Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1197

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-10-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
17/01187
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2242, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen van afdreiging. 1. Staat de omstandigheid dat een aantal slachtoffers niet binnen de termijn van art. 66.1 Sr aangifte heeft gedaan dan wel een klacht heeft ingediend in de weg aan de ontvankelijkheid van het OM? 2. Mocht de politie vermoedelijke slachtoffers van afdreiging benaderen zonder dat zij een klacht hadden ingediend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01187

Zitting: 30 oktober 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 20 februari 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, de verdachte wegens 1 primair onder A, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair onder A en 6 primair “medeplegen van afdreiging, meermalen gepleegd” en 7 “medeplegen van gewoontewitwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 313 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, één en ander zoals vermeld in het arrest.

  2. Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (17/01181), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het gaat in de onderhavige zaak om het volgende. De verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van afdreiging, meermalen gepleegd, en het medeplegen van gewoontewitwassen. Uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte samen met haar medeverdachte [medeverdachte] de in de bewezenverklaring genoemde personen op internetfora benaderde, waarbij de verdachte zich voordeed als een minderjarig meisje. Er werden seksueel getinte gesprekken gevoerd. Sommige van de benaderde personen lieten hun geslachtsdeel zien en sommigen masturbeerden voor de webcam. De verdachte en haar medeverdachte maakten daarop kenbaar dat zij de gespreksverslagen en beelden hadden opgeslagen en dreigden deze aan anderen te laten zien, waarop deze personen verschillende sommen geld naar rekeningen van de verdachte en de medeverdachte hebben overgemaakt.

  5. In het eerste middel wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat een aantal van de slachtoffers niet binnen de termijn als bedoeld in art. 66, eerste lid, Sr aangifte heeft gedaan dan wel een klacht heeft ingediend niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Dat oordeel getuigt volgens de steller van het middel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is niet begrijpelijk.

  6. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat zij:

“1 primair onder A.

zij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 11 februari 2013 te Hoogeveen, tezamen en in vereniging met een ander meermalen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met openbaring van een geheim, [betrokkene 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan [betrokkene 1], welke bedreiging hierin bestond dat zij en haar medeverdachte in msn- en chat- en e-mailberichten met/aan [betrokkene 1] heeft gedreigd aan de politie en/of de pers en/of de familie en/of het personeel van [betrokkene 1] afbeeldingen, waarop te zien is dat [betrokkene 1] zich heeft afgetrokken voor een webcam en/of zijn geslachtsdeel heeft getoond bekend te maken.

2 primair.

zij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 20 februari 2014 te Hoogeveen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [betrokkene 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan [betrokkene 2], welke bedreiging hierin bestond dat zij en haar medeverdachte in chat- en telefoongesprekken en e-mailberichten met/aan [betrokkene 2] heeft gedreigd aan Pownews afbeeldingen, waarop te zien is dat [betrokkene 2] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam en (in combinatie met) privé- en/of werkgegevens van [betrokkene 2], bekend te maken en/of bij Jeugdzorg zijn kinderen aan te melden.

3 primair.

zij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 27 januari 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [betrokkene 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan [betrokkene 3], welke bedreiging hierin bestond dat zij en/of haar medeverdachte in een telefoongesprek [betrokkene 3] heeft gedreigd aan de werkgever en/of collega's van [betrokkene 3] chatgesprekken met een compromitterende inhoud en/of dat [betrokkene 3] een ontmoeting heeft gehad met verdachte en haar medeverdachte, bekend te maken.

4 primair.

zij in de periode van 18 mei 2014 tot en met 19 mei 2014 te Hoogeveen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met de openbaring van een geheim, [betrokkene 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan [betrokkene 4], welke bedreiging hierin bestond dat zij en haar medeverdachte in chat- en telefoongesprekken en e-mailberichten met/aan [betrokkene 4] heeft gedreigd aan de familie en/of werkgever van [betrokkene 4] afbeeldingen, waarop te zien is dat [betrokkene 4] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam bekend te maken.

5 primair onder A.

zij in de periode van 1 mei 2013 tot en met 31 mei 2013 te Hoogeveen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met de openbaring van een geheim, [betrokkene 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan [betrokkene 5], welke bedreiging hierin bestond dat zij en haar medeverdachte in chat- en telefoongesprekken en e-mailberichten met/aan [betrokkene 5] heeft gedreigd aan zakelijke contactpersonen van [betrokkene 5] afbeeldingen, waarop te zien is dat [betrokkene 5] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam, bekend te maken.

6 primair.

zij in de periode van 1 december 2013 tot en met 15 februari 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met de openbaring van een geheim, [betrokkene 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan [betrokkene 6], welke bedreiging hierin bestond dat zij en haar medeverdachte in een telefoongesprek en e- mailbericht met/aan [betrokkene 6] heeft gedreigd aan de familie en vrienden van [betrokkene 6] afbeeldingen, waarop te zien is dat [betrokkene 6] zijn geslachtsdeel heeft getoond voor een webcam, bekend te maken.

7.

zij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 20 mei 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en haar medeverdachte stelselmatig en op meerdere tijdstippen in voornoemde periode:

voorwerpen, te weten geldbedragen, verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden zijn op die geldbedragen, terwijl zij en haar medeverdachte wisten dat genoemde voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf; en

voorwerpen, te weten eerder genoemde geldbedragen overgedragen, omgezet en/of van die geldbedragen gebruik gemaakt, terwijl zij en haar medeverdachte wisten dat genoemde voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf; en

voorwerpen, te weten een auto, merk Audi, type A6, en een gouden ketting, verworven, voorhanden gehad en van die voorwerpen gebruik gemaakt, terwijl zij en haar medeverdachte wisten dat genoemde voorwerpen middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.”

7. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2017 blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte een preliminair verweer heeft gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde en als in het proces-verbaal ingelast beschouwde pleitnota. Zij heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte wegens een aantal als afdreiging (art. 318 Sr) ten laste gelegde feiten, omdat afdreiging een klachtdelict is en slechts in twee gevallen is voldaan aan het ingevolge art. 66, eerste lid, Sr geldende voorschrift dat binnen drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het feit een klacht kan worden ingediend. Voorts heeft zij aangevoerd dat de rechtspraak steeds soepeler is geworden ten aanzien van de manier waarop een klacht wordt ingediend, waardoor in sommige gevallen ook een aangifte als een klacht kan worden beschouwd, maar dat in de onderhavige zaak de meeste aangiftes pas na het verstrijken van de klachttermijn zijn gedaan. Bovendien blijkt hieruit niet de concrete wens tot vervolging binnen de klachttermijn, omdat de aangevers in de meeste gevallen niet uit eigen beweging aangifte hebben gedaan, maar pas nadat zij waren benaderd door de politie. Ook de omstandigheid dat de desbetreffende personen zich naderhand in de strafzaak hebben gevoegd als benadeelde partij brengt niet mee dat zij binnen de klachttermijn de wens tot vervolging hadden, aldus de raadsvrouw van de verdachte.

8. Het hof heeft het verweer van de verdediging verworpen en heeft daartoe het volgende overwogen:

“In de ten laste gelegde feiten 1 tot en met 6 is telkens primair ten laste gelegd de in artikel 318 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde afdreiging. Uit het derde lid van dit artikel blijkt dat dit misdrijf niet wordt vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het gepleegd is. In de literatuur wordt deze strafbaarstelling aangeduid als een absoluut klachtdelict. De regeling van de formele vereisten waaraan een dergelijke klacht moet voldoen wordt aangetroffen in de artikelen 64 tot en met 67 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 164 tot en met 166 van het Wetboek van Strafvordering. In de onderhavige casus is met name het gestelde in artikel 66 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht van belang: ‘De klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.’

(…)

Een andere grief van de verdediging luidt dat niet is voldaan aan dwingende wettelijke vereisten die worden gesteld aan de klacht als vervolgingsvoorwaarde. Het hof stelt vast dat in het geval van feit 4 (zaak Govers) binnen de gestelde termijn van die maanden klacht is gedaan. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten geldt dat buiten de in artikel 66, eerste lid, Sr gestelde termijn aangifte c.q. klacht is gedaan.

Uit de Memorie van Toelichting bij het Wetboek van Strafrecht blijkt dat de ambtshalve vervolging als regel werd gezien. Afhankelijkheid van de vervolging van de wil van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, is gezien als een zeldzame uitzondering. De enige grond die de wetgever daarvoor erkent is dat het bijzonder belang (van een individu) groter nadeel lijdt door het instellen van de vervolging dan het openbaar belang door het niet instellen (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede druk, 1891, eerste deel, p. 493). Dat bijzondere belang is erin gelegen dat ongewenste ruchtbaarheid, die door de door het delict getroffene als pijnlijk wordt ervaren, wordt vermeden. In meer hedendaagse bewoordingen kan worden vooropgesteld dat de regeling van de klacht ten gunste van het slachtoffer dient te gelden. De regeling is niet in het leven geroepen als waarborg voor de belangen van de verdachte. Het voorkomen van de blootstelling van een verdachte aan opsporing of vervolging is immers in dit kader geen rechtens te respecteren belang.

De jurisprudentie van de afgelopen decennia overziend, leert dat het belang van de aan de klacht gestelde formaliteiten sterk is gerelativeerd. Zelfs het ontbreken van een klacht hoeft niet zonder meer tot de niet ontvankelijkheid te leiden van het openbaar ministerie. Naar huidig recht kan worden gesteld dat de essentie bij klachtdelicten is dat vaststaat - of vastgesteld wordt - dat vervolging van verdachte de instemming geniet van het slachtoffer/de aangever. Indien een klacht ontbreekt of wanneer sprake is van tekortkomingen bij het in acht nemen van vormvoorschriften, kan dit worden hersteld. Doorslaggevend is of op grond van het strafdossier en/of het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam komt vast te staan dat het ook de uitdrukkelijke wens is van het slachtoffer dat het openbaar ministerie vervolging instelt tegen de verdachte.

Voornoemde relativering van de aan de strafklacht gestelde vereisten heeft naar het oordeel van het hof ook gevolgen voor de stelling van de verdediging dat de in artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht genoemde drie maanden-termijn van indienen van zo’n klacht door de klachtgerechtigde van dwingende aard is. Termijnoverschrijding zou - als het aan de verdediging ligt - als rechtsgevolg moeten hebben dat het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie is vervallen. Het hof verwerpt deze stelling.

De eerste reden is dat wanneer bij gemis van een formele klacht desondanks naar geldend recht vervolgbaarheid mogelijk blijft indien de wens tot vervolging op andere feiten en omstandigheden kan worden gebaseerd, de aan de formele klacht gekoppelde termijn van indiening ook aan belang inboet althans van geringere zelfstandige betekenis wordt.

De tweede reden is gelegen in de aard van het aan verdachte verweten feit: kort gezegd het afdreigen van geld onder bedreiging van bekendmaking van compromitterende afbeeldingen. Het zou ongerijmd zijn dat naarmate de ‘afdreiger’ door intimidatie en het zaaien van angst er beter in slaagt de afgedreigde te weerhouden van een stap naar de politie, hij - de verdachte - zijn vervolgbaarheid in voor hem positieve zin zou kunnen beïnvloeden in het geval hij daarmee een periode van drie maanden van inactiviteit van het slachtoffer weet te bewerkstelligen. Een dergelijk standpunt druist in tegen de geest van de wettelijke regeling van de klacht, die juist de belangen van de afgedreigde beoogt te beschermen.

De derde reden is van basale aard: een verdachte behoort geen profijt te hebben van een regeling die niet tot zijn bescherming, maar enkel tot bescherming van slachtoffers in het leven is geroepen.

Doorslaggevend voor de vraag of er sprake is van een rechtsgeldige klacht is als gezegd de wens van de afgedreigde dat er vervolging plaatsvindt. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de zes verschillende aangevers van een uitdrukkelijke vervolgingswens blijkt.

