Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1178

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-10-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
17/01452
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2291
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag ex art. 552a Sv, beslag op huurpenningen o.g.v. art. 94a Sv. Begrijpelijkheid van het oordeel van de rechtbank dat het voortduren van het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De bestreden beschikking, die aan de Hoge Raad is toegezonden, is in het geheel niet ondertekend. Bespreking van onderliggende rechtsvraag onder welke omstandigheden gebreken in de ondertekening zoals bedoeld in art. 24 lid 2 Sv nietigheid tot gevolg hebben (vgl. de conclusie van AG Knigge 2 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1005). Ten aanzien van het gebrek in de ondertekening is de feitelijke grondslag aan het middel komen te vervallen doordat bij navraag alsnog een ondertekende kopie van de beschikking aan de Hoge Raad is toegezonden. De AG adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01452 B

Zitting: 30 oktober 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[klager]

  1. De Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, heeft bij beschikking van 7 februari 2017 het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan hem van huurpenningen van een groot aantal panden, ongegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat in deze zaak om het volgende. De klager, [klager], wordt verdacht van (gewoonte)witwassen, valsheid in geschrift en oplichting. Ter veiligstelling van een geschat wederrechtelijk verkregen voordeel van € 5 miljoen is op onder meer huurpenningen van diverse panden conservatoir beslag gelegd.

  4. Het eerste middel komt op tegen de begrijpelijkheid van het oordeel van de rechtbank dat ten aanzien van het beslag is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. In het tweede middel wordt gesteld dat de beschikking van 7 februari 2017 vanwege een gebrek in de ondertekening nietig is. Ik zal eerst het tweede middel bespreken.

  5. Het tweede middel behelst de klacht dat de beschikking van 7 februari 2017 niet door de voorzitter en de griffier is ondertekend, hetgeen in strijd is met het bepaalde in art. 24 lid 2 Sv, waardoor de beschikking nietig is.

5.1. Art. 24 lid 2 Sv luidt:

“De beschikking vermeldt de namen van de leden van het college, door wie en de dag waarop zij is gewezen. Zij wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier die bij de behandeling tegenwoordig is geweest.”

5.2. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een in het openbaar uitgesproken beschikking van 7 februari 2017. Deze is – in strijd met het bepaalde in art. 24 lid 2 Sv – noch door de voorzitter of een van de andere rechters, noch door de griffier ondertekend. Wel is mr. Leeuw buiten staat verklaard. Deze niet ondertekende beschikking is ‘voor fotokopie conform’ gestempeld door een griffier.

5.3. Namens de Procureur-Generaal is bij brief van 2 juli 2018 om nadere inlichtingen verzocht bij de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem. Hierbij is de vraag gesteld of de aanname, dat geen ondertekende beschikking voorhanden is, juist is of dat door een (administratieve) omissie geen ondertekend exemplaar aan de Hoge Raad is verzonden. In dezelfde brief is opgemerkt dat de betrokken rechter(s) en griffier mogelijk in de gang van zaken aanleiding zien om bij ondertekend schrijven te verklaren dat de inhoud van de aan de Hoge Raad toegezonden beschikking overeenkomt met de beschikking die door hen op 7 februari 2017 is gegeven.

5.4. Na te hebben gerappelleerd, is namens de Procureur-Generaal op 3 september 2018 contact opgenomen met de strafgriffie van de rechtbank. Naar aanleiding hiervan is door een medewerker van de rechtbank een ondertekende ‘voor fotokopie conforme’ versie van de beschikking van de rechtbank van 7 februari 2017 naar de Hoge Raad gemaild.

5.5. Op 7 september 2018 is namens de Procureur-Generaal wederom om nadere inlichtingen verzocht bij de rechtbank over de herkomst van de op 3 september 2018 toegezonden kopie van de ondertekende beschikking. Op 20 september 2018 heeft de griffier van de rechtbank, Mw. D.L. Meyer, schriftelijk bericht dat er bij de rechtbank geen origineel getekend exemplaar voorhanden bleek te zijn, waarop bij de huidige raadsman van de klager, mr. R. van ’t Land, te Breda, is gevraagd naar een getekend exemplaar. Mr. R. van ’t Land heeft de strafgriffie van de rechtbank vervolgens een kopie gestuurd van de hem beschikbaar gestelde ondertekende beschikking, welke zich thans bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt.

