uur periode van twee jaar) was ontzegd en waarvan hij kennis heeft gehad."

4.3. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de Minister van Justitie van oordeel was dat kerken en concertzalen onder "besloten lokaal" dienen te worden begrepen omdat deze ruimten niet voor de openbare dienst bestemd zijn.14 Dat de Minister deze gelegenheden als voorbeeld van een "besloten lokaal" noemde wijst niet in de richting van een uitleg als er zou een "besloten lokaal" een ruimte zijn die niet voor het publiek is opengesteld. Een erf is 'besloten' als dat erf kenbaar van de omgeving is afgescheiden.15 Het ligt niet in de rede aan te nemen dat dat niet geldt voor een lokaal. Dat leidt er weer toe dat het feit dat het lokaal voor een ieder is opengesteld de beslotenheid van dat lokaal niet aantast. De openstelling heeft slechts tot gevolg dat degene die het lokaal betreedt daar niet wederrechtelijk binnendringt, tenzij hem de toegang is ontzegd.16

Dat lijkt ook de uitleg te zijn die de Hoge Raad hanteert. Ingevolge HR 20 december 1994, DD 95.157 moet onder ‘besloten lokaal’ in de zin van art. 138 Sr worden verstaan een niet voor de openbare dienst bestemd lokaal, waar het publiek met, al dan niet stilzwijgend gegeven, toestemming van de rechthebbende, toegang heeft. Daaronder valt ook een winkel.17

Het middel faalt.

5. Beide middelen falen. Het tweede middel kan naar mijn mening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De zaken 17/01837 en 17/02924 betreffen dezelfde persoon. In beide zaken wordt vandaag conclusie genomen.

2 Kamerstukken II 1997/98, 25768, 3, p. 2.

3 Kamerstukken II 1997/98, 25768, 3, p. 15.

4 Kamerstukken II 1997/98, 25768, 5, p. 17 (herdruk).

5 Handelingen II 98-5694, Handelingen I 28-1357.

6 Kamerstukken II 1997/98, 25768, 3, p. 2.

7 Handelingen I 28-1360.

8 HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710, NJ 2004/426 m.nt. de Jong.

9 HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3625, NJ 2013/395 m.nt. Reijntjes.

10 HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3625, NJ 2013/393 m.nt. Reijntjes.

11 HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096.

12 HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:533. Zie ook HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2577 waarin de HR de pogingen van verdachte om de zoon van aangever zwart te maken en ook aangever in diskrediet te brengen, getoetst aan de daarvoor geldende criteria, klaarblijkelijk onvoldoende vond om het oordeel van het hof dat het ging om belaging te kunnen dragen.

13 HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095, NJ 2015/48 m.nt. Reijntjes. Ten onrechte situeert de bewezenverklaring het geven van een fles wijn, een bos bloemen en drie zoenen in de periode van 9 september 2014 tot en met 3 oktober 2014. Deze gebeurtenissen hebben blijkens bewijsmiddel 1 plaatsgevonden op 16 augustus 2014. Wat achter het laatste gedachtenstreepje in de bewezenverklaring is vermeld is eveneens twijfelachtig gelet op de inhoud van bewijsmiddel 1. Maar over deze onvolkomenheden wordt in cassatie niet geklaagd.

14 Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van strafrecht, 1881, Tweede Deel, p. 86.

15 HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7104.

16 NLR 7/138.

17 HR 17 mei 1994, DD 94.363.