Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:116

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-02-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
16/03726
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:492
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie A-G. Art. 6 WVW 1994. Klacht 1. mbt begrijpelijkheid oordeel hof dat vanwege significante snelheidsovertreding met het onvoldoende oog hebben voor en/of anticiperen op de verkeerssituatie aldaar sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Aangevoerd wordt dat verdachte- die op een voorrangsweg reed - toen hij zag dat het slachtoffer de kruising naderde, zijn snelheid verminderde en naar links heeft gestuurd om het slachtoffer te ontwijken. 2. Is oordeel hof dat mede gelet op de complexiteit van de zaak en het feit dat er getuigen zijn gehoord, geen sprake is van schending van de redelijke termijn in eerste aanleg begrijpelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03726

Zitting: 13 februari 2018

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 8 juni 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Voorts is de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden voorwaardelijk ontzegd met een proeftijd van 2 jaren.

  2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt, bezien in samenhang met de toelichting daarop, dat niet (zonder meer) uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat (i) de verdachte onvoldoende heeft geanticipeerd op de verkeerssituatie en (ii) dat het slachtoffer onder normale omstandigheden, waarbij de verkeersdeelnemers de toegestane snelheid niet dan wel in mindere mate zouden overschrijden, de kruising veilig had kunnen oversteken, zodat de verwerping van een gevoerd verweer, dan wel de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“primair:

hij op 30 juni 2012 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rochussenstraat, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen hij, de kruising met de G.J. de Jonghweg naderde,

- met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/uur, heeft gereden en

- een vóór hem rijdend motorvoertuig rechts en met die hoge snelheid heeft ingehaald en

- met die nog immer veel te hoge snelheid het kruisingsvlak is opgereden en

- aldaar ondanks remmen met een nog immer hoge snelheid in botsing is gekomen met dat voor hem van rechts komende motorrijtuig, waardoor de bestuurder van dat van rechts komende motorrijtuig, genaamd [betrokkene 1], zwaar lichamelijk letsel (te weten een ingeklapte long, meerdere ribbreuken, breuk van de linkerheupkom, bekkenbreuken, borstkaswervelbreuk en een scheur van het hartzakje) werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1) Een proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer voor strafzaken in de rechtbank Rotterdam op 2 september 2014 waarin is opgenomen de verklaring van de verdachte ter zitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Op 30 juni 2012 reed ik op de Rochussenweg (hof: bedoeld is Rochussenstraat) te Rotterdam als bestuurder van een personenauto, een Renault. Ik reed te hard. Ik reed op de linker rijstrook. Ik heb gas bijgegeven en heb een auto rechts ingehaald. Ik ben vervolgens doorgereden in de richting van de kruising van de G.J. de Jonghweg. Toen ik de kruising naderde, zag ik dat er van rechts op de G.J. de Jonghweg een auto naderde, een Citroën.

2) Een proces-verbaal van de op 25 mei 2016 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte ter zitting in hoger beroep, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Op 30 juni 2012 reed ik op de Rochussenstraat te Rotterdam als bestuurder van een personenauto, een Renault. Ik stond links voor het stoplicht. Er stond een auto voor mij. Het stoplicht sprong op groen en ik trok op. De weg loopt met een heuveltje. De auto voor mij gaf aan naar links te gaan. Ik heb versneld zodat ik er rechts langs kon. Meneer (het hof begrijpt [betrokkene 1]) kwam aanrijden. Ik had voorrang. Vervolgens zag ik dat meneer toch overstak. Ik ben toen naar links gegaan en heb afgeremd. Ik heb geprobeerd om hem te ontwijken, maar dat is niet gelukt.

3) Een proces-verbaal van verhoor getuige van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 2012393241-17, op 20 juli 2012 opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als op 20 juli 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

Op zaterdag 30 juni 2012 omstreeks 16.15 uur zat ik achterin de auto bij mijn vader. Wij reden op de Rochussenstraat komende uit de richting van de Nieuwe-Binnenweg en gaande in de richting van de G.J. de Jonghweg te Rotterdam. Wij stonden stil voor het rode verkeerslicht van de Coolhaven naast een Audi A3 en daar achter zag ik dat de auto een zwarte Renault Laguna. Wij en de Audi A3 stonden vooraan. Er waren in ieder geval twee rijstroken voor rechtdoor.

