Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1206

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-10-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
17/00108
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2223, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de motivering van de verwerping van het beroep op noodweer(exces).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00108

Zitting: 30 oktober 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 29 december 2016 wegens 1.“poging tot zware mishandeling” en 2. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld en heeft mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel is gericht tegen de verwerping van het beroep op noodweer(exces).

  4. Het middel is summier gemotiveerd. Geklaagd wordt dat de verwerping van het beroep op noodweer(exces) niet begrijpelijk is gemotiveerd in het licht van de verklaring van de verdachte dat de aangeefster een mes hanteerde en dat de verdachte in zijn been is gestoken.

  5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat namens de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde primair een beroep gedaan is gedaan op noodweer en subsidiair op noodweerexces:

“De raadsman voert het woord tot verdediging en deelt mede, zakelijk weergegeven:

Naar mijn mening is het aannemelijk dat er sprake was van een noodweersituatie voor mijn cliënt. Aangeefster was dronken. Er is sprake van beëindiging van een relatie. Daarom dient behoedzaam te worden om gegaan met de verschillende verklaringen. Dat geldt ook voor de verklaring van de getuige [getuige] . Hij is een familielid van aangeefster.

Mijn cliënt heeft geschopt en geslagen. Ik refereer mij voor wat betreft de bewezenverklaring van het onder 1 primair of subsidiair tenlastegelegde feit.

Er was sprake van wederrechtelijke aanranding door aangeefster. Dat aangeefster aan mijn cliënt had gevraagd om weg te gaan, doet daar niet aan af. Mijn cliënt was door aangeefster uitgenodigd. Hij werd door aangeefster aangevallen, zodat er sprake was van een noodweersituatie voor mijn cliënt.

Het door mijn cliënt gebruikte geweld was proportioneel. Hij mocht (terug)slaan en schoppen. Aangeefster had immers een mes.

Voor wat betreft de subsidiariteit merk ik op dat mijn cliënt net op het punt stond om weg te gaan toen aangeefster met het mes aankwam. Er werd plotseling geweld op hem toegepast. Mijn cliënt kon zich niet aan de wederrechtelijke aanranding onttrekken.

Subsidiair ben ik van mening dat er sprake is van noodweerexces. Mijn cliënt was in zijn been geraakt met het mes.

Ik verzoek u mijn cliënt ten aanzien van feit 1 te ontslaan van alle rechtsvervolging.”

6. Het hof heeft ten laste van de verdachte – voor zover relevant – bewezen verklaard dat:

“1 primair:

hij op 6 april 2015 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen [slachtoffer] meermalen tegen haar hoofd en lichaam heeft geslagen en gestompt en, toen [slachtoffer] op de grond lag, [slachtoffer] meermalen tegen haar hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”

7. Het hof heeft in de bestreden uitspraak het volgende vastgesteld:

“Vast staat dat verdachte op 6 april 2015 door [slachtoffer] was uitgenodigd om bij haar langs te komen. [slachtoffer] was op het moment dat verdachte bij haar op bezoek kwam dronken en zei op enig moment tegen verdachte dat hij weg moest gaan. Verdachte bleef zitten en kreeg klappen van [slachtoffer] . Daarop heeft verdachte terug geslagen. Verdachte heeft [slachtoffer] ook tegen het hoofd geschopt en geslagen terwijl zij op de grond lag.”

8. Het hof heeft de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

“1.

Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 8 april 2015 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent van politie van respectievelijk Eenheid Oost-Nederland en van de Landelijke Eenheid, opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 7 april 2015, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Zondagnacht 5 april 2015 kwam ik omstreeks 02:00 uur thuis. Mijn neef [getuige] was bij mij. Ik was zo dronken dat ik op de grond lag. Mijn neef heeft mij toen in bed gelegd. Ik was bijna in slaap toen [verdachte] mij belde. We hadden min of meer ook afgesproken dat [verdachte] nog langs zou komen. [verdachte] kwam denk ik rond 02:30 uur. Ik heb meerdere malen tegen hem gezegd dat hij weg moest gaan. [verdachte] deed dit niet en bleef gewoon zitten. Uiteindelijk heb ik een klap uitgedeeld met mijn rechter gebalde vuist. Ik zag dat [verdachte] opstond, inmiddels had ik de deur opengedaan. Ik wees hem de deur.

Ik zag dat [verdachte] op mij af kwam lopen. Ik heb hem toen met mijn gebalde rechtervuist een klap gegeven op zijn gezicht. Het was niet mijn opzet, ik wilde alleen maar dat hij weg zou gaan.

Ik weet dat [verdachte] mij meerdere keren geslagen heeft en dat hij niet te stoppen was.

Op een gegeven moment lag ik op de grond, ik voelde dat [verdachte] mij maar bleef slaan en schoppen. Hij bleef maar doorrammen. Mijn neef heeft geprobeerd om ons uit elkaar te halen echter lukte dit niet. [verdachte] bleef maar doorslaan en trappen op mijn hoofd. Ik heb meerdere malen gezegd dat hij moest stoppen maar [verdachte] stopte niet.

