Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1165

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-09-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
17/03838
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1948
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rijden terwijl verdachte redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Kan uit omstandigheid dat besluit tot ongeldigverklaring rijbewijs per aangetekende brief is verzonden naar verdachte, worden afgeleid dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard? HR: Op gronden vermeld in CAG is klacht gegrond. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: B.m. houden niet meer in dan dat besluit tot ongeldigverklaring rijbewijs aangetekend naar verdachte is verzonden. Daaruit kan gelet op rechtspraak HR niet worden afgeleid dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Samenhang met 17/03810.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2018/367
NbSr 2018/367
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03838

Zitting: 4 september 2018

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 14 juli 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/03810. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.

  5. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij op 11 december 2015 te Rotterdam terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Crooswijkseweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal ZSM Artikel 9 WVW van de Politie Eenheid Rotterdam d.d. 22 december 2015. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van de opsporingsambtenaren:

Op 11 december 2015 te 02:00 uur, zag ik, verbalisant [verbalisant] , op de Crooswijkseweg te Rotterdam, een persoon een motorrijtuig besturen.

Verdachte gaf mij op te zijn genaamd:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990.

Voertuig: Personenauto

Voor het besturen van bovenstaand voertuig is een rijbewijs

vereist van de categorie:

AM

B

Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.

Na bevraging van de rijbewijsgegevens bleek dat betrokkene meerdere keren is aangehouden voor het rijden onder invloed. Rijbewijs is ongeldig verklaard door het CBR. Na opvraging dossier CBR blijkt dat betrokkene meerdere brieven aangetekend heeft ontvangen waarin stond dat hij een cursus moest volgen. Betrokkene heeft eerst niet betaald en daarna wel en daarna is hij niet geweest. Er zit ook een aangetekende brief bij, met de mededeling dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard.

2. Een geschrift, zijnde een uitdraai BVI-IB uit de informatiesystemen van de politie d.d. 11 december 2015. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

3. Een geschrift, zijnde een aangetekend schrijven gericht aan verdachte van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, d.d. 19 oktober 2015, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 1], teammanager Vorderingen, divisie Rijgeschiktheid. Het houdt onder meer in:

AANTEKENEN

[verdachte]

[a-straat 1]

[plaats]

Op 18 maart 2015 hebben we u een brief gestuurd. In die brief staat dat u een cursus over alcohol en verkeer moet volgen. Helaas heeft u de cursus niet, of niet op tijd betaald. U heeft de cursus dus ook niet gevolgd. Daarom hebben we besloten uw rijbewijs ongeldig te verklaren. U mag niet meer rijden vanaf 26 oktober 2015. In deze brief leest u waarom we dit besluit genomen hebben en wat dit voor u betekent.

U mag uw rijbewijs niet meer gebruiken. Stuur daarom uw rijbewijs op naar: CBR divisie Rij geschiktheid, afdeling Vorderingen, Postbus 3012, 2280 GA in Rijswijk.”

7. Het middel valt uiteen in drie deelklachten. Allereerst wordt geklaagd dat het hof er ten onrechte vanuit is gegaan dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig was vanaf 26 oktober 2015, aangezien uit de bewijsvoering van het hof niet blijkt of en zo ja wanneer het besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs aan de verdachte bekend is gemaakt.

8. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder bewijsmiddel 3, heeft kunnen afleiden dat het besluit tot ongeldigverklaring op 19 oktober 2015 aangetekend aan de verdachte is toegezonden en aldus aan de verdachte is bekendgemaakt1, zodat de ongeldigverklaring op grond van art. 132 lid 4 WVW 1994 met ingang van 26 oktober 2015 van kracht is geworden. De bewezenverklaring is aldus in zoverre voldoende met redenen omkleed.

9. Verder wordt geklaagd dat het hof op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de verdachte op 11 december 2015 redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

10. Aan de Hoge Raad is reeds in diverse zaken de vraag voorgelegd of uit de gebezigde bewijsmiddelen kon volgen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Zo oordeelde de Hoge Raad dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte aan het juiste adres van de verdachte was verzonden niet kon volgen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.2 De omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief aan hem was verzonden en niet retour was gekomen naar het CBR was daartoe evenmin voldoende.3

11. In de onderhavige zaak houden de gebezigde bewijsmiddelen met betrekking tot de wetenschap van de verdachte niet meer in dan dat het besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs aangetekend aan de verdachte is toegezonden. Daaruit kan gelet op de genoemde rechtspraak van de Hoge Raad echter niet worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De bewezenverklaring is in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed, zodat het middel in zoverre terecht is voorgesteld.

12. Ten slotte klaagt het middel dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan worden afgeleid dat, zoals bewezenverklaard, na de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven. Dat kan inderdaad niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgen. Het middel is ook in zoverre terecht voorgesteld.

13. Het middel slaagt.

14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. art. 3:41 lid 1 Awb.

2 HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2776.

3 HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3115.