Toen het verkeerslicht op groen ging, trok mijn vader niet zo hard op en reed ongeveer 30 kilometer per uur en zag ik de Audi iets harder optrekken waardoor er tussen ons en de Audi een afstand kwam. Ik zag en hoorde toen dat de zwarte Renault ons al gasgevend hard voorbij reed en vervolgens de links rijdende Audi hard rechts voorbij reed. Ik zag dat de Renault snel van ons wegreed en na de Audi rechts te hebben ingehaald weer naar de linker rijstrook reed. Binnen enkele seconden was hij al verder weg. Ik zag de remlichten van die Renault oplichten en zag ik dat hij tegen de linker zijkant van een auto reed op de kruising van de Rochussenstraat en de G.J. de Jonghweg te Rotterdam van rechts kwam.

4) Een proces-verbaal van verhoor van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 2012393241-18, op 3 augustus 2012 opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als op 3 augustus 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Op zaterdag 30 juni 2012 reed ik in de mij in eigendom toebehorende auto van het merk Citroën op de G.J. de Jonghweg te Rotterdam. Ik kwam vanuit de richting van de Westzeedijk en reed in de richting van de Aelbrechtskade. Ik wilde dus op de rotonde van de Rochussenstraat met de G.J. de Jonghweg linksaf slaan. Ik voelde en hoorde dat ik toen aangereden ben.

5) Een proces-verbaal van de op 25 mei 2016 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [betrokkene 1]:

Over het ongeluk (het hof begrijpt: op 30 juni 2012) herinner ik mij dat ik niemand zag en toen ben overgestoken. De snelheid waarmee alles gebeurde was ongelofelijk. Er was opeens die klap, ik ben toen in coma afgevoerd. Toen ik keek of er iets aankwam zag ik geen verkeer, anders zou ik niet de kruising zijn opgereden.

6) Een geschrift, te weten een NFI-rapport 'Snelheidsberekening naar aanleiding van een verkeersongeval in Rotterdam op 30 juni 2012' , nr. 2015.10.26.153, en de daarbij behorende, bijlagen, opgemaakt door ir. A.C.E. Spek (p. 14):

Voor de snelheid van de Renault op het moment van de confrontatie met de Citroën geldt:

- Het sporenbeeld is het best verklaarbaar als die snelheid 68 à 69 km/u bedroeg.

- Snelheden lager dan 58 km/u of hoger dan 83 km/u zijn moeilijk met het sporenbeeld te rijmen.

Voor de snelheid waarmee de Renault reed kort voorafgaande aan de aanrijding met de Citroën, op het moment dat de banden van de Renault op het wegdek begonnen af te tekenen ten gevolge van de door de bestuurder (de verdachte) ingezette noodremming, geldt:

- Het sporenbeeld is het best verklaarbaar, als die snelheid 96 à 97 km/u bedroeg.

- Snelheden lager dan 80 km/u of hoger dan 114 km/u zijn moeilijk met het sporenbeeld te rijmen.

Voor de snelheid van de Citroën op het moment van de confrontatie met de Renault geldt:

- Het sporenbeeld is het best verklaarbaar als die snelheid 34 à 35 km/u bedroeg.

- Snelheden lager dan 19 km/u of hoger dan 49 km/u zijn moeilijk met het sporenbeeld te rijmen.

7) Een geschrift, opgemaakt op 9 november 2012 door L.C. Los, forensisch arts, inhoudende, de letselbeschrijving van [betrokkene 1]:

Na info chirurg Erasmus MC over opname vanaf 30-06-12.

