Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1140

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-10-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
16/02722
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2095
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vordering tot herziening in de zaak die bekend staat als de Rosmalense flatmoord. Het gerechtshof had doodslag bewezen verklaard en TBS met dwangverpleging opgelegd. De advocaat-generaal draagt op basis van nader onderzoek door het NFI nova aan die bestaan uit nieuwe deskundigeninzichten omtrent sporen op kleding en aan de wond van het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02722

Zitting: 12 oktober 2018

Mr. D.J.C. Aben

Vordering tot herziening inzake:

[veroordeelde]

1. Bij deze wend ik mij tot de Hoge Raad der Nederlanden met een vordering tot herziening van de onherroepelijke uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 29 juni 2007, parketnummer 20-000104-05, ten laste van [veroordeelde] .

2. Deze vordering is niet zonder aanleiding. Bij brief, ingekomen op 24 mei 2016, heeft de raadsman van [veroordeelde] , mr. P.W. van der Kruijs, advocaat te ’s-Hertogenbosch, zich gelijktijdig gewend tot de Hoge Raad en tot de procureur-generaal bij de Hoge Raad met een verzoekschrift dat het midden houdt tussen (1) een herzieningsverzoek (aan de Hoge Raad) en (2) een verzoek (aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad) tot het verrichten van nader onderzoek naar het bestaan van gronden voor de herziening van een onherroepelijke veroordeling, waartoe art. 461 Sv de mogelijkheid opent. Bij brief van 6 juni 2016 heeft de raadsman de Hoge Raad desgevraagd laten weten dat het verzoekschrift dient te worden beschouwd als onder (2) genoemd, te weten een verzoek aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad tot het verrichten van nader onderzoek naar het bestaan van gronden voor de herziening van de onherroepelijke uitspraak in de zaak tegen [veroordeelde] .

3. Het gaat om de volgende strafzaak. Ik geef eerst een schets van het procesverloop, voor zover relevant. Bij arrest van 29 juni 2007 heeft het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch de aan [veroordeelde] ten laste gelegde ‘doodslag’ en ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ bewezen verklaard, hem daarvoor echter niet strafbaar geacht en hem ontslagen van alle rechtsvervolging. Daarbij is gelast dat [veroordeelde] ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd (hierna: TBS met dwangverpleging). De Hoge Raad heeft bij arrest van 28 oktober 2008 het cassatieberoep tegen deze uitspraak verworpen. Daarmee is de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch onherroepelijk geworden.1

4. Het hof heeft meer specifiek bewezen geacht dat [veroordeelde] op 10 april 2000 opzettelijk zijn partner, [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd door de keel van [slachtoffer] met een mes door te snijden. Deze doodslag zou hebben plaatsgehad in het halletje van hun gemeenschappelijke flatwoning aan de [a-straat] te Hintham (een stadsdeel van ’s-Hertogenbosch). Deze strafzaak staat ook wel bekend als de ‘Rosmalense flatmoord’.

5. [veroordeelde] heeft doodslag van begin af aan ontkend. De verdediging hield (en houdt) staande dat [slachtoffer] zichzelf met een mes van het leven heeft beroofd. Onder de linkerarm van [slachtoffer] is een bebloed mes aangetroffen.

6. Bovendien heeft het hof bewezen verklaard dat [veroordeelde] op 26 november 2003 een stagiaire van de GGZ heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Over die tweede zaak gaat het nu niet.

7. Het hof heeft de bewezenverklaring van doodslag in het bestreden arrest als volgt gemotiveerd:

I. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren.

- Op 10 april 2000 omstreeks 11:10 uur wordt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk agent en hoofdagent van politie regio Brabant Noord, van de regionale meldkamer een melding ontvangen met het verzoek zich te begeven naar de woning gelegen aan de [a-straat] te Hintham, gemeente ‘s Hertogenbosch. Via het alarmnummer 112 had een persoon gebeld met de mededeling dat hij zijn vriendin met doorgesneden keel had aangetroffen.

- Ter plaatse treffen de genoemde verbalisanten in het halletje van de woning het levenloze lichaam van een vrouw. Dit blijkt te zijn [slachtoffer] . Uit het sectieverslag blijkt dat [slachtoffer] ten gevolge van massaal bloedverlies na de inwerking van uitwendig mechanisch klievend geweld, zoals kan worden opgeleverd door een snijbeweging met een scherp voorwerp, bijvoorbeeld een mes, is overleden. Er was een halssnede met een lengte van 16 centimeter, met de linker punt 3 centimeter links van het midden en de rechter punt rechts zijwaarts in de hals. De rechter gemeenschappelijke halsslagader was geheel doorkliefd. Er zijn geen zogenaamde aarzelingsneden geconstateerd.

