Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1166

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-08-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
17/00501
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1951
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen diefstal met bedreiging met geweld, art. 312.2.2 Sr. Afwijzing bij appelschriftuur gedaan en bij pleidooi herhaald (voorwaardelijk) verzoek tot horen medeverdachte als getuige, terwijl bij politie afgelegde verklaring getuige niet voor bewijs is gebruikt. Is Hof door afwijzing op ontoelaatbare wijze vooruitgelopen op hetgeen getuige bij nader verhoor zou verklaren? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00501

Zitting: 28 augustus 2018 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 13 januari 2017 door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren” en 2. “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.B.J.G. Baggen, advocaat te Arnhem, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] door het hof onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.

  4. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een - tijdig ingediende - appelschriftuur, onder meer inhoudende:

“Ik verzoek u de volgende getuigen op te roepen.

1. (…)

2. [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1984, wonende aan de [a-straat 1] te [woonplaats] (medeverdachte);

3. (…)

4. (…)

Toelichting ad 1 tot en met 4:

Op pagina 3 van het vonnis onder het kopje ‘De bewijsoverweging' van de rechtbank staat onder meer het navolgende vermeld.

De rechtbank is op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal vergezeld van en gevolgd door bedreiging met geweld tegen [betrokkene 2]. Uit de aangifte van [betrokkene 2] blijkt dat verdachte, toen [betrokkene 2] verdachte fouilleerde, opstond en naar zijn broek wees en zei: "Moet ik hem trekken, moet ik hem pakken" terwijl [betrokkene 2] wist dat verdachte een mes in zijn broekzak had. Voorts heeft verdachte [betrokkene 2] een mes voorgehouden en hiermee stekende bewegingen in zijn richting gemaakt, eerst bij de voordeur en daarna op straat. Deze aangifte wordt op belangrijke onderdelen ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Uit het dossier leidt de rechtbank voorts af dat het door [betrokkene 2] gebruikte geweld om te voorkomen dat verdachte zijn telefoon mee zou nemen, proportioneel was.

Appellant ontkent dat hij zou hebben gezegd "Moet ik hem trekken, moet ik hem pakken”. Voorts ontkent appellant dat hij "eerst bij de voordeur" stekende bewegingen heeft gemaakt met zijn mes. Ten overstaan van politie verklaart appellant op dossierpagina 38 onder meer het navolgende:

Wij zagen op dat moment een groepje mensen aan komen lopen, die de woning betraden van een buurman van [betrokkene 2]. Dit betreft de rechter woning naast [betrokkene 2], gezien vanaf de straat. Wij stonden op straat, voor de woning van [betrokkene 2]. Ik zag dat één van de personen die bij dat groepje hoorden, met een grote hakbijl naar buiten kwam lopen. Ik kan die persoon niet goed omschrijven. Ik schat hem rond de ± 1 meter 80.

Verder verklaart appellant op dossierpagina 30:

Ik had het mes bij me. Toen ik op de stoep stond trok ik het mes vanuit mijn broekband toen [betrokkene 2] op mij af kwam lopen. Ik zei toen tegen [betrokkene 2] dat hij op afstand moest blijven. [betrokkene 2] bleef toen staan. Ik heb geen stekende bewegingen naar hem gemaakt.

De getuigen 1 tot en met 4 kunnen deels antwoord geven op onder meer de navolgende vragen.

- Heeft appellant aangever in de woning bedreigd?;

- Heeft aangever appellant en medeverdachte bedreigd, en zo ja, op welke wijze?;

- Heeft appellant in de woning van aangever stekende bewegingen met een mes gemaakt?;

- Heeft aangever en/of een groep van personen appellant buiten de woning bedreigd en zo ja op welke wijze? Zijn hierbij wapens gebruikt?;

- Heeft aangever geweld gebruikt jegens medeverdachte [betrokkene 1] en zo ja, op welke wijze?;

- Staat de geweldshandeling van appellant (tonen van mes op straat) in enig causaal verband mbt de diefstal van de telefoon (bv het veiligstellen van de gestolen telefoon/vlucht). Of toonde hij juist zijn mes omdat hij bang was net als medeverdachte [betrokkene 1] mishandeld te gaan worden, dan wel om nog erger te voorkomen?”

