Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1224

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-11-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
17/03013
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2433
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Zaak Buidelwolf (mensenhandel). Twee middelen. Falende kwalificatieklacht inzake witwassen i.h.l.v. bewezenverklaarde deelname aan een criminele organisatie. Slagende klacht over (begrijpelijkheid) oordeel hof inzake strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn. Voorgesteld wordt dat HR om redenen van doelmatigheid de zaak zelf afdoet. Strekt tot vernietiging maar uitsluitend m.b.t. beslissing ter zake van de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Samenhang met 17/03187, 17/03087 en 17/03387.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03013

Zitting: 6 november 2018 (bij vervroeging)

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 14 juni 2017 het vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 december 2013 gedeeltelijk bevestigd en de verdachte ter zake van ‘mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd’ en ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof is met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen tot nieuwe beslissingen gekomen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/03087, 17/03187 en 17/03387. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Gelet op de inhoud van de het eerste middel bespreek ik dit als laatste.

  5. Het tweede middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te motiveren dat het in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen ‘witwassen als bedoeld in art. 420bis Wetboek van Strafrecht’, gelet op de bewezenverklaring en de strafmotivering, verstaan moet worden als ‘eenvoudig witwassen’ als bedoeld in art. 420bis.1 Sr1.

6. Ten laste van de verdachte is onder 10, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, bewezenverklaard dat:

hij in de periode van januari 2011 tot en met 12 april 2012 te Den Haag en elders in Nederland en Duitsland en België en Hongarije heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, onder meer bestaande uit verdachte en [medeverdachte] en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van

- (…) en

- witwassen, als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht.”

7. Het hof heeft zijn overtuiging dat de verdachte het onder 10 bewezen verklaarde heeft begaan, gegrond op de feiten en omstandigheden die op de bladzijden 41 tot en met 56 van het door de rechtbank gewezen vonnis waarvan beroep zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.2 De rechtbank concludeert op pagina 54 tot en met 56 van haar vonnis met betrekking tot het bestaan van een criminele organisatie het volgende (onderstreept in het origineel):

“(…)

Conclusie met betrekking tot het bestaan van een criminele organisatie

Op grond van al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen het bestaan van een criminele organisatie, waarvan het oogmerk was het plegen van mensenhandel, mishandeling, bedreiging en witwassen. Deze organisatie kenmerkt zich door een duidelijke structuur en rolverdeling. Zo heeft de organisatie haar oorsprong en basis in Hongarije, waar jonge vrouwen werden aangeworven om in het buitenland in de prostitutie te werk gesteld te worden, maar waar ook overige taken werden uitgevoerd door in Hongarije (al dan niet permanent) verblijvende personen. Die taken bestonden onder meer uit het in ontvangst nemen van geld dat van misdrijf afkomstig was, het geven van instructies aan de leden van de organisatie die belast waren met het controleren van de vrouwen en het onderhouden van contacten met, en zo nodig controleren en intimideren van, in Hongarije achtergebleven familieleden van de vrouwen.

Een structuur van de activiteiten van de organisatie in de landen waar de prostitutie plaatsvond (met name Nederland) is eveneens duidelijk waarneembaar. Een groep mannen hield zich bezig met het huisvesten en tewerkstellen van de vrouwen, het controleren van hen en het incasseren van (zo goed als al) hun inkomsten. Verschillende vrouwen waren aan verschillende mannen gekoppeld, maar er was onderlinge uitwisseling en behulpzaamheid bij het controleren. Door de rechtbank is bewezenverklaard dat ook feitelijk binnen de organisatie misdrijven op het gebied van mensenhandel zijn gepleegd. De in het kader daarvan verrichte wervings-, intimidatie- en controlewerkzaamheden kenden ook een mate van verdeling tussen de deelnemers. Zo lag de nadruk bij sommigen op het met gebruik van verleidingskunst inpalmen van vrouwen, en bij anderen meer op het uitoefenen van bedreigingen en geweld, ook al is de combinatie daarvan regelmatig waargenomen. Verder werd er op structurele wijze zorggedragen voor vervoer, huisvesting en verder vervoer (bijvoorbeeld naar een ander land) indien de omstandigheden dat naar het oordeel van de organisatie noodzakelijk maakten.

