Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1210

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-08-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
17/00644
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen witwassen, meermalen gepleegd (art. 420bis.1.b Sr), medeplegen diefstal d.m.v. valse sleutels (art. 311.1 Sr) en medeplegen oplichting (art. 326 Sr). 1. Ontvankelijkheid vordering b.p. van N.V., nu niet blijkt dat gemachtigde van vennootschap door b.p. is gemachtigd. Art. 51c.2 (oud), 51f.1 en 51g.1 (oud) Sv. 2. HR ambtshalve: Opgelegde gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, in combinatie met taakstraf van 240 uren in strijd met art. 9.4 Sr. Ambtshalve vernietiging door HR?

Ad 1. Ex art. 51c.2 (oud) Sv kan b.p. zich doen vertegenwoordigen, o.m. door daartoe bij bijzondere volmacht door haar schriftelijk gemachtigde. Die bepaling strekt zich ook uit tot voeging d.m.v. opgave a.b.i. art. 51g.1 (oud) Sv (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AD5371). Een dergelijke volmacht is echter niet vereist indien b.p. rechtspersoon is en voegingsformulier is ondertekend door persoon die optreedt namens rechtspersoon (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AR3043). Hof heeft kennelijk geoordeeld dat N.V. zich in e.a. op de in art. 51g.1 (oud) Sv voorziene wijze heeft gevoegd als b.p., waarbij gemachtigde optrad namens rechtspersoon. Gelet op p-v tz. in h.b., arrest Hof en voegingsformulier b.p., is dat oordeel niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de niet nader onderbouwde stelling van verdediging dat uit het dossier niet volgt dat gemachtigde door b.p. gemachtigd is.

Ad 2. Combinatie van taakstraf met onvoorwaardelijke gevangenisstraf is gelet op art. 9.4 Sr slechts mogelijk indien onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel van gevangenisstraf ten hoogste zes maanden bedraagt. Door Hof opgelegde sanctie (onvoorwaardelijk deel gevangenisstraf van elf maanden) heeft in zoverre geen wettelijke grondslag. In aanmerking genomen dat in cassatie niet namens verdachte is geklaagd over opgelegde sanctie en belang dat verdachte heeft bij vernietiging van bestreden uitspraak wat betreft strafoplegging en terugwijzing naar Hof voor het opleggen van andere straf niet z.m. is gegeven, ziet HR geen aanleiding voor ambtshalve vernietiging van bestreden uitspraak wat betreft strafoplegging.

Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00644

Zitting: 28 augustus 2018

Mr. A.J. Machielse

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Op 24 januari 2017 heeft het gerechtshof Amsterdam verdachte voor 1, 2 en 3: telkens medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, 4: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, en 5: medeplegen van oplichting, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk en tot een taakstraf van 240 uur. Ook heeft het hof inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaard, de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven.

2. Mr. P.A.J. van Putten, advocaat te Alkmaar, heeft cassatie ingesteld. Mrs. D.N. de Jonge en mr. C. Grijsen, advocaten te Rotterdam respectievelijk Almere, hebben een schriftuur ingezonden houdende vijf middelen van cassatie.

3. Bewezenverklaard is dat:

“1. hij in de periode van 23 december 2011 tot en met 8 februari 2012, te Heerhugowaard, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, heeft witgewassen, immers heeft hij voorwerpen, te weten geldbedragen omgezet, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat voornoemde voorwerpen – onmiddellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

2. hij in de periode van 25 januari 2013 tot en met 30 januari 2013, te Rotterdam en Luchthaven Schiphol, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen heeft witgewassen immers heeft hij voorwerpen te weten geldbedragen, in totaal 209.647 euro, omgezet, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat voornoemde voorwerpen – onmiddellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

3. Hij op 30 januari 2013, in Nederland en Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft witgewassen, immers heeft hij voorwerpen, te weten

- drie goudbaren (100 gram) en

- vier goudbaren(500 gram) en

- vijf American Eagle munten ( 1 troy ounce) en

- vijftien Krugerrand munten (1 troy ounce) en

- tien, Maple Leaf munten (1 troy ounce)

voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader(s), wisten, dat voornoemde voorwerpen - middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

4. hij in of omstreeks de periode van 18 januari 2013 tot en met 29 januari 2013 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen, totaal 329.218 euro, toebehorende aan [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , waarbij verdachte en zijn mededader(s) de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door middel van een door oplichting verkregen betaalpas en pincode;