2.

Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 8 april 2015 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van 6 april 2015, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige], zakelijk weergegeven:

Op 5 april 2015 kwam ik in de woning van mijn nicht [slachtoffer] aan de [a-straat 1] in Arnhem. Ik hoorde [slachtoffer] thuiskomen. Ik zag en hoorde dat [slachtoffer] dronken was. Kort hierna hoorde ik de huisbel gaan en ik zag dat de vriend van [slachtoffer] genaamd [verdachte] binnenkwam.

Ik hoorde dat [slachtoffer] op een gegeven moment tegen [verdachte] zei dat hij weg moest gaan haar woning uit. [slachtoffer] herhaalde dit diverse malen maar [verdachte] reageerde daar niet op. Plotseling kwam [slachtoffer] naar [verdachte] toelopen en zij gaf hem een klap in zijn gezicht en zei daarbij dat hij haar woning uit moest gaan. Ik zag dat [verdachte] kalm bleef zitten. Wederom riep [slachtoffer] tegen [verdachte] dat hij weg moest gaan. Ik zag dat [verdachte] opstond, naar [slachtoffer] toeliep en dat hij haar meerdere klappen tegen haar hoofd gas in haar gezicht sloeg. Zowel [verdachte] als [slachtoffer] deelden diverse klappen uit. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] zowel in haar gezicht als op haar hoofd sloeg. Vervolgens zag ik dat [verdachte] meerdere keren tegen het hoofd van [slachtoffer] trapte.

3.

Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 8 april 2015 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte procesverbaal van 6 april 2015, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik ging naar [slachtoffer] . Toen ik op de [a-straat 1] aankwam ging ik aan tafel zitten. [slachtoffer] werd boos dat ik naar een feestje was geweest. Ik kreeg opeens 1 of 2 klappen in mijn gezicht van [slachtoffer] . Vervolgens ontstond er wat duw en trekwerk.

(…)

5.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de politierechter d.d. 20 augustus 2015 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben die nacht om drie uur de woning binnengegaan. [slachtoffer] en haar neef waren op dat moment in de woning. Op een gegeven moment kwam ze naar me toe en zei dat ik weg moest gaan. Ze sloeg me ook. We kwamen in een worsteling waar we aan elkaar trokken en tegen de muur aan vielen. Ik heb het mes uit haar handen geslagen. Ik heb haar weggeduwd.”

9. Het arrest van het hof houdt – voor zover voor de bespreking van het middel van belang - het volgende in:

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het hof is van oordeel dat er op 6 april 2015 sprake was van een wederrechtelijke aanranding van verdachte door [slachtoffer] . Verdachte mocht zich verdedigen tegen de aanval/de klappen van [slachtoffer] . Er was dan ook sprake van een noodweersituatie. Met de wijze waarop verdachte zich tegen de klappen van [slachtoffer] verweerde, zoals door aangeefster [slachtoffer] en getuige [getuige] is verklaard, heeft hij evenwel de grenzen van proportionaliteit overschreden.

De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding, zoals in de onderhavige zaak.

Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.

(…)

Strafbaarheid van de verdachte

Door de raadsman is subsidiair aangevoerd dat er sprake was van noodweerexces.

Zoals hiervoor overwegen, was er sprake van een noodweersituatie waarin verdachte zich mocht verweren.

Bij de reactie van verdachte was evenwel sprake van een verregaande mate van overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Verdachtes reactie stond niet in verhouding tot de aanranding door [slachtoffer] .

Het hof acht aannemelijk dat er als gevolg van de wederrechtelijke aanranding bij verdachte een gemoedsbeweging van beperkte intensiteit is teweeggebracht. Ook het beroep op noodweerexces wordt verworpen.”

10. Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechter op dat verweer gemotiveerd beslissen. Bij verwerping van dat beroep dient de feitenrechter duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.1 Uit de wettelijke omschrijving van noodweer blijkt dat het moet gaan om de verdediging van bepaalde rechtsgoederen tegen een wederrechtelijke aanranding. Noodweer impliceert verdedigend optreden.2 Dit betekent dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept noch op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.3

11. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is "geboden door de noodzakelijke verdediging" wordt het subsidiariteits -en proportionaliteitsvereiste tot uitdrukking gebracht. Het subsidiariteitsvereiste heeft betrekking op de vraag of verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, het proportionaliteitsvereiste op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. Deze vragen zijn niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden.4 Voor zover voor de onderhavige zaak van belang, strekt de proportionaliteitseis ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in verhouding staat tot de ernst van de aanranding. 5 Maatgevend is in dat verband of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Bij de beoordeling van de proportionaliteit staat de keuze van het middel en de wijze waarop dit wordt gebruikt ter verdediging centraal.6

12. Ingeval de grenzen van de noodzakelijke verdediging worden overschreden, waardoor er niet (meer) aan de proportionaliteitseis voor het aannemen van noodweer is voldaan, komt het in art. 41, tweede lid, Sr vervatte noodweerexces in beeld. Hiervoor geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