De organisatie legde tenslotte een duidelijke stelselmatigheid aan de dag, mede gelet op het grote aantal zaaksdossiers waartoe het onderzoek heeft geleid en waarin één of meer feiten ter zake van mensenhandel bewezen zijn geacht. Daarbij is gebleken dat de organisatie zo nodig voor haar belangen op gewelddadige wijze opkwam, wat heeft geleid tot een aantal geweldmisdrijven van ernstige aard.

Deelnemers aan de organisatie en hun rol daarin

De rechtbank acht bewezen dat van de criminele organisatie – naast mogelijk anderen die (nog) niet als verdachten hebben terechtgestaan – in elk geval deel hebben uitgemaakt verdachte alsmede [betrokkene 3] , [medeverdachte] , [betrokkene 4] , [betrokkene 2] , en [betrokkene 1] . Zij hebben -behalve wat reeds volgt uit hetgeen ten laste van ieder van hen afzonderlijk is bewezenverklaard- op hoofdlijnen de volgende deelname aan de organisatie geleverd:

[betrokkene 3]

Werven van vrouwen

Organiseren van reizen

Bedreigen van vrouwen en hun familie

Organiseren van huisvesting en tewerkstelling

Geweldpleging jegens vrouwen

Organiseren van geldstromen

Sturen vanuit het buitenland

Organiseren in geval van problemen

[medeverdachte]

Werven van vrouwen door inpalmen

Vervoeren van vrouwen van land tot land en het afhalen

Organiseren van huisvesting en tewerkstelling

Bedreigen van vrouwen

Organiseren van geldstromen

Geweldplegingen jegens vrouwen

Gewelddadig optreden tegen derden in geval van vermeende inbreuk op belangen van de organisatie

[verdachte]

Kontakten met veel vrouwen Inpalmen, controleren, zo nodig bedreigen

Vervoeren van vrouwen van land tot land en het afhalen van vrouwen Organiseren van huisvesting en tewerkstelling

Organiseren van geldstromen

[betrokkene 4]

Inpalmen van vrouwen

Bedreigen van vrouwen

Geweldpleging jegens vrouwen

Vervoer en organisatie vanuit het buitenland

[betrokkene 2]

Geweld jegens vrouwen

Gewelddadig optreden tegen derden in geval van vermeende inbreuk op de belangen van de organisatie

[betrokkene 1]

Controleren van vrouwen Verlenen van facilitaire diensten

(…)” 3

8. Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”.4

9. De steller van het middel klaagt dat het hof ondanks een verandering in de wetgeving ná het tijdstip waarop het feit is begaan, heeft nagelaten de voor de verdachte gunstigere (nieuwe) strafbepaling van art. 420bis.1 Sr (eenvoudig witwassen) toe te passen, terwijl de bewezenverklaring en strafmotivering impliceren dat het witwassen van de verdachte en van de betrokken organisatie bestond uit het verwerven of voorhanden hebben van door prostituees verdiende geldenbedragen en aldus betrekking had op geldbedragen die onmiddellijk afkomstig zijn uit enig eigen misdrijf. Dit handelen is sinds 1 januari 2017 in art. 420 bis.1 Sr strafbaar gesteld als eenvoudig witwassen en bedreigd met een maximum gevangenisstraf van zes maanden, terwijl witwassen in art. 420bis Sr wordt bedreigd met een maximum gevangenisstraf van zes jaren.

10. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Het hof heeft onder 10 bewezenverklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie het oogmerk had op het plegen van misdrijven, waaronder witwassen als bedoeld in art. 420bis Sr. Als ik het goed begrijp, wordt door de steller van het middel betoogd dat het hof bij de bepaling van de straf wegens overtreding van artikel 140 Sr (deelneming aan een criminele organisatie) rekening had moeten houden met de strafmaat voor een misdrijf waarop het oogmerk van de organisatie volgens de bewezenverklaring niet was gericht en welk misdrijf ten tijde van de bewezenverklaarde feiten nog niet bestond, maar later is gecreëerd om bepaald handelen dat niet kan worden gekwalificeerd als witwassen in de zin van art. 420bis Sr, toch strafbaar te stellen. Deze opvatting vindt geen steun in het recht. Voorts merk ik op dat het hof er zowel in zijn bewezenverklaring als in zijn strafmotivering van heeft kunnen uitgaan dat het oogmerk van de organisatie onder meer was gericht op het misdrijf witwassen als bedoeld in art. 420bis Sr. Daarvoor is immers niet vereist dat de uit eigen misdrijf verkregen gelden reeds waren overgedragen, omgezet of gebruikt.

11. Het tweede middel faalt.

12. Het eerste middel komt op tegen ’s hofs verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer ten aanzien van de strafvermindering vanwege een overschrijding van de redelijke termijn.

13. Het in het middel bedoelde verweer luidt (met weglating van een voetnoot) als volgt (onderstreept en dikgedrukt in het origineel):

“Dubbele overschrijding redelijke termijn

159. De advocaat-generaal begon het onderdeel 11.2 met de opmerking: “Dan nog iets over de redelijke termijn. Tuurlijk we zijn een tijdje verder.” Die vooropmerking doet volstrekt geen recht aan de positie van een ontkennende verdachte die jarenlang in voorlopige hechtenis in onzekerheid verkeert over de afdoening van zijn strafzaak.

160. Volgens vaste rechtspraak heeft als hoofdregels te gelden dat een zaak waarin een verdachte in voorlopige hechtenis verkeert binnen 16 maanden wordt afgedaan. Cliënt op 12 april 2012 is aangehouden. De op redelijkheid te beoordelen termijn in eerste aanleg is gelet op de vonnisdatum van 6 december 2013: 20 maanden . In hoger beroep wordt op z’n vroegst een einduitspraak op 31 mei 2017 (de datum is met pen verbeterd in 14 juni 2017, D.P.) — ruim 42 maanden na vonnisdatum — verwacht. Aldus heeft een dubbele en zeer forse overschrijding van de op redelijkheid te beoordelen termijn plaatsgevonden van in eerste aanleg 4 maanden en in hoger beroep 26 maanden ( totaal: 30 maanden overschrijding).

161. De afdoening van de zaak in eerste aanleg heeft veel vertraging opgelopen doordat de rechter-commissaris eerst vanaf januari 2013 getuigenverzoeken in behandeling heeft genomen, terwijl daar door de verdediging reeds bij de eerste pro forma zitting van 12 juli 2012 (met een beroep op de maatstaf van het verdedigingsbelang) om was verzocht. Uit oogpunt van proces-efficiency heeft de rechtbank de getuigenverzoeken herhaaldelijk afgewezen, maar feit blijft dat cliënt de dupe is geworden van deze vertraging waar hij zelf part noch deel aan heeft gehad. Dat steeds maar uitstellen van getuigenverzoeken is simpelweg niet wat de wetgever voor ogen heeft gestaan. Met andere woorden: in de eerste 8 maanden is sprake geweest van inactiviteit en heeft vanuit verdedigingsoogpunt bekeken de zaak min of meer stilgelegen.