Objectieve bevindingen

Bij onderzoek op de SEH werden de volgende letsels geconstateerd: ingeklapte long links waarvoor een drain werd met meerdere breukdelen, breuken aan de voorzijde van het bekken beiderzijds, stabiele breuk van de 7e borstkaswervel, scheur van het hartzakje, met "inklemming" van het hart, patiënt is hiervoor geopereerd waarbij een nieuw hartzakje werd gemaakt.

Patiënt werd opgenomen op de intensive care afdeling en kon op 25-07 overgeplaatst worden naar de gewone verpleegafdeling. Op 30-07 is patiënt naar huis ontslagen. Genezingsduur: minimaal 3 maanden.

8) Een rapport van de politie Rotterdam-Rijnmond, afdeling verkeerspolitie, bureau technische en ongevallendienst nr. 2012 393241-10 d.d. 6 december 2012, voor zover inhoudende (pag. 4):

De toegestane maximumsnelheid was op de plaats van het ongeval, de kruising van Rochussenstraat en G.J. de Jonghweg, 50 km/uur voor motorvoertuigen.”

6. Het hof heeft in de bestreden uitspraak de volgende nadere bewijsoverwegingen opgenomen:

“Het hof betrekt in zijn beoordeling de uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting gebleken navolgende feiten en omstandigheden.

Op 30 juni 2012 rijdt de verdachte als bestuurder van een personenauto (een Renault) op de Rochussenweg te Rotterdam richting de G.J. de Jonghweg. De ter plaatse toegestane snelheid is 50 km/uur. Hij rijdt op de linker rijbaan. De verdachte moet stoppen voor de verkeerslichten bij de kruising met de Coolhaven. Deze kruising ligt op een soort heuvel. De verdachte stond achter een Audi A3. Toen de verkeerslichten op groen sprongen, trok de Audi A3 op. De verdachte heeft geaccelereerd zodat hij eerst de auto rechts vóór hem in kon halen en vervolgens de Audi A3 rechts kon inhalen. Hierna is de verdachte teruggekeerd naar de linker rijbaan.

Vlak daarna is de verdachte op het kruisingsvlak tegen de auto van het slachtoffer (een Citroën) gebotst, die van rechts kwam van de G.J. de Jonghweg en de kruising overstak.

De verdachte heeft verklaard dat toen hij de auto van het slachtoffer zag rijden op de G.J. de Jonghweg, hij verwachtte dat deze hem voorrang zou verlenen. Maar omdat hij twijfelde of deze wel zou remmen dan wel rechtsaf zou slaan, is de verdachte toen weer naar de linker rijstrook gegaan. De verdachte is met onverminderde snelheid de kruising opgereden. Toen de Citroën echter toch de kruising over reed, heeft de verdachte zo hard mogelijk afgeremd en naar links gestuurd en op deze wijze nog – zij het tevergeefs – geprobeerd om het slachtoffer te ontwijken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de conclusies van het rapport van het NFI inzake snelheidsberekening d.d. 28 januari 2016 blijkt dat het sporenbeeld het best verklaarbaar is als de snelheid van de Renault kort voorafgaand aan de aanrijding met de Citroën van het slachtoffer 96 à 97 km/u bedroeg en dat snelheden lager dan 80 km/u of hoger dan 114 km/u moeilijk met het sporenbeeld te rijmen zijn.

Tevens is gebleken dat voor wat betreft de snelheid van de Renault van de verdachte op het moment van de confrontatie/aanrijding met de Citroën het sporenbeeld het best verklaarbaar is als de snelheid 68 à 69 km/u bedroeg en dat snelheden lager dan 58 km/u of hoger dan 83 km/u moeilijk met het sporenbeeld te rijmen zijn. Tenslotte wordt geconcludeerd dat voor wat betreft de snelheid van de Citroën op het moment van de confrontatie/aanrijding het sporenbeeld het best verklaarbaar is als de snelheid 34 à 35 km/u bedroeg en dat snelheden lager dan 19 km/u of hoger dan 49 km/u moeilijk met het sporenbeeld te rijmen zijn.

