Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:117

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-02-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
16/05139
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:324
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie A-G 'kofferbak- en rioolputmoord'. Vervolg op ECLI:NL:HR:2015:2886. Middel m.b.t. opzet verdachte op medeplichtigheid aan moord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05139

Zitting: 13 februari 2018

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 29 september 2015 en het herstelarrest van 17 november 2015 – bij arrest van 14 september 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 3 subsidiair “medeplichtigheid aan moord”(op [slachtoffer 1] ), en bij eerder arrest van het hof d.d. 26 april 2013 wegens 4 “medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk (van [slachtoffer 1] , EH), met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen“, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en 3 maanden. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

  2. De onderhavige zaak is in de media bekend geworden als de “kofferbak- en rioolmoord”.1 Op 14 en 16 oktober 2008 bleken respectievelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] spoorloos te zijn verdwenen. Het lichaam van [slachtoffer 2] werd op 1 december 2008 aangetroffen in de kofferbak van een auto die al weken geparkeerd stond in een woonwijk in Nieuw-Vennep, het lichaam van [slachtoffer 1] was ongeveer twee weken eerder gevonden, op 14 november 2008, in een rioolput in Almere. Politieonderzoek wees uit dat beide slachtoffers het laatst waren gezien in twee toko’s. Daar bleken [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te zijn doodgeschoten, omdat de eigenaar van de toko’s, [betrokkene 1] , door hen werd afgeperst. Schutter in beide gevallen was [betrokkene 2] , de voormalige vriend van de verdachte. [betrokkene 1] was telkens medepleger. Onder meer voor deze feiten – telkens opleverende medeplegen van moord – zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] inmiddels onherroepelijk veroordeeld.2 Wat de verdachte betreft, gaat de verdenking uit naar betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 1] . Zij werd daarvoor bij arrest van 26 april 2013 door het hof veroordeeld voor de feiten die hierboven in randnummer 1 zijn genoemd. Medeplegen van moord werd bewezenverklaard vanwege de rol die zij in de visie van het hof in het kader van de levensberoving van [slachtoffer 1] had vervuld. De Hoge Raad zag dat anders, omdat – ik vat het samen – de door het hof genoemde bijdrage van de verdachte, die er in de kern op zag dat [slachtoffer 1] voorafgaand aan de moord in de waan werd gelaten dat er in de toko een gesprek met [betrokkene 1] of een betaling zou volgen, van onvoldoende gewicht was om van medeplegen te spreken.3 Het arrest van het hof werd dan ook gedeeltelijk (op dat onderdeel) vernietigd. Nu is dus de verdachte (ook wel ‘ [verdachte] ’ genoemd) door het hof ter zake van medeplichtigheid aan moord op [slachtoffer 1] veroordeeld. Het onderhavige cassatieberoep richt zich tegen dat oordeel.

3. Namens de verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte opzet heeft gehad op de medeplichtigheid aan moord niet zonder meer uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid, zodat de uitspraak in zoverre niet naar de eis der wet redenen is omkleed. Daarnaast zou het oordeel van het hof over het opzet van de verdachte op het gronddelict blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk zijn.

5. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 3 subsidiair bewezen verklaard dat:

“ [betrokkene 2] en [betrokkene 1] op 16 oktober 2008 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven hebben beroofd door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een vuurwapen kogels op het lichaam en/of het hoofd van genoemde [slachtoffer 1] af te vuren, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk feit zij, verdachte, toen en daar opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- met [slachtoffer 1] in gesprek te gaan en

- (terwijl [slachtoffer 1] in contact wilde komen met genoemde [betrokkene 1] ) meermalen tegen [slachtoffer 1] te zeggen - zakelijk weergegeven - dat [betrokkene 1] in de directe omgeving aanwezig was en dat [slachtoffer 1] even moest wachten,

waardoor [slachtoffer 1] op de plaats, en/of in de directe omgeving daarvan, waar zij, verdachte, [betrokkene 1] en genoemde [betrokkene 2] waren op die [betrokkene 1] is blijven wachten en/of- na even te zijn weggegaan - is teruggekeerd,

waardoor het voor genoemde [betrokkene 2] mogelijk was om met een vuurwapen kogels op het lichaam en/of hoofd van [slachtoffer 1] af te vuren”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter zitting van het hof d.d. 17 augustus

2016:

Ik was in de nacht van 16 op 17 oktober 2008 in Almere aan de [a-straat 1] bij de toko van [betrokkene 1] . Ik was daar met [betrokkene 2] en [betrokkene 1] naar toe gegaan. Ik wist dat [slachtoffer 1] met een of meer broers zou komen om geld te halen. [betrokkene 1] had een sms van [slachtoffer 1] gekregen. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] waren in de stress.

In de periode voordat [slachtoffer 1] werd omgebracht vertelde [betrokkene 1] van afpersing door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Ik was toen in gezelschap van [betrokkene 2] . Ik wist die avond ook dat dat speelde.

Ik heb die avond een keer met [slachtoffer 1] gesproken. Hij kwam binnen, ging naar buiten en was nog even binnen. Ik zag dat [slachtoffer 1] ging roken. Daarna reed [slachtoffer 1] weg.

Ik wist wel dat [slachtoffer 2] 2 dagen tevoren was neergeschoten. Dat was vanwege afpersing. Ik weet daarvan omdat [betrokkene 2] me dat heeft gezegd.

[betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn de hoofdrolspelers. Ik heb me laten meeslepen.

Ik zat op het kantoortje toen [slachtoffer 1] weer binnen was. De jongens uit het magazijn en ik hoorden een schot. Daarna hoorden we [betrokkene 3] roepen dat we naar voren moesten komen. Buiten kreeg ik van [betrokkene 2] het pistool en dat heb ik naar binnen gebracht. Ik zag dat [slachtoffer 1] gorgelde. Ik moest een zak brengen en die heb ik opgehaald. Ik hoorde toen nog een schot.

Van [betrokkene 4] heb ik gehoord dat [betrokkene 1] [slachtoffer 1] wilde inhuren om [slachtoffer 2] te vermoorden maar dat [slachtoffer 1] toen ook begon met het afpersen van [betrokkene 1] .

In het kantoor vertelde [betrokkene 1] dat hij werd afgeperst en dat er druk op hem werd gezet. [betrokkene 2] zei: Maak je niet druk. Ik ben bij je. [betrokkene 2] gaf hem geruststelling.

Ze vroegen of ik een wapen wilde regelen.

Ik heb wel gechat met iemand in Groningen in de trant van "Heb jij misschien een pistooltje". Ik vertelde [betrokkene 2] dat het mij niet gelukt was een wapen te regelen.