- Blijkens de op 16 maart 2006 ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de deskundige A. Maes, patholoog, is het niet waarschijnlijk dat [slachtoffer] de snede in haar hals zelf heeft toegebracht, hetgeen bevestiging vindt zowel in het rapport van drs. S.J.M. Schieveld, forensisch geneeskundige, d.d. 10 oktober 2003, waarin zij concludeert, dat de hypothese dat de verwonding in de hals niet door [slachtoffer] zelf is toegebracht, wordt ondersteund door de resultaten van het opsporingsonderzoek en statistische gegevens, als in het rapport van ing. R. Eikelenboom d.d. 22 oktober 2003, waarin hij concludeert dat het totale bloedsporenbeeld verenigbaar is met de stelling dat het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel door een ander is toegebracht.

- De verklaring van verdachte, dat hij op 10 april 2000 rond 09:00 uur de genoemde woning heeft verlaten en bij thuiskomst rond 11:00 uur het levenloze lichaam van [slachtoffer] heeft aangetroffen en dat hij in de tussentijd wegens de door hem op die dag afgelegde route niet in de woning kan zijn geweest, is nagegaan. Door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , respectievelijk inspecteur en brigadier van regiopolitie Brabant Noord, is op 27 februari 2007 - in het bijzijn van de raadsman van verdachte - de route die verdachte op 10 april 2000 tussen 09:00 uur en 11:00 uur zegt te hebben afgelegd, nagefietst. Er is hierbij geen rekening gehouden met een korte wandeling die verdachte op 10 april 2000 heeft gemaakt met getuige [getuige 1] en met een door verdachte op die dag gevoerd gesprek in het Bisschoppelijk Paleis. Voornoemde verbalisanten hebben gerelateerd, dat de rit, waarbij met een gemiddelde snelheid van 11,8 km/h een afstand van 10.44 km werd afgelegd, in totaal 53 minuten heeft geduurd. Houdt men rekening met de hiervoor genoemde korte wandeling (5 minuten) en met het gesprek in het Bisschoppelijk Paleis (10 minuten) dan komt men op 1 uur en 8 minuten.

- Uit de op de broek en de schoenen van verdachte aangetroffen bloedsporen - welk bloed blijkens DNA-onderzoek van [slachtoffer] afkomstig is - kan blijkens het rapport van ing. R. Eikelenboom d.d. 22 oktober 2003 worden geconcludeerd, dat verdachte ten tijde van het ontstaan van de bloedspatten in de buurt van het slachtoffer is geweest en voorts dat het slachtoffer nog in leven was op het moment dat die bloedspatten zijn ontstaan.

- Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] en hij de vaste gewoonte hadden bij zowel het verlaten als het binnenkomen van de woning het slot van de voordeur op het nachtslot te draaien, dat de deur van de woning op 10 april 2000 bij zijn thuiskomst op slot zat, dat buiten zijn moeder om niemand een sleutel van de woning kan hebben en dat hij nimmer een huissleutel is kwijtgeraakt. Op 10 april 2000 zijn er aan de voordeur en deurstijlen van de genoemde woning geen braaksporen aangetroffen.

Uit de genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien en uit hetgeen overigens uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt, leidt het hof af, dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn uit het onderzoek ter terechtzitting niet naar voren gekomen.

8. Bovendien heeft het hof in het bestreden arrest een aantal door de verdediging gevoerde verweren besproken en verworpen, te weten het verweer dat [veroordeelde] die ochtend een alibi had, verweren over de betrouwbaarheid en de deskundigheid van de genoemde bloedspoorpatroondeskundige, Eikelenboom, en verweren met betrekking tot de fysieke (on)mogelijkheid van [veroordeelde] om een mes te hanteren op de wijze zoals dit noodzakelijkerwijs uit de verklaringen van de verschillende deskundigen naar voren komt.

9. In een aanvulling op het verkorte arrest heeft het hof de bewijsmiddelen opgenomen, waaronder voor zover relevant (ik volg de nummering van het hof en vat enkele bewijsmiddelen samen):

1 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 april 2000:

Op 10 april 2000, omstreeks 11.10 uur, verzocht de regionale meldkamer van politie Brabant Noord ons te gaan naar de [a-straat] te Hintham, gemeente ’s-Hertogenbosch. Via 112 had een persoon gebeld en verteld dat hij zijn vriendin met doorgesneden keel had aangetroffen. Omstreeks 11.20 uur kwamen wij ter plaatse. Wij zagen dat het genoemde adres in een flatgebouw was gelegen. Bij huisnummer 231 zagen wij dat de voordeur naar binnen toe open stond. Wij zagen dat de voordeur en deurstijlen geen braaksporen of andere bijzonderheden vertoonden. Wij zagen vanuit de voordeur een halletje van ongeveer twee bij een meter groot. Wij zagen op de grond een persoon onder een papieren laken liggen. Wij zagen dat deze persoon met het hoofd naar de voordeur lag, met beide armen aan de linkerzijde. Wij zagen dat onder dit laken een plas van bloed van ongeveer een meter bij een meter lag. Verder zagen wij bij de voeten van de persoon een grote hoeveelheid bloed.

