Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1161

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-09-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
17/02739
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1938
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming, w.v.v. uit hennepkwekerij. 1. Motiveringsklacht m.b.t. oordeel Hof dat betrokkene één eerdere (geslaagde) oogst heeft gehad en daaruit voordeel heeft verkregen. 2. Aanvangsdatum redelijke termijn in e.a. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02739 P

Zitting: 4 september 2018

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 30 mei 2017 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 24.477,35 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.

2. Namens de betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.J. Bussink, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de betrokkene één eerdere (geslaagde) oogst heeft gehad en dat hij daaruit voordeel heeft verkregen in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.

4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de betrokkene aldaar het woord ter verdediging gevoerd. Door de raadsman is het volgende aangevoerd:

“Het onderhavige proces-verbaal van de politie blinkt niet uit in helderheid. De verbalisanten relateren dat er in alle zakken is gekeken en mijn cliënt verklaard dat er in de zakken rotte toppen zaten. Daar is geen duidelijkheid over verkregen. Ook niet na ontvangst van het aanvullend opgemaakte proces-verbaal. Twee van de verbalisanten blijken niet meer bij de politie te werken en een fraudespecialist heeft verklaard dat hij in die zakken heeft gekeken, maar dat zegt mij helemaal niets. Mijn cliënt is onervaren op dit terrein. In zijn onervarenheid heeft hij die rotte planten eerst geknipt en in zakken gedaan en daarna de rest van de planten. Niet valt uit te sluiten dat het is gegaan zoals door mijn cliënt is verklaard.

Er is geen wederrechtelijk voordeel behaald door mijn cliënt. Er zijn ook geen aanwijzingen dat mijn cliënt veel geld heeft uitgegeven aan luxegoederen. Ik verzoek u de vordering af te wijzen dan wel te matigen. Ik verzoek u tot slot rekening te houden met het tijdsverloop in deze zaak.

5. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant (onder weglating van voetnoten) het volgende in:

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij vonnis van politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 18 mei 2016 (parketnummer 16-652173-14) ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot straf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Voor de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoekt het hof aansluiting bij de uitgangspunten in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij, op 2 februari 2014 (pv nr. PL0910-201376906-1).

Uit het rapport komt naar voren dat er op de vloer van de hennepkwekerij afvalbladeren en natte resten van hennepplanten lagen. Ook lagen er scharen met restanten van hennepproducten en stonden er vuilniszakken, gevuld met restkluiten met afgeknipte steel en wortel van hennepplanten. Het hof gaat er vanuit dat er tenminste eenmaal is geoogst.

De veroordeelde heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij weliswaar heeft geoogst, maar dat die oogst geheel is mislukt omdat er toprot in planten zat. Het hof acht die verklaring niet geloofwaardig omdat de veroordeelde bij de politie heeft verklaard (pv nr: PL091A-2013176906-12, p. 71 ) dat “er was geoogst maar ze zo klaar waren omdat de helft weg kon.” Op grond van het vorenstaande acht het hof het aannemelijk geworden dat er is geoogst en er sprake is geweest van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 24.477,35 (vierentwintigduizend vierhonderdzevenenzeventig euro en 35 eurocent). Het hof komt als volgt tot deze schatting:

(…)

Totale opbrengst € 6.393,23 + € 6.393,23 + € 18.317,86 = € 26.698,89

Het hof brengt op dat bedrag in mindering de door de veroordeelde betaalde elektriciteitskosten, groot € 2.221,54.

€ 26.698,89 - € 2.221,54 = een netto opbrengst van € 24.477,35

(…)”

6. Uit de vaststellingen van het hof kan worden afgeleid dat in de hennepkwekerij hennepresten zijn aangetroffen en dat in de hennepkwekerij hennepplanten zijn geknipt. Ook de betrokkene zelf verklaart dat eerder is geoogst. Uit de nadere bewijsoverweging van het hof kan voorts worden opgemaakt dat het hof van oordeel is dat geen geloof behoeft te worden gehecht aan de verklaring van de betrokkene dat een eerdere oogst is mislukt. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, gelet op ‘s hofs vaststelling dat de betrokkene tegenstrijdig heeft verklaard over de resultaten van die eerdere oogst (aanvankelijk verklaart de betrokkene dat de helft van de oogst is mislukt, later verklaart de betrokkene dat de gehele oogst is mislukt). Mede gelet op de door het hof gebezigde bewijsmiddelen acht ik ’s hofs oordeel dat er tenminste eenmaal eerder is geoogst en dat de betrokkene daaruit voordeel heeft verkregen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.1

7. Het eerste middel faalt.

8. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat van schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM geen sprake is.

9. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Anders dan de eerste rechter is het hof van oordeel dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. In ontnemingszaken kan op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. In het algemeen zal als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangenomen kunnen worden:

a. het in art. 311, eerste lid, Sv bedoelde moment waarop de officier van justitie uiterlijk bij gelegenheid van zijn requisitoir in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, of

b. het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv is ingesteld, of

c. het moment waarop de in artikel 511b Sv bedoelde vordering aan de betrokkene is betekend (ECLI:NL:HR:2001:AA9372 -NJ 2001, 307).

In casu is de in artikel 511b bedoelde vordering gedateerd 13 april 2016. In de vordering wordt de veroordeelde opgeroepen om op 18 mei 2016 te 14.15 uur ter verschijnen ter zitting van de politierechter in het arrondissement Midden-Nederland, zitting houdende te Utrecht. Op genoemde zitting zijn verdachte en zijn raadsman verschenen. Naar het oordeel van het hof moet, nu uit de stukken niet blijkt of aan het onder a, b en c gestelde is voldaan 18 mei 2016 als aanvangsdatum voor de redelijke termijn worden aangenomen.”

10. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat het hof niet is uitgegaan van het juiste moment van aanvang van de redelijke termijn. Daartoe heeft de steller van het middel allereerst aangevoerd dat de betrokkene reeds tijdens zijn verhoor bij de politie op 27 augustus 2013 is voorgehouden dat men voornemens is een bedrag van € 23.842,50 te ontnemen. Op grond daarvan kon hij reeds vanaf dat moment redelijkerwijs verwachten dat een ontnemingsvordering zou worden ingesteld, aldus de steller van het middel. In de tweede plaats heeft de steller van het middel aangevoerd dat zich bij de stukken een rapport ‘berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij’ d.d. 2 februari 2014 bevindt waaraan de betrokkene een redelijke verwachting kon ontlenen dat jegens hem een ontnemingsvordering aanhangig zou worden gemaakt. Tot slot heeft de steller van het middel aangevoerd dat het inmiddels vrijwel een feit van algemene bekendheid is dat het Openbaar Ministerie na het aantreffen van een hennepkwekerij zal overgaan tot het ontnemen van het daarmee verkregen voordeel.

11. De steller van het middel miskent dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd.2 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het hof uitsluitend verzocht rekening te houden met het tijdsverloop in deze zaak. Dit verzoek kan bezwaarlijk worden aangemerkt als een verweer met betrekking tot een overschrijding van de redelijke termijn.

12. Het tweede middel faalt.

13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ook in het licht van hetgeen door de raadsman is aangevoerd, voor zover dit al kan worden opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, behoefde ’s hofs oordeel geen nadere motivering. De motiveringsplicht gaat bovendien niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Zie: HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, ro 3.8.4 onder d, en HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:238, NJ 2014/279 m.nt. Schalken.

2 Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.9. Zie voorts HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2850, en HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2817.