5.6. Op 28 september 2018 is een afschrift van de door de rechtbank toegezonden ondertekende kopie van de beschikking en de namens de Procureur-Generaal ingewonnen inlichtingen verzonden aan mr. J.J.J. van Rijsbergen, de thans gestelde raadsman in cassatie en tevens kantoorgenoot van mr. R. van ’t Land (beiden verbonden aan TDNL advocaten1). De rolraadsheer heeft de raadsman in de gelegenheid gesteld tot uiterlijk een week na 28 september 2018 schriftelijk te reageren. Van deze mogelijkheid heeft de raadsman geen gebruik gemaakt.

5.7. De rechtsvraag is vervolgens wat het voorgaande betekent voor het middel waarin wordt geklaagd dat de bestreden beschikking nietig is omdat deze in geheel niet is ondertekend door de rechter(s) en de griffier.

5.8. Op 2 oktober 2018 heeft mijn ambtgenoot AG Knigge in een conclusie een beschouwing gewijd aan de vraag of, en zo ja in welke gevallen, het ontbreken van de handtekening van de rechter tot nietigheid van de betreffende beschikking leidt. In de onderliggende zaak was het klaagschrift behandeld door een enkelvoudige raadkamer en had de betrokken rechter zich “buiten staat” laten verklaren en de beschikking – in strijd met het bepaalde in art. 24 lid 2 Sv – niet ondertekend. Hoewel het probleem in deze zaak in de cassatiefase is opgelost doordat de rechter, die buiten staat was verklaard, naderhand in reactie op een verzoek namens de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad in een door hem ondertekende brief te kennen heeft gegeven dat de inhoud van de beschikking overeenkomt met de beslissing die door hem is gegeven, waardoor het belang bij cassatie is komen te ontvallen, acht Knigge het wenselijk dat de Hoge Raad zich over de onderliggende rechtsvraag uitlaat, omdat deze nog niet door de Hoge Raad is beantwoord. Knigge merkt daarover het volgende op2:

“4.7. Vóór de invoering van het huidige art. 24 Sv gold art. 22 Sv, waarin was bepaald dat de beschikking van de raadkamer door alle leden van dit college diende te worden ondertekend. De Hoge Raad oordeelde in 1927 dat de niet nakoming van dit vormvoorschrift geen nietigheid opleverde.3 Bij Wet van 8 november 1993, Stb. 591, tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wegenverkeerswet en de Wet op de economische delicten in verband met de herziening van de raadkamerprocedure werd het oude art. 22 Sv vervangen door het huidige art. 24 Sv. Blijkens de bijbehorende Memorie van Toelichting dient het in dit artikel geregelde ondertekeningsvoorschrift ter waarborging van de overeenstemming tussen de beslissing van de raadkamer en de tekst van de, veelal door de griffier geconcipieerde, beschikking. Volgens de wetgever is de ondertekening weliswaar een essentieel vormvoorschrift, maar wordt niet-nakoming niet met formele nietigheid bedreigd, te meer nu de rechtspraak zich juist kenmerkt door een relativering van nietigheden.4

4.8. De steller van het middel heeft denk ik gelijk voor zover hij stelt dat de Hoge Raad zich nog niet eerder heeft uitgelaten over de gevolgen van het schenden van het ondertekeningsvoorschrift zoals dat thans, na de wetswijziging die in 1994 haar beslag kreeg, luidt (art. 24 lid 2 Sv). Wel heeft de Hoge Raad zich eerder uitgelaten over schending van art. 365 lid 1 jo. 415 Sv (gebreken in de ondertekening van vonnissen en arresten), schending van art. 327 Sv (gebreken in de ondertekening van het proces-verbaal ter terechtzitting) en schending van art. 25 Sv (gebreken in de ondertekening van het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling). Gelet op het gebrek dat in de onderhavige zaak speelt, [AG TS: geen ondertekening door de rechter van de beschikking omdat de rechter buiten staat was deze te tekenen] beperk ik mij hieronder tot de vraag naar de gevolgen van het niet ondertekenen door de rechter en laat ik de gevolgen van het niet ondertekenen door de griffier buiten beschouwing.