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feitencomplex blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens bij de aangever uit de omstandigheid dat aangever tot twee keer toe aangifte heeft gedaan, nog afzonderlijk stukken heeft overgelegd en een vordering benadeelde partij heeft ingediend die hij ook nog eens in hoger beroep heeft gehandhaafd.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feiten complex blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens bij de aangever uit de omstandigheid dat aangever nadat hij zijn verklaring op 24 april 2014 heeft afgelegd een periode van elf dagen bedenktijd heeft genomen alvorens hij de aangifte ondertekent op 5 mei 2014, hij 2 juni 2014 een klacht heeft ingediend alsmede een vordering benadeelde partij, die hij ook nog eens in hoger beroep heeft gehandhaafd.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feitencomplex blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens bij de aangever uit de omstandigheid dat aangever in zijn aangifte aangeeft geïnformeerd te willen worden over het verloop en de afdoening van de strafzaak, hij zijn schade wenst te verhalen in het strafproces en zich later ook heeft gesteld als benadeelde partij en voorts dat hij ook daadwerkelijk een klacht heeft ingediend.

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde feit is hiervoor reeds overwogen dat tijdig aangifte en klacht is gedaan.

Met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde feitencomplex blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens bij de aangever uit de omstandigheid dat aangever in zijn aangifte aangeeft geïnformeerd te willen worden over het verloop en de afdoening van de strafzaak en voeging in het strafproces wil om zijn schade te verhalen, hij bij zijn aangifte ook direct een klacht indient, zich later ook voegt als benadeelde partij en deze vordering ook nog eens in hoger beroep heeft gehandhaafd.

Met betrekking tot het onder 6 ten laste gelegde feitencomplex blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens bij de aangever uit de omstandigheid dat aangever in zijn aangifte aangeeft geïnformeerd te willen worden over het verloop en de afdoening van de strafzaak, voeging wenst in het strafproces om zijn schade te verhalen, hij tegelijkertijd bij zijn aangifte een klacht indient, zich later ook voegt als benadeelde partij en deze vordering ook nog eens in hoger beroep heeft gehandhaafd.”

9. In art. 318 Sr is afdreiging strafbaar gesteld. Het betreft een zogenaamd klachtdelict: ingevolge het derde lid van deze bepaling wordt dit misdrijf niet vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het is gepleegd.1 Uit de memorie van toelichting bij het Wetboek van Strafrecht van 1881 blijkt dat ambtshalve vervolging de regel is en afhankelijkheid van de vervolging van de wil van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd een zeldzame uitzondering. De ratio van deze uitzondering is dat het bijzonder belang groter nadeel zou kunnen lijden door het instellen van een vervolging dan het openbaar belang door het niet instellen daarvan.2 Het is daarom aan de klachtgerechtigde om te bepalen of vervolging dient plaats te vinden. Hofstee definieert de klachtgerechtigde als degene “tegen wie het misdrijf gericht is en aan wie alleen de beoordeling van de wenselijkheid der vervolging toekomt”.3

10. In de literatuur komt de hiervoor genoemde ratio ook aan de orde. Bij de bespreking van de strafbaarstelling van uitingsdelicten, zoals smaad, smaadschrift, laster en eenvoudige belediging, wijst De Bosch Kemper erop dat de rechtsorde niet wordt geacht zeer te zijn verstoord indien het slachtoffer geen klacht indient wegens laster of hoon en deze vrijwillig verdraagt. Bovendien, zo stelt hij, “heeft de wetgever aan de deugd van vergevingsgezindheid bij wanbedrijven, waarbij dit zonder nadeel voor de algemeene belangen der maatschappij kon geschieden, eenen waarborg willen geven, dat, wanneer men willens het onregt droeg, het openbaar ministerie niet als vervolger zoude kunnen tusschenbeide treden”.4 Van Bemmelen noemt in het kader van de beledigingsdelicten twee redenen voor het klachtvereiste: “Ten eerste is de onrust, in de maatschappij veroorzaakt door dit misdrijf, meestal niet groot; en ten tweede zal vaak het slachtoffer een strafvervolging met de daaraan verbonden publiciteit niet wensen.”5 Het klachtvereiste bij afdreiging acht hij begrijpelijk vanwege het nauwe verband tussen dit strafbare feit en de misdrijven smaad en smaadschrift.6 In het kader van de strafbaarstelling van belaging (art. 285b Sr), eveneens een klachtdelict, overwoog de Hoge Raad onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis dat het klachtvereiste ertoe strekt dat het slachtoffer kan afwegen of zijn persoonlijk belang om niet te worden geconfronteerd met eventuele negatieve gevolgen van een strafvervolging de voorrang heeft boven het algemene belang van strafvervolging. Te denken valt aan de mogelijkheid dat intieme details van het slachtoffer bij een eventuele vervolging naar buiten zullen worden gebracht.7

11. Ingevolge art. 164 Sv geschiedt de klacht “bij den bevoegden ambtenaar, hetzij door den tot de klachte gerechtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van eene bijzondere schriftelijke volmacht voorzien”. In art. 165 Sv is bepaald dat elke officier van justitie en elke hulpofficier van justitie bevoegd en verplicht is tot het ontvangen van een klacht. De klacht bestaat uit een aangifte met een verzoek tot vervolging. De klachtgerechtigde kan gedurende drie maanden na de dag waarop hij kennis heeft genomen van het gepleegde feit een klacht indienen (art. 66, eerste lid, Sr). Aan het indienen van een klacht is een wettelijke termijn verbonden, omdat moet worden voorkomen dat “aan een persoon tegen een ander een wettelijk zwaard in handen [wordt] gegeven, waarvan hij jaren lang, gedurende den geheelen verjaringstermijn, gebruik zoude kunnen maken. Daarenboven eischt het maatschappelijk belang eene spoedige vervolging der misdrijven, en het mag dus niet aan de willekeur van den tot klagte geregtigde worden overgelaten, het instellen der publieke actie tot de uiterste grens van den verjaringstermijn op te houden”.8 De klachtgerechtigde kan bij een delict als afdreiging zijn recht niet gedurende de gehele verjaringstermijn uitoefenen. In zoverre is zijn macht om te bepalen of de verdachte wordt vervolgd begrensd, terwijl het openbaar ministerie ook in geval van tijdig een klacht is ingediend de vrijheid heeft af te zien van vervolging op gronden aan het algemeen belang ontleend. Een vervolging zonder klacht zal leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