De ambulancebroeder verklaarde dat toen zij aankwamen de voordeur gesloten was en dat die bij aanbellen was geopend door een man. Dit was de man waarbij zijn collega nu in de woonkamer zat. De ambulancebroeder vertelde dat de man de partner van het slachtoffer was.

(…). Hij verklaarde dat de man had gezegd dat hij zijn partner om 11.00 uur had gevonden. De man bevestigde dit.

Verder verklaarde de ambulancebroeder dat het slachtoffer een vrouw betrof en dat zij overleden was. Vervolgens verklaarde hij dat hij had gezien dat er bij het slachtoffer een mes lag.

Omstreeks 11.35 uur kwam de huisarts P. Marincic ter plaatse. De huisarts verklaarde na onderzoek dat de doodsoorzaak de slagaderlijke bloeding in de hals was.

2 en 3

Deze bewijsmiddelen betreffen (2) het ophalen van het lichaam van [slachtoffer] door medewerkers van een begrafenisonderneming, en (3) de herkenning (in het mortuarium) door de vader van [slachtoffer] van het lichaam van zijn dochter.

4. Een sectierapport d.d. 30 mei 2000 van R. Torenbeek, forensisch arts en patholoog, indertijd als zodanig werkzaam bij het NFI:

Op 11 april heeft ondergetekende in het ziekenhuis te ’s-Hertogenbosch de schouw verricht van het lijk van [slachtoffer] , dood aangetroffen op 10 april 2000 te Hintham, [a-straat] , teneinde na te gaan de oorzaak van diens dood.

Bij de sectie op het lichaam is het navolgende gebleken.

- Er was een halssnede met een lengte van 16 cm, met linkerpunt 3 cm links van het midden en de rechterpunt rechts zij-achterwaarts in de hals.

- De rechter gemeenschappelijke halsslagader was geheel gekliefd.

- Er waren geen zogenaamde aarzelingssnedes.

De bevindingen zijn het gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch klievend geweld, zoals kan worden opgeleverd door een snijbeweging met een scherp voorwerp, bijvoorbeeld een mes.

Conclusie: Bij [slachtoffer] is een halssnede gebleken waarbij de rechter gemeenschappelijke halsslagader geheel was gekliefd. Op grond hiervan kan dermate veel bloed verloren zijn gegaan dat het overlijden hierdoor verklaard kan worden.

5. De verklaring ter terechtzitting van 16 maart 2006 van patholoog mw. drs. A. Maes, indertijd als zodanig werkzaam bij het NFI:

Het is niet waarschijnlijk dat dat [slachtoffer] zelf de snede heeft toegebracht.

6. Passages uit het rapport van de forensisch geneeskundige mw. drs. S. Schieveld d.d. 10 oktober 2003:

Op grond van de verkregen informatie over deze zaak en de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd.

3.

Op de foto’s is zichtbaar en uit het sectierapport blijkt dat er maar één snede is gemaakt. Hierbij zijn meerdere weefsellagen doorgesneden. Uit het onderzoek van de foto’s wordt duidelijk dat op basis van de schaafverwondingen aan het begin en het einde van de snee kan worden geconcludeerd dat de snee van links naar rechts is toegebracht. Er zijn namelijk kleine krassen links en grote krassen rechts van de wond, veroorzaakt doordat het mes uit de wond over de huid naar boven is gehaald. De wond aan de hals is dus veroorzaakt door een enkelvoudige, krachtige, snijdende beweging van links naar rechts, zonder aanwijzingen voor herhaaldelijk snijden of hakken. Indien het mes met minder kracht was gehanteerd dan waren er minder weefsellagen in één keer doorgesneden en had het uiterlijk van de verwonding er niet zo glad uitgezien.

4.

De bevindingen onder 3 worden bevestigd in het sectierapport. De inwendige verwondingen zoals daarin beschreven, komen eveneens overeen met het snijden door de hals van links naar rechts.

5.