4.9. Vaste lijn in de jurisprudentie van de Hoge Raad is dat, wanneer het proces-verbaal ter terechtzitting of het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling niet overeenkomstig art. 327 Sv resp. art. 25 Sv is vastgesteld en ondertekend, dit in beginsel ertoe leidt dat het stuk rechtskracht mist en het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak resp. beschikking nietig is.5 Hieruit kan worden afgeleid dat de Hoge Raad van oordeel is dat de desbetreffende vormvoorschriften zodanig essentieel zijn dat, hoewel daarop door de wetgever geen formele nietigheid is gesteld, nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm.6 Dit valt te rechtvaardigen als men bedenkt dat het proces-verbaal bij uitstek de kenbron is voor onder meer het in acht nemen van zittingsformaliteiten (de cautie, behandeling in het openbaar, enz.) en gevoerde verweren. Bij verschil tussen het proces-verbaal en de schriftelijke einduitspraak gaat het proces-verbaal voor.7 De griffier en de ondertekenende rechter zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal en door ondertekening dragen zij die verantwoordelijkheid ook expliciet. Tot slot zij nog opgemerkt dat indien het proces‑verbaal niet is ondertekend door (één van) de daartoe aangewezen rechter(s), dit verzuim onder omstandigheden kan worden hersteld door bijvoorbeeld het nadien alsnog ondertekenen door de desbetreffende rechter.8

4.10. Met betrekking tot het in strijd met art. 365 lid 1 jo. 415 Sv niet ondertekenen van het vonnis of arrest door de rechter(s) ligt het een en ander evenwel anders. Reeds in 1935 heeft de Hoge Raad met betrekking tot dit vormverzuim geoordeeld dat het ondertekeningsvoorschrift als bedoeld in dit artikel niet van zodanig essentiële aard is dat bij niet-naleving nietigheid moet volgen.9 Dit oordeel is in latere rechtspraak bevestigd.10 Bijzondere aandacht verdient daarbij HR 12 april 1949, NJ 1949/429 m.nt. B.V.A.R. Hierin ging het om een vonnis dat door geen van de rechters en evenmin door de griffier was ondertekend. Het probleem daarbij was dat het hof dit vonnis in hoger beroep had bevestigd, hetgeen naar de formalistische opvattingen van die tijd een ‘dodelijke’ fout opleverde als moest worden aangenomen dat het vonnis vanwege het ontbreken van de handtekeningen nietig was.11 Opmerkelijk is dat de Hoge Raad niet kortweg stelde dat niet-naleving van het ondertekeningsvoorschrift geen (substantiële) nietigheid opleverde. Hij overwoog het volgende:

“omtrent het middel:

dat het vonnis, zoals het ingevolge art. 362 Sv. door den voorzitter of door een der rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, wordt uitgesproken — het niet nakomen van welk voorschrift nietigheid tengevolge heeft — blijkens art. 365 van dit Wetboek niet reeds de ondertekeningen behoeft te dragen, welke in laatstgenoemd voorschrift — op welks niet naleven geen nietigheid is gesteld — zijn voorzien;

dat de verdachte of zijn raadsman in ieder geval ook indien het vonnis niet binnen tweemaal vier en twintig uur na de uitspraak is getekend, naar het laatste lid van art. 365 bepaalt, van het vonnis kan kennis nemen;

dat dan ook het Hof, ook bij afwezigheid van de bij art. 365 voorgeschreven ondertekening — waarvan ook in het tweede lid van art. 357 Sv. geen gewag wordt gemaakt — mocht aannemen dat de griffier, bewaarder der minuten, als voormeld tekenend voor eensluidend afschrift, aldus vaststelde, dat dit denzelfden inhoud had als het vonnis, dat ter zitting van 26 April 1948 was uitgesproken;

dat het middel dus niet kan slagen.”

4.11. De Hoge Raad gaf als ik het goed begrijp aldus geen antwoord op de vraag of het vonnis aan nietigheid leed, maar op de vraag of het hof mocht aannemen dat het niet ondertekende vonnis dezelfde inhoud had als het vonnis dat was uitgesproken. Mogelijk deelde de Hoge Raad in zoverre de opvatting van Blok en Besier dat het in een geval als het onderhavige niet gaat om de vraag of het hof het vonnis dient te vernietigen, maar om de vraag of het hof de fout door de rechtbank moet laten herstellen.12 Daarbij zij opgemerkt dat de Hoge Raad bij de vraag wat het hof “mocht” oordelen, betekenis lijkt toe te kennen aan de bijzonderheden van het geval. De griffier die voor eensluidend afschrift had getekend, was dezelfde griffier van wie het vonnis vermeldde dat het in diens tegenwoordigheid was gewezen. En het vonnis was uitgesproken door de voorzitter die het vonnis had gewezen. Onder die omstandigheden kon, zo is mogelijk de gedachte geweest, het hof voldoende gewaarborgd achten dat het ingezonden vonnis overeenkwam met het vonnis dat werd uitgesproken en dat het uitgesproken vonnis overeenstemde met de beraadslaging in raadkamer.13 Als die interpretatie juist is, volgt uit het arrest niet dat het hof elk niet ondertekend stuk dat als vonnis wordt ingezonden, voor juist moet houden. Het gaat om een feitelijk oordeel dat afhangt van de bijzonderheden van het geval, waartoe tegenwoordig ook gerekend zal worden wat door de procespartijen dienaangaande is aangevoerd. Dat maakt tegelijk dat het bij de beoordeling in cassatie van een ingezonden arrest dat niet is ondertekend, wel eens anders zou kunnen liggen dan bij de beoordeling in hoger beroep van een niet ondertekend vonnis.