12. De inhoudelijke eisen die aan een klacht worden gesteld zijn in de rechtspraak van de Hoge Raad gerelativeerd. Indien een stuk wel een aangifte bevat maar geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging inhoudt, kan niettemin het bestaan van een klacht als omschreven in art. 164, eerste lid, Sv worden aangenomen, mits op grond van het onderzoek ter terechtzitting is vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van dat stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld.9 Het is niet voldoende dat het hof vaststelt dat zich “thans” een klacht bij de stukken bevindt. Vastgesteld moet worden dat de klager ten tijde van het doen van aangifte de wens had dat een vervolging zou worden ingesteld.10 Ook uit de omstandigheid dat de aangever beklag als bedoeld in art. 12 Sv had gedaan, kon worden afgeleid dat het zijn bedoeling was dat een vervolging tegen de verdachte zou worden ingesteld.11 Hetzelfde gold voor de omstandigheid dat de beledigde opsporingsambtenaar ter zake een proces-verbaal van bevindingen had opgemaakt waarin zij de wens te kennen had gegeven dat de verdachte zou worden vervolgd.12

13. Ook ten aanzien van de formele vereisten geldt dat eventuele verzuimen niet altijd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie behoeven te leiden. Zo oordeelde de Hoge Raad dat indien buiten twijfel staat dat de tot klacht gerechtigde een klacht heeft willen indienen, in bijzondere omstandigheden, met name indien de klacht aan een formeel vereiste niet voldoet door een verzuim van de ambtenaar die de klacht in ontvangst heeft genomen, kan worden aangenomen dat dit verzuim niet behoeft te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Het gaat hier immers om een aan de tot klacht gerechtigde toekomende bevoegdheid voor de verwerkelijking en juiste vormgeving waarvan deze is aangewezen op de medewerking van opsporingsambtenaren. De klachtgerechtigde mag niet de dupe worden van hun tekortschieten.13

14. In de onderhavige zaak heeft het hof niet vastgesteld dat de termijnoverschrijdingen te wijten zijn aan een tekortschieten door de overheid. De bestreden uitspraak strekt in dit opzicht veel verder dan de in de rechtspraak aanvaarde relativering van het gevolg van termijnoverschrijding. De strekking van het oordeel van het hof is dat de termijn van drie maanden niet van dwingende aard is en dat overschrijding daarvan niet tot gevolg heeft dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Volgens het hof is de wens tot vervolging van de aangevers doorslaggevend, ongeacht of deze wens binnen de klachttermijn tot uitdrukking is gekomen of zelfs al bestond. Daarmee wordt in wezen de klachttermijn buiten werking gesteld. Dat voert te ver. Een dergelijke operatie, die het resultaat zal zijn van rechtspolitieke afwegingen, is aan de wetgever. Voorbereidingen daartoe zijn overigens al getroffen. In de concept-memorie van toelichting bij het concept “wetsvoorstel tot vaststelling van Boek 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering inhoudende bepalingen over het opsporingsonderzoek in verband met de modernisering van het Wetboek van Strafvordering” wordt afschaffing van de termijn van drie maanden in het vooruitzicht gesteld:

“Zoals gezegd, bepaalt vooral het Wetboek van Strafrecht welke misdrijven alleen op klacht kunnen worden vervolgd en wie klachtgerechtigd is. Naast deze materieelrechtelijke bepalingen bevat dat wetboek ook enkele procedurele bepalingen. Het betreft de bepaling over de termijn waarbinnen een klacht moet worden gedaan (artikel 66 Sr en aanverwante bepalingen) en de termijn waarbinnen deze kan worden ingetrokken (artikel 67 Sr). Deze procedurele bepalingen lenen zich ervoor, voor zover het wenselijk is die te handhaven (zie hierna), naar het Wetboek van Strafvordering te worden overgeheveld.

Artikel 66 Sr houdt in dat een klacht, uitzonderingen daargelaten, binnen drie maanden moet worden gedaan na kennisneming van het misdrijf. Voorgesteld wordt deze en aanverwante bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht niet in dit wetsvoorstel over te nemen, en bij de invoeringswet uit het Wetboek van Strafrecht te schrappen. Zoals hierboven aan de orde kwam, is ook het doen van aangifte – op goede gronden – niet aan een termijn gebonden. Ratio van de termijn voor indiening van de klacht is dat de klachtgerechtigde het niet in zijn macht moet hebben tot aan het einde van de verjaringstermijn te kunnen bepalen of strafvervolging mogelijk is.(…) Daar staat tegenover dat een termijn voor het indienen van een klacht een obstakel kan vormen voor slachtoffers die een langere tijd nodig hebben om hun vrees voor de dader te boven te komen en aangifte te doen. Te denken valt in dit verband aan misdrijven zoals belaging en tal van misdrijven zoals vermogensmisdrijven en vernieling waarvan het slachtoffer weet dat deze zijn begaan door de ex-partner. Daar komt bij dat van veel strafbare feiten die zonder een aangifte doorgaans niet ter kennis van de opsporingsdiensten komen, en die geen klachtdelicten zijn, wel tot aan het einde van de verjaringstermijn aangifte kan worden gedaan. De omstandigheid dat een aangever onredelijk lang heeft gewacht met het doen van aangifte zou ook bij klachtdelicten kunnen worden meegewogen bij de beslissing over de opportuniteit van het instellen van vervolging.”

15. Dat is evenwel toekomstmuziek. Het huidig recht berust op een andere afweging door de wetgever. In dit verband valt ook te wijzen op de geschiedenis van totstandkoming van de artikelen 245 (oud), 247 (oud) en 248ter (oud) Sr. Tot 1 oktober 2002 had een vervolging wegens deze zedenmisdrijven niet plaats dan op klacht, terwijl tot 9 oktober 1991 de klachttermijn drie maanden betrof. Deze termijn is in 1991 verlengd.14 In het vierde lid van art. 245 (oud) Sr werd neergelegd dat in afwijking van het bepaalde in onder meer art. 66 Sr de klachttermijn werd gelijkgesteld aan de verjaringstermijn als bedoeld in art. 70 Sr. Hetzelfde werd bepaald ten aanzien van de in art. 247 (oud) Sr en art. 248ter (oud) Sr opgenomen strafbaarstellingen. De klachttermijn voor deze strafbare feiten werd gelijkgesteld aan de verjaringstermijn omdat uit onderzoeken was gebleken dat personen die slachtoffer zijn geweest van seksueel misbruik pas veel later de behoefte krijgen “iets tegen de dader te ondernemen”.15 Door het verlengen van de klachttermijn werd aan die behoefte tegemoetgekomen. De wetgever heeft daarbij niet de keuze gemaakt de klachttermijn als bedoeld in art. 66, eerste lid, Sr als zodanig af te schaffen.

16. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de vraag of de klacht is ingediend binnen de klachttermijn van art. 66, eerste lid, Sr daadwerkelijk van belang is ter beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Te wijzen valt op HR 17 december 1968, NJ 1969/193, waarin de Hoge Raad overwoog dat ingevolge art. 269 Sr in verbinding met art. 66 Sr het ten laste gelegde slechts vervolgbaar en mitsdien de officier van justitie slechts ontvankelijk is na een klacht, ingediend gedurende drie maanden nadat de tot klacht gerechtigde kennis heeft bekomen van het misdrijf.16 In de desbetreffende zaak had de politierechter niet onderzocht of de klacht was gedaan binnen drie maanden na het bekend worden van het misdrijf. De politierechter had aldus niet de ontvankelijkheid van de officier van justitie onderzocht, met nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting tot gevolg.

17. Ik wijs voorts op HR 8 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6708, NJ 2007/527 m.nt. Reijntjes, waarin het ging om een vervolging wegens overtreding van art. 247 (oud) Sr. Ten tijde van het ten laste gelegde was de termijn voor het indienen van een klacht gelijkgesteld aan de verjaringstermijn. Pas tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep had de benadeelde de wens geuit dat de verdachte zou worden vervolgd. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat aan het vereiste van een klacht was voldaan niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en nam daarbij onder meer in aanmerking dat de termijn waarbinnen de benadeelde op grond van art. 247, derde lid, (oud) Sr in verbinding met art. 245, vierde lid, (oud) Sr een klacht kon indienen, pas zou eindigen op de dag waarop de verjaringstermijn zou eindigen.

18. Voor een recent voorbeeld verwijs ik naar HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:667. In cassatie werd geklaagd dat het hof het verweer dat de klachten niet binnen de termijn van art. 66, eerste lid, Sr waren ingediend op onjuiste gronden had verworpen. De bewezen verklaarde periode (27 augustus 2009 tot en met 10 december 2012) was korter dan de ten laste gelegde (27 augustus 2009 tot en met 1 juli 2014), terwijl de aangevers op 11 juli 2014 aangifte van belaging hadden gedaan. De Hoge Raad oordeelde dat het hof had vastgesteld dat de aangevers ten tijde van het doen van de aangifte de overtuiging hadden uitgesproken dat de belaging tot op de datum van het doen van aangifte voortduurde en dat niet was gebleken van feiten en omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat de aangevers in hun aangifte bewust en in strijd met de waarheid een onjuiste einddatum van de belaging hadden gemeld. Het op die omstandigheden gebaseerde oordeel dat tijdig een klacht was ingediend, getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 66, eerste lid, Sr en was niet onbegrijpelijk.17

19. Uit de rechtspraak leid ik af dat de rechter weliswaar (enige) ruimte heeft om te beoordelen wanneer de klachttermijn is aangevangen, maar dat een binnen de wettelijke termijn ingediende klacht bij klachtdelicten onverkort als voorwaarde geldt voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

20. Het voorafgaande brengt mij tot de volgende slotsom. Het vereiste dat de klachtgerechtigde binnen drie maanden nadat hij bekend is geworden met het feit zijn klacht moet hebben ingediend, kan slechts in geval van bijzondere omstandigheden worden gerelativeerd. De door de Hoge Raad ontwikkelde relativeringen op het klachtvereiste laten onverlet dat het indienen van een klacht binnen de wettelijke klachttermijn als voorwaarde voor vervolgbaarheid geldt. En daar wringt de schoen in de bestreden uitspraak.

21. Het hof heeft vastgesteld dat een aantal aangevers pas na het verstrijken van de klachttermijn aangifte heeft gedaan dan wel een klacht heeft ingediend. Het hof heeft niet vastgesteld dat deze termijnoverschrijding is te wijten aan een tekortschieten door de overheid, maar heeft – kort samengevat – overwogen dat de overschrijding van de termijn van art. 66, eerste lid, Sr niet als rechtsgevolg heeft dat het openbaar ministerie geen vervolgingsrecht meer toekomt. Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat de inhoudelijke en formele vereisten aan een klacht in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn gerelativeerd en dat er omstandigheden denkbaar zijn waarin aan die vereisten niet moet worden vastgehouden, wettigt niet de conclusie dat ook de klachttermijn zelf niet langer in acht behoeft te worden genomen. Anders dan het hof heeft geoordeeld, strekt de in de wet opgenomen termijn waarbinnen een klacht moet worden ingediend juist wel tot bescherming van de verdachte: aan de klachtgerechtigde mag geen “wettelijk zwaard” tegen een ander worden gegeven waarvan hij jarenlang gebruik zou kunnen maken.

22. Het hof heeft vastgesteld dat alleen ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit binnen de gestelde termijn een klacht is ingediend, terwijl ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten geldt dat buiten de in art. 66, eerste lid, Sr gestelde termijn aangifte is gedaan dan wel een klacht is ingediend. Nu het hof geen omstandigheden heeft vastgesteld waaruit blijkt dat de desbetreffende klachtgerechtigden binnen de klachttermijn vervolging wensten en dat de termijnoverschrijding het gevolg is van een tekortschieten van de overheid, kan het bestreden arrest niet in stand blijven.

23. Het middel slaagt.

24. Het tweede middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de politie vermoedelijke slachtoffers van afdreiging mocht benaderen zonder dat zij een klacht hadden ingediend, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet begrijpelijk is.