“a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien;

b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.”7

Bij de beantwoording van de vraag of de gedraging het “onmiddellijk gevolg” was van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding, is maatgevend of de door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging.8 Daarbij kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden en de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.9

13. Tot slot geldt als uitgangspunt dat de selectie en waardering van feiten is voorbehouden aan de feitenrechter. In cassatie moet dan ook worden uitgegaan van de feitelijke vaststellingen die het hof bij het verwerpen van de namens de verdachte gevoerde verweren tot uitgangspunt heeft genomen.10

14. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. In het kader van de onderbouwing van het onder 5 weergegeven beroep op noodweer(exces) heeft de raadsman aangevoerd dat de aangeefster een mes had en dat de verdachte met het mes in zijn been is geraakt. Deze omstandigheid wordt zowel in het kader van de onderbouwing van het beroep op noodweer als ter adstructie van het beroep op noodweerexces aangevoerd. In de toelichting op het middel wordt eveneens centraal gesteld dat het slachtoffer een mes had en de verdachte in zijn been zou zijn gestoken. In de eerste plaats lees ik hierin dat is bedoeld te klagen dat het hof onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de verdachte de grenzen van de proportionaliteit als bedoeld in art. 41, eerste lid, Sv heeft overschreden. In de tweede plaats wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat het hof het beroep op noodweerexces tegen die achtergrond onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

15. Het hof heeft aangenomen dat sprake was van een wederrechtelijke aanranding van (het lijf van) de verdachte door de aangeefster. Het hof heeft in dit verband vastgesteld dat het slachtoffer de verdachte twee keer met de vuist in het gezicht heeft geslagen (bewijsmiddel 1). Daarna heeft de verdachte het slachtoffer, terwijl zij op de grond lag, meermalen tegen haar hoofd geschopt en geslagen (bewijsmiddel 1 en 2). Het hof heeft de bewezenverklaring voorts doen steunen op de verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 5). Die verklaring houdt onder meer in dat het slachtoffer de verdachte heeft gevraagd het appartement te verlaten, zij hem in het gezicht heeft geslagen, er daarna een worsteling ontstond en de verdachte “het mes uit haar handen [heeft] geslagen”. Van deze door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden zal in cassatie moeten worden uitgegaan. Het hof heeft in het midden gelaten of de aangeefster daadwerkelijk met het mes in het been van de verdachte heeft gestoken en, zo ja, wanneer die handeling heeft plaatsgevonden. Het hof heeft wel vastgesteld dat de aangeefster een mes had, dat door de verdachte uit haar handen is geslagen. In de motivering van de verwerping van het beroep op noodweer(exces) wordt evenwel slechts gerept van “de aanval/de klappen” van de aangeefster. Het mes keert daarin niet terug. Het hof heeft in het bijzonder niet vastgesteld op welk moment de verdachte het mes uit de handen van de aangeefster heeft geslagen, terwijl het mij voorkomt dat dat moment voor de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) van belang is.

16. Ik meen dat het hof niet in het midden heeft mogen laten (i) of de aangeefster de verdachte met een mes in zijn been heeft gestoken, en zo ja, op welk moment, en (ii) op welk moment de aangeefster het mes in haar handen had en de verdachte het uit haar handen heeft geslagen. De antwoorden op deze vragen zijn immers relevant voor de beoordeling van het begin en einde van de noodweersituatie en voor de beoordeling of aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit is voldaan. Zonder nadere vaststellingen ter zake, acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte de grenzen van de proportionaliteit heeft overschreden niet zonder meer begrijpelijk. Ook in het kader van de verwerping van het beroep op noodweerexces heeft het hof belang toegekend aan de in zijn oordeel “verregaande mate van overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging”. Door het antwoord op de hiervoor gestelde vragen in het midden te laten, meen ik dat het hof het beroep op noodweer(exces) heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. Dat betekent dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.

17. Het middel slaagt.

18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vlg. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016, 316 (overzichtsarrest noodweer(exces)).

2 Zie ook A.J.M. Machielse, Noodweer in het strafrecht: een rechtsvergelijkende en dogmatische studie, Amsterdam 1986, p. 590, onder verwijzing naar HR 29 december 1913, NJ 1914, p. 388. Zie voorts J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 321-322.

3 Vgl. HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788.

4 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016, 316 met verwijzing naar HR 13 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC3119, NJ 1990, 193.

5 HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3895, NJ 2010, 391.

6 HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982, NJ 2008, 233, zoals is herhaald in HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016, 316, rov. 3.5.3, naar welke overweging wordt verwezen in HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1162. Zie ook mijn conclusie (PHR:2018:123) vóór HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:496.

7 HR 18 september 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8183, NJ 1990, 291 zoals herhaald in HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016, 316 en HR 18 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9359, NJ 1993, 691.

8 Vlg. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3569, NJ 2006, 343. Zie tevens HR 28 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:319.

9 HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4459, NJ 2008, 312.

10 Zie onder meer HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016, 316, rov. 5 en de conclusie (PHR:2017:542) van mijn ambtgenoot Knigge, in het bijzonder punt 4.3-4.4, vóór HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1162.