4.12. Bij de argumentatie van de Hoge Raad kunnen nog de volgende kanttekeningen worden geplaatst. De eerste is dat het destijds nog zo was dat het vonnis moest worden uitgesproken door de voorzitter of een van de rechters die over de zaak geoordeeld hadden (art. 362 lid 1 (oud) Sv). Tegenwoordig bepaalt art. 362 lid 2 Sv dat de uitspraak “zo mogelijk” door een van deze rechters geschiedt.14 De garantie dat de uitspraak is gedaan door een rechter die het vonnis heeft gewezen, is dus niet meer steeds aanwezig. Een tweede kanttekening is dat deze garantie van beperkte waarde is omdat doorgaans alleen het dictum wordt uitgesproken. Bovendien hoeft het vonnis ten tijde van de uitspraak nog niet volledig te zijn uitgewerkt. Over de vraag of de rechters de motivering voor hun rekening hebben genomen, zegt het feit dat het vonnis door een rechter van de zittingscombinatie is uitgesproken, dus in het algemeen weinig. De derde kanttekening is dat niet geheel duidelijk is wat de Hoge Raad wil zeggen met het argument dat het vonnis op het moment van de uitspraak nog niet behoeft te zijn ondertekend. Daarover het volgende.

4.13. Mogelijk heeft de Hoge Raad willen aansluiten bij het in de literatuur wel naar voren gebrachte argument dat een vonnis dat onberispelijk was toen het werd uitgesproken, niet aangetast kan worden door een later begaan verzuim.15 Dat argument is weinig overtuigend, omdat een gebrek in de motivering ook pas op een later moment – bij de uitwerking van het vonnis – kan ontstaan. Iets anders is – en mogelijk had de Hoge Raad daarop het oog – dat verdedigd kan worden dat wat uitgesproken is, niet kan worden teruggedraaid. Het uitgesproken vonnis geldt, ook als dat door een vergissing niet overeenstemt met hetgeen in raadkamer is beslist. Als dat juist is, kan de handtekening die achteraf wordt gezet, niet garanderen dat het uitgesproken vonnis overeenkomt met hetgeen is beslist. Wat ondertekend moet worden, is het vonnis dat is uitgesproken. In dit verband zij erop gewezen dat de Hoge Raad aan het slot van de onder punt 4.10 geciteerde overweging alleen gewag maakt van de overeenstemming van het vonnis met hetgeen is uitgesproken.16

4.14. Ik sluit niet uit dat de Hoge Raad (ook nog) iets anders tot uitdrukking heeft willen brengen, namelijk dat de wetgever, die er geen moeite mee had dat een niet ondertekend vonnis werd uitgesproken en aldus naar buiten werd gebracht, kennelijk een groot vertrouwen had in het foutloos functioneren van de rechterlijke macht. Het argument ligt dan in dezelfde lijn als het argument dat de verdachte al van het vonnis kan kennisnemen als dat nog niet is ondertekend. Het risico dat de verdachte niet de correcte versie van het vonnis onder ogen krijgt, achtte de wetgever kennelijk te verwaarlozen. Opgemerkt kan worden dat deze argumentatie hout snijdt als het gaat om de vraag of ondertekening in de ogen van de wetgever zo essentieel is dat bij gebreke daarvan nietigheid dient te volgen. Of dat grote vertrouwen feitelijk gerechtvaardigd is, is echter een andere vraag. Dat vertrouwen sluit niet uit dat incidenteel fouten worden gemaakt.

4.15. Waartoe leidt dit alles? Ik meen, alles afwegende, dat er, voor zover het in cassatie gaat om arresten waartegen het beroep zich richt, onvoldoende reden is om terug te komen op de (oude) jurisprudentie dat een gebrek in de ondertekening geen (substantiële) nietigheid oplevert. Ik teken daarbij aan dat het om een gebrek gaat dat naar het mij voorkomt tegenwoordig ook door middel van een herstelarrest kan worden verholpen.17 Ik teken daarbij ook aan dat de kans dat de beslissingen in het dictum van het arrest niet overeenstemmen met hetgeen is uitgesproken, mij in het algemeen te verwaarlozen lijkt. Groter is de kans dat de rechter die het arrest ten onrechte niet mee ondertekende, zich met de motivering ervan niet kan verenigen. Maar of de procespartij die het arrest gecasseerd wenst te zien, benadeeld is doordat de motivering niet is gecontroleerd en aangepast, kan men zich afvragen.

