Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1195

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-10-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
17/02212
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2250, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Bedreiging van baliemedewerkster gemeente Rotterdam. Klacht over bewezen verklaarde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht o.g.v. de uitlating “ik zeg dit in het algemeen maar als ik morgen niet om 17:00 uur ben gebeld en jij hier zit, dan ga jij eraan”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02212

Zitting: 30 oktober 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 25 april 2017 door het gerechtshof Den Haag in de zaak met parketnummer 10-094567-16 wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en in de zaak met parketnummer 10-139674-16 wegens “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een opgelegde voorwaardelijke straf.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. D.J.G.J. Cornelissen, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat het hof de bewezen verklaarde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht niet naar de eis der wet voldoende met redenen heeft omkleed.

  4. Ten laste van de verdachte heeft het hof in de zaak met parketnummer 10-094567-16 bewezen verklaard dat:

“hij, op 1 maart 2016, te Rotterdam, [betrokkene 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [betrokkene 1] dreigend de woorden toegevoegd: "ik zeg dit in het algemeen maar als ik morgen niet om 17:00 uur ben gebeld en jij hier zit, dan ga jij eraan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;”

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 8 maart 2016 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016078684-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 3 e.v.):
als de op voornoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :


Ik ben werkzaam voor cluster werk en inkomen voor de gemeente Rotterdam, te Rotterdam. Mijn functie bestaat uit administratief ondersteunen van beheer en inkomen. Op 1 maart 2016 was ik werkzaam achter de balie van de Heiman Dullaertplein 3 te Rotterdam. Ik zag dat [verdachte] naar de balie kwam. Ik zag en hoorde dat [verdachte] tegen mij zei: “Ik zeg dit in het algemeen maar als ik morgen niet om 17:00 uur ben gebeld en jij hier zit, dan ga jij eraan”. Ik schrok heel erg van zijn uitspraak en voelde mij bedreigd.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 april 2016 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016078684-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 5 e.v.):
als de op voornoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :


Ik ben werkzaam als ordebewaarder op het Heiman Dullaertplein 3, daar zit de afdeling werk en inkomen van de gemeente Rotterdam. Op 1 maart 2016 was ik aan het werk. Op deze dag zag ik dat een voor mij bekende cliënt, genaamd [verdachte] , in gesprek was met een medewerkster genaamd [betrokkene 1] . Zodra ik de stemverheffing hoorde van [verdachte] , liep ik naar hun gesprek toe. Ik zag dat [verdachte] opstond. Ik hoorde [verdachte] tegen [betrokkene 1] zeggen: "Als het niet geregeld is, ga je eraan". Of woorden van gelijke strekking. Ik merkte dat hij boos was.”

6. Daarnaast heeft het hof, in reactie op een verweer van de verdediging, ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen :

“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder parketnummer
10-094567-16 ten laste gelegde. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de door de verdachte geuite bewoording geen bedreiging in de zin van de wet is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie is voor de bewezenverklaring van een bedreiging met een misdrijf vereist dat de uitlatingen van de verdachte van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn gedaan dat bij degenen tot wie zij zijn gericht, de redelijke vrees kon ontstaan dat zij slachtoffer van een misdrijf zouden kunnen worden.

Het hof stelt naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep vast dat aangeefster [betrokkene 1] op 1 maart 2016 werkzaam was achter de balie als administratief ondersteuner van Beheer en Inkomen voor de gemeente Rotterdam. De verdachte kwam naar de balie van aangeefster en zei tegen haar "ik zeg dit in het algemeen maar als ik morgen niet om 17:00 uur ben gebeld en jij hier zit, dan ga jij eraan".
De bedreiging van de verdachte was persoonlijk gericht tegen de aangeefster, baliemedewerkers van gemeenten krijgen vaker te maken met bedreigingen als deze en het is een feit van algemene bekendheid dat deze bedreigingen ook regelmatig verder vorm krijgen als fysiek geweld jegens bedreigden. In dat licht bezien kon bij aangeefster de redelijke vrees ontstaan dat zij daadwerkelijk slachtoffer van een misdrijf zouden kunnen worden. Het hof verwerpt derhalve het verweer.”

7. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Art. 285, eerste lid, Sr stelt – voor zover voor de onderhavige zaak relevant – bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht strafbaar. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij of zij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet daarop is gericht.1 Machielse heeft in dat verband betoogd dat de omstandigheden van het geval een versterkende factor kunnen zijn voor de ontstane redelijkheid van de vrees, maar niet het als zodanig bedreigend karakter aan de geuite woorden kunnen ontnemen.2 Dat zou naar mijn mening anders kunnen zijn in geval de omstandigheden waaronder de worden zijn gebruikt dusdanig zijn dat daaruit volgt dat de bewoordingen een andere strekking hebben.

8. De steller van het middel voert in de eerste plaats aan dat onbegrijpelijk is dat het hof heeft aangenomen dat de bedreiging persoonlijk was gericht tegen de aangeefster. Ik deel dit standpunt niet. De kern van de bedreiging, zoals die door het hof is aangenomen, is gelegen in de woorden: “dan ga jij eraan”. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat deze woorden tot de aangeefster zijn gericht.
Daarmee is het oordeel van het hof dat de door hem als bedreigend aangemerkte uitlating van de verdachte (persoonlijk) was gericht tegen de aangeefster niet onbegrijpelijk.