5. Het hof heeft bij voorzittersbeslissing één van de vier verzochte getuigen toegewezen (aangever [betrokkene 2]). Maar dit betreft niet de getuige waarop het middel ziet (getuige [betrokkene 1]). Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsman van verdachte aldaar het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota, die hij aan het hof heeft overgelegd en aan het dossier is toegevoegd. Die pleitnota houdt onder meer het volgende in:

“mocht uw hof toch overwegen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die niet gelijk is aan de tijd die [verdachte] in verzekering heeft doorgebracht, dan verzoek ik u de zaak aan te houden om de verdediging alsnog in de gelegenheid te stellen om de getuigen, 2, 3 en 4 zoals vermeld in de appelschriftuur te doen oproepen voor verhoor. (…) Voormelde verzoeken dienen te worden aangemerkt als voorwaardelijke verzoeken.”

6. Ter afsluiting is voornoemd verzoek in de pleitnota als volgt herhaald:

“Mocht uw hof toch overwegen om een gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de tijd die [verdachte] in verzekering heeft doorgebracht (twee dagen) dan verzoek ik u de zaak aan te houden voor het doen van de onderzoekswensen zoals vermeld in mijn appelschriftuur. Het verdedigingscriterium is hier van toepassing. Het gaat om het horen van de getuigen [betrokkene 1], [getuige 2], [getuige 1] en het opstellen van een strafadvies/rapportage. Naar aanleiding van de appelschriftuur was de advocaat-generaal van oordeel dat gehoor kon worden gegeven aan mijn onderzoekswensen. Bij e-mail d.d. 26 februari 2016 gaf mr. Roelofs-Van Dinther namens de voorzitter te kennen voor alsnog geen aanleiding te zien in het horen van de overige getuigen. Op mijn verzoek om een reclasseringsadvies op te stellen is niet gerespondeerd. Ook de verdediging ziet voor alsnog geen aanleiding om deze verdedigingswensen in te willigen. Maar wel als uw hof overweegt om cliënt terug te sturen naar de penitentiaire inrichting. Voor de onderbouwing en het horen van de getuigen verwijs ik uw hof naar de bijgevoegde appelschriftuur die namens [verdachte] tijdig is ingediend. Het gaat om partiële vrijspraak/vrijspraken en/of de strafmaat/strafsoort (hebben getuigen gezien en/of gehoord welke geweldshandelingen cliënt en derden hebben verricht/cliënt is namelijk deels ontkennend. Waren deze handelingen van cliënt, aangever en getuigen proportioneel? Allemaal onderzoekshandelingen in de zin van artikel 350 Sv. Het kan overigens niet worden uitgesloten dat de heer [betrokkene 1] zich inmiddels meer van het incident herinnert. Deze getuige is overigens vrijgesproken en geen verdachte meer.”

7. Voorts is in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep als re- en dupliek van de advocaat-generaal respectievelijk de raadsman van verdachte het volgende opgenomen:

“De advocaat-generaal voert het woord voor repliek en voert daarbij aan - zakelijk weergegeven -:

(…)

Ten aanzien van het voorwaardelijk verzoek van de raadsman, te weten dat hij alleen getuigen wil horen als er een hogere straf wordt opgelegd, merk ik op dat de verdediging niet is geschaad als de getuigen niet worden gehoord.”

De raadsman voert het woord voor dupliek en merkt daarbij op - zakelijk weergegeven - :

Met betrekking tot het eerste gedachtestreepje persisteer ik.

De verklaring van aangever wordt niet ondersteund en mogelijk dat getuige [betrokkene 1] daaromtrent meer kan verklaren, omdat hij erbij aanwezig was.

(…)

Wat betreft de voorwaardelijke verzoeken merk ik nog op dat die deels ook betrekking hebben op partiële vrijspraken. En dat kan van invloed zijn op de beoordeling over de ernst van het feit en dus op de strafmaat of strafsoort.”

8. De bewezenverklaring in het betreden arrest houdt voor zover het feit 1 betreft in dat:

“hij omstreeks 17 oktober 2014, in de gemeente Almelo, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung S3), toebehorende aan [betrokkene 2], welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen voornoemde [betrokkene 2], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

- nadat [betrokkene 1] hem, verdachte wilde fouilleren tegen [betrokkene 1] heeft gezegd "moet ik hem trekken, moet ik hem pakken?" waarbij verdachte wees naar een mes dat hij bij zich droeg en

- een mes aan [betrokkene 1] heeft voorgehouden en een mes bij zich heeft gedragen en

- stekende bewegingen in de richting van die Bartels heeft gemaakt.”