4.16. Een uitzondering dient mijns inziens gemaakt te worden voor het geval een arrest wordt ingezonden dat noch door een van de rechters, noch door de griffier is ondertekend. In een dergelijk geval dient aan het hof gevraagd te worden of het arrest overeenstemt met hetgeen is uitgesproken. Indien het hof die verzekering niet kan geven, zal gecasseerd moeten worden.

4.17. In de onderhavige zaak gaat het niet om cassatieberoep tegen een arrest, maar om cassatieberoep tegen een beschikking. Die beschikking is daarbij in het openbaar uitgesproken. Een relevant verschil tussen een uitgesproken arrest en een uitgesproken beschikking zie ik niet. Ik meen daarom dat hetgeen hiervoor ten aanzien van schending van art. 365 lid 1 Sv uiteen is gezet evenzo dient te gelden voor schending van het vormvoorschrift als bedoeld in art. 24 lid 2 Sv. Dit te meer nu de wetgever ten aanzien van dat vormvoorschrift ook uitdrukkelijk heeft opgemerkt dat op niet-naleving daarvan geen formele nietigheid is gesteld gelet op de jurisprudentiële trend van relativering van nietigheden. Nu de bestreden beschikking is ondertekend door de griffier die bij de behandeling tegenwoordig is geweest, doet het in punt 4.16 bedoelde uitzonderingsgeval zich niet voor.”

5.9. Tot zover de beschouwingen van Knigge, die ik geheel onderschrijf. De vraag is hoe deze uitgangspunten zich vertalen in de onderhavige zaak, waarin zich de door Knigge genoemde uitzonderingssituatie onder punt 4.16 wél voordoet. De aan de Hoge Raad toegezonden beschikking was noch door de betrokken rechters noch door de griffier, dus in het geheel niet ondertekend. Uit de ingewonnen inlichtingen komt naar voren dat de rechtbank niet (meer) beschikt over een ondertekend exemplaar. Hoewel in overleg met de rolraadsheer namens de Procureur-Generaal is verzocht om een schriftelijke verklaring van de rechter(s) en griffier dat de inhoud van de aan de Hoge Raad toegezonden beschikking overeenkomt met de beschikking die door hen is gegeven en op 7 februari 2017 op de openbare terechtzitting is uitgesproken, heeft de rechtbank ermee volstaan aan de kantoorgenoot van de thans in cassatie optredende raadsman te verzoeken een ondertekend exemplaar op te sturen. Een afschrift daarvan bevindt zich thans bij de stukken van de Hoge Raad. De raadsman heeft niet gereageerd op deze ontwikkelingen, waardoor ervan uit moet worden gegaan dat het middel wordt gehandhaafd.

5.10. Als de redenering van Knigge wordt gevolgd dan zou in een geval als het onderhavige, dat een bij de Hoge Raad ingezonden beschikking geheel niet is ondertekend, de rechtbank moeten verklaren dat de beschikking overeenstemt met hetgeen is uitgesproken en wellicht – zo voeg ik daaraan toe – dat deze uitspraak op de openbare zitting op 7 februari 2017 is uitgesproken. Indien de rechtbank deze verzekering niet kan geven, zou gecasseerd moeten worden.

5.11. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank, ook al is daarom verzocht, deze verzekering niet gegeven maar is een afschrift van het ondertekende exemplaar dat naar de raadsman is gestuurd aan de Hoge Raad toegezonden. Ik ben van mening dat daarmee de feitelijke grondslag van de klacht in cassatie is komen te vervallen. Uit het afschrift dat aan de raadsman is gestuurd blijkt immers dat de beschikking van 7 februari 2017 wel door de betrokken rechters (met uitzondering van de buiten staat verklaarde mr. Leeuw) en griffier is ondertekend. Kennelijk is bij de rechtbank per abuis het originele ondertekend exemplaar in het ongerede geraakt en dus niet bij het dossier zoals dat is verzonden naar de Hoge Raad gevoegd. Nu de kantoorgenoot van de thans in cassatie optredende raadsman wel over een ondertekende beschikking blijkt te beschikken, is het belang dat de ondertekening beoogt te dienen (waaronder het belang dat de klager een correcte versie van de beschikking onder ogen krijgt), veiliggesteld. Dat laat onverlet dat ik de Hoge Raad uitnodig zich ook in onderhavige zaak over de onderliggende rechtsvraag uit te laten.