Het op verzoek van de verdediging opgestelde rapport door het NFI bevestigt grotendeels de verkeersongevallenanalyse van de Technische en ongevallendienst van de politie Rotterdam-Rijnmond.

Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat verdachtes eigen inschatting van zijn snelheid – te weten wel wat hoger dan 50 km/u maar zeker geen 88 km/u of meer – niet strookt met de 'technische onderzoeksresultaten.

De verdachte reed significant veel te hard. Het hof stelt vast dat moet worden aangenomen dat het slachtoffer onder normale omstandigheden, waarbij de verkeersdeelnemers de toegestane snelheid niet dan wel in mindere mate zouden overschrijden, de kruising veilig had kunnen oversteken. Deze snelheidsoverschrijding door de verdachte is derhalve de voor het ontstaan van de aanrijding bepalende factor geweest. Dat het slachtoffer op zichzelf genomen bij het oprijden van de weg voorrang had moeten verlenen aan het reeds op de weg rijdende verkeer doet daaraan dan ook niet af. Het was de verdachte die met aanmerkelijke overschrijding van de toegestane snelheid de kruising naderde. Onder deze omstandigheden mocht de verdachte, rijdend op een voorrangsweg, er niet langer op vertrouwen dat verkeer, dat vanuit andere wegen deze weg naderde, voor hem de doorgang vrij zou laten of vrij zou kunnen maken.

De combinatie van de significante snelheidsovertreding met het onvoldoende oog hebben voor en/of anticiperen op de verkeerssituatie aldaar, brengt het hof tot het oordeel dat bij verdachte sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en derhalve van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.”

7. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW 1994) – in het onderhavige geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig rijden – uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Wanneer deze schuld in de zin van culpa kan worden aangenomen, laat zich niet in zijn algemeenheid in een voor alle gevallen geldende definitie vatten, maar hangt volgens HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2208, NJ 2011/172 af van verschillende factoren zoals het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag de schuld in de hier bedoelde zin worden afgeleid.1

8. Het hof heeft onder meer overwogen dat de combinatie van de significante snelheidsovertreding met het onvoldoende oog hebben voor en/of anticiperen op de verkeerssituatie aldaar, tot het oordeel leidt dat bij de verdachte sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid (en derhalve van schuld als bedoeld in art. 6 WVW 1994). Dit oordeel zou volgens de steller van het middel onbegrijpelijk zijn, nu het hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat de verdachte, toen hij zag dat het slachtoffer de kruising naderde, zijn snelheid verminderde en naar links heeft gestuurd om het slachtoffer te ontwijken, en daaruit niet kan worden afgeleid dat de verdachte onvoldoende heeft geanticipeerd op de verkeerssituatie aldaar, terwijl de enkele snelheidsovertreding onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen.

9. Het hof heeft blijkens de bewijsvoering het volgende met betrekking tot de gedragingen van de verdachte vastgesteld. De verdachte reed op 30 juni 2012 als bestuurder van een Renault op de Rochussenweg in Rotterdam. De verdachte moest bij een kruising stoppen voor een verkeerslicht. Toen het verkeerslicht voor hem op groen sprong, accelereerde de verdachte en haalde hij de auto die voor hem reed rechts in (bewijsmiddelen 1, 2 en 3). De verdachte heeft verklaard dat hij de auto van het latere slachtoffer (een Citroën) zag rijden richting het kruisvlak, maar dat hij verwachtte dat deze voorrang zou verlenen aan hem (bewijsmiddel 2). Omdat – aldus de in cassatie niet bestreden nadere bewijsoverweging van het hof – de verdachte twijfelde of de Citroën wel zou remmen dan wel rechtsaf zou slaan, ging de verdachte terug naar de linker rijbaan.2 Vervolgens reed de verdachte met onverminderde snelheid het kruispunt op. Toen de andere auto toch de kruising opging, remde de verdachte zo hard mogelijk af en stuurde hij naar links om het slachtoffer te ontwijken (bewijsmiddel 2). Vervolgens reed de verdachte op het kruisingsvlak tegen de auto van het slachtoffer, ten gevolge waarvan het slachtoffer zwaar gewond raakte (bewijsmiddelen 2, 3, 4, 5 en 7). Uit het sporenbeeld en de conclusies van het NFI te dien aanzien, leidt het hof af dat de verdachte kort voorafgaand aan het ongeval met een snelheid van 96 à 97 km/u reed, terwijl de maximumsnelheid ter plaatse 50 km/u bedroeg (bewijsmiddelen 6 en 8), en dat de auto van de verdachte op het moment van de aanrijding een snelheid van 68 à 69 km/u had (bewijsmiddel 6).