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen betreffende verhoor in de kamer van spoedeisende hulp van Flevoziekenhuis te Almere en verhoor tijdens overbrenging van Huis van bewaring van verdachte [verdachte] , met daarachter gevoegd het schriftelijk uitgewerkt studioverhoor TGO 24 (track 1 t/m 5) afgenomen in de het ziekenhuis op 14 februari om 13.30 uur, d.d. 18 februari 2009 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , opgenomen in de pagina’s 490 tot en met 525 in dossier 9 van een dossier van de regiopolitie Flevoland met het kenmerk 2008075809 en sluitingsdatum 18 juni 2009, voor zover inhoudende:

als verklaring van de verdachte (op de pagina's 521 en 522):

I = interviewer

G= gehoorde

I: Wanneer werd het jou duidelijk dat er wat ging gebeuren

G: Nou, op gegeven moment stuurde [betrokkene 1] mij een sms'je terwijl ik op het kantoor zat, weetje. Van eh want [slachtoffer 1] vroeg aan mij waar [betrokkene 1] was. Nou, je moet even wachten, hij is hier ergens in de buurt. Maar dat duurde natuurlijk lang. En toen had waarschijnlijk en toen heeft [slachtoffer 1] een sms'je naar [betrokkene 1] gestuurd van ja, als het nou nog lang gaat duren, gaan er ongelukken gebeuren. En dat sms'je stuurde [betrokkene 1] weer naar mij toe.

I: en dat sms'je, kun je dat nog terughalen van de tekst

G: wat erop neer kwam, was dat [slachtoffer 1] zei van eh ik het duurt me nu te lang, als je nu niet komt gaan er ongelukken gebeuren.

I: Maar hij was nog wel even bij jou in het kantoor geweest toch? [slachtoffer 1] .

G: Nee, hij kwam op een gegeven moment zeg maar in die opening en toen kwam 'ie aan, want ik zag die auto aankomen door die lichten

En toen zei 'ie van waar is [betrokkene 1] ... Toen zei 'ie goedenavond. Ik zei, hallo. Toen zegt ie: Ja, waar is [betrokkene 1] . Ik zeg: Ja, ik zeg: Hij loopt hier ergens, maar waar weet ik niet. Toen zei ik: Maar ja, hij zal wel zo komen, want ja, [betrokkene 1] is altijd effe aan 't lopen of hij is effe voor of eh hij zit achter. Nou ja en toen is 'ie weer naar buiten gegaan. Volgens mij zag ik ook nog dat 'ie een sigaret op stak. Op een gegeven moment zie ik hem wegrijden, weetje. En toen kwam die gelijk weer terug.

I: Wie heeft [slachtoffer 2] doodgemaakt.

G: [betrokkene 2] . Ik was er niet bij. Ik lag in het Lucas ziekenhuis. [betrokkene 1] belde mij rond negen uur in de avond. Van eh.. eh ja god ik kreeg net een telefoontje van [betrokkene 2] dat het was gebeurd. Toen zei ik wat bedoel je? En toen zei ie van: Eh waarschijnlijk heeft ie [slachtoffer 2] zeg maar neergeschoten. Toen zei hij tegen mij van: wil jij effe kijken of dat zo is. Toen zei hij: Bel nou even want ik zit hier op hete kolen want hij was op dat moment in Almere. [betrokkene 1] was in Almere.

G: Ik weet dat eh [betrokkene 2] eh ook de dader is. Ja dat hij ook eh [slachtoffer 2] heeft omgebracht.

I: Heeft hij dat zelf ook gezegd tegen jou?

G: Ja.

I: Oké en wanneer heeft hij dat tegen jou gezegd dan?

G: Eh de volgende dag.

G: Nee. Toen belde hij mij. Toen zei ik: Ja wat is er nou precies allemaal gebeurd? En toen zei hij tegen mij van eh: Ja eh t eh Ja het is gebeurd.

I: Oké, en heeft hij ook gezegd wat ie ‘t gedaan heeft?

G: Ja, ik weet wel dat ie ’m heeft neergeschoten.

G: Hij zei dat het in de winkel was.

G: Ik weet dat het in de Ganzenhoef is gebeurd omdat [betrokkene 2] wist dat hij eh hij dan op dinsdags daar altijd geld kwam ophalen.

I: Jij hebt geen geld gehad of jij hebt geen mensen gezocht om iemand te laten vermoorden. Jij hebt niet tegen [betrokkene 1] gezegd, [betrokkene 2] wil dat wel doen.

G: Nee natuurlijk niet,

I: Wat zei je?

G: [betrokkene 2] heeft het zelf aangeboden.

G: [betrokkene 2] wist de problemen.

G: [betrokkene 2] zei tegen me hij heeft drie keer geschoten op [slachtoffer 2] .

I: En bij [slachtoffer 1] . Waar is nou [slachtoffer 1] doodgeschoten precies?

G: [slachtoffer 1] is doodgeschoten en geloof me nou wat ik zeg is zo ja? Hij is doodgeschoten voor, wat ik zei, bij die ingang van de Polderweg waar je als je aan komt rijden heb je een soort verhoginkje en dan heb je die rolluiken die omhoog gaan, daar op dat stuk is hij neergeschoten.

3. Een schriftelijk stuk, houdende de letterlijke uitwerking van een verhoor van de verdachte [verdachte] , afgenomen op 9 maart 2009 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , opgenomen in de pagina’s 120 tot en met 148 in dossier 17 van een dossier van de regiopolitie Flevoland met het kenmerk 2008075809 en sluitingsdatum 18 juni 2009, voor zover inhoudende:

als verklaring van de verdachte (op de pagina’s 122 tot en met 126, 128, 129 en 140):

Op 16 oktober (het hof begrijpt: 16 oktober 2008) werd ik ontslagen uit het Lucas ziekenhuis. Op een gegeven moment ben ik gaan liggen want ik was moe. [betrokkene 2] zat op bed toen belde [betrokkene 1] . Op 16 oktober vertelde [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) mij dat hij een paar telefoontjes had gehad van [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ). Ik begreep uit het verhaal dat hij [slachtoffer 1] niet had betaald en dat [slachtoffer 1] daar boos over was. Hij ontweek [slachtoffer 1] al twee dagen. Wanneer [slachtoffer 1] belde voor geld, dan ontweek [betrokkene 1] hem. [betrokkene 1] was best wel bang. Hij was vrij zenuwachtig.

Er waren op dat moment een paar illegale werknemers van hem bezig in Almere.

[slachtoffer 1] bleef hem maar bellen, maar hij nam niet op.

Ik ben met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ) naar Almere gegaan.

Wij zaten in de Caddy.

Ik zat voorin. [betrokkene 1] reed.

In Almere aangekomen, ben ik in het kantoor gaan zitten. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waren elders in of bij de toko.

Toen ik zag dat [slachtoffer 1] kwam, ben ik hem tegemoet gelopen. [slachtoffer 1] vroeg mij of [betrokkene 1] in de buurt was. Ik zei dat ik niet wist waar hij was en dat ik wel even zou kijken of hij achter was. Ik ben toen naar het magazijn gelopen. Op een gegeven moment ben ik terug gelopen en heb ik gezegd dat ik niet wist waar hij is. Ik zeg ik weet niet waar die is. Net was die nog effe hier, dus ik zeg moet je effe wachten. Ik ben weer terug gegaan naar het kantoor. Toen heeft het zeker nog een kwartier geduurd. Toen kwam hij weer en vroeg waar hij nou was. Ik zei tegen hem dat ik het niet wist en ik zeg je zal toch effe moeten wachten. Toen is hij weg gereden, maar hij kwam gelijk weer terug.