162. In hoger beroep is eerst ter uitvoering van de regiebeslissingen van 17 juni 2014 op 19 augustus 2015 een RHV aan de Hongaarse autoriteiten uitgegaan. Het is de verdediging een volstrekt raadsel waarom dat zo lang heeft geduurd. Dat het opsporen van een aantal getuigen een lastige en tijdrovende klus bleek, zoals de advocaat-generaal heeft aangevoerd, is niet aan de orde in de zaak van [verdachte] . Het RHV is simpelweg eerst na 14 maanden na toewijzing uitgegaan en de verzoeken zijn onvoldoende voortvarend ter hand genomen. Na het RHV van 19 augustus 2015 volgde tot aan november 2017 (het jaartal is met pen verbeterd in 2016, D.P.) opnieuw een lange periode van inactiviteit.

163. [verdachte] is eerst op 11 april 2016 door Uw hof in vrijheid gesteld (VI-datum). Hij verkeerde dus het grootste gedeelte van de op redelijkheid te beoordelen termijn in voorlopige hechtenis. Anders gezegd: de termijnoverschrijding in de appelfase vond plaats toen hij nog in VH zat, zodat ten aanzien van hem (ook in hoger beroep) uitgegaan moet worden van de hoofdregel van afdoening binnen 16 maanden.

164. Conclusie: een termijnoverschrijding met 4 maanden (bij rechtbank) en een termijnoverschrijding met 26 maanden (bij het hof): totaal 30 maanden . De wijze waarop de zaak door de bevoegde justitiële autoriteiten wordt behandeld heeft in de rechtspraak als argument te gelden voor een onredelijke termijn. Die wijze was in de voorliggende zaak onnodig traag en niet voortvarend.

165. Kortom, aan het in art. 6, lid 1 EVRM gewaarborgde recht van cliënt op behandeling van zijn strafzaken binnen een redelijke termijn is tekortgedaan. Gelet op het arrest van HR 17 juni 2008, BD2578, zeer nog eens herhaald in HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3092, is een aanzienlijke strafkorting op z’n plaats. ECLI:NL:HR:2008:BD2578: “In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden handelt de Hoge Raad naar bevind van zaken.” Gelet op deze overweging is een strafkorting van tenminste 25% op z’n plaats (5 % bij niet meer dan 6 maanden, 10% bij 6 tot 12 maanden (...) 25 % bij 24 tot 30 maanden).” 5

14. Het hof heeft, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen (onderstreping in het origineel)6:

“Redelijke termijn

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:

1. De verdachte is aangehouden op 12 april 2012 en heeft in voorlopige hechtenis verbleven tot II april 2016. Hij wordt verdacht van mensenhandel ten aanzien van een flink aantal vrouwen, afkomstig uit Hongarije. Ook wordt hij verdacht van lidmaatschap van een criminele organisatie. Het onderzoek naar deze feiten is langdurig, omvangrijk en gecompliceerd geweest.

Op 6 december 2013 heeft de rechtbank vonnis, gewezen. Op 16 juni 2014 heeft het hof - voor zover van belang - beslist dat de zaak naar de raadsheer-commissaris wordt verwezen teneinde:

a. te beoordelen of de getuige [betrokkene 5] medisch en psychisch in staat is als getuige te worden gehoord en haar te horen indien uit dit onderzoek blijkt dat een verhoor medisch en anderszins verantwoord is,

b. [betrokkene 1] , [betrokkene 4] en [betrokkene 6] als getuigen te horen.

2. Op 10 maart 2015 heeft een nadere regiezitting bij het hof plaatsgevonden, waar onder meer het gebrek aan voortgang in het onderzoek besproken is.

3. Uit het dossier blijkt dat op 19 augustus 2015 een rechtshulpverzoek is uitgegaan naar de Hongaarse autoriteiten. Voorts blijkt het navolgende.

a. Voor wat betreft de voortgang ten aanzien van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] verwijst het hof naar hetgeen ter zake in de bewijsoverwegingen is vastgesteld.

b. [betrokkene 4] is op 2 juni 2015 gehoord als getuige.

c. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 maart 2017 van de raadsheer-commissaris is [betrokkene 1] onvindbaar.