5. hij op 18 januari 2013 te Uithoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam een medewerker van de ABN Amro Bank heeft bewogen tot de afgifte van een betaalpas op naam van [betrokkene 3] en die medewerker van de ABN Amro Bank heeft bewogen tot de afgifte van een pincode, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk zich voorgedaan als [betrokkene 3] en die medewerker van de ABN AMRO Bank heeft bewogen tot afgifte van een pincode, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk zich voorgedaan als [betrokkene 3] en vervolgens een betaalpas en pincode aangevraagd op naam van die [betrokkene 3] , waardoor bovengenoemde medewerker van de ABN Amro Bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.”

Het hof heeft de bewijsmiddelen 1 tot en met 19 en 21 tot en met 22 uit het vonnis van de rechtbank overgenomen en bewijsmiddel 20 vervangen.

4.1. Het eerste middel klaagt, als ik het goed begrijp, over het bewijs van het medeplegen van het onder 2, 4 en 5 bewezenverklaarde.

4.2. Over het medeplegen heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen:

“De raadsman heeft – op gronden als nader weergegeven in zijn ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota – zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, nu medeplegen niet kan worden bewezen. De rol van de verdachte bij voornoemde feiten is veel meer ondersteunend en faciliterend geweest en sluit derhalve meer aan bij medeplichtigheid, hetgeen niet is ten laste gelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte degene is die [betrokkene 4] benadert en hem om een pasfoto vraagt waarmee een rijbewijs op naam van [betrokkene 3] wordt vervalst. Dit rijbewijs wordt door de verdachte aan [betrokkene 4] beschikbaar gesteld. Vervolgens vraagt [betrokkene 4] in opdracht van de verdachte hiermee een bankpas en pincode aan, die door [betrokkene 4] wordt opgehaald, terwijl de verdachte in de auto wacht. [betrokkene 4] ontvangt hiervoor 500 euro van de verdachte. De verdachte stelt [betrokkene 4] vervolgens 10.000 euro in het vooruitzicht voor het verrichten van onderhandelingen en het afhalen van het goud. In opdracht van de verdachte haalt [betrokkene 4] het goud, ter waarde van in totaal 209.647 euro, dat met de bankpas op naam van [betrokkene 3] is aangeschaft, op. Hij wordt naar de adressen gebracht door het neefje van de verdachte. Bij het afhalen van de bestellingen maakt hij gebruik van het eerder genoemde vervalste rijbewijs. [betrokkene 4] geeft het goud aan het neefje van de verdachte, die het goud op zijn beurt aan de verdachte zal afgeven.

[betrokkene 4] ontvangt voor bewezen diensten 1.000 euro van de verdachte.

Uit deze gedragingen leidt het hof af dat de verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de onder 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten en daarbij bewust en nauw heeft samengewerkt met de medeverdachte(n). De verdachte heeft daarbij niet een ondersteunende en/of faciliterende rol gehad, zoals de verdediging stelt, maar een coördinerende rol, waarbij de verdachte [betrokkene 4] aanstuurde en [betrokkene 4] – als katvanger – de meeste feitelijke handelingen moest verrichten."

4.3. Ik stel voorop dat nog steeds te vaak over het hoofd wordt gezien dat de Hoge Raad de bewijsvoering slechts marginaal controleert in die zin dat de Hoge Raad nagaat of het bewijs uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Voorts kan niet genoeg kan worden benadrukt dat de cassatierechter niet beoordeelt of de feitenrechter de feiten juist heeft vastgesteld, maar enkel of de feitenrechter bij zijn onderzoek en beslissing de daarvoor geldende regels in acht heeft genomen. Tevens breng ik nogmaals onder de aandacht dat de feitenrechter binnen de door de wet en rechtspraak getrokken grenzen vrij is om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De uitleg van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Enkel wanneer die uitleg onbegrijpelijk is zal de Hoge Raad ingrijpen.1 De motiveringsplicht bij weerlegging van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, bijvoorbeeld die betrekking hebben op het bewijs, gaat niet zover dat op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. En een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat zijn weerlegging vindt in de bewijsvoering behoeft ingevolge het tweede lid van artikel 359 Sv geen nadere motivering meer.2