Op het moment dat hij terug kwam, kreeg ik een sms'je, met als inhoud “als je nu niet tevoorschijn komt, dan gebeuren er rare dingen”. Een paar minuten daarna hoorde ik het schot.

Er waren drie illegale werknemers.

Toen ik het schot hoorde (...) liep ik naar buiten en toen zag ik [betrokkene 2] met een pistool in zijn handen. [slachtoffer 1] lag voor zijn auto.

[betrokkene 2] vroeg om een vuilniszak. Kom ik met een groentezakje aan. Toen werd hij boos, van eh ja, je weet toch wat een fucking vuilniszak is. Ik had zoiets van hallo, er ligt geen spitskool op de grond. En toen is [betrokkene 1] naar binnen gelopen.

[betrokkene 2] ging in de auto van [slachtoffer 1] kijken naar de spullen die in de auto lagen. Hij zei tegen mij dat ik handschoenen moest aantrekken en hij vroeg mij te kijken wat er in een zwarte map in die auto zat. Dus op een gegeven moment had ik van die eh ja, wat ze in het ziekenhuis gebruiken zeg maar die eh blauwe handschoentjes. Toen zat z’n rijbewijs erin. Daarna heb ik op verzoek van [betrokkene 2] een plastic tasje gehaald. Daar heeft hij de spullen van [slachtoffer 1] in gedaan.

Toen hebben ze het lijk in de kofferbak gedaan. Ik leunde tegen de Caddy aan en toen zei [betrokkene 2] tegen mij dat ik die auto terug zou gaan rijden. [betrokkene 1] zei, rij maar achter mij aan. [betrokkene 1] reed voor. We zijn vervolgens naar Amsterdam gereden.

Rond eind september 2008 zat ik met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in Almere in het kantoor van [betrokkene 1] te praten. Toen zei hij, ik word helemaal gek. Hij zei er zijn nu twee die mij afpersen. [betrokkene 1] kende [slachtoffer 1] via dat security bedrijf. [betrokkene 1] heeft [slachtoffer 1] benaderd om [slachtoffer 2] om te brengen. Hij vertelde me dat [slachtoffer 1] die zou [slachtoffer 2] afhandelen. [slachtoffer 1] had opgebeld en gezegd dat het gebeurd was. He, ik eh.. [slachtoffer 2] is eh.. zeg maar eh omgebracht. Toen zei ie van eh, dus ik kom zo meteen geld halen. [betrokkene 1] heeft toen iemand gebeld, die waarschijnlijk geld in beheer had. Je moet het geld effe komen brengen. Waarop die jongen zei dat hij [slachtoffer 2] net nog had zien lopen. Dus met andere woorden: [slachtoffer 1] had gelogen. En toen is er ruzie met [slachtoffer 1] geweest. Toen is [slachtoffer 1] hem gaan dreigen. En toen is [slachtoffer 1] [betrokkene 1] gaan dreigen want [betrokkene 1] had een foto van [slachtoffer 2] aan [slachtoffer 1] gegeven van zo ziet ie er uit. Hij komt elke maandag en dinsdag in Ganzenhoef. [slachtoffer 1] zei als jij mij niet betaalt ga ik gewoon naar [slachtoffer 2] toe en zeg ik gewoon, kijk ik heb hier jouw foto in opdracht van [betrokkene 1] want die wilde dat ik jou neer zou schieten.

I: Wie kent het verhaal nog meer?

G: [betrokkene 2] . Die zat erbij ja.

I: Hoe reageerde jij d’r op, hoe reageerde [betrokkene 2] erop?

G: Toen zei [betrokkene 2] : vanaf nu brada ben ik gewoon aan jouw zijde.

4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] , afgenomen op 19 februari 2009 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [verbalisant 4] en [verbalisant 6] , opgenomen in de pagina's 84 t/m 88 in het hiervoor onder 3 genoemde dossier 17, voor zover inhoudende:

de verklaring van verdachte (pagina 85) dat:

Ze vertelt over het feit dat ze met een lijk in een auto heeft rondgereden.

Ze vertelt dat ze met een lijk van Almere naar Amsterdam ging en 65 op de snelweg reed. (pagina 87)

Ze heeft [slachtoffer 1] (het hof begrijpt [slachtoffer 1] ) een keer in 2007 gezien op een Mila aan de Bolderweg. [slachtoffer 1] deed de bewaking bij de Mila.

[betrokkene 1] had het sms-je van [slachtoffer 1] naar [verdachte] gestuurd. [slachtoffer 1] reed weg en kwam terug en hij is uit de auto gestapt en zij hoorde een knal. Zij hoorde [betrokkene 2] roepen. Het was haar duidelijk wat voor een knal het was. Ze gaat er naar toe en ziet [betrokkene 2] met een pistool.

5. Een schriftelijk stuk, houdende de letterlijke uitwerking van een verhoor van de verdachte [verdachte] , afgenomen op 9 maart 2009 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , opgenomen in de pagina’s 167 tot en met 232 in het hiervoor onder 3 genoemde dossier 17, voor zover inhoudende:

als verklaring van de verdachte (op de pagina's 167, 170, 172, 173, 195, 209, 210, 217 en 229):

I = interviewer

G= gehoorde

I: Wist je dat er iets ging gebeuren? [verdachte] ?

G: Ja.

[betrokkene 1] was helemaal van slag.

[slachtoffer 1] komt met één doel daar. Die wil zijn geld. Die perst [betrokkene 1] af. [betrokkene 1] heeft geen geld. Die kan hem dus niet betalen.

Natuurlijk had ik het gevoel dat het best fout kon lopen. Dat besef je je op het moment dat je daar al bent.

Het sms'je dat [betrokkene 1] van [slachtoffer 1] had gekregen, heeft [betrokkene 1] doorgestuurd naar mij.

Ik heb [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: het lijk van [slachtoffer 1] ) naar de Bijlmer gereden.

Ik wist dat [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) is omgebracht door [betrokkene 2] .

Ik weet dat [betrokkene 2] niet bang is om te schieten.

[betrokkene 2] heeft mij verteld dat hij [slachtoffer 2] had neergeschoten.

[slachtoffer 2] perste [betrokkene 1] af.

Ik heb wel eens vaker ruzie gesust. Daar zou ik best wel een goede rol in hebben kunnen spelen.

als relaas van de verbalisanten (op pagina 229):

Maar dat doe je niet, want [slachtoffer 1] komt en vraagt: Waar is [betrokkene 1] ?

als verklaring van de verdachte (op pagina 229):

Ja.

als relaas van de verbalisanten (op pagina 229):

En dan bemoei je je verder ook nergens mee, omdat je dan bingo speelde.

als verklaring van de verdachte (op pagina 229):

Ja, nee, maar wat moet ik tegen [slachtoffer 1] zeggen? Wat? Lul, wat kom je doen, je perst [betrokkene 1] af? Nee, natuurlijk niet.

Wat had je verwacht? Wat had ik dan moeten doen op dat moment dat die [slachtoffer 1] binnen komt? Ik kan toch niks doen? [betrokkene 1] die was ergens.