Ook wanneer gelet wordt op de ingewikkeldheid van het onderzoek en de vertraging die kan ontstaan als gevolg van internationale hulp in strafzaken behoeft het bij de hiervoor beschreven gang van zaken geen betoog dat sprake is van onverklaarbare periodes van inactiviteit, de redelijke termijn voor berechting van de zaak overschreden is en dat de op te leggen straf verminderd dient te worden met.de maximaal toe te passen vermindering, te weten zes maanden (HR 17 juni 2008, ECLI: NL : HR:2008 :BP5361) . De stelling van de verdediging dat een strafkorting van tenminste 25% op zijn plaats is, vindt geen steun in het recht.

Het hof zal voormelde overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmaat en de beoogde op te leggen gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, bekorten tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.” 7

15. Het middel klaagt dat ’s hofs oordeel dat de maximaal toe te passen vermindering van een gevangenisstraf bij overschrijding van de redelijke termijn zes maanden bedraagt, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd. Immers, uit het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BP5361, waar het hof in dit kader naar verwijst, kan deze maximaal toe te passen vermindering niet volgen nu de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden en de Hoge Raad in dat geval naar bevind van zaken handelt. De steller van het middel betoogt dat die straftoemetingsvrijheid bij een extreme termijnoverschrijding, zoals in onderhavig geval, gelet op de Wet RO en art. 350 Sv ook de lagere rechter toekomt. Gelet op de onderhavige overschrijding had die strafkorting tenminste 25% moeten bedragen, aldus het middel.

16. De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest van 17 juni 2008,8 de regels inzake de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM herijkt.

17. Over de toetsing door de Hoge Raad als cassatierechter heeft de Hoge Raad in dit overzichtsarrest het volgende overwogen:

“3.7. Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vóór de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd:

a. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter.

b. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

3.8.

Bij deze toetsing geldt als uitgangspunt dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op de onderhavige garantie van art. 6, eerste lid, EVRM. Hij behoeft in zijn uitspraak echter alleen in de volgende gevallen te doen blijken van dat onderzoek:

a. Als ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, aangezien op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven.

b. (…)

Duur van de redelijke termijn

De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. De ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.

b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.

c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.

(…)

3.14.

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.13.1 vermeld.

(…)

3.16.

Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt het onder 3.12-3.15 gestelde eveneens. Behoudens de onder 3.13 vermelde bijzondere omstandigheden behoort in die procesfase het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, en binnen 16 maanden indien de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast.

(…)

Rechtsgevolgen van overschrijding van de redelijke termijn

(…)

3.22.

De vermindering van de straf (….) is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Algemene regels omtrent de wijze waarop de straf (….) dient te worden verminderd, zijn niet te geven. (…). “

18. Ten aanzien van de vertraging die zich pas in de cassatiefase heeft voorgedaan, derhalve na de beslissing van de laatste feitenrechter, treedt de Hoge Raad zelf op als feitenrechter.9 Uit de overwegingen in het overzichtsarrest van 17 juni 2008 over de toetsing van de Hoge Raad als feitenrechter blijkt dat de Hoge Raad in volle omvang oordeelt over de eventuele overschrijding (mede) als gevolg van het tijdsverloop ná de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Daarbij hanteert de Hoge Raad in strafzaken, voor zover hier van belang, de volgende uitgangspunten voor de vermindering van de straf:

“3.6.2. (….)

A. Indien in de laatste feitelijke instantie een gevangenisstraf, hechtenis, een taakstraf en/of een geldboete is opgelegd, wordt – met inachtneming van de volgorde van art. 9 Sr – (het onvoorwaardelijk gedeelte van) die straf verminderd:

met 5% bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder;

met 10% bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden.

B. De omvang van de vermindering bedraagt in deze gevallen:

- bij een gevangenisstraf of hechtenis niet méér dan de duur van de overschrijding van de redelijke termijn en in elk geval nooit meer dan zes maanden;

(…).”