25. Uit de in het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2017 ingelaste pleitnota blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte het volgende heeft aangevoerd:

“Dat brengt mij bij het volgende punt: de strekking van de klacht als voorwaarde voor de toelaatbaarheid van een vervolging brengt mee dat ook opsporingshandelingen ter zake van een klachtdelict bij gebreke van een klacht achterwege blijven, tenzij de tot klacht gerechtigde anders wenst. Er is hooguit enige ruimte tot het verrichten van algemeen oriënterend onderzoek. Maar in dit geval is het veel verder gegaan: bankrekeningen werden uitgepluisd, nagezocht werd welke personen bij die bankoverschrijvingen hoorden, die personen werden actief benaderd door de politie met de mededeling dat zij dachten dat die persoon werd afgedreigd. Het onderzoek ging verder dan enkel naar ongebruikelijke transacties. De officier van justitie zegt in zijn requisitoir “de politie neemt contact op met de betalers van die geldbedragen omdat het vermoeden bestaat dat ook zij afgedreigd zijn”. Ze waren dus welbewust aan het opsporen in een zaak waarvoor klachten nodig waren.

De politie heeft hen vervolgens aangespoord, soms zelfs meermalen en indringend, om aangifte te doen. Pas na een gesprek met de politie en wetende dat hun gegevens nu toch al bekend waren, hebben zij aangifte gedaan. En soms zelfs nog voordat die mensen aangifte deden, werd het onderzoek uitgebreid en de communicatie van de verdachten in de gaten gehouden met zowel telefoon- als IP-taps. Dit gaat veel verder dan algemeen oriënterend onderzoek. Niets van dit onderzoek had mogen plaatsvinden. Zou dit niet hebben plaatsgevonden, dan zouden er minder aangiftes hebben gelegen en zou het onderzoek niet tot een beschuldiging van gewoontewitwassen van deze omvang hebben geleid, noch tot zo’n forse ontnemingsvordering. Dat kan een onbevredigend resultaat zijn, maar het is wel de wet die dit zo bepaalt. Nu op grond van de wet niet tot opsporing overgegaan had mogen worden, dit blijkens het dossier stelselmatig wel is gedaan, dient het OM niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging voor alle feiten waarbij de aangevers niet uit eigener beweging contact met de politie hebben opgenomen, dus alle zaken m.u.v. die van aangever [betrokkene 1] (nr 23). Ook dienen de uitkomsten van dit onderzoek niet meegenomen te worden in de beoordeling van het gewoontewitwassen en de ontnemingsvordering.”

26. Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Is de stelling van de verdediging juist dat aangevers in zaken waarin een verdenking bestaat van een klachtdelict door de politie niet uit eigen beweging mogen worden benaderd zonder dat er al een klacht voorhanden is? Had het onderzoek zo uitvoerig mogen plaatsvinden zonder klacht?

In het onderhavige opsporingsonderzoek zijn inderdaad vermoedelijke slachtoffers van afdreiging door de politie benaderd. Dit was eerst nadat de aangever in het onder 1 ten laste gelegde feit zichzelf op 18 mei 2013 bij de politie had gemeld en aangifte deed van het feit dat hij naar aanleiding van een seksueel getinte chatsessie en direct daarop volgende webcamcontact op 10 januari 2013 gechanteerd werd met opnamen waarop te zien was dat hij seksuele handelingen bij zichzelf verrichtte. Op 27 maart 2014 doet aangever - nadat hij wederom is benaderd om geld - aanvullend aangifte. Hierop volgt onderzoek door de politie. Rekeningnummers worden onderzocht, telefoonnummers worden achterhaald en een IP- adres van de aan aangever verzonden e-mails wordt bekend. De onderzoeksresultaten leiden naar verdachte en haar partner. Met name door onderzoek van bankafschriften toebehorend aan beide verdachten ontstaat het vermoeden van het bestaan van mogelijke andere slachtoffers.

De verwachting dat bij een aangifte als hierboven genoemd opsporingsambtenaren hun ogen zouden dienen te sluiten voor andere verdenkingen enkel vanwege de omstandigheid dat het vermoeden een strafbaar feit betreft dat aangemerkt moet worden als een (absoluut) klachtdelict, acht het hof een overspanning van het straf- en strafprocesrecht. Net zoals het ridicuul is te veronderstellen dat wanneer dergelijke verdenkingen uit opsporingsonderzoek naar boven komen, van opsporingsambtenaren moet worden verwacht dat zij in lijdzaamheid gaan afwachten totdat een mogelijk afgedreigde zichzelf spontaan bij de politie meldt voor het doen van een aangifte. Er is geen rechtsregel die verbiedt dat in het geval van een klachtdelict de politie mogelijke slachtoffers van strafbare feiten benadert en hen wijst op mogelijkheden die het strafrecht voor hen kan bieden of zelfs uitdrukkelijk tot het doen van een aangifte uitnodigt. Dit zou eerst anders zijn wanneer tegen een door een mogelijke slachtoffer uitdrukkelijk kenbaar gemaakte wens in, (nadere) onderzoekhandelingen zouden worden geïnitieerd dan wel voortgezet. Hieromtrent is door de verdediging niets gesteld. Het strafdossier biedt voor een dergelijke stelling ook geen aanknopingspunt. Sterker, uit het dossier blijkt dat er meerdere slachtoffers zijn die er voor hebben gekozen géén aangifte te doen en dat deze keuze door de politie ook is gerespecteerd. Het hof is voorts van oordeel dat de stelling van de raadsvrouw dat er nimmer onderzoek door de politie mag of opsporingshandelingen mogen worden verricht, voordat er klacht is gedaan, geen steun vindt in het recht. Het hof vindt voor dit oordeel steun in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 1997, NJ 1997, 474. Het door de verdediging gevoerde verweer op dit punt wordt dan ook verworpen.”

27. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 3 mei 1977, NJ 1978/692 dat in de regeling van de op klacht vervolgbare misdrijven de klacht weliswaar slechts wordt aangemerkt als voorwaarde voor toelaatbaarheid van vervolging ter zake van zodanig misdrijf, maar dat de strekking van die regeling meebrengt dat ook opsporingshandelingen te dier zake bij gebreke van een klacht achterwege blijven, tenzij de tot klacht gerechtigde te kennen heeft gegeven een opsporingsonderzoek te wensen. De Hoge Raad wees daarbij op de ratio van het klachtvereiste, te weten het voorkomen dat het bijzonder belang groter nadeel lijdt door het instellen van een vervolging dan het openbaar belang door het niet-instellen daarvan. Ongewenste ruchtbaarheid kan door de door het delict getroffene als pijnlijk worden ervaren. Dit bijzondere belang kan reeds worden benadeeld door een opsporingsonderzoek. Het onderzoek ter voorbereiding van een vervolging mag dan ook slechts worden ondernomen als er een klacht is ingediend of als de tot klacht gerechtigde te kennen heeft gegeven zodanig onderzoek te wensen. In latere rechtspraak heeft de Hoge Raad deze koers bevestigd.18

28. In een zaak waarin het ging om een vervolging wegens ontucht met een minderjarige (art. 247 (oud) Sr), wijst mijn voormalig ambtgenoot Fokkens er in zijn conclusie op dat niet alleen de minderjarige zelf, maar ook de Raad voor de Kinderbescherming klachtgerechtigd is en de wens te kennen kan geven dat er opsporing plaatsvindt. De Raad voor de Kinderbescherming kan – zo blijkt uit de wetsgeschiedenis – door de politie worden gewezen op een vermoeden dat kinderen worden misbruikt voor de vervaardiging van pornografische voorstellingen. Dat impliceert volgens Fokkens dat de politie wel bevoegd is om enig algemeen, oriënterend en inventariserend opsporingsonderzoek te doen naar aanleiding van meldingen dat er ontucht zou worden gepleegd. Gericht opsporingsonderzoek, waarbij getuigen, slachtoffers en verdachten worden gehoord of dwangmiddelen als inbeslagneming worden toegepast, is volgens hem echter niet geoorloofd zonder de wens daartoe van een klachtgerechtigde.19 De Hoge Raad liet zich over dit ambtshalve door Fokkens opgeworpen punt niet uit. Swier deelt de mening van Fokkens dat het horen van mogelijke slachtoffers gerichte opsporing is en niet is toegestaan.20 Van Woensel meent evenwel dat onder een algemeen opsporingsonderzoek kan worden begrepen het horen van iemand om te vernemen of hij slachtoffer is.21

29. In enkele conclusies wordt het belang van de klachtgerechtigde bij het niet verrichten van opsporingsonderzoek zonder wens daartoe aangehaald om verzuimen achteraf te repareren. Mijn voormalig ambtgenoot Leijten meent dat de ratio van het klachtvereiste ervoor pleit om aan het instellen van de klacht legitimerende werking te geven ten aanzien van eerder verrichte opsporingshandelingen, mits de klacht binnen de termijn van art. 66, eerste lid, Sr is ingediend.22 Het ging in de zaak waarin hij concludeerde om een beledigde slager die was uitgenodigd om op het politiebureau te komen nadat de beledigende pamfletten in beslag waren genomen. Er waren dus al opsporingshandelingen verricht. De Hoge Raad ging op dit (door Leijten ambtshalve opgeworpen) punt in zijn arrest niet in.23 Mijn voormalig ambtgenoot Jörg wijst er in zijn conclusie voorafgaand aan HR 2 september 2003, nr. 01882/02 (niet gepubliceerd) op dat het oordeel van het hof dat het belang van de klachtgerechtigde niet is geschaad door het horen van de twee getuigen voorafgaand aan de ingediende klacht niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is. Hij neemt daarbij in aanmerking dat de klachtgerechtigde twee dagen na het horen van de getuigen alsnog een klacht heeft ingediend waardoor de eerder verrichte opsporingshandelingen zijn gelegitimeerd. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met toepassing van art. 81, eerste lid, RO. In een andere zaak waarin werd geklaagd dat er al opsporingshandelingen waren verricht naar de belediging van A voordat deze een klacht had ingediend, komt mijn ambtgenoot Machielse eveneens tot de conclusie dat het middel faalt.24 Machielse benoemt in dat verband de ratio van het klachtvereiste en stelt dat indien de politie slechts verklaringen van anderen, die zich bij de politie melden, registreert, maar nog geen verder onderzoek instelt, en de benadeelde vervolgens aangifte doet, hij zeker niet in zijn belang is geschaad door de eerdere registraties.

30. In de onderhavige zaak heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de aangifte van [betrokkene 1] een wens tot opsporingsactiviteiten omvatte. Ik neem daarbij in aanmerking dat het hof heeft overwogen dat uit de omstandigheden dat de aangever tot twee keer toe aangifte heeft gedaan, hij afzonderlijk stukken heeft overgelegd en een vordering benadeelde partij heeft ingediend die hij in hoger beroep heeft gehandhaafd, blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens bij de aangever.

31. Het hof heeft vastgesteld dat mogelijke slachtoffers van afdreiging door de politie zijn benaderd nadat de aangever van het onder 1 ten laste gelegde feit ([betrokkene 1]) op 18 maart 2013 aangifte had gedaan van afdreiging en dat het onderzoek door de politie is gevolgd op de aanvullende aangifte van [betrokkene 1] van 27 maart 2014. Deze vaststellingen worden in cassatie niet bestreden. Het opsporingsonderzoek is aldus gestart naar aanleiding van de aangifte en de aanvullende aangifte van [betrokkene 1], terwijl dat onderzoek resulteerde in de ontdekking van andere strafbare feiten en vermoedelijke slachtoffers van die strafbare feiten. Het hof heeft in dit verband overwogen dat met name door onderzoek van bankafschriften toebehorende aan beide verdachten het vermoeden ontstond van het bestaan van mogelijke andere slachtoffers.

32. Het oordeel van het hof dat de politie de naar aanleiding van het opsporingsonderzoek ontdekte vermoedelijke slachtoffers kon benaderen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ik wijs erop dat de politie in de opsporingsfase doorgaans nog geen scherp beeld van de zaak heeft. Denkbaar is dat de politie onderzoek doet naar aanleiding van een klacht en daarbij stuit op mogelijke andere slachtoffers dan de klachtgerechtigde. Ook is het mogelijk dat de politie opsporingshandelingen verricht in verband met de verdenking van een strafbaar feit dat op het eerste gezicht geen klachtdelict lijkt te zijn, terwijl naderhand blijkt dat strafbare feit in kwestie wel een klachtdelict is.25 Ten slotte is het denkbaar dat het horen van de desbetreffende personen relevant kan zijn voor het opsporingsonderzoek in de zaak van de klachtgerechtigde die de wens tot opsporing en vervolging heeft geuit. Tegen die achtergrond zou het moeilijk te rechtvaardigen zijn als de politie deze personen niet zou mogen benaderen.