4.4. Het verwijt bij medeplegen concentreert zich op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage door verdachte aan het delict. Als de bijdrage in de kern genomen niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en de rechter toch tot een veroordeling voor medeplegen komt zal de rechter dat medeplegen nauwkeurig moeten motiveren. Daarbij zal hij rekening kunnen houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten.3

4.5. Het hof heeft in dit geval naar mijn oordeel het medeplegen van verdachte toereikend gemotiveerd. Op het verblijfadres van verdachte is bij doorzoeking op 28 januari 2013 een interne bankmemo van de ABN AMRO Bank inbeslaggenomen waarop de interne cliëntgegevens van de gedupeerden [betrokkene 3] en [betrokkene 2] zijn vermeld (bewijsmiddel 15). Van de bankrekeningen van deze aangevers zijn grote bedragen overgeschreven naar rekeningen van derden zonder dat de rechthebbenden daartoe opdracht hebben gegeven. Er moet gebruik zijn gemaakt van een pas en pincode voor deze rekeningen die zijn uitgegeven aan een ander dan de rechthebbenden (bewijsmiddel 16). Van de rekeningen van de gedupeerden zijn grote geldbedragen overgemaakt voor goudaankopen (bewijsmiddel 17). De aanvraag van een nieuwe bankpas en pincode is via de ABN AMRO te Uithoorn gedaan (bewijsmiddel 17). Bij dat bankfiliaal is een nieuwe bankpas aangevraagd (bewijsmiddel 18) door [betrokkene 4] (bewijsmiddel 22). Uit bewijsmiddel 19 is af te leiden dat door iemand die zich [betrokkene 3] noemde bij een van de goudhandelaren voor € 177.540 aan goud is besteld en betaald. Het goud is op 28 januari 2013 geleverd in bepaalde specificaties en op 30 januari 2013 onder verdachte, als passagier zich bevindend in een personenauto in Duitsland, aangetroffen (bewijsmiddel 21). [betrokkene 4] heeft verklaard (bewijsmiddel 22) dat hij volledig in opdracht van verdachte heeft gehandeld.

4.6. De stellers van het middel herhalen nogmaals wat in feitelijke aanleg is aangevoerd en miskennen daarmee de specifieke aard van de cassatieprocedure. Daarom kan ik over deze klachten kort zijn. Dat verdachte enkel als een ronselaar zou zijn opgetreden neemt niet weg dat zijn bijdrage aan de delicten van wezenlijk belang is geweest en dat hij bij alle fasen waarin het criminele gebeuren zich afspeelde betrokken is geweest. Verdachte heeft niet willen zeggen wie zijn opdrachtgever is geweest en is pas op een heel laat moment met het scenario gekomen dat hij in opdracht van een derde is opgetreden. Ik wijs er bovendien op dat feit 1 ook een arglistige eerdere fraude ten koste van een klant van de ABN AMRO oplevert met verdachte in de hoofdrol.