3.6.4.

In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden handelt de Hoge Raad naar bevind van zaken.”

19. Terug naar het onderhavige geval. Het hof heeft in deze zaak overwogen dat de redelijke termijn voor berechting van de zaak is overschreden “en dat de op te leggen straf verminderd dient te worden met de maximaal toe te passen vermindering, te weten zes maanden (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BP5361).” Het hof baseert zich hierbij kennelijk op rechtsoverweging 3.6.2 onder B van het overzichtsarrest. Die overweging betreft echter geen voorschrift waaraan het hof zich moet houden, maar een door de Hoge Raad geformuleerd uitgangspunt indien hij zelf als feitenrechter oordeelt over een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Dat uitgangspunt kan een rol kan spelen bij de beoordeling in hoger beroep, maar vormt geen dwingend voorschrift voor de feitenrechter.10 ’s Hofs oordeel hieromtrent is dan ook niet begrijpelijk, hoewel op andere gronden dan door de steller van het middel aangedragen.11

20. Het middel is terecht voorgesteld.

21. Om redenen van doelmatigheid12 geef ik de Hoge Raad in overweging de zaak zelf af te doen en de hoogte van de door het hof vóór aftrek wegens de overschrijding van de redelijke termijn beoogde gevangenisstraf van zes jaren, te verminderen voor zover dit de Hoge Raad gepast zal voorkomen. Hierbij merk ik op dat het hof de duur van de overschrijding van de redelijke termijn niet heeft vastgesteld, maar spreekt van onverklaarbare periodes van inactiviteit. Gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden gaat het daarbij kennelijk onder meer om de periode gelegen tussen de beslissing van het hof op 16 juni 2014 dat de zaak voor onderzoekshandelingen naar de raadsheer-commissaris is verwezen en het horen van een getuige op 2 juni 2015. Voorts blijkt pas op 19 augustus 2015 een rechtshulpverzoek te zijn uitgegaan naar de Hongaarse autoriteiten. De verdachte was tot 11 april 2016 gedetineerd. Gelet op het voorgaande dient te worden uitgegaan van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van méér dan 12 maanden.

22. Het eerste middel slaagt en het tweede middel kan worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering.

23. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing ter zake van de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Het middel vermeldt art. 420bis Sr, maar gezien de toelichting op dit middel ga ik er van uit dat dit een verschrijving betreft.

2 Zie het arrest van het hof Den Haag d.d. 14 juni 2017, p. 22.

3 Zie het vonnis van de rechtbank Den Haag d.d. 6 december 2013, p. 54 – 56.

4 Zie het arrest van het hof Den Haag d.d. 14 juni 2017, p. 22.

5 Zie: pleitnotities d.d. 9, 10, 17 en 31 mei 2017 van mr. J.H. van Dijk, p. 72 - 74

6 In de toelichting op het middel worden de overwegingen van het hof niet geheel juist weergegeven.

7 Zie arrest hof Den Haag d.d. 14 juni 2017, p. 37 - 38.

8 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis.

9 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 214.

10 Zie de aan HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3166, voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Spronken onder 11. Zie ook J.P. Balkema in Handboek strafzaken, 44.9 Hoger beroep en de redelijke termijn (online bijgewerkt tot 20 oktober 2016).

11 Sterker nog: over het feit dat het hof zich ten onrechte gebonden heeft geacht aan de vuistregels voor de Hoge Raad, wordt uitdrukkelijk niet geklaagd. De toelichting op het middel gaat er immers vanuit dat de analyse dat het tariefstelsel voor de berekening van de vermindering dat de Hoge Raad zichzelf oplegt niet voor de lagere gerechten geldt, aanvechtbaar is. Zie p. 4 van de schriftuur.

12 Vgl.: HR 16 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0055.