5.12. Het tweede middel treft geen doel.

6. Dan kom ik nu toe aan de bespreking van het eerste middel, waarin geklaagd wordt over de begrijpelijkheid van het oordeel van de rechtbank dat het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

6.1. Het bij de rechtbank ingediende klaagschrift strekt tot teruggave aan de klager van de op grond van art. 94a Sv in beslag genomen huurpenningen. Hiertoe is kort gezegd aangevoerd dat de klager als gevolg van het beslag geen huurinkomsten meer ontvangt en daardoor niet langer in staat is zijn hypotheeklasten te voldoen en onderhoud te plegen aan de panden en de bank op enig moment executiemaatregelen zal gaan treffen, waardoor het beslag niet voldoet aan de proportionaliteitseis.

6.2. De rechtbank heeft naar aanleiding van dit verweer in de bestreden beschikking het volgende overwogen en beslist:

“3. Beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 21 november 2016 is onderhavig klaagschrift op de enkelvoudige raadkamerzitting behandeld, waarna de behandeling is aangehouden tot de enkelvoudige raadkamerzitting van 12 december 2016. Dit om partijen in de gelegenheid te stellen tot een praktische oplossing van het geschil te komen. Bij de behandeling in raadkamer op 12 december 2016, waarbij klager noch diens raadsman zijn verschenen, is gebleken dat partijen inmiddels een heel eind gevorderd waren met het vinden van een voor alle partijen bevredigende oplossing. De zaak is vervolgens naar de meervoudige raadkamer verwezen voor het geval partijen er niet uit zouden komen.

Uit de beschikbare stukken blijkt dat op 3 oktober 2016 onder klager onder meer huurpenningen van diverse panden inbeslaggenomen zijn. Klager wordt verdacht van (gewoonte)witwassen, valsheid in geschrift en oplichting. Dit zijn misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Het conservatoir beslag op voornoemde voorwerpen is gelegd op basis van een strafrechtelijk financieel onderzoek ex artikel 126 Sv, welk onderzoek erop is gericht de omvang van het door klager verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen. Een voorlopige schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is, naar de rechtbank begrijpt, vastgesteld op 5 miljoen euro.

Standpunt klager en diens raadsman

Namens en door klager is aangevoerd - kort en zakelijk weergegeven - dat klager als gevolg van de in beslag genomen in privé toebehorend onroerend goed en de daarmee samenhangende huurinkomsten geen inkomsten meer uit de verhuur van zijn onroerend goed ontvangt en daardoor niet langer in staat is om zijn hypotheeklasten te voldoen, tevens kunnen er geen uitgaven worden gedaan voor het onderhoud aan de panden. De bank zal daardoor op enig moment executiemaatregelen gaan treffen. Dat laatste zou dan weer tot gevolg hebben dat klager met een restschuld achterblijft waardoor er ook geen verhaalsmogelijkheden meer bestaan voor het Openbaar Ministerie. Dit alles maakt dat het beslag niet voldoet aan de proportionaliteitseis. Klager verzoekt dan ook de opheffing van het beslag op huurpenningen te gelasten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat na de gevoerde besprekingen het standpunt van het Openbaar Ministerie thans is - omdat volgens klager de hypotheeklasten ook kunnen worden voldaan uit de verkoop van onroerend goed in Duitsland - dat een deel van het beslag op de huurpenningen zal worden opgeheven, ter hoogte van een maandelijks bedrag aan die penningen van € 27.515,46, onder de voorwaarde dat klager de hypotheeklasten, Nederwoon, gas, water en licht en eventuele overige kosten zelf zal gaan voldoen. Het gaat om de huurpenningen van de volgende panden:

- alle panden aan de [a-straat] te Enschede;

- [b-straat] te Bussum;

- alle panden aan de [c-straat] te Naarden;

- alle panden aan de [d-straat] te Arnhem;

- alle panden aan de [e-straat] te Amsterdam;

- [f-straat] te Bussum.

Het beslag op de huurpenningen van de overige panden/adressen dient te worden gehandhaafd.

Het beslag op genoemde huurpenningen is echter nog niet definitief opgeheven omdat de transacties in Duitsland weliswaar rond zijn, maar de gelden daarvan nog niet op een derdenrekening zijn overgemaakt. Tot die tijd wordt het beslag daarom gehandhaafd.

De rechtbank overweegt het volgende.