9. Met betrekking tot het bewijs van feit 1 overweegt het hof in bestreden arrest het volgende:

“De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de door verdachte gepleegde geweldshandelingen niet gericht waren op het gemakkelijk maken van de diefstal of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken danwel het bezit van het gestolene te verzekeren, nu zijn doel uitsluitend was gericht op het ontvluchten van het geweld ter bescherming van zijn lijf en leden, waarbij de door hem weggenomen telefoon geen enkele rol speelde voor verdachte.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Aangever heeft verklaard dat op het moment dat hij ontdekte dat zijn telefoon was weggenomen en hij verdachte hierop aansprak en hem wilde fouilleren, verdachte begon tegen te stribbelen, naar zijn broekzak wees, waar aangever al een mes in had zien zitten, en vroeg of hij hem moest trekken of moest pakken. Verdachte wilde toen direct weg en rende naar buiten en haalde buiten het mes uit zijn broekzak. Toen aangever achter hem aan rende, maakte verdachte een stekende beweging met het mes, waardoor aangever zich bedreigd voelde. Vervolgens is verdachte op een fiets gestapt, is aangever achter hem aan gerend en heeft aangever de bagagedrager vast kunnen pakken. Toen aangever onderuit gleed, rende verdachte weg. Aangever is er nog achteraan gegaan, maar toen verdachte nog een paar keer met het mes stekende bewegingen maakte, heeft aangever hem laten gaan.

De verklaring van aangever die ziet op hetgeen buiten de woning is voorgevallen, dat verdachte en aangever op straat stonden, ruzie hadden en verdachte stekende bewegingen richting aangever maakte, wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en van verdachte. Het hof hecht geloof aan deze verklaringen.

Uit het voorgaande en ander bewijsmateriaal leidt het hof af dat de inspanningen van aangever er op gericht waren om zijn telefoon van verdachte terug te krijgen, dat verdachte die telefoon niet terug wilde geven (door te ontkennen dat hij de telefoon had en door te vluchten) en dat toen aangever verdachte wilde fouilleren en tijdens diens vlucht achterna rende, hij bedreigd werd door aangever. Naar het oordeel van het hof waren die bedreigingen met geweld van verdachte tegen aangever aangewend als middel om zich het bezit van de telefoon te verzekeren en om voor zich zelf de vlucht mogelijk te maken.”

10. Het hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje ‘Oplegging van straf en/of maatregel’ het volgende - voor zover hier van belang - overwogen:

“De verdediging heeft nog het voorwaardelijke verzoek gedaan de getuigen [betrokkene 1], [getuige 2] en [getuige 1] te horen en een strafadvies/rapportage te laten opstellen in het geval het hof overweegt aan verdachte een langere gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht.

Wat betreft het verzoek tot het horen van de getuigen is het hof van oordeel dat het belang van verdachte bij het horen van deze getuigen niet is gebleken, deels omdat het verzoek onvoldoende onderbouwd is. Dit verzoek is namelijk voorwaardelijk gedaan, en geldt slechts in het geval het hof een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op wil leggen dan de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het hof neemt daarbij verder in aanmerking dat de getuige [betrokkene 1] reeds bij de politie is gehoord, hij wisselend en niet steeds naar waarheid heeft verklaard en toen onder andere heeft verklaard dat hij die avond dronken was en niet weet of er ruzie is geweest tussen verdachte en aangever. Dit betekent dat het hof over de situatie in de woning meer waarde toekent (en ook had toegekend in geval [betrokkene 1] bij de raadsheer-commissaris een verklaring zou hebben afgelegd) aan hetgeen aangever hierover heeft verklaard. Ten aanzien van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] geldt dat zij alleen hebben waargenomen wat zich buiten de woning van aangever heeft afgespeeld, daarover reeds verklaard hebben dat zij verdachte stekende bewegingen richting aangever hebben zien maken. Dat verdachte stekende bewegingen in de richting van [betrokkene 2] heeft gemaakt is door verdachte bevestigd ter terechtzitting in eerste aanleg.”

11. Bovenstaande nogal uitvoerige citaten relativeren mede gelet op hetgeen in de schriftuur van cassatie wordt betoogd het belang bij cassatie. Immers ook in cassatie is niet ter discussie gesteld dat verdachte een telefoon heeft weggenomen, terwijl in de schriftuur zelfs uitdrukkelijk wordt vermeld dat verdachte heeft erkend dat hij een mes heeft getoond en daarmee heeft gedreigd. Het hof heeft bovendien anders dan de rechtbank de verdediging in zoverre gevolgd dat niet is bewezen dat de bedreiging met geweld vooraf ging aan het wegnemen en het wegnemen faciliteerde. Het belang bij cassatie strekt mijns inziens in de kern niet verder dan dat zowel de bewezenverklaarde bewoordingen als de stekende bewegingen zijn betwist. Hoewel in het middel een dergelijke uitdrukkelijke onderbouwing wordt gemist - en het hof dus in aanmerking kon nemen dat het verzoek onvoldoende was onderbouwd - , kan dat inderdaad wel relevant zijn voor de straftoemeting. Het horen van een getuige over de vraag of verdachte de bewezenverklaarde woorden heeft gesproken en stekende bewegingen heeft gemaakt is op het eerste gezicht dus niet zonder belang.