In de hals, noch elders op het lichaam, zijn proef of aarzelingsnedes zichtbaar, die worden geassocieerd met zelfmoord.

7.

De bijna horizontale oriëntatie van de wond is ongebruikelijk bij zelfverwonding. Uit de literatuur blijkt dat de snedes bij zelfmoord meestal schuin verlopen van hoog naar laag, beginnend onder de kaakhoek tot aan de voorzijde van de hals; bij rechtshandigen is dat van linksboven naar rechtsvoor, bij linkshandigen is dat van rechtsboven naar linksvoor.

8.

Gezien de richting van de snede en de hoek die het mes heeft gemaakt is deze verwonding moeilijk door het slachtoffer zelf toe te brengen. Dit zou een bijzonder onhandige stand en beweging van de arm vereisen, het is twijfelachtig of onder die omstandigheden voldoende kracht kan worden ontwikkeld om een dergelijke snede te veroorzaken.

9.

Uit de informatie beschikbaar in de Databank en de berekeningen die daarmee zijn gemaakt, zowel als uit de literatuur, blijkt dat de keuze van een gang als locatie voor zelfmoord door middel van het doorsnijden van de hals, hoogst ongebruikelijk is. Meestal kiest men een locatie waar men zich op zijn gemak voelt, de slaapkamer bijvoorbeeld, of de badkamer voor de spiegel waar men een goed zicht heeft op de hals. Ongebruikelijk is eveneens de keuze van een broodmes als wapen bij suïcide en wederom hoogst ongebruikelijk is het feit dat het slachtoffer een vrouw is. Van het totaal aantal slachtoffers (67) dat met doorgesneden keel in huis werd aangetroffen waren er 39 van het vrouwelijke geslacht. Niet één van deze vrouwen had de verwonding zelf toegebracht. Het doorsnijden van de keel wordt in de literatuur beschouwd als een gewelddadige methode van zelfmoord, die men, zoals met de meeste gewelddadige methodes, hoofdzakelijk ziet bij mannen.

De conclusies 3, 4, 5, 7, 8 en 9 ondersteunen de hypothese dat de verwonding in de hals niet door het slachtoffer zelf is veroorzaakt.”

7 en 8

Deze bewijsmiddelen betreffen (7) een proces-verbaal van inbeslagneming van de twee schoenen en de broek die [veroordeelde] op het moment van zijn aanhouding (10 april 2000 om 12.40 uur) droeg, en (8) een NFI-rapport met het resultaat van vergelijkend DNA-onderzoek aan de bloedsporen op die broek en schoenen. Het DNA-profiel dat van die bloedsporen is bepaald stemt volgens deze rapportage overeen met het DNA-profiel van [slachtoffer] .

9. De resultaten van het door Ing. R. Eikelenboom uitgevoerde bloedspoorpatroononderzoek (rapport van 22 oktober 2003):

1. Bloedspoorpatroononderzoek.

Op grond van de verkregen informatie, de observaties op de plaats delict en de resultaten van het bloedspoorpatroononderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:

Het slachtoffer bevond zich in de hal in de buurt van de kapstok op het moment dat de verwonding aan de hals is toegebracht. Het slachtoffer verplaatst zich of wordt verplaatst met de verwonding laag bij de vloer naar links in de richting van het voorportaal waar zij tegen de deur aan komt te liggen. In deze positie blijft zij bloedend liggen, waarbij een poelpatroon ontstaat en bloed uit de luchtwegen op de deur wordt geprojecteerd.

Aan de afwezigheid van arteriële bloedspatten op de bovenzijde van de broek en de bloedspoor-patronen op de linkerschoen van het slachtoffer valt af te leiden dat het slachtoffer in een gebogen houding stond op het moment dat de snede aan de hals werd toegebracht. Haar linkerschoen stond op dat moment min of meer haaks op de vloer. De rechterschoen van het slachtoffer stond recht op de vloer. Op grond van de vorm van de bloedspatten en het stroompatroon op de linkerschoen kan worden geconcludeerd dat het bloed uit de verwonding aan de hals op en naast deze schoen terecht is gekomen. De houding van het slachtoffer is zonder enige steun moeilijk te realiseren.

Indien de verdachte de broek en de schoenen aan heeft gehad tijdens dit incident kan op grond van de bloedsporen op deze kleding worden geconcludeerd dat hij ten tijde van het ontstaan van de bloedspatten in de buurt van het slachtoffer is geweest.

Gezien de verwonding van het slachtoffer kunnen de bloedspatten op de kleding van de verdachte worden verklaard aan de hand van:

1. bloed dat in bloed valt. Door het vallen van de ene bloeddruppel in de andere ontstaan kleine bloedspatjes die op de kleding van de verdachte terecht gekomen kunnen zijn.