33. Van strijd met de strekking van het klachtvereiste is in een geval als het onderhavige geen sprake. Door mogelijke andere slachtoffers te benaderen en te ondervragen wordt immers nog geen onnodige ruchtbaarheid gegeven aan de zaken die hen betreffen, terwijl zij bovendien zijn benaderd in het kader van het opsporingsonderzoek dat is ingesteld naar aanleiding van een opsporingswens van een tot klacht gerechtigde.

34. Het bestreden oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

35. Het middel faalt.

36. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt.

37. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

38. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest ten aanzien van de beslissingen op het onder 1, 2, 3, 5 en 6 ten laste gelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de onderhavige zaak betreft het tevens een absoluut klachtdelict: het delict is wegens haar aard alleen op klacht vervolgbaar.

2 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, 1881, deel I, p. 493.

3 E.J. Hofstee in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 3, bij art. 318 Sr (actueel t/m 15 mei 2015).

4 J. de Bosch Kemper, Wetboek van strafvordering, naar deszelfs beginselen ontwikkeld en in verband gebragt met de algemeene regtsgeleerdheid, met een bijvoegsel, bevattende formulieren en voorbeelden der ambtsverrigtingen van regter-commissarissen, officieren van justitie, griffiers, hulpofficieren enz., 1838, p. 182. Hierover ook A.L.J. Janssens, Strafbare belediging, Thela Thesis 1998, p. 47.

5 J.M. van Bemmelen en W.F.C. van Hattum, Hand- en leerboek van het Nederlandse strafrecht. Deel II Bijzondere delicten, door J.M. van Bemmelen, Arnhem: S. Gouda Quint – D. Brouwer en Zoon 1954, p. 500.

6 Van Bemmelen 1954, p. 297.

7 HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ4289, rov. 3.7 en Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 3, p. 8.

8 Smidt 1881, deel I, p. 498. Zie ook onderdeel 13 van de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga voor HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9970.

9 HR 11 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC8448, NJ 1994/278, HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ4289, rov. 3.8.1, HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6662, HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:380 en 381, rov. 2.5, HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1198, rov. 2.5, HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:967, NJ 2017/248, rov. 3.5.

10 HR 22 april 1997, NJ 1997/546, rov. 5.5 en 5.6.

11 HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3501, NJ 2010/46, rov. 2.3.5. In de desbetreffende zaak had de aangever ook aangifte van het feit gedaan op de dag van het ten laste gelegde.

12 HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9970. Het desbetreffende proces-verbaal was opgemaakt op de dag van het ten laste gelegde. Vgl. ook HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:967, NJ 2017/248, rov. 3.5.

13 Vgl. HR 2 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9497, NJ 1994/197 m.nt. van Veen en HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0821, NJ 2018/661, m.nt. T.M. Schalken. Zie voorts de onderdelen 14 en 15 van de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voor HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:305.

14 Wet van 9 oktober 1991, Stb. 1991/519.

15 Kamerstukken II 1990/91, 20 930, nr. 13, p. 4.

16 Zie hierover ook A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 3 bij art. 66 (actueel t/m 1 november 2004).

17 HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:667. De ruimte die de Hoge Raad de feitenrechter laat om te beoordelen wanneer de klachttermijn is aangevangen is niet onbegrensd. Vgl. HR 15 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5257. Zie in dit verband ook de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voor HR 9 februari 2010, nr. 07/13581 (niet gepubliceerd, HR: art. 81, eerste lid, RO), onderdeel 8. De officiële klacht was buiten de termijn van drie maanden ingediend, maar de benadeelde had eerder aangifte gedaan en uit de brief met daarin de klacht kon het hof afleiden dat de benadeelde de wens tot vervolging reeds had op een eerder moment dan het moment waarop zij deze brief schreef.

18 HR 16 juni 1998, NJ 1998/800, rov. 4.5. Zie voorts Remmelink 1996, p. 589 en A.J. Blok en L. Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1925, deel I, p. 474-475, die ook wijzen op de ratio van het klachtvereiste.

19 Onderdeel 10 van de conclusie van A-G Fokkens voor HR 17 januari 1994, NJ 1997/474 onder verwijzing naar kamerstukken I 1990-91, 20 930, nr. 75b, p. 3.

20 B.C. Swier, ‘Het klachtdelict belicht’, NJB 1998, p. 164-170, p. 166.

21 S. van Woensel, ‘Alweer een schofferend arrest?’, NJB 1997, p. 1718-17-1720, p. 1719.

22 Conclusie A-G Leijten voor HR 19 september 1988, NJ 1989/146. Zie voorts R. Beaujan in Handboek Strafzaken, hoofdstuk 31.19.2 (actueel t/m 18 augustus 2010), die stelt dat in geval van een klachtdelict goed moet worden opgelet of het gebezigde bewijsmateriaal na indiening van de klacht is verzameld dan wel of, indien hiervan geen sprake is, uit de processtukken blijkt van instemming vooraf of achteraf.

23 Zie hierover ook Van Woensel 1997, p. 1719.

24 Onderdeel 5.1 e.v. van de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 30 oktober 2001, nr. 01410/00 II (niet gepubliceerd).

25 Vgl. Swiers 1998, p. 167. Zie ook de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Jörg voor HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1107, onderdeel 12. Het is ook mogelijk dat de politie onderzoek doet naar een relatief klachtdelict (bijvoorbeeld diefstal, art. 310 in verbinding met art. 316 Sr), niet wetende dat de verdachte de echtgenoot van het slachtoffer is. Remmelink stelt de ratio van de klacht in zo’n geval pleit voor een verbod tot verdere opsporing zodra de politie ontdekt dat de (opgespoorde) verdachte de echtgenoot van het slachtoffer is. Zie Remmelink 1996, p. 589.