6. Een schriftelijk stuk, houdende de letterlijke uitwerking van een verhoor van de

verdachte [verdachte] , afgenomen op 9 maart 2009 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , opgenomen in de pagina’s 169 tot en met 232 in het hiervoor genoemde dossier 17, voor zover inhoudende:

als verklaring van de verdachte (op de pagina's 210 en 211 en 215 tot en met 217):

Ik wist dat [slachtoffer 2] is omgebracht door [betrokkene 2] . Op dinsdagavond (het hof begrijpt: op 14 oktober 2008) belde [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) mij. Ik zat in de rokersruimte in het ziekenhuis. Hij zei dat er iets gebeurd was en dat [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ) volgens hem in de winkel (het hof begrijpt: in de toko aan de Ganzenhoef in Amsterdam) is geweest en hij vroeg mij of ik [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ) even kon bellen. Ik kreeg [betrokkene 2] niet te pakken. Ik heb [betrokkene 1] teruggebeld. [betrokkene 1] vroeg mij of ik [betrokkene 6] wilde bellen. Die ook [betrokkene 6] heet. [betrokkene 6] zei dat hij niet kon praten. [betrokkene 2] heeft mij later na 22.00 uur gebeld en heeft mij verteld dat het was gebeurd, dat hij [slachtoffer 2] heeft neergeschoten. In de winkel zei [betrokkene 2] . Hij vertelde dat het een taaie was en dat hij drie keer had moeten schieten. De eerste keer had hij [betrokkene 2] in de rug geschoten. Het is achter de toonbank gebeurd.

[slachtoffer 2] is neergeschoten door [betrokkene 2] omdat hij [betrokkene 1] afperste.

7. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , afgenomen op 26 maart 2009 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [verbalisant 6] en [verbalisant 1] , opgenomen in de pagina’s 333 tot en met 338 in het hiervoor onder 3 genoemde dossier 17, voor zover inhoudende:

als verklaring van de verdachte (op de pagina 335)

Ik weet echt niet te bedenken wat bij [betrokkene 1] de knop om heeft doen draaien om twee mensen af te maken. Kijk [betrokkene 2] bood zichzelf aan om hem te helpen.

8. Een schriftelijk stuk, houdende de letterlijke uitwerking van een verhoor van de verdachte [verdachte] , afgenomen op 14 februari 2009 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , opgenomen in de pagina’s 416 tot en met 447 in het hiervoor onder 3 genoemde dossier 17, voor zover inhoudende:

als verklaring van de verdachte (op pagina 416):

Op 16 oktober (het hof begrijpt: 16 oktober 2008) was ik op de Bolderweg in Almere, met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . [slachtoffer 1] kwam aanrijden en hij kwam naar binnen en hij vroeg waar [betrokkene 1] was. Toen zei ik: “Ja, hij is hier ergens”, “Je moet even wachten” en “Hij zal wel zo komen”.

als relaas van de verbalisanten (op pagina 418):

Jij bent naar de winkel van [betrokkene 1] in Almere gegaan. Wist je dat er iets ging gebeuren?

als verklaring van de verdachte (op pagina 418):

Ja.

als relaas van de verbalisanten (op pagina 418):

Wist je dat hij hem dood zou maken?

als verklaring van de verdachte (op pagina 418):

Nou kijk, er was natuurlijk sprake van hè, ik los dit wel voor je op.

[betrokkene 1] werd afgeperst door [slachtoffer 1] .

als relaas van de verbalisanten (op pagina 419):

En de reden dat hij dood is gemaakt, wat is dat dan geweest?

als verklaring van de verdachte (op pagina 418):

Ja, die afpersing.

als relaas van de verbalisanten (op pagina 426):

Hoe lang heeft [slachtoffer 1] op straat gelegen?

als verklaring van de verdachte (op pagina 426):

Niet lang, want het was flup, flup, flup, handelen en weg.

als relaas van de verbalisanten (op pagina 443):

Wanneer is het jou duidelijk geworden dat er iets met [slachtoffer 1] ging gebeuren?

als verklaring van de verdachte (op pagina 443):

Nou, op een gegeven moment stuurde [betrokkene 1] mij een sms'je terwijl ik op het kantoor zat. [slachtoffer 1] had een sms'je naar [betrokkene 1] gestuurd en [betrokkene 1] stuurde dat sms'je naar mij toe.

De tekst kwam er op neer dat [slachtoffer 1] zei: “Het duurt me nu te lang, als je nu niet komt gaan er ongelukken gebeuren”.

als verklaring van de verdachte (op pagina 424):

Ik weet dat [slachtoffer 2] altijd op maandag en/of dinsdag geld kwam halen in de winkel aan Ganzenhoef.

9. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] met het nummer 2009030916761, d.d. 10 maart 2009 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , opgenomen in de pagina’s 591 tot en met 608 in het hiervoor onder 2 genoemde dossier 9, map II, voor zover inhoudende:

als relaas van de verbalisanten (op de pagina’s 592, 596 en 598):

We gaan terug naar de avond van 16 oktober 2008, in de bazaar aan de Bolderweg.

Er is iemand (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) neergeschoten. Wat wordt er gezegd nadat het schot is gevallen?

als verklaring van de verdachte (op pagina 599):

[betrokkene 1] zei tegen [betrokkene 6] (het hof begrijpt: de verdachte, [betrokkene 6] ) dat hij het hier moest schoonmaken.

als relaas van de verbalisanten:

Waar is hier?

als verklaring van de verdachte (op pagina 599):

Waar [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) heeft gelegen.

10. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] met het nummer 2009021213186, d.d. 12 februari 2009 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [verbalisant 7] en [verbalisant 6] , opgenomen in de pagina’s 073 tot en met 078 in het hiervoor onder 3 genoemde dossier 17, voor zover inhoudende:

als verklaring van de verdachte (op pagina 076):

[betrokkene 1] moest [slachtoffer 2] € 1.500,- per week betalen. Dat gebeurde al meer dan een jaar.

11. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] met het nummer 2009021404134, d.d. 12 februari 2009 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [verbalisant 7] en [verbalisant 8] , opgenomen in de pagina’s 080 tot en met 083 in het hiervoor onder 3 genoemde dossier 17, voor zover inhoudende:

als relaas van de verbalisanten (op pagina 082):

We willen een antwoord op de vraag wie [slachtoffer 1] heeft doodgemaakt.

als verklaring van de verdachte (op pagina 082):

[betrokkene 2] .

als relaas van de verbalisanten (op pagina 082):

En dat is [betrokkene 2] ?

als verklaring van de verdachte (op pagina 082):

Ja.

als relaas van de verbalisanten (op pagina 082):

[betrokkene 2] heeft [slachtoffer 1] doodgemaakt.

als verklaring van de verdachte (op pagina 082):

Ja.

12. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] met het nummer 2009060910004565, d.d. 9 juni 2009 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 9] , opgenomen in de pagina's 384 tot en met 393 in het hiervoor onder 3 genoemde dossier 17, voor zover inhoudende:

als verklaring van de verdachte (pagina 386 en 387)

[betrokkene 1] en [betrokkene 2] die zeiden ken jij misschien mensen die vuurwapens verkopen. Ik zei niet echt maar dat ik wel een jongen kende via internet die ook een beetje in de onderwereld zat. Ik zei toen dat ik het wel een keer aan hem kon vragen. Ik geloof dat ik er 1 of 2 keer met hem ( [betrokkene 7] ) over heb gesproken. Ik heb [betrokkene 2] gezegd dat ik het die jongen had gevraagd en dat het niet ging. Ik weet wel dat [betrokkene 2] later zelf zei, nee laat maar ik ga zelf naar een wapen op zoek.