Vast is komen te staan dat de huurpenningen van voornoemde panden op 3 oktober 2016 op rechtmatige wijze onder klager in beslag zijn genomen en dat het beslag nog voortduurt.

De rechtbank stelt voorts vast dat op grond van onderhandelingen tussen klager en het Openbaar Ministerie een deel van het beslag op de huurpenningen, gelet op de zekerheid die klager daarvoor heeft gegeven en welke zekerheid bestaat uit de verkoop van onroerend goed in Duitsland, niet langer in geschil is en kan worden opgeheven. Hoewel de daadwerkelijke opheffing van het beslag nog niet heeft plaatsgevonden, is dit slechts een kwestie van tijd. Gelet op het voorstel en de toezegging van de officier van justitie bij de behandeling van het klaagschrift, te weten dat het beslag op de huurpenningen van voornoemde panden zal worden opgeheven zodra de gelden uit Duitsland zijn ontvangen zodat klager aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen, is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat niet op alle huurpenningen van klager beslag is gelegd (bijvoorbeeld niet op de Rijnbasis panden).

(…)

De rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde in raadkamer van oordeel dat het op artikel 94a Sv gestoelde beslag op goede gronden is gelegd, dat jegens klager sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor op de voet van het bepaalde in de artikelen 420bis en/of 225 en/of 326 van het Wetboek van Strafrecht een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en dat zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter later oordelend, klager de verplichting tot betaling van een geldboete, dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Op grond van het vorenstaande dient derhalve met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het klaagschrift ongegrond.”

6.3. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een conservatoir beslag ex art. 94a Sv en aan haar oordeel de daarvoor geldende (juiste) maatstaf ten grondslag gelegd.18 Over de door de rechtbank gehanteerde maatstaf wordt ook niet geklaagd.

6.4. Waar het om gaat is of de rechtbank in het onderhavige geval de voortzetting van het beslag in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft kunnen achten.19 In zijn algemeenheid geldt dat gelet op het belang dat met het conservatoire beslag wordt gediend (in dit geval het veiligstellen van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens een verdenking van onder meer witwassen) slechts in uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn van een onrechtmatig voortduren van het beslag op grond van disproportionaliteit.20

6.5. Uit de beschikking blijkt dat de rechtbank naar aanleiding van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd de proportionaliteit van het voortduren van het beslag heeft onderzocht en geoordeeld dat door het voorstel en de toezeggingen van de officier van justitie en het gegeven dat niet op alle huurpenningen van klager beslag is gelegd, voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

6.6. Het middel komt op tegen de begrijpelijkheid van dit oordeel. Kern van de klacht is dat de omstandigheid dat de officier van justitie heeft toegezegd een deel van het beslag op de huurpenningen op te heffen, niet zonder meer met zich brengt dat ten aanzien van het integrale beslag is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Er wordt echter niet nader toegelicht waarom het voortduren van het resterende beslag disproportioneel is. De grondslag van de gestelde disproportionaliteit was immers dat de klager door het integrale beslag niet kon voldoen aan de hypotheeklasten en onderhoudskosten van de panden. Uit de overwegingen van de rechtbank volgt dat de klager heeft aangegeven dat de hypotheeklasten kunnen worden voldaan uit de verkoop van onroerend goed in Duitsland en dat de officier van justitie heeft toegezegd een deel van het beslag op de huurpenningen op te heffen, te weten ter hoogte van een maandelijks bedrag van € 27.515,46. Als bijkomende omstandigheid weegt de rechtbank mee dat de klager nog huurpenningen krijgt met betrekking tot panden waarop geen beslag is gelegd. Met deze overwegingen heeft de rechtbank mijns inziens blijk gegeven van een zorgvuldige belangenafweging en de motivering acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat op € 5 miljoen en het belang van dit beslag is dat wordt voorkomen dat het geld wordt weggesluisd of opgesoupeerd. Aan dat beslag is nu eenmaal inherent dat de beslagene in zijn bestedingsmogelijkheden en eigendomsrechten wordt beperkt en dus in zijn belangen wordt geschaad.21 Voor een verdergaande toetsing is in cassatie geen ruimte. Het middel kan dan ook niet slagen.

6.7. Het eerste middel faalt.

7. De middelen falen en het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie de website van het kantoor: https://www.tdnl.nl/ (laatstelijk geraadpleegd op 8 oktober 2018).

2 Conclusie van AG Knigge, 2 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1005. De nummering van voetnoten in dit citaat loopt door in de nummering van de voetnoten in de onderhavige conclusie maar komt toevalligerwijs overeen met de originele nummering.