2. Bloed dat uit de luchtwegen van het slachtoffer komt. Doordat bloed in de ademhalingswegen terecht komt ontstaat een hoestreflex waardoor bloed vermengd met lucht naar buiten wordt geprojecteerd. Hierbij ontstaan kleine bloedspatten waarin soms kleine luchtbellen zichtbaar zijn. De kleding van de verdachte is dan in de buurt van de bron geweest.

3. Een arteriële bloeding. Als het grote volume bloed dat bij een arteriële bloeding vrijkomt een object raakt ontstaat een aantal kleine spatten om dit raakvlak heen. Deze spatten kunnen op de kleding van verdachte terecht gekomen zijn.

De drie beschreven mechanismen impliceren dat het slachtoffer nog in leven was tijdens het ontstaan van de bloedspatten op de broek en de schoenen van de verdachte.

De houding van het slachtoffer, het patroon van weggeslingerd bloed en de

overdrachtspatronen op de rechtermuur van de hal passen niet bij een scenario waarin het slachtoffer ongestoord de verwonding aan de hals toebrengt.

Het totale bloedsporenbeeld is strijdig met de stelling dat de verwonding aan de hals door het slachtoffer zelf is toegebracht. Het totale bloedsporenbeeld is wel verenigbaar met de stelling dat het letsel door een ander is toegebracht.

10. Een vertaling van een door A. Linacre, Senior Lecturer in Forensic Science, University of Strathclyde (United Kingdom), opgemaakt rapport d.d. 17 mei 2004, inhoudende onder meer:

Er is een rapport geschreven dat in detail patroon en distributie van bloed in fotografisch bewijsmateriaal weergeeft, ter overweging of de dood van R.J.P.M. van der Hoogen het gevolg was van zelfmoord of niet. De benadering van Richard Eikelenboom is gedaan om te bekijken of het bloedpatroon een van de twee tegengestelde hypotheses meer onderbouwt dan de andere. De beschouwing van het bewijs is juist.

11 tot en met 21

De bewijsmiddelen 11 tot en met 19 betreffen de verplaatsingen/reisbewegingen van [veroordeelde] gedurende de ochtend van 10 april 2000 (door het hof kennelijk van belang geacht voor de verwerping van het verweer dat [veroordeelde] die ochtend een alibi had).

Bewijsmiddelen 20 en 21 betreffen de medische indrukken van een arts/farmacoloog, dr. A.J.M. Loonen, over [veroordeelde] (door het hof kennelijk van belang geacht voor de verwerping van het verweer met betrekking tot de fysieke (on)mogelijkheid van [veroordeelde] om een mes te hanteren op de wijze zoals dit noodzakelijkerwijs uit de verklaringen van de verschillende deskundigen naar voren komt).

10. In het genoemde verzoekschrift van mei 2016 heeft de raadsman, mr. Van der Kruijs, een viertal nieuwe gegevens opgeworpen. Die gegevens zijn door hem als volgt samengevat (en in die brief voorzien van een meer uitgebreide toelichting):

“(1) Het rapport Stad/vKoppen toont aan dat dat de bewijsmotivering van het hof omtrent het alibi van [veroordeelde] op verkeerde gegevens was gebaseerd.

(2) Het forensisch onderzoek van deskundige Eikelenboom waarop het hof zich heeft gebaseerd bevat een aantal fundamentele fouten. Dit betreft zowel feitelijke onjuistheden, bijvoorbeeld met betrekking tot het mechanisme van de zogenaamde "coronasplash", als incorrecte redeneerstappen, bijvoorbeeld met betrekking tot het bloedspoor op de schoenzool van [slachtoffer] . In de rapportages van Stad/vKoppen en Alkemade wordt aangetoond dat deze fouten Eikelenboom tot onjuiste conclusie(s) hebben gebracht.

(3) Ditzelfde geldt voor het forensisch onderzoek van deskundige Schieveld. Onder andere beroept zij zich op verouderde literatuur en interpreteert zij het sectierapport fundamenteel onjuist. Ook dit wordt aangetoond door bijgevoegd rapportages en de brief van Torenbeek, destijds de patholoog-anatoom van het NFI.

(4) [huisarts] , een huisarts met wie het slachtoffer kort voor haar dood nog had gesproken, heeft onlangs een verklaring afgelegd waaruit blijkt dat [slachtoffer] leed aan waandenkbeelden die haar een duidelijk motief kunnen hebben gegeven om zichzelf te verwonden in/aan haar hals. Dit sterk ontlastende gegeven was destijds niet bekend bij rechtbank en hof.