4.7. Het middel klaagt ook nog dat het hof voor het bewijs zich beroept op feiten en omstandigheden waarvan niet blijkt aan welke wettige bewijsmiddel deze zijn ontleend.4 Dat het vals rijbewijs is gebruikt voor identificatie bij de bank om de bankpas aan te vragen is af te leiden uit de verklaring die verdachte op vragen van zijn advocaat ter terechtzitting van het hof van 10 januari 2017 heeft afgelegd. De stellers van de schriftuur halen dit deel van de verklaring van verdachte zelf aan. Dat het vervalst rijbewijs is gebruikt voor het aanvragen van een bankpas heeft ook [betrokkene 4] in bewijsmiddel 22 verklaard. Ook heeft hij gezegd dat hij samen met verdachte naar de ABN AMRO te Uithoorn is gegaan, daar zich heeft voorgesteld als [betrokkene 3] en dat de extra bankpas en pincode naar het adres van de hoofdrekening is gestuurd. Verdachte heeft ervoor gezorgd dat hij die bankpas en pincode in handen kreeg. Dat [betrokkene 4] de bankpas heeft opgehaald bij de bank en dat verdachte in de auto bleef zitten is een manifeste vergissing van het hof. Het hof heeft hier bedoeld de gang van zaken bij de aanvraag van de bankpas. Maar overigens doet dit niet af aan de draagkracht van de bewijsvoering. Hetzelfde geldt voor een ander detail, te weten dat [betrokkene 4] € 500 zou hebben gekregen voor de bankpas, terwijl hem dat slechts is beloofd. In ieder geval staat wel vast dat hij van verdachte € 1000 heeft ontvangen voor zijn betrokkenheid bij de gouddeal. Dat die bankpas en pincode zijn gebruikt voor de betalingen aan de goudhandelaren is af te leiden uit de verklaringen van een van de rechthebbenden op de rekening dat zij voor deze betalingen geen opdracht hebben gegeven. Het hof heeft de conclusie getrokken dat het niet anders kan dan dat de valselijk aangevraagde bankpas en pincode voor deze transactie zijn aangewend. Deze conclusie steunt voldoende op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. [betrokkene 4] heeft verklaard dat hij "in beide gevallen" het goud aan de neef heeft gegeven, waaruit het hof heeft kunnen afleiden dat in beide gevallen [betrokkene 4] door die neef is vervoerd. Eveneens is uit de verklaring van [betrokkene 4] (bewijsmiddel 22) op te maken dat het rijbewijs is gebruikt bij het afhalen van het goud omdat [betrokkene 4] heeft verklaard dat het vervalst rijbewijs waarschijnlijk van goede kwaliteit was "want hij kwam door de test bij de goudzaken". Dat de neef vervolgens het goud aan verdachte heeft overhandigd blijkt hieruit, dat verdachte uiteindelijk in het bezit van het goud is aangetroffen (bewijsmiddel 21).

Het middel faalt dus in al zijn onderdelen.

5.1. Het tweede middel klaagt over het bewijs van feit 4, meer bepaald over de aanwending van een valse sleutel. Dat gebruik is gemaakt van een valse sleutel blijkt niet uit de gebezigde bewijsmiddelen. Voor zover het hof gemeend heeft dit onderdeel te kunnen bewezenverklaren op grond van de verklaring van aangeefster [betrokkene 2] heeft het hof ten onrechte miskend dat het hier gaat om een ontoelaatbare gissing of gevolgtrekking die geen eigen waarneming of ondervinding als bron heeft.

5.2. Bewijsmiddel 16 houdt als verklaring van benadeelde [betrokkene 2] onder meer in:

"(...)

Ik zag dat er tussen de periode van 28 januari 2013 en 29 januari 2013 bedragen zijn overgeschreven tussen de rekeningen intern, waarvan ik en de benadeelde geen opdracht hebben gegeven. Vervolgens zijn er bedragen overgeschreven van de rekeningen naar rekeningen van derden, waarvoor ik en de benadeelde ook geen opdracht voor hadden gegeven.

Daarnaast heeft de ABN AMRO Bank mij ingelicht over het feit dat er telefonisch een nieuwe pas en een nieuwe pincode waren besteld. Deze pas en pincode werden separaat naar mijn adres gestuurd. Ik heb deze pas en pincode echter nooit ontvangen. Daarnaast hebben ik en de benadeelde nooit een nieuwe pas of pincode aangevraagd. Kennelijk heeft iemand met deze pas en pincode de bedragen overgeschreven, waarvoor ik en de benadeelde geen toestemming hebben gegeven.

(...)"

Bewijsmiddel 17 houdt een verklaring in van een employee van de ABN AMRO Bank waarin gerelateerd wordt dat voor een rekening van gedupeerden een pas is aangevraagd en dat frauduleuze transacties ten laste van de rekeningen van gedupeerden zijn verricht. Als ABN AMRO had geweten dat ABN AMRO niet met de echte cliënten van doen hadden dan had ABN AMRO geen aanvraag voor een nieuwe betaalpas in behandeling genomen.

5.3. Uit deze bewijsmiddelen heeft het hof aan kunnen nemen dat de valselijk aangevraagde pinpas en pincode zijn aangewend voor het doen van de frauduleuze betalingen. Uit de woorden van gedupeerde [betrokkene 2] is immers op te maken dat volgens haar ervaring de enige manier om geld over te schrijven van die rekeningen gebruikmaking van een pas en pincode verlangt. Daar wijst ook de verklaring namens ABN AMRO op.

Het middel faalt.

