Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1204

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-11-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
17/02756
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beslag en beklag art. 94 en 552a Sv. Beroep op de onrechtmatigheid van het beslag. Toetsingsmaatstaf beklagrechter. Rechtbank kon in casu bij gebreke van voldoende feitelijke grondslag aan het rechtmatigheidsverweer voorbij gaan. Het advies aan de Hoge Raad is het cassatieberoep met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02756 B

Zitting: 6 november 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[klager]

  1. De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar heeft bij beschikking van 23 mei 2017 het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag op een Volkswagen Golf met last tot teruggave aan hem, ongegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel bevat de klacht dat de rechtbank niet heeft beslist op de gemotiveerde stelling van de klager dat de inbeslagneming onrechtmatig is.

3.1. De klager heeft blijkens het klaagschrift daaromtrent het volgende aangevoerd:

‘’(...) De politie had de goederen niet zomaar in beslag mogen nemen. Klager meent primair dat de inbeslagname onrechtmatig is. Het bewijs van ontvangst geeft de reden van inbeslagneming niet aan. De enkele verwijzing naar artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering is onvoldoende. Een goede reden voor de inbeslagname kent klager niet. (...)”

3.2. Uit het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer blijkt het volgende:

‘’ De raadsman voert – zakelijk weergegeven — het woord ter verdediging zoals weergegeven in de beschikking, d.d. 23 mei 2017.’’

3.3. In de beschikking van de rechtbank is het standpunt van de klager als volgt zakelijk weergegeven:

‘’De raadsman verzoekt de rechtbank het klaagschrift gegrond te verklaren. De raadsman is van mening dat er een spelletje met verzoeker wordt gespeeld, nu er een paar keer met hem gebeld is dat hij zijn auto op kan komen halen. Vervolgens wordt verzoeker dan weggestuurd. Uit de stukken blijkt niet waarom het beslag moet voortduren. Er is geen technisch onderzoek gedaan en het is helder welke spullen er zijn aangetroffen in de auto. Verzoeker is afhankelijk van zijn auto en heeft deze nodig voor zijn werk.

(…)

Klager verklaart de auto nodig te hebben vanwege zijn werk. Gebruikmaken van het openbaar vervoer is met zijn werktijden niet mogelijk.’’

3.4. De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

‘’De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, nu het Openbaar Ministerie zal vorderen dat het voorwerp zal worden verbeurd verklaard.

(…)

De rechtbank overweegt het volgende.

In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klager redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomenen kan worden aangemerkt.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor - in dit geval - artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat het voortduren van het beslag nodig maakt.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.

Uit de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen voorwerp zal verbeurdverklaren. Immers,

Uit eerder genoemd proces-verbaal van bevindingen blijkt dat klager op 21 maart 2017 is staande gehouden in zijn Volkswagen Golf, kleur wit, kenteken [AA-00-BB] op de Middenweg te Heerhugowaard. In het voertuig werd een bladblazer aangetroffen die door een politieambtenaar werd herkend als zijnde het voorwerp waarin een track en trace was geplaatst en die kort voor de staande houding van klager uit een container was gestolen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

Het beklag dient derhalve ongegrond te worden verklaard.’’

3.5. Bij de beoordeling van het middel is het volgende relevant. Indien in een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp wordt verzocht met een beroep op feiten en omstandigheden op grond waarvan de beslaglegging zelf onrechtmatig moet worden geacht, zal de rechter moeten onderzoeken of hij de feitelijke grondslag van dat beklag voldoende aannemelijk acht en of die onregelmatigheid bij de beslaglegging tot gegrondverklaring van het klaagschrift dient te leiden. De rechter mag in zo een geval de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de klager leggen. Daaraan vooraf gaat echter de vraag óf er voldoende feitelijke grondslag is gesteld voor de onrechtmatigheid.1

3.6. Uit het dossier blijkt dat de Volkswagen Golf in beslag is genomen en aan de klager een bewijs van ontvangst is uitgereikt.2 De steller van het middel voert aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de gemotiveerde stelling van de klager dat de inbeslagneming onrechtmatig was.

3.7. Naar mijn mening faalt de klacht omdat de klager over de gestelde onrechtmatigheid van het beslag niets anders heeft aangevoerd dan hiervoor onder 3.1 weergegeven, namelijk dat de politie de goederen niet zomaar in beslag mocht nemen en een enkele verwijzing naar art. 94 Sv onvoldoende is. Uit het dossier blijkt echter dat een bladblazer was gestolen uit een container en deze bladblazer werd aangetroffen in de auto van de klager. In een dergelijke situatie zijn de betrokken opsporingsambtenaren bevoegd de auto op grond van art. 94 Sv in beslag te nemen. Het kennelijke oordeel van de rechtbank dat zij, bij gebreke van (voldoende) feitelijke grondslag, aan het rechtmatigheidsverweer kon voorbijgaan, is dan ook niet onbegrijpelijk.3

3.8. Over het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de auto zal worden verbeurdverklaard, kan anders worden gedacht. Dat de gestolen bladblazer in de auto is vervoerd hoeft immers nog niet zonder meer tot verbeurdverklaring van de auto te leiden.4 Hier wordt in cassatie echter niet over geklaagd, zodat ik daar verder niet op in zal gaan. Om dezelfde reden ga ik voorbij aan het feit dat de rechtbank een onjuiste maatstaf voor ogen lijkt te hebben gehad door te overwegen dat dient te worden beantwoord “of klager redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomenen kan worden aangemerkt”. Aangezien de klager tevens beslagene is, is deze vraag in casu niet aan de orde.5

4. Het middel faalt en kan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende overweging worden afgedaan.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8735, NJ 2013/128 m.nt. Keulen, rov. 3.3.3. Zie ook HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7765 waarnaar de steller van het middel verwijst.

2 Zie bijv. Proces-verbaal van bevindingen PL1100-2017049717-13 d.d. 21 maart 2017, p. 2.

3 Vgl. HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8735, NJ 2013/128 m.nt. Keulen.

4 Vgl. HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7366.

5 Zie art. 116 lid 1 Sv. Dit geldt voor beslag gelegd op grond van zowel art. 94 als 94a Sv, zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.8 en HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1624, NJ 2011/125 m.nt. Mevis, rov. 2.3.