Ik weet over het bewuste wapen niet of [betrokkene 2] of [betrokkene 1] dat heeft gekocht. Ik weet wel dat het wapen in het bezit van [betrokkene 2] was.

13. Een deskundigenrapport d.d. 19 november 2008 opgesteld door Dr. B. Kubat arts en patholoog, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut (Dossier 2, Forensisch Onderzoek, map 2, pag. 65 e.v.) inhoudende als conclusie van de deskundige:

Het overlijden van [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1979, wordt verklaard door verbloeding opgetreden ten gevolge van een doorschot door de borstkas al dan niet in combinatie met een schotverwonding aan de schedel en de hersenen.

14. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte met het nummer 20090326.1300.3015.A, d.d. 26 maart 2009 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [verbalisant 10] en [verbalisant 4] , opgenomen in de pagina’s 029 tot en met 038 in dossier 20 van het dossier van de regiopolitie Flevoland met het kenmerk 2008075809 en sluitingsdatum 18 juni 2009, voor zover inhoudende:

als verklaring van de verdachte [betrokkene 3] (op de pagina’s 035 en 036):

Op 16 oktober (het hof begrijpt: 16 oktober 2008) was ik aanwezig op de Bolderweg in Almere. Ik was daar samen met onder meer [betrokkene 8] (het hof begrijpt: ( [betrokkene 8] ), [betrokkene 9] en [betrokkene 6] , het neefje van [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 6] ).

[betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) kwam omstreeks 21.30 uur aan op de Bolderweg, samen met een donkere man (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ) en een blanke vrouw die [verdachte] heet (het hof begrijpt: [verdachte] ).

[betrokkene 8] kwam naar ons toe en hij zei dat we weg moesten gaan, omdat er problemen zouden komen. Toen [betrokkene 8] vlak bij [betrokkene 1] en [betrokkene 6] was had hij gehoord dat dit werd gezegd.

Daarna kwam [slachtoffer 1] terug.

Na ongeveer tien minuten hoorde ik een schot.

15. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte met het nummer 2009040604321, d.d. 6 april 2009 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [verbalisant 10] en [verbalisant 4] , opgenomen in de pagina’s 080 tot en met 085 in het hiervoor onder 14. genoemde dossier 20, voor zover inhoudende:

als verklaring van de verdachte [betrokkene 3] (op de pagina’s 082 en 083):

Enige tijd nadat ik een geluid (het hof begrijpt: het geluid van een knal of schot) had gehoord, ben ik naar de voorkant van de winkel gelopen.

Ik zag bloed op straat liggen, in een vlek met een doorsnee van ongeveer vijftig centimeter. Ik hoor dat [betrokkene 6] zegt dat we moeten schoonmaken. Ik heb gezien dat [betrokkene 9] en [betrokkene 6] het (het hof begrijpt: het gedeelte van de plaats van het delict waar het bloed lag) hebben schoongemaakt met water.

16. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 6] met het nummer 20090507.1205.4321, d.d. 7 mei 2009 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [verbalisant 11] en [verbalisant 10] , opgenomen in de pagina’s 916 tot en met 926 in dossier 9, map III van het dossier van de regiopolitie Flevoland met het kenmerk 2008075809 en sluitingsdatum 18 juni 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van de verdachte [betrokkene 6] (op de pagina’s 920 en 921)

Op 16 oktober 2008 was ik in Almere (het hof begrijpt: in de toko aan de Bolderweg).

Daar waren tevens aanwezig [betrokkene 8] , [betrokkene 9] en [betrokkene 10] (het hof begrijpt: de drie illegale werknemers).

[slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) is er omstreeks 20.30 uur a 21.00 uur gedurende ongeveer een kwartier geweest.

Daarna kwamen [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ), [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) en [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ) aanrijden.

[betrokkene 1] zei tegen ons: “Ga naar achteren allemaal”.

(...)

Ik zag dat [betrokkene 1] met een brandslang op de straat spoot. Hij spoot op het gedeelte van het asfalt dat omhoog loopt richting het rolluik van de winkel. Hij stond ongeveer twee meter van het rolluik af.

Ik hoorde [verdachte] zeggen: “ [betrokkene 1] , laten we gaan, laat die jongens dit doen”.

17. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte met het nummer 2009032411153982, d.d. 24 maart 2009 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 12] en [verbalisant 13], opgenomen in de pagina’s 1273 tot en met 1282 in dossier 9, map IV van een dossier van de regiopolitie Flevoland met het kenmerk 2008075809 en sluitingsdatum 18 juni 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relaas van de verbalisanten (oppagina 1274):

Wij hebben gehoord dat jij werkzaam was in de winkel aan de Ganzenhoef in Amsterdam Zuid-Oost toen [slachtoffer 2] om het leven werd gebracht op 14 oktober 2008. Wat kun jij ons daarover vertellen?

als verklaring van de verdachte [betrokkene 6] (op de pagina’s 1276 en 1277)

[slachtoffer 2] werd doodgeschoten toen hij in de winkel was op die dag. Ik hoorde een pistoolschot. Ik zag dat [slachtoffer 2] op de grond lag. Ik heb bloed op de grond gezien.

Ik heb met [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) gesproken over de telefoon. Zij vroeg mij of het klaar was en zij vroeg mij de schutter aan de telefoon te geven. Ik gaf de telefoon aan de schutter.”

7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2016 heeft de raadsman aldaar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn aan dat proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

“Is er dan wellicht sprake geweest van medeplichtigheid, zoals (inmiddels) subsidiair is tenlastegelegd? Bij medeplichtigheid gaat het om gedragingen die het delict, dat door een ander wordt begaan, bevorderen of gemakkelijk maken. (Dit is het ‘kernverwijt’ van medeplichtigheid, aldus de Hoge Raad in HR 22 maart 2011, NJ 2011/341.) Ook hiervoor geldt dat de betrokkene (als medeplichtige) ten tijde van zijn of haar handelen wetenschap moet hebben van het feit dat er een misdrijf zal worden gepleegd. Er is - anders gezegd - een vorm van opzet vereist, en zo is het ook ten laste gelegd. Dat opzet, die wetenschap (en instemming), is bijvoorbeeld vaak wel aanwezig bij de bestuurder van de vluchtauto die wacht tot zijn maten, die een overval aan het plegen zijn, weer in de auto springen, maar waarschijnlijk niet bij de taxichauffeur die een paar mannen bij een juwelier heeft afgeleverd en die van hen het verzoek heeft gekregen om even te wachten, omdat ze zo weer terug zullen komen.