6.1. Ook het derde middel klaagt over de veroordeling voor feit 5 maar dan omdat niet kan blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen dat een medewerker van de ABN AMRO Bank is bewogen tot afgifte van een betaalpas en pincode. Een pincode is immers geen goed in de zin van artikel 326 Sr dat kan worden afgegeven. Bovendien doet het hof een beroep op feiten en omstandigheden die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken en waarvan het hof ook onvoldoende nauwkeurig de oorsprong heeft aangeduid.

6.2. In bewijsmiddel 22 heeft [betrokkene 4] verklaard dat hij nog weet dat de extra bankpas en de pincode naar het adres van de hoofdrekening zijn gestuurd. Daaruit heeft het hof kunnen opmaken dat de pincode vatbaar was voor versturing en dus kennelijk was opgenomen in een schrijven. Met pincode is dus hier bedoeld het schrijven waarop die pincode is vermeld. Feit van algemene bekendheid is dat iedere aparte bankpas een eigen pincode heeft. Ook een extra bankpas heeft dus een eigen pincode en de bankpas zonder pincode is niets waard. De bankpas is alleen maar te gebruiken in combinatie met de pincode. Als geld met een bankpas wordt overgemaakt is daarvoor ook de pincode nodig. Door verzending is dit papier uit de beschikkingsmacht van ABN AMRO geraakt. De bedoeling was dat dat papier ter beschikking zou komen van de rechthebbende, maar klaarblijkelijk zijn pas en papier onderschept. Versturing van bankpas en papier houdende de pincode is een fysiek gebeuren waartoe iemand van ABN AMRO het initiatief heeft genomen. Degene binnen ABN AMRO die daartoe het initiatief heeft genomen is de bankmedewerker van het filiaal te Uithoorn geweest. Dat deze zelf niet fysiek de bankpas en pincode heeft verstrekt staat er niet aan in de weg om aan te nemen dat deze medewerker de nodige stappen tot deze afgifte heeft gezet. Dat deze afgifte heeft bestaan in de verzending naar het adres van de rechthebbenden, maar dat die zending door een derde is onderschept voordat de rechthebbenden argwaan kregen, staat er niet aan in de weg dat ABN AMRO tot afgifte van die pas en pincode is overgegaan. Voor het overige verwijs ik naar mijn bespreking van het eerste cassatiemiddel.

Het middel faalt.

7.1. Het vierde middel klaagt over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In de eerste plaats blijkt niet dat degene die zegt namens ABN AMRO te zijn verschenen door de bank was gemachtigd om namens ABN AMRO op te treden.

7.2. Dat standpunt is ook in de pleitnota van hoger beroep verwoord:

“In eerste aanleg is over de vordering van ABN AMRO onder meer het volgende opgemerkt:

Daarnaast ontbreekt een stuk waaruit blijkt dat [betrokkene 1] gemachtigd is om namens ABN AMRO als benadeelde partij op te treden.

De verdediging verzoekt u derhalve de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren.

Mocht u de vordering toewijzen dan verzoekt de verdediging u de schadevergoedingsmaatregel achterwege te laten, nu ABN AMRO heel goed zelf in staat moet worden geacht incassomaatregelen jegens cliënt te nemen.

De verdediging handhaaft in hoger beroep dit standpunt."

7.3. In het arrest heeft het hof over de vordering van benadeelde partij ABN AMRO het volgende overwogen:

“De raadsman heeft het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu een stuk ontbreekt waaruit blijkt dat [betrokkene 1] gemachtigd is om namens ABN Amro als benadeelde partij op te treden.

Het hof overweegt dat een bijzondere schriftelijke volmacht zoals bedoeld in artikel 51c, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering in dit geval niet is vereist, nu [betrokkene 1] – werkzaam als Forensic Expert bij de ABN Amro kennelijk bevoegd is namens de rechtspersoon op te treden, daar hij namens de ABN Amro zowel het voegingsformulier in eerste aanleg als het wensenformulier in hoger beroep heeft ondertekend en aanvullende stukken in hoger beroep per e mail het hof heeft doen toekomen. Nu geen concreet bezwaar tegen de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 1] is aangevoerd acht het hof de benadeelde partij ontvankelijk in de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Nu er aanwijzingen zijn dat de veroordeelde heeft samengewerkt met (deels onbekend gebleven) anderen, is het hof van oordeel dat de verdachte en zijn mededaders ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de toegewezen vordering alsmede opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Indien en voor zover de mededader(s) de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichtingen bevrijd.”