11. Als bijlagen bij het verzoekschrift uit mei 2016 heeft de raadsman onder meer gevoegd:

(a). een brief d.d. 6 maart 2016 van de (reeds genoemde) arts en patholoog R. Torenbeek, die in antwoord op vragen van de raadsman (rechtopstaand schrift) onder meer het volgende heeft geantwoord (cursief):

“1 Kan het slachtoffer ( [slachtoffer] ) zich zelf de halssnede hebben toegebracht?

Zeer zeker kan een mens zich een dergelijke halssnede zelf toebrengen.

Door een mes in de vuist te nemen, waarbij het lemmet aan de duimzijde uitsteekt, de arm in de elleboog te buigen zodat het lemmet rechts naast de hals horizontaal naar achteren steekt, en vervolgens in een (snelle) beweging de vuist vóór de hals langs te bewegen, eventueel met een kleine roteerbeweging van de pols tegen de klok in, kan de halssnede zoals bij [slachtoffer] aangetroffen door haarzelf zijn toegebracht.

N.B. Omtrent de snijbeweging waarmee de halssnede bij [slachtoffer] is toegebracht heb ik mij nimmer uitgelaten. Dat is m.i. aan deze wond niet af te lezen.

2 Moet een dader onder het bloed hebben gezeten?

De rechter halsslagader is, na de kransslagaderen (van het hart) de eerst grote aftakking van de lichaamsslagader (aorta).

In rust, bij een intake circulatie, passeert hier circa 363 +/-18 ml per minuut. (…)

Bij inspanning (de overlevingsdrang van het menselijk lichaam kan gezien worden als uiterste inspanning) passeert hier circa 500 ml per minuut (bij een intact circulatie).

In rust pompt het hart ongeveer 5 liter per minuut. Bij inspanning kan een ongetraind hart moeiteloos tot 20 liter per minuut rondpompen. Dit betekent dat het volledige bloedvolume dan 4x per minuut het hart passeert!

Bij klieving van deze slagader zou dus minimaal 500 ml per minuut, onder hoge druk uit het lichaam stromen/spuiten (het bloedspatten patroon op de p.d. zou wijzen op een slagaderlijke bloeding).

In werkelijkheid zal er veel meer bloed per minuut verloren gaan, omdat:

a) de vier slagaders die het brein van bloed voorzien vormen aan de basis van het brein een ring (de cirkel van Willis). Het bloed dat nu door de 3 intacte slagaders in deze cirkel van Willis is ingebracht zal grotendeels via de gekliefde rechter halsslagader (tegen de normale stroomrichting in) door het defect ook weer verloren gaan.

b) door het enorme drukverval tussen het hart en het defect in de halsslagader zal aanzienlijk méér bloed zijn weg zal vinden naar het letsel en zal er nauwelijks nog doorbloeding van het lichaam zal zijn.

Door het bloedverlies zal acuut (in de orde van enkele seconden) een bloeddrukdaling in het brein optreden waardoor de doorbloeding van het brein onvoldoende is om het bewustzijn te bewaren. (Stel dat het slachtoffer stond toen de snede is aangebracht, dan zal zij zeker gevallen of ineen gezegen zijn). De bron van bloeding is t.o.v. de omgeving verplaatst, hetgeen in het bloedsporenpatroon zal zijn terug te zien.

Het bloedverlies zal maximaal enkele minuten (2-4) hebben aangehouden.

Uit ervaring (met inwendige letsels bij andere slachtoffers) weten we dat 2-2,5 liter acuut bloedverlies niet met het leven verenigbaar is.

Mochten de rechters van mening zijn dat deze halssnede bij [slachtoffer] door een ander is toegebracht zonder dat deze dader veel bloed van het slachtoffer heeft opgevangen, dan ben ik erg benieuwd naar de reconstructie omtrent de toedracht.

(…).

(b). een e-mailwisseling uit januari 2016 van de raadsman met de huisarts [huisarts], waaraan ik de volgende uitspraken ontleen (ik combineer mededelingen uit twee e-mails):

In 2000 was ik huisarts in Hintham (…). Korte tijd voor dat [slachtoffer] dood gevonden werd, (die bij mij niet bekend was), werd ik in de weekeinde dienst opgeroepen om een visite af te leggen. In de flat van [veroordeelde] [ [veroordeelde] , D.A.] aangekomen, deed [slachtoffer] een dringend beroep op mij om in de hals te laten snijden, “want daar zat iets wat eruit moet”. Als ik me goed herinner wees zij naar de rechter kant van haar hals. Geruststelling kwam niet goed over. (….).