12. Dat het hof in verband met de vervulling van de gestelde voorwaarde was gehouden bij arrest te beslissen op het getuigenverzoek staat niet ter discussie. Hoewel de steller van het middel “zich er overigens bewust van [is] dat het noodzaakcriterium in dezen van toepassing is”, ben ik daar allerminst zeker van. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt dat de getuige [betrokkene 1] bij (tijdig ingediende) appelschriftuur is opgegeven en dat deze getuige niet op de terechtzitting in eerste aanleg - bij gebreke van een daartoe strekkend verzoek1 - dan wel door de rechter-commissaris is gehoord. Op grond van art. 288, eerste lid, onder c, Sv in verbinding met art. 418, eerste lid, Sv is de maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van de oproeping van de getuige niet in zijn verdediging wordt geschaad.2 De verdediging heeft dit verzoek bij pleidooi in voorwaardelijke vorm herhaald. Het in de appelschriftuur gedane en op de terechtzitting in hoger beroep herhaalde (voorwaardelijk) verzoek om de getuige [betrokkene 1] te horen, is een verzoek als bedoeld in art. 287, derde lid, onder a, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv. De maatstaf voor de beoordeling van dit verzoek is op grond van art. 288, eerste lid, onder c, Sv in verbinding met art. 418, eerste lid, Sv of redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.3

13. Het behoeft geen betoog dat de verdediging het herhaalde (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] ter terechtzitting van het hof in een eerder stadium had kunnen doen, bijvoorbeeld onmiddellijk nadat de zaak door het openbaar ministerie werd voorgedragen.4 De vraag is echter of hieraan het gevolg zou moeten worden verbonden dat niet het verdedigings- maar het noodzaakscriterium op het herhaalde verzoek van toepassing is. Voor dat standpunt is in de wet noch de rechtspraak steun te vinden, zodat ik op het bij pleidooi herhaalde voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige [betrokkene 1] het verdedigingscriterium van toepassing acht.5 Door te overwegen dat het belang van verdachte bij het horen van deze getuigen niet is gebleken, heeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad en aldus de juiste maatstaf aangelegd.6

14. Voor wat betreft de begrijpelijkheid van de afwijzing van het verzoek door het hof geldt het volgende. Volgens vaste rechtspraak heeft bij de beoordeling van de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] in cassatie te gelden of de beslissing van het hof begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.7 Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals het stadium waarin het verzoek is gedaan.8

15. Het hof is tot het oordeel gekomen dat “het belang van de verdachte bij het horen van deze getuigen niet is gebleken, deels omdat het verzoek onvoldoende is onderbouwd”. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het verzoek slechts geldt in het geval het hof een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf wil opleggen dan de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor zover in de toelichting op het middel wordt geklaagd dat de afwijzing door het hof onbegrijpelijk is, omdat in tegenstelling tot hetgeen het hof heeft overwogen, het voorwaardelijk verzoek niet alleen ziet op het geval dat het hof een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de voorlopige hechtenis oplegt, maar voorts ook deels betrekking heeft op partiële vrijspraken, kan ik de steller van het middel niet volgen. Uit hetgeen de raadsman ter terechtzitting naar voren heeft gebracht valt op te maken dat de verdediging de getuige weliswaar wenst te horen in verband met de strafmaat/strafsoort en/of partiële vrijspraken, maar niet dat het achterwege blijven van partiële vrijspraken eveneens als voorwaarde bij het getuigenverzoek is gesteld. Gelet hierop is het onjuist noch onbegrijpelijk dat het hof bij zijn beslissing (mede) in aanmerking heeft genomen dat het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] slechts geldt in het geval dat het hof een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf wil opleggen dan de verdachte in voorlopige hechtenis heeft gebracht. Voor zover het middel daarover klaagt faalt het dus.