10. Op grond van deze feiten en omstandigheden, heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden en dat het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 aan de schuld van de verdachte is te wijten. Bij zijn oordeel kon het hof betrekken dat de verdachte onvoldoende oog heeft gehad voor dan wel onvoldoende heeft geanticipeerd op de verkeerssituatie. Ik vermag niet in te zien waarom daarmee in tegenspraak zou zijn de omstandigheid dat de verdachte heeft afgeremd en naar links is gegaan om het slachtoffer te ontwijken. Integendeel zelfs, deze omstandigheden bezien in samenhang met de hoge snelheid waarmee de verdachte toen reed, impliceren juist dat de verdachte onvoldoende heeft geanticipeerd op de verkeerssituatie ter plaatse en op de auto van het slachtoffer die op dat moment over de kruising reed. De verdachte is immers nadat hij de auto van het slachtoffer had opgemerkt – in cassatie niet bestreden – met onverminderd hoge snelheid op de linkerbaan de kruising opgereden, terwijl hij bovendien er niet zonder meer op mocht vertrouwen dat een voorrangsweg kruisend verkeer voor hem de doorgang (tijdig) vrij zou maken.3

11. Op grond van het voorgaande is het oordeel van het hof dat gelet op de combinatie van de significante snelheidsovertreding met het onvoldoende oog hebben voor en/of anticiperen op de verkeerssituatie aldaar, sprake is van schuld als bedoeld in art. 6 WVW 1994 niet onbegrijpelijk.

12. Het middel klaagt verder dat de vaststelling van het hof dat het slachtoffer onder normale omstandigheden, waarbij de verkeersdeelnemers de toegestane snelheid niet dan wel in mindere mate zouden overschrijden, de kruising veilig had kunnen oversteken, onbegrijpelijk is, althans met onvoldoende redenen is omkleed, omdat deze overweging niet uit de bewijsmiddelen en/of het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid.

13. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 25 mei 2016 heeft het slachtoffer aldaar verklaard dat hij bij een snelheid van 75 km/u nog gemakkelijk had kunnen oversteken. Daarnaast houdt de voor het bewijs gebruikte verklaring van het slachtoffer in dat hij voorafgaand aan het ongeluk niemand zag en toen is overgestoken (bewijsmiddel 5). Hieruit en uit de omstandigheid dat de verdachte significant veel te hard reed, heeft het hof niet onbegrijpelijk kunnen afleiden dat het slachtoffer onder normale omstandigheden de kruising veilig had kunnen oversteken.4 Voorts is het oordeel daarover toereikend gemotiveerd.

14. Voor zover het middel nog de klacht bevat dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op een gevoerd verweer, faalt deze klacht reeds omdat hetgeen de, in de schriftuur genoemde, appelmemorie ter zake bevat, geen responsieplicht schept5 en de raadsvrouw blijkens voormeld proces-verbaal van de terechtzitting van het hof (i) enkel heeft gesteld dat vrijspraak dient te volgen en (ii) een strafmaatverweer heeft gevoerd.

15. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

16. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat mede gelet op de complexiteit van de zaak en het feit dat er getuigen zijn gehoord, geen sprake is van schending van de redelijke termijn in eerste aanleg.

17. In het arrest heeft het hof het volgende opgenomen:

“Tenslotte is het hof in tegenstelling tot de rechtbank van oordeel, mede gelet op de complexiteit van de zaak en het feit dat er getuigen gehoord zijn, dat de redelijke termijn voor behandeling van de zaak niet is overschreden.”

18. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

19. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn waarbinnen de berechting plaatsvindt heeft volgens het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis (rov. 3.14 en 3.16) als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt dit eveneens. De redelijkheid van de duur van een zaak is, aldus nog steeds de Hoge Raad (rov. 3.13.1) voorts afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

“a. De ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte. b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak. c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.”

20. In eerste aanleg heeft de rechtbank geconstateerd dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting niet was afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de termijn op 3 juli 2012, het moment dat de verdachte voor het eerst door de politie werd verhoord. De uitspraak van de rechtbank vond namelijk plaats op 16 september 2014. In het bestreden arrest van 8 juni 2016 overweegt het hof dat naar zijn oordeel de redelijke termijn voor behandeling van de zaak niet is overschreden, mede gelet op de complexiteit van de zaak en het feit dat er getuigen zijn gehoord.

21. De klacht betreft gezien de toelichting op het middel kennelijk uitsluitend de door het hof genoemde omstandigheid dat er getuigen zijn gehoord. Ik meen dat het oordeel van het hof op dit punt niet onbegrijpelijk is. In eerste aanleg zijn op verzoek van de verdediging twee getuigen door de rechter-commissaris gehoord (de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 2]). De periode tussen de terechtzitting waarop de verdediging het verzoek heeft gedaan (28 maart 2014) en de terechtzitting waarop de behandeling van de zaak is voortgezet (4 juli 2014) betreft iets meer dan drie maanden. Voorts zij opgemerkt, mocht de steller van het middel tevens het oog hebben op de fase van appel, dat in hoger beroep nog een getuige is gehoord (het slachtoffer) en op verzoek van de verdediging door de rechter-commissaris een deskundige van het NFI is benoemd om de snelheid van de auto van de verdachte en die van de auto van het slachtoffer te berekenen, daar onderzoek naar te doen en daarover te rapporteren. De daartoe strekkende verzoeken zijn gedaan ter terechtzitting van 12 juni 2015, het onderzoek is hervat op 25 mei 2016. De daardoor opgelopen vertraging bedraagt dus ruim 11 maanden. Voorts wijs ik erop dat – kort gezegd – de totale periode van berechting in eerste aanleg en in hoger beroep tezamen minder dan vier jaren bedraagt. Deze omstandigheden maken, zeker als de complexiteit van de zaak daar bij betrokken wordt, dat het oordeel van het hof dat de redelijke termijn voor behandeling van de zaak niet is overschreden voldoende met redenen is omkleed.

22. Het middel faalt.

23. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4254, NJ 2012/489 m.nt. Bleichrodt en HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252 m.nt. Knigge.

2 Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen valt deze omstandigheid niet zonder meer af te leiden. Kennelijk heeft het hof zich gebaseerd op het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 3 juli 2012, waarin de verdachte iets dergelijks verklaart.

3 Zie HR 25 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6452 en eerder HR 17 juni 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6919, NJ 1980/580.

4 Zie HR 17 juni 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6919, NJ 1980/580. Volledigheidshalve merk ik op dat in het, zich bij de gedingstukken bevindende, Rapport van de technische- en ongevallendienst is vermeld dat “de Citroën [auto slachtoffer, EH] nog veilig over had kunnen steken indien de Renault [auto verdachte, EH] met een snelheid zou hebben gereden van 75 km/u” (p. 11) en daarin wordt geconcludeerd dat de “(voorrangsplichtige) bestuurder van de Citroën, op basis van diens afstand tot de naderende Renault, kon en mocht verwachten dat hij zijn oversteek kon voltooien zonder daarbij de naderende bestuurder van de Renault te hinderen, althans zonder hem tot afremmen te dwingen, als de Renault aanvankelijk een snelheid had gehad van 50 km per uur” (p. 14).

5 Vgl. reeds HR 7 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AK4406, NJ 1986/693 (rov. 5).