Eigenlijk deed [slachtoffer] een beroep op mij om in de hals te snijden. Zij kwam op mij gestoord over en ik dacht aan een waanidee, omdat bij onderzoek niets bijzonders te voelen was. (…).

(c). een rapport d.d. 23 februari 2016 van dr. F.J.M. Alkemade, getiteld ‘Een Bayesiaanse visie op de dood van [slachtoffer] . Deskundigenrapport in de zaak [veroordeelde] . Op verzoek van de familie [van veroordeelde] en raadsman mr. van der Kruijs’. In dit rapport van 105 bladzijden is een Bayesiaanse analyse van de gehele casus opgenomen.

Alkemade’s beschrijving van ‘het mechanisme van de ‘corona splash’’, waarnaar de raadsman in zijn verzoekschrift verwijst, wordt door Alkemade meer specifiek als volgt toegelicht (p. 80-82, onderstreping in het origineel):

Maar hier maakt Eikelenboom een belangrijke denkfout. “Bloed in bloed” zou weliswaar de bloedspatjes op de zool verklaren, maar ook “water in bloed”, of “speeksel in bloed”, of “wat dan ook in bloed” zouden de bloedspatjes op de zool verklaren, en wel precies even goed. Om dit duidelijk te maken moet ik wat meer vertellen over het fysische mechanisme achter “bloed in bloed”. Het gaat daarbij om een zogenoemde ‘corona splash’, een verschijnsel dat zich onder bepaalde omstandigheden voordoet als er ‘iets’, meestal een druppel vloeistof, in een reservoir met vloeistof valt. Het verschijnsel kent een dusdanig snel tijdsverloop dat het met het blote oog nooit zichtbaar is. (…). Door de impact van de vallende druppel (of van iets anders dat in de vloeistof valt) wordt een deel van die reservoirvloeistof schuin omhoog en naar opzij weggestuwd. De ringvormige golf waarmee dat aanvankelijk gebeurt valt daarbij uiteen in een krans van kleine druppeltjes (‘corona’), die een soort mini-kogelbaantje zullen beschrijven. Het zijn deze kleine druppeltjes die — inderdaad — als kleine ronde spatjes op de zijkant van [veroordeelde] ’s schoen terecht zouden hebben kunnen komen. Ook andere, wat meer chaotisch verlopende ‘splashes’ kunnen overigens dit soort kleine wegvliegende druppeltjes veroorzaken, al zullen er dan vaak ook wat grotere druppels tussen zitten. (…).

Waar het nu om gaat is het volgende: De wegspattende druppels zullen in het algemeen voornamelijk bestaan uit de reservoirvloeistof, en niet of nauwelijks uit de vloeistof van de vallende druppel. Met andere woorden: Het hoeft per se geen bloed te zijn geweest wat in de bloedpoel is gevallen . Elke druppel van elke willekeurige vloeistof of een willekeurig klein voorwerpje hadden óók eenzelfde corona splash kunnen veroorzaken. Van de ambulance broeders weten we dat er nog veel niet geheel gestold bloed aanwezig was. Dus zelfs als we aannemen dat de druppels op [veroordeelde] ’s schoenzool alleen veroorzaakt kunnen zijn door zo’n corona splash, dan nog bewijst dat niet dat [veroordeelde] bij [slachtoffer] was toen zij stierf .

Alkemade’s betoog over de incorrecte redeneerstap van Eikelenboom met betrekking tot het bloedspoor op de schoenzool van [slachtoffer] luidt onder meer als volgt (p. 85):

We kunnen eerst vaststellen dat in elk geval het genoemde stroompatroon op de schoenzool ook even goed pas zou kunnen zijn ontstaan toen [slachtoffer] al op de vloer lag. Op dat moment lag haar linker voet immers in exact dezelfde positie als die door Eikelenboom voorgesteld werd in de fase dat de moordenaar haar nog ondersteunde. Dus het stroompatroon kan hoe dan ook nooit onderscheiden tussen een langere of kortere tijd dat de moeilijke houding moest worden volgehouden, en dus per definitie ook niet tussen moord of zelfmoord.

Blijven over de bloedspatten. Van een stroompatroon staat vast dat het een zekere intrinsieke tijd nodig heeft om te kunnen ontstaan, maar voor het ontstaan van bloedspatten is in principe geen minimum tijdsduur vereist. Eén korte plons kan tenslotte alle spatten in één keer veroorzaken. Er zijn minimaal twee aannames nodig om te betogen dat er ‘enige tijd’ nodig was om de spatten te laten ontstaan: [1] We moeten aannemen dat ze alleen ontstaan kunnen zijn door ‘bloed in bloed’, [2] We moeten aannemen dat er ‘enige tijd’ nodig was voor het ontstaan van een voldoende grote poel bloed, om het ‘bloed in bloed’ mechanisme plausibel te maken.