In het dictum heeft vervolgens het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ABN AMRO Bank ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 212.540 toegewezen en voor dat bedrag ook een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

7.4. Het hof heeft zich kennelijk laten inspireren door HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3043. In die zaak had de advocaat van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij niet kan worden ontvangen omdat het voegingsformulier niet is ondertekend door een gemachtigde van de benadeelde BV. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep dat het hof ten onrechte de benadeelde partij wel ontvankelijk in haar vordering heeft verklaard en overwoog daartoe:

"3.3.1. Bij de stukken van het geding bevindt zich een 'Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces'. Dit formulier houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, onder het kopje '1. Benadeelde' in: "Van Gend & Loos Euro-Express (...) Sliedrecht" en bevat onder het kopje '6. Ondertekening Benadeelde' als naam van de ondertekenaar: "L K". Dit voegingsformulier bevat voorts onder het kopje '2. Gemachtigde van benadeelde' ruimte voor het invullen van de persoonsgegevens van een gemachtigde en onder het kopje '6. Ondertekening Machtiging' ruimte voor het verlenen van een machtiging door de benadeelde partij aan een derde "om hem/haar te vertegenwoordigen in de voegingsprocedure"; deze gedeelten zijn niet ingevuld. Tot het dossier behoort ook een ten parkette van de Officier van Justitie ingekomen 'Antwoordformulier', dat onder meer inhoudt dat Van Gend & Loos Euro-Express te Sliedrecht mededeelt dat zij wenst dat de verdachte de schade vergoedt, welk formulier tevens het gegeven bevat dat L K vestigingsmanager is van Van Gend & Loos B.V. te Sliedrecht.

3.3.2. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat "uit de stukken niet valt op te maken of deze heer K als bestuurder dan wel als vertegenwoordiger optreedt van de rechtspersoon en of hij in laatst genoemde geval daartoe bijzonder is gemachtigd" en daaraan wordt de conclusie verbonden dat het Hof ten onrechte aan deze stelling is voorbijgegaan. Het Hof heeft het onder 3.2 weergegeven verweer kennelijk niet opgevat als inhoudende een gemotiveerde betwisting van de bevoegdheid van L K om Van Gend & Loos Euro-Express te dezer zake te vertegenwoordigen. Dat is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het verweer slechts de enkele - niet met enig concreet bezwaar tegen de vertegenwoordigingsbevoegdheid van L K gemotiveerde - stelling inhoudt dat "het voegingsformulier niet is ondertekend door een gemachtigde", het formulier door L K is ondertekend namens de benadeelde partij en de in art. 51e, tweede lid, Sv bedoelde bijzondere volmacht niet is vereist als - zoals het Hof kennelijk, gelijk het kon doen, heeft geoordeeld - L K als vestigingsmanager van Van Gend & Loos Euro-Express te dezer zake optreedt namens de rechtspersoon. De in het middel betrokken stelling kan, waar zij een onderzoek van feitelijk aard vergt, niet voor het eerst in cassatie worden ingenomen."5

7.5. Ik maak uit dit arrest op dat het feitelijk oordeel van de rechter dat een verschenen natuurlijke persoon de benadeelde rechtspersoon vertegenwoordigt niet alleen uit een schriftelijke machtiging van een bestuurder van de rechtspersoon kan blijken maar ook anderszins. Ook HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:380 wijst mijns inziens in die richting. Mijn ambtgenoot mr. Spronken heeft in haar conclusie de gang van zaken weergegeven zoals ook in de schriftuur is herhaald. Aangifte en voegingsformulier waren in die zaak ondertekend door dezelfde persoon, een onderzoeker bancaire criminaliteit in dienstbetrekking werkzaam bij de benadeelde partij, de ING Bank. De ruimte op het voegingsformulier bestemd voor de invulling van een machtiging was leeg. Niet kon dus uit het formulier blijken dat de persoon die het voegingsformulier had ondertekend uitdrukkelijk gemachtigd was.

Mijn ambtgenoot mr. Spronken meende dat het hof op grond van het ter zitting gevoerde verweer de bevoegdheid van de natuurlijke persoon om de ING te vertegenwoordigen niet hoefde te onderzoeken, omdat uit het verweer dat op de zitting werd gevoerd niet blijkt welk concreet bezwaar tegen de vertegenwoordigingsbevoegdheid van die persoon is aangevoerd en een bijzondere schriftelijke volmacht niet is vereist als die persoon is opgetreden namens de rechtspersoon. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met de aan artikel 81 RO ontleende motivering.