[verdachte] kan worden vergeleken met die taxichauffeur. Zij was niet ingevoerd in de plannen van de beide mannen en speelde onderbewust een bijrol in een hele slechte B-film waarvan zij het script, het scenario, niet kende. Zij wist niet beter dan dat er gepraat zou gaan worden en was bereid daaraan zo nodig een bijdrage te leveren. Wie denkt er nou aan een liquidatie, wanneer een vriend vraagt of je even met hem mee wilt gaan omdat hij wel wat steun kan gebruiken bij een moeilijk gesprek? [verdachte] in elk geval niet. En dat is waarschijnlijk ook wel logisch en verklaarbaar. Sowieso ligt het niet erg voor de hand om aan een liquidatie te denken wanneer men het heeft over het voeren van een gesprek. Daar komt in dit geval nog bij dat [verdachte] die dag niet op haar best was. Ze was nog maar net uit het ziekenhuis ontslagen en was nog lang niet in orde. Ook al wist zij waartoe [betrokkene 2] in staat was: zij heeft zich toen niet gerealiseerd dat er achter het verzoek om mee te gaan mogelijk iets anders zat dan dit enkele verzoek. Dat zij helemaal niet van plan was om naar Almere te gaan, blijkt uit het feit dat zij had aangekondigd naar een vriendin te zullen gaan en pas buiten werd overgehaald door [betrokkene 1] om met hem en [betrokkene 2] mee te gaan. Het lag absoluut niet in de planning om op welke wijze ook betrokken te zijn bij een misdrijf. Zij ging mee omdat een vriend haar vroeg om bij een gesprek aanwezig te zijn. Een gesprek waar hij erg tegenop zag.

Aldus kan niet worden gezegd dat zij opzettelijk - in de zin van willens en wetens - gelegenheid heeft verschaft tot het misdrijf of daarbij opzettelijk behulpzaam is geweest. Ook van een voorwaardelijk opzet was geen sprake. Het dossier geeft geen aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat [verdachte] welbewust een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zou worden doodgeschoten door [betrokkene 2] heeft aanvaard. De kans dat er geschoten zou gaan worden was geen kans die naar algemene ervaringsregels als een aanmerkelijke kans kon worden aangemerkt. Bovendien zijn er geen concrete aanwijzingen voor het onderdeel dat [verdachte] die kans bewust heeft aanvaard. Van (opzettelijke) medeplichtigheid aan de moord is geen sprake geweest. [verdachte] heeft onbewust en onbedoeld een bijdrage geleverd aan de moord, door [slachtoffer 1] te woord te staan. Daarmee is zij echter nog geen medepleger of medeplichtige.”

8. In zijn arrest heeft het hof, voor zover relevant, nog het volgende overwogen:

Opzet op het gronddelict

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] sprak over de problemen die [betrokkene 1] met zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] had. Zij wist dat [betrokkene 1] werd afgeperst, niet alleen door [slachtoffer 1] maar ook door [slachtoffer 2] en dat [betrokkene 2] aan [betrokkene 1] in haar bijzijn zijn hulp had aangeboden om een einde te maken aan deze afpersingspraktijken. Verdachte heeft met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gesproken over een vuurwapen en heeft op verzoek van [betrokkene 2] iemand benaderd om te proberen een wapen voor hem te regelen. Verdachte wist tevens dat [betrokkene 2] twee dagen voorafgaand aan de levensberoving van [slachtoffer 1] , derhalve op 14 oktober 2008, [slachtoffer 2] in een toko van [betrokkene 1] in Amsterdam met een vuurwapen om het leven had gebracht. Zij heeft kort na dat feit, in de avond van 14 oktober 2008, daarover met zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] gesproken.

Zij wist op 16 oktober 2008 aldus dat [betrokkene 2] over een vuurwapen beschikte en waartoe hij in staat was.

In de avond van 16 oktober 2008 is verdachte met die wetenschap tezamen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar de toko in Almere gegaan, in de verwachting dat [slachtoffer 1] daar ook zou komen. Diezelfde avond heeft zij van [betrokkene 1] een door hem doorgestuurd SMS bericht van [slachtoffer 1] ontvangen waarin [slachtoffer 1] aankondigde dat hij vanaf 19.00 uur op [betrokkene 1] wacht en dat zijn broer helemaal uit Rotterdam is gekomen en dat hij wacht op zijn geld. Verdachte heeft dit bericht op verzoek van [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] laten lezen. Zij wist dat [slachtoffer 1] in contact wilde komen met [betrokkene 1] , omdat [betrokkene 1] in de ogen van [slachtoffer 1] nalatig was met het doen van betalingen. [betrokkene 1] was aldus verdachte bang en wanhopig en wilde [slachtoffer 1] niet onder ogen komen. Bij aankomst van verdachte, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de toko in Almere is in aanwezigheid van verdachte het aanwezige personeel naar achteren gedirigeerd omdat er een probleem zou komen.

Het hof is van oordeel dat verdachte in deze omstandigheden minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] die avond tijdens de ontmoeting in of bij de toko op gewelddadige wijze, namelijk door vuurwapengeweld, van het leven zou worden beroofd.

Gedurende het gesprek in de aanloop van de rit en de rit naar Almere, de aanwezigheid in de toko, het wachten op de komst van [slachtoffer 1] en ook na diens aankomst aldaar, bestond er voor verdachte op verschillende momenten ruimschoots tijd en gelegenheid voor beraad over de confrontatie met [slachtoffer 1] en het te verwachten verloop van gebeurtenissen. Zij heeft ruimschoots kunnen nadenken over en bezinnen op de gevolgen van het handelen ten aanzien van [slachtoffer 1] en de betekenis om zich daarvan rekenschap te geven. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof ook dat het opzet van verdachte tevens de voor moord vereiste voorbedachte raad bestrijkt.