16. De kern van het middel is dat het hof in zijn overwegingen tot uitdrukking heeft gebracht dat het geen enkele waarde hecht aan een nadere verklaring die de getuige [betrokkene 1] mogelijk bij de raadsheer-commissaris zou afleggen, hetgeen onbegrijpelijk zou zijn omdat de verklaringen van [betrokkene 1] bij de politie zijn afgelegd in de hoedanigheid van verdachte, dat [betrokkene 1] ten tijde van het afleggen van die verklaringen een belang had om zijn rol af te zwakken, [betrokkene 1] inmiddels onherroepelijk is vrijgesproken en aldus geen gebruik meer kan maken van zijn verschoningsrecht en onder ede de waarheid dient te spreken.

17. Bij de afwijzing van het verzoek neemt het hof naast de gebrekkige onderbouwing van het verzoek in het bijzonder in aanmerking dat de getuige [betrokkene 1] bij de politie wisselend en niet steeds naar waarheid heeft verklaard en toen onder andere heeft verklaard dat hij die avond dronken was en niet weet of er ruzie is geweest tussen de verdachte en aangever. Eerst in cassatie wordt een reden geven voor de wisselende, leugenachtige verklaring en voor het gebrek aan wetenschap: de getuige wenste zijn eigen rol af te zwakken. Het hof was niet in staat en niet gehouden op die redengeving in te gaan, terwijl bovendien nog blijft staan dat de getuige ten tijde van het incident waarover zijn nadere verklaring wordt verlangd dronken was. Deze motivering van het hof kan de afwijzing van het verzoek zelfstandig dragen en is niet onbegrijpelijk. Het hof loopt daarnaast in - naar ik begrijp - voor verdachte gunstige zin vooruit op een eventuele verklaring van de getuige [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris, maar kent aan een dergelijke verklaring bij voorbaat geen bewijswaarde toe. Dat laatste is te veel van het goede, maar tast de eerder vermelde kern van de motivering van de afwijzing van het getuigenverzoek niet aan.

18. Anders dan het middel betoogt is het oordeel van het hof dat het belang van de verdediging bij het horen van de getuige [betrokkene 1] niet is gebleken, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

19. Het middel faalt.

20. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt niet dat de verdediging heeft verzocht tot het (doen) horen van de getuige [betrokkene 1].

2 Vgl. HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7346, r.o. 2.3, HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1585, r.o. 3.3, HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1584, r.o. 2.3; HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1726, NJ 2010/589, r.o. 2.4 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, r.o. 2.44-2.48.

3 Vgl. HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7346, r.o. 2.3, HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1585, r.o. 3.3, HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1584, r.o. 2.3; HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1726, NJ 2010/589, r.o. 2.4. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, r.o. 2.44-2.48.

4 Zoals hiervoor reeds naar voren kwam heeft de verdediging in eerste aanleg geen verzoek gedaan tot het horen van de getuige [betrokkene 1].

5 Ik wijs hier ook nog op een praktisch aspect. De raadsman kan zich welwillend opstellen en dus niet onmiddellijk bij de aanvang van de behandeling in hoger beroep het verzoek doen om de getuige te horen. De voortgang van de behandeling kan daarmee zijn gediend. Er kan verschillend worden gedacht over de vraag of de voorzitter als bewaker van de goede procesorde in een dergelijke geval bij de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting het eerder gedane getuigenverzoek zelf ter sprake moet brengen. Dat het stilzwijgen van de voorzitter over het tijdig gedane getuigenverzoek tot gevolg heeft dat het belangcriterium niet meer van toepassing is, maar wordt teruggevallen op het noodzaakcriterium lijkt mij onwenselijk.

6 Zie mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2017:593) bij HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1232, NJ 2017/445 m.nt. Kooijmans, onder 11 en 12. De Hoge Raad heeft zich in voornoemd arrest niet uitgelaten over de vraag welk criterium van toepassing is en in het verlengde daarvan of het hof het juiste criterium heeft toegepast. Zie tevens de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt (ECLI:NL:PHR:2015:2297) bij HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3355. Ook in voornoemd arrest gaat de Hoge Raad niet in op de vraag welk criterium hier van toepassing is en of het hof het juiste criterium heeft toegepast.

7 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, r.o. 2.76; HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2468, NJ 2015/417 m.nt. Schalken, r.o. 2.1; HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. Kooijmans, r.o. 3.8.2 en HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2497, r.o. 3.4.

8 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, r.o. 2.76; HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2468, NJ 2015/417 m.nt. Schalken, r.o. 2.1; HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. Kooijmans, r.o. 3.8.2 en HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2497, r.o. 3.4.