7.6. In de onderhavige zaak is de ontvankelijkheid van de benadeelde partij betwist omdat niet zou zijn gebleken van een machtiging om namens ABN AMRO als benadeelde partij op te treden. Het hof heeft daarnaar een onderzoek ingesteld en is tot het oordeel gekomen dat het ontbreken van een schriftelijke volmacht in dit geval er niet aan in de weg staat om aan te nemen dat [betrokkene 1] gemachtigd was om namens ABN AMRO de benodigde formulieren te ondertekenen. Hoewel het hof wat uitvoeriger had kunnen motiveren waarom het tot dat oordeel is gekomen door bijvoorbeeld erop te wijzen dat uit de gedingstukken blijkt dat [betrokkene 1] in dienst is bij ABN AMRO in een functie die verantwoordelijkheid voor opsporing en afhandeling van fraude ten bezware van ABN AMRO indiceert en nadere inlichtingen, steunend op bescheiden,6 heeft verstrekt over de wijze waarop deze fraude is afgewikkeld, meen ik toch dat bij gebrek aan een concreet bezwaar van verdachte tegen het aannemen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 1] de beslissing van het hof toereikend is gemotiveerd.7

7.7. Wat betreft de opgelegde schadevergoedingsmaatregel geldt dat in hoger beroep enkel is aangevoerd wat ik hiervoor heb aangehaald. De stellers van het middel betogen op grond van allerlei argumenten dat juist in dit geval een bijzondere motiveringsplicht voor het hof gold om het opleggen van deze maatregel nader te onderbouwen.

7.8. Ingevolge het tweede lid van artikel 36f Sr kan de rechter de maatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Slechts in uitzonderlijke gevallen komt het opleggen van de maatregel niet in aanmerking. De rechter is slechts gehouden de redenen op te geven waarom van een standpunt dat de schadevergoedingsmaatregel niet dient te worden opgelegd wordt afgeweken als een standpunt voldoende onderbouwd duidelijk maakt dat het gaat om een uitzonderlijk geval. Aan zo een onderbouwing schort het hier, zodat het hof niet gehouden was tot een nadere motivering.8

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

8.1. Het vijfde middel klaagt over schending van de redelijke termijn in cassatie. Op 30 januari 2017 is het cassatieberoep ingesteld en het dossier is eerst op 16 november 2017 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Aldus is de inzendtermijn van acht maanden met ruim twee maanden overschreden.

8.2. De in het middel genoemde data zijn correct. De door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn is niet, zoals de stellers van het middel betogen, met meer dan twee maanden overschreden, maar met een maand en 17 dagen. Dat zal tot strafvermindering moeten leiden.

9. De vier eerste middelen falen. De middelen 1, 2 en 3 kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het vijfde middel is gegrond, hetgeen tot een vermindering van de opgelegde straf behoort te leiden.

Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015 (achtste druk), p. 278, 289. Zie bijv. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0863, NJ 2013/144 m.nt. Reijntjes.

2 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, r.o. 3.8.2.(i) resp. 3.8.4.d.

3 Bijv. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. Rozemond.

4 Bijv. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:202.

5 HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3043.

6 Waaronder het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces dat als benadeelde vermeldt ABN AMRO Bank N.V. en als gemachtigde van benadeelde [betrokkene 1] , te bereiken op het zelfde adres als de benadeelde. Voorts bevindt zich onder de stukken onder meer een stuk bevattende informatie over de samenstelling van het schadebedrag en bewijsstukken van de schadeloosstelling van de klanten door ABN AMRO, afkomstig van [betrokkene 1] , ABN AMRO Bank N.V., Security & Intelligence Management l Team Investigations, Gustav Mahlerlaan 10 Amsterdam, een wensenformulier hoger beroep, bevattende dezelfde gegevens en ondertekend door [betrokkene 1] , e-mail correspondentie tussen [betrokkene 1] via een ABN-Amro-e-mail adres, enzovoorts.

7 In zijn noot onder HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3694, NJ 2016/384 juicht Keulen zo een soepele benadering toe.

8 Nogmaals HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3694, NJ 2016/384 m.nt. Keulen.