9. In de tweede plaats keert de steller van het middel zich tegen het oordeel van het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat bedreigingen tegen baliemedewerkers van gemeenten regelmatig “verder vorm krijgen als fysiek geweld jegens bedreigden”. De steller van het middel merkt terecht op dat zelfs als zou worden uitgegaan van de juistheid van het oordeel dat ruzies op het gemeentebureau veelal ontaarden in fysiek geweld, daarmee geen invulling kan worden gegeven aan de objectieve vrees dat de medewerkster eenzelfde soort ruzie met haar leven moet bekopen. Het is in elk geval geen feit van algemene bekendheid dat baliemedewerkers van gemeenten regelmatig het leven verliezen bij fysiek geweld dat volgt op bedreigingen in gemeentebureaus. De overweging dat in dat licht bezien bij de aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat zij daadwerkelijk slachtoffer van een misdrijf zou kunnen worden, heeft in dit verband als zodanig geen zelfstandige betekenis. Ook daarvoor geldt dat het niet gaat om de objectieve vrees dat een misdrijf jegens de aangeefster zal worden begaan, maar dat het gaat om een misdrijf waarbij zij het leven zal verliezen.

10. Daarmee is echter niet het laatste woord gezegd. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte tegen de aangeefster met stemverheffing heeft gezegd dat als hij de volgende dag niet om 17.00 uur is gebeld en de aangeefster daar dan zit, zij eraan gaat. De term ‘eraan gaan’ laat weinig aan de verbeelding over. In de ‘Dikke Van Dale’ wordt de term ‘hij gaat eraan’ eenduidig aangemerkt als een uitdrukking dat de desbetreffende persoon dood gaat. In de ondubbelzinnigheid van het taalgebruik verschilt de onderhavige zaak van zaken waarin de verdachte bewoordingen had gebruikt die niet rechtstreeks duiden op bepaalde gedragingen dan wel op het doen intreden van een bepaald gevolg.3 Te wijzen valt op een zaak met een vergelijkbare achtergrond. In die zaak had de verdachte op boze toon naar een beveiliger van de gemeente Veenendaal geschreeuwd en de volgende bewoordingen gebruikt: “Ik heb wel meer mensen bewerkt”, “Als ik iemand pak, dan pak ik jou” en “Ik zal zien hoe laat jij klaar bent”.4De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht niet toereikend was gemotiveerd. Aan te nemen valt dat deze uitkomst samenhangt met de niet eenduidige betekenis van de woorden ‘bewerken’ en ‘pakken’, die zonder bijkomende omstandigheden onvoldoende zijn om te kunnen worden aangemerkt als een bedreiging met een misdrijf tegen het leven.5

11. Wel toereikend gemotiveerd was een bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht in een zaak waarin de verdachte tegen twee werknemers van hem had geroepen: “Ik maak je helemaal kapot”, “Ik weet waar je woont en ik ken wel een paar mannetjes die ik op je afstuur” en “Laat ik heel duidelijk stellen, als ik erachter kom dat jullie mij zwart maken, achter mijn rug om, dan maak ik jullie helemaal kapot! Ook financieel”.6Van Dale kent aan de uitdrukkingen ‘iemand kapot maken’ en ‘hij gaat eraan’ een soortgelijke betekenis toe. In beide gevallen verliest de aangesprokene in geval van uitvoering van het dreigement het leven. Niettemin is het bij beide soorten uitlatingen denkbaar dat de omstandigheden van het geval erop duiden dat deze in andere zin zijn bedoeld. Te denken valt aan de tennisser die één punt verwijderd is van de overwinning en zijn tegenstander aan het net toebijt dat hij eraan gaat. De sportiviteitsprijs zal deze tennisser niet winnen, maar het voert – zonder bijkomende omstandigheden - te ver aan te nemen dat door deze opmerking bij de tegenstander in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Hij zal hooguit voor het verlies van de wedstrijd te vrezen hebben en de opslag van zijn agressieve tegenstander met knikkende knieën afwachten.

12. Het voorafgaande brengt mij tot de volgende slotsom. Het hof heeft het juiste toetsingskader gehanteerd en aldus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 285 Sr. De door de verdachte gebezigde bewoordingen (“dan ga jij eraan”) zijn van dien aard dat door het gebruik daarvan bij de aangeefster in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. De onder 6 geciteerde overweging kan aldus worden begrepen, dat het hof daarin de context heeft geschetst, die naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof in elk geval niet afdoet aan het bedreigende karakter van de woorden, zoals het geval zou kunnen zijn bij satire of scherts of een context die de bewoordingen in een ander daglicht kan plaatsen. Anders dan de steller van het middel betoogt, behoefde het hof niet nader in te gaan op de vraag of de aangeefster daadwerkelijk op de dag na de bedreiging achter de balie werkzaam zou zijn, terwijl aan de toereikendheid van de bewijsvoering evenmin afdoet dat het hof geen nadere vaststellingen heeft gedaan over de oorzaak van de boosheid van de verdachte en over de inrichting van de balie.

13. De bewezenverklaring is naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.

14. Het middel faalt.

15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005, 448. Vgl. ook HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, NJ 2011/228, m.nt. Keijzer en HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:909.

2 Noyon/Langemeijer/Remmelink, Strafrecht, commentaar op artikel 285 Sr, aantekening 4. Zie eveneens de conclusie (PHR:2008:BF0740) van mijn ambtgenoot Machielse voorafgaand aan HR 11 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0740. Vgl. ook HR 11 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0740.

3 Zie voor casuïstiek de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld (PHR:2018:26) voorafgaand aan HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:245, NJ 2018/118. In die zaak had de verdachte tegen politieambtenaren gezegd: "Ik ga jullie namen doorgeven aan de criminele onderwereld en dan zijn jullie niet meer veilig. Die komen jullie dan wel opzoeken." Zie ook mijn conclusie voorafgaand aan HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:909.

4 Vgl. HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:775. Zie ook HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659.

5 Aldus ook mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest.

6 Vgl. HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5323 (niet gepubl.).