Opzet op de eigen gedraging

Naast de bovenstaande omstandigheden heeft het hof met betrekking tot haar eigen handelen nog het volgende in aanmerking genomen. Verdachte is in het kantoortje van de toko gaan zitten, terwijl [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich elders in of bij de toko ophielden. Zij is naar buiten gegaan toen zij [slachtoffer 1] aan zag komen en heeft met hem gesproken. [slachtoffer 1] heeft aan verdachte naar [betrokkene 1] gevraagd, waarop verdachte heeft geantwoord dat hij maar even moest wachten, dat [betrokkene 1] ergens in de buurt was, ergens in de Toko liep maar dat zij niet wist waar. Dat hij zo wel zou komen. Een kwartier later kwam [slachtoffer 1] terug en vroeg nogmaals aan verdachte waar [betrokkene 1] was. Ook toen heeft verdachte hem geantwoord dat zij dat niet wist en dat hij toch even moest wachten. In de tussentijd heeft verdachte een door [betrokkene 1] aan haar doorgestuurd sms'je van [slachtoffer 1] aan [betrokkene 1] ontvangen, met als inhoud: “Het duurt me te lang, als je nu niet komt gaan er ongelukken gebeuren.” Kort na terugkomst van [slachtoffer 1] , heeft [betrokkene 2] hem buiten voor de toko met een vuurwapen neergeschoten. Na dit schot is verdachte geroepen door [betrokkene 2] , zij zag dat [slachtoffer 1] op de grond lag en hoorde hem gorgelende geluiden maken. Verdachte heeft over de knal die zij hoorde verklaard dat het haar duidelijk was wat voor knal het was. Zij moest van [betrokkene 2] een vuilniszak halen. Terwijl ze wegliep om die zak te halen hoorde ze een tweede schot. Ze heeft het vuurwapen van [betrokkene 2] overgenomen en in haar tas gedaan en heeft met [betrokkene 2] de auto van [slachtoffer 1] doorzocht en spullen uit de auto in een plastic zak gedaan. Vervolgens heeft zij de auto van [slachtoffer 1] , met diens lijk in de kofferbak, vervoerd van Almere naar Amsterdam.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat zij [slachtoffer 1] niet kende en dus ook niet wist dat het [slachtoffer 1] was die naar [betrokkene 1] vroeg. Het hof overweegt dat uit het dossier kan blijken dat zij [slachtoffer 1] wel degelijk kende, vanwege zijn activiteiten als beveiliger bij festivals die zij bezocht. Verdachte heeft zulks zelf anders dan haar verklaring ter zitting van het hof tegenover de politie tijdens haar verhoren meermalen verklaard. Los daarvan moet verdachte op zijn minst het vermoeden hebben gehad dat het [slachtoffer 1] was die zich op dit late uur bij de toko meldde, hij had zijn komst immers aangekondigd, terwijl het volstrekt ongeloofwaardig is dat zij hem dan niet naar zijn naam heeft gevraagd, maar wel voor hem op zoek zijn gegaan naar [betrokkene 1] , zoals zij ter terechtzitting heeft aangevoerd. Overigens heeft verdachte niet eerder verklaard dat zij actief op zoek is geweest naar [betrokkene 1] toen [slachtoffer 1] zich aandiende en naar hem vroeg. Haar bewering dat zij [betrokkene 1] daartoe ook zou hebben gebeld, maar dat zijn mobiele telefoon kennelijk niet aan stond was in die zin ook nieuw, en is naar het oordeel van het hof ongeloofwaardig ook in het licht van het feit dat het [slachtoffer 1] direct erna wel lukte om [betrokkene 1] een sms-bericht te sturen, welk bericht [betrokkene 1] toen vervolgens aan verdachte heeft doorgestuurd. Het hof houdt verdachte derhalve aan haar verklaring zoals zij die tegenover de politie heeft afgelegd dat zij [slachtoffer 1] kende.

Dat verdachte louter aanwezig was om een bemiddelende rol te kunnen spelen, is een bewering die niet wordt gestaafd door haar handelen. Uit niets is immers gebleken of aannemelijk geworden dat de verdachte op de daartoe geschikte en aangewezen momenten daadwerkelijk invulling heeft gegeven of heeft willen geven aan die rol. Het hof acht verdachte in haar verklaring op dit punt evenmin geloofwaardig.

Het hof is alles afwegende van oordeel dat verdachte doelbewust [slachtoffer 1] aan het lijntje heeft gehouden door met hem in gesprek te gaan en te suggereren dat [betrokkene 1] zo wel zou komen en dat hij maar even moest wachten. Zij heeft eraan bijgedragen dat [slachtoffer 1] in de buurt bleef van de toko en terugkwam, waardoor het voor [betrokkene 2] mogelijk werd om [slachtoffer 1] neer te schieten. Het opzet van verdachte kan worden afgeleid uit haar wijze handelen voorafgaand, tijdens en ook direct na de levensberoving, zoals hiervoor beschreven. Het handelen van verdachte nadien, te weten, het wegmaken van sporen van het misdrijf, het doorzoeken van de auto van [slachtoffer 1] en het wegvoeren van diens lijk levert geen contra indicatie op maar ondersteunt verdachtes eerdere handelen.

Aldus acht het hof de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid van verdachte aan de moord op [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen.”

9. In het arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. Keulen heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, overwogen:

“3.3

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518).

3.4

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. (…).”

10. Art. 48 Sr luidt:

“Als medeplichtigen van een misdrijf worden gestraft:

1° zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf;

2° zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf.”

11. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte bij het plegen van de moord (het gronddelict) opzettelijk behulpzaam is geweest dan wel opzettelijk gelegenheid heeft verschaft. Daartoe is vereist dat niet alleen bewezen wordt dat het opzet van de verdachte was gericht op het behulpzaam zijn dan wel het verschaffen van gelegenheid, maar tevens dat haar opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op de moord.4

12. Bij het voorgaande moet gelet op HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7932, NJ 2007/553 in aanmerking worden genomen dat uit de artikelen 47, 48 en 49 Sr, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt “dat enerzijds ten aanzien van de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan, en dat anderzijds het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond” (HR 27 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0021, NJ 1988/492).

13. Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat, anders dan de steller van het middel kennelijk meent, het opzet van de medeplichtige niet geheel hoeft te zijn gericht op het door de dader gepleegde gronddelict en dat het opzet van de medeplichtige in die zin dus kan afwijken van het opzet van de dader, bijvoorbeeld als het gaat om voorbedachte raad.5 Wel is in een dergelijke situatie vereist dat het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige was gericht, voldoende verband houdt met het gronddelict.6 In het verlengde hiervan heeft te gelden dat het opzet van de medeplichtige niet gericht behoeft te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan.7 Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.8

14. Ten aanzien van het opzet van de verdachte op het gronddelict (moord) heeft het hof overwogen dat de verdachte minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] die avond tijdens de ontmoeting in of bij de toko op gewelddadige wijze, namelijk door vuurwapengeweld, van het leven zou worden beroofd én dat het opzet van de verdachte tevens de voor moord vereiste voorbedachte raad bestrijkt. In cassatie wordt geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer die avond tijdens de ontmoeting in de toko zou worden doodgeschoten en evenmin dat die kans door de verdachte bewust zou zijn aanvaard. Daarnaast zou het oordeel van het hof dat het opzet van de verdachte tevens de voor moord vereiste voorbedachte raad bestrijkt, ontoereikend en onbegrijpelijk zijn gemotiveerd nu het hof een zwaarder gewicht had moeten toekennen aan contra-indicaties, hier de omstandigheid dat de bewustheid bij de verdachte ontbrak van het voornemen om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. In zijn algemeenheid zou het oordeel van het opzet van de verdachte op het gronddelict ook getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.