3 HR 26 augustus 1927, NJ 1927, p. 1146. In dit geval was de beschikking alleen door de voorzitter en de griffier ondertekend, terwijl niet was vermeld dat de beide andere rechters “buiten staat” waren om te tekenen. De Hoge Raad overwoog dat de voorschriften niet op straffe van nietigheid waren gegeven en het middel “dus” niet tot cassatie kon leiden.

4 Kamerstukken II 1991/92, 22 584, nr. 3, p. 18.

5 Vgl. voor wat betreft schending van art. 327 Sv HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9945, NJ 2009, 282, HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7296, HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9047, NJ 2010, 360 en HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9478. Zie hierover ook Corstens, Borgers en Kooijmans, Het Nederlandse strafprocesrecht, Kluwer 2018, negende druk, p. 695-696. Vgl. voor wat betreft schending van art. 25 Sv HR 19 mei 1930, ECLI:NL:HR:1930, NJ 1930, p. 1165, HR 16 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1202, HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1663, HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5512, HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1343 en HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:73. Zie hierover ook Melai en Groenhuijsen e.a., art. 25 Sv, aant. 6.

6 Vgl. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, Kluwer 2018, negende druk, p. 156.

7 Zie Corstens, Borgers en Kooijmans, Het Nederlandse strafprocesrecht, Kluwer 2018, negende druk, p. 695.

8 Bijv. HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7296.

9 HR 4 maart 1935, NJ 1935, 685, m. nt. B.M. Taverne m.b.t. art. 365 oud Sv i.v.m. 415: “dat echter op de niet-naleving van de voorschriften van art. 365 voornoemd, geen nietigheid is gesteld en die voorschriften ook niet zijn van zoodanigen essentieelen aard, dat bij niet-naleving nietigheid moet volgen schoon niet uitdrukkelijk door de wet geëischt”.

10 HR 6 april 1948, NJ 1948, 346: geen nietigheid “omdat het niet-nakomen van de voorschriften van art. 365 Sv nietigheid niet tengevolge heeft”.

11 Tegenwoordig zou wellicht geoordeeld kunnen worden dat de fout niet essentieel is omdat door de ondertekening van het arrest waarbij het vonnis werd bevestigd, gewaarborgd is dat wat als vonnis van de rechtbank werd gepresenteerd overeenstemde met het eigen oordeel van het hof.

12 Zie Blok-Besier II, p. 219, alwaar in aansluiting op het betoog dat aan niet-naleving van het ondertekeningsvoorschrift geen nietigheid behoeft te worden verbonden, het volgende wordt gesteld: “Dit neemt niet weg, dat wanneer eens alle handteekeningen mochten ontbreken, den hoogeren rechter niet zou blijken, dat het stuk het gewezen en uitgesproken vonnis was. Hij zou dan niet de nietigheid mogen uitspreken, doch alsnog onderteekening moeten eischen”.

13 Over dat laatste – de overeenstemming met de beraadslaging – zwijgt de Hoge Raad overigens. Zie nader onder punt 4.13.

14 Bij Wet van 20 november 1963, Stb. 485 tot wijziging van enige artikelen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet gevangeniswezen, de Wegenverkeerswet, de Vuurwapenwet 1919, de Jachtwet, de Veewet en de Kieswet is deze wijziging doorgevoerd.

15 Zie hierover Melai en Groenhuijsen e.a., art. 365 Sv, aant. 3.3.

16 De vraag daarbij is of een discrepantie tussen wat is beslist en wat is uitgesproken, tot cassatie kan leiden. In dit verband verdient HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478 aandacht, waarin het hof een herstelarrest had gewezen, waarin de opgelegde straf was gecorrigeerd. De Hoge Raad achtte dat ontoelaatbaar, maar casseerde omdat de herstelbeslissing ernstige twijfel had doen ontstaan over de opgelegde straf.

17 Zie o.m. HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478.

18 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m. nt. Mevis.

19 Vgl. o.m. HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:178, HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66, HR 1 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:833, NJ 2014/278, m. nt. Keulen en HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9890, NJ 2008/63.

20 Vgl. o.m. de conclusies van mijn ambtgenoot Harteveld voorgaand aan HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66 (ECLI:NL:PHR:2013:1683) en HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:178 (ECLI:NL:PHR:2017:32) alsook die van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6674, NJ 2012/354 (ECLI:NL:PHR:2012:BW6674).

21 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voorgaand aan HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66 (ECLI:NL:PHR:2013:1683) alsook die van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6674, NJ 2012/354 (ECLI:NL:PHR:2012:BW6674).