15. De bewijsoverwegingen van het hof houden met betrekking tot het opzet van de verdachte op de levensberoving het volgende in. De verdachte heeft met de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gesproken over de problemen die [betrokkene 1] met zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] had. De verdachte wist dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de eigenaar van de toko’s, [betrokkene 1] , afpersten. Zij was aanwezig toen [betrokkene 2] aan [betrokkene 1] zijn hulp aanbood om een einde te maken aan deze afpersingen. De verdachte heeft met beide daders gesproken over een vuurwapen en zij heeft op verzoek van [betrokkene 2] iemand benaderd om te proberen een wapen voor hem te regelen. De verdachte was er van op de hoogte dat [slachtoffer 2] twee dagen voorafgaand aan de levensberoving van [slachtoffer 1] door [betrokkene 2] met een vuurwapen om het leven was gebracht. Op 16 oktober 2008 is de verdachte met de wetenschap dat [betrokkene 2] over een vuurwapen beschikte en waartoe hij in staat was, met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar de toko in Almere gegaan, in de verwachting dat [slachtoffer 1] daar zou komen. De verdachte heeft die avond van [betrokkene 1] een door hem doorgestuurd sms bericht van [slachtoffer 1] ontvangen, waarin [slachtoffer 1] aankondigde dat hij vanaf 19.00 uur op [betrokkene 1] wachtte en dat hij wachtte op zijn geld. Op verzoek van [betrokkene 1] heeft de verdachte dit bericht aan [betrokkene 2] laten lezen. Zij wist dat [slachtoffer 1] in contact wilde komen met [betrokkene 1] , omdat [betrokkene 1] in de ogen van [slachtoffer 1] nalatig was met het doen van betalingen. [betrokkene 1] was volgens de verdachte bang en wanhopig en wilde [slachtoffer 1] niet onder ogen komen. Bij aankomst van verdachte, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de toko in Almere werd in aanwezigheid van verdachte het aanwezige personeel naar achteren gedirigeerd omdat er een probleem zou komen. Daarna is – zo voeg ik hieraan toe – [slachtoffer 1] van het leven beroofd.

16. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat de verdachte in de gegeven omstandigheden minst genomen voorwaardelijk opzet had op de levensberoving van [slachtoffer 1] , niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de verdachte weet had van de afpersingen, zij wist dat [betrokkene 2] zijn hulp aanbood om hieraan een einde te maken, de verdachte op verzoek van [betrokkene 2] getracht heeft een vuurwapen te ‘regelen’, haar bekend was dat [slachtoffer 2] door [betrokkene 2] met een vuurwapen was gedood en derhalve – zoals het hof ook heeft overwogen – op de dag van de levensberoving van [slachtoffer 1] ervan op de hoogte was dat [betrokkene 2] over een vuurwapen beschikte en waartoe hij in staat was, zij op de fatale dag met de voornoemde wetenschap samen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar de toko is gegaan, de verdachte wist dat [slachtoffer 1] naar [betrokkene 1] op zoek was om geld te innen, [betrokkene 1] hierom wanhopig was en de dreigende sms van [slachtoffer 1] naar de verdachte doorstuurde om aan [betrokkene 2] te laten lezen en de verdachte deze sms aan [betrokkene 2] heeft laten lezen. Onder deze omstandigheden kan gezegd worden dat de kans aanmerkelijk was dat het slachtoffer van het leven zou worden beroofd en dat de verdachte deze kans ook heeft aanvaard. Ik wijs daarbij ook op de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte die inhouden dat zij op de bewuste avond met [slachtoffer 1] in de toko heeft gesproken (bewijsmiddel 1), aan het latere slachtoffer heeft verteld dat [betrokkene 1] “wel zo [zou] komen” (bewijsmiddel 2) en dat hij “effe [moet] wachten” (bewijsmiddel 3). Voorts heeft de verdachte verklaard dat zij wist wat er die avond speelde (bewijsmiddel 1), dat zij wist dat er die dag iets ging gebeuren en dat zij het gevoel had “dat het best fout kon lopen” (bewijsmiddel 5) en dat de verdachte in reactie op de vraag of zij wist dat “hij” (waarmee klaarblijkelijk gedoeld werd op [betrokkene 2] ) hem dood zou maken heeft verklaard: “Nou kijk, er was natuurlijk sprake van hè, ik los dit wel voor je op. [betrokkene 1] werd afgeperst door [slachtoffer 1] [het slachtoffer, EH]” (bewijsmiddel 8). Gelet hierop kan niet, zoals in de toelichting op het middel wordt betoogd, worden gezegd dat er voor de verdachte “geen enkele aanleiding [bestond] om te vermoeden dat [betrokkene 2] [slachtoffer 1] zou gaan doodschieten”. Daarbij merk ik op dat, zoals gezegd, het opzet van de medeplichtige niet gericht hoeft te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan.

17. Daarnaast is het oordeel van het hof dat de verdachte voorbedachte raad had ten aanzien van de dood van het slachtoffer niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.9 De betreffende klacht is in de kern gestoeld op de veronderstelling dat de bewijsmiddelen niets zouden behelzen waaruit kan volgen dat de verdachte zich bewust was van het voornemen van de mededaders om [slachtoffer 1] dood te schieten. Gelet op hetgeen de bewijsvoering van het hof inhoudt, kan ik de steller van het middel daarin niet volgen. Ik wijs in het bijzonder op de hierboven geciteerde tot het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte, waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat de avond van de levensberoving het probleem van de afpersing zou worden opgelost. Nu voorts uit de gebezigde bewijsmiddelen – in het bijzonder de bewijsmiddelen 1, 3, 5 en 8 – kan worden afgeleid dat de verdachte voorafgaand aan de rit naar de toko in Almere ervan op de hoogte was dat [betrokkene 1] het slachtoffer niet had betaald en dat het latere slachtoffer [slachtoffer 1] daar boos om was, en de verdachte vervolgens tezamen met [betrokkene 2] , waarvan zij wist dat hij over een vuurwapen beschikte en dat hij twee dagen daarvoor [slachtoffer 2] van het leven had beroofd, naar de toko is gereden, is van een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad als bedoeld in HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. Keulen geen sprake. Van andere contra-indicaties is mij ook niet gebleken. Integendeel zelfs, ook gelet op het koelbloedig handelen van de verdachte na de levensberoving, bestaande uit het opruimen van bloedsporen en het verbergen, wegvoeren en wegmaken van het lijk.

18. Het oordeel van het hof dat het opzet van de verdachte tevens de voor de moord vereiste voorbedachte raad bestrijkt is niet onjuist. Ook is dat oordeel niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

19. Daarnaast volgt uit het hier voorgaande, hetgeen een beknopte weergave is van de bewijsvoering van het hof, dat de verdachte opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest bij de moord op [slachtoffer 1] . Het oordeel van het hof is ook op dit punt naar de eis der wet met redenen omkleed.

20. Het middel faalt.

21. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

22. Het beroep in cassatie is ingesteld op 19 september 2016. De stukken zijn op 14 juni 2017 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, zodat de inzendtermijn van acht maanden met bijna een maand is overschreden. Dit leidt tot strafvermindering.

23. Het middel slaagt.

24. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.

25. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De achtergrond van deze strafzaak is door mijn ambtgenoot Harteveld geschetst in diens conclusie (onder 3.) voorafgaand aan HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2886.

2 HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2857, NJ 2016/69 m.nt. Keulen ( [betrokkene 1] ) en HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2858, NJ 2016/70 m.nt. Keulen ( [betrokkene 2] ).

3 HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2886.

4 HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4372, NJ 2002/245.

5 Zie HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7932, NJ 2007/553.

6 HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4471, NJ 2011/342 m.nt. Schalken. Zie ook H.D. Wolswijk, ‘Medeplichtigheid en opzet’, DD 2010/52.

7 HR 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0780, NJ 2008/156.

8 HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:67 (rov. 2.3).

9 Zie over de verhouding van opzet tot voorbedachte raad prof. mr. A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink , Het Wetboek van Strafrecht, art. 289 Sr, aant. 4.