Met name deze laatste aanname lijkt me niet goed te verdedigen. Als iemand hevig bloedt, en dat deed [slachtoffer] , dan zullen druppels en golven bloed in een dusdanig hoog tempo de vloer kunnen raken dat de een pasgevallen druppel makkelijk door een volgende druppel geraakt kan worden voordat hij door de vloerbedekking geabsorbeerd is.

Maar ook de eerste aanname (dat het ‘bloed in bloed’ moet zijn geweest) staat wat mij betreft ter discussie. Immers: ook het bloed dat op [slachtoffer] ’s rechterschoen is gevallen zal zeker gespat hebben, en kan op die manier de bloedspatten op [slachtoffer] ’s linkerschoen hebben veroorzaakt.

De spatten op de linkerschoenzool kunnen dus op allerlei manieren ontstaan zijn, en kunnen ook makkelijk heel snel ontstaan zijn. [slachtoffer] ’s linkervoet hoeft zich dus misschien maar heel eventjes in de verticale houding te hebben bevonden. Dan was deze specifieke houding misschien slechts een kort stadium in een logische opeenvolging van houdingen van een in elkaar zakkend en vallend lichaam. Daarmee vervalt de redenering van Eikelenboom dat zij door iemand gesteund moet zijn geweest, en daarmee vervalt ook elke belastende bewijskracht die deze bevinding zou kunnen hebben. (…).

Alkemade concludeert uiteindelijk in zijn rapport (p. 103):

Op basis van alle uitgangspunten, keuzes en materiële kansinschattingen zoals ik die in deze analyse gehanteerd en onderbouwd heb, luidt de uitkomst (= de Posterior Odds) als volgt: op grond van volgens mij zo optimaal mogelijke kansinschattingen, acht ik de kans dat [slachtoffer] door [veroordeelde] gedood is, erg klein, ca. 0,03%. Als ik alle kansinschattingen zo ongunstig mogelijk maak, maar (volgens mij) nog wel net binnen de grenzen van het redelijke, leidt dat tot een kans op daderschap van ca. 20%. Mijn conclusie luidt dan ook: Volgens mij is de kans dat [slachtoffer] door [veroordeelde] gedood is, ca. 0,03%, en zeker niet hoger dan 20%.

Een rapport dat door de raadsman wordt betiteld ‘het rapport Stad/Van Koppen’ trof ik als zodanig niet aan bij de door de raadsman toegezonden stukken. Naar ik begrijp doelt de raadsman met dit rapport op een publicatie die is verschenen in de reeks ‘Project Gerede Twijfel’ van de Vrije Universiteit Amsterdam, waarvan prof. P.J. van Koppen de directeur/redacteur is, te weten: D. Stad & P.J. van Koppen, Het likkende hondje. Het onderscheid tussen moord en zelfmoord, Den Haag: Boom Criminologie 2015. De hele casus is in dit boek besproken. De bewijsvoering is van kritisch commentaar voorzien. Een exemplaar van deze publicatie heb ik zelf aan het dossier toegevoegd. Ik verwijs daarnaar.

12. Bij brief van 6 oktober 2016 heb ik het verzoek van de raadsman, tezamen met het door mij opgevraagde en ontvangen strafdossier, in handen gesteld van de Adviescommissie afgesloten strafzaken (ACAS) met het verzoek om op de voet van art. 462 Sv advies uit te brengen over de wenselijkheid van nader onderzoek naar het bestaan van gronden voor de herziening van het bestreden arrest.

13. Na bestudering van het dossier door leden van de ACAS en teneinde te kunnen adviseren over de wenselijkheid van nader onderzoek, heeft de ACAS op 23 maart 2017 door tussenkomst van de landelijk forensisch officier van justitie vragen gesteld aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het antwoord op die vragen van het NFI d.d. 13 april 2017 gaf de ACAS aanleiding het NFI te verzoeken om nader forensisch onderzoek te verrichten, mede op basis van foto’s uit het dossier en een schouw/reconstructie die in deze zaak in 2005 is uitgevoerd.

14. Op 14 mei 2018 heeft de ACAS twee NFI-rapportages ontvangen: (1) een rapport van 4 mei 2018, afkomstig van bloedspoorpatroondeskundige Ing. M.J. van der Scheer, bevattende de resultaten van bloedspoorpatroononderzoek, en een rapport d.d. 2 mei 2018 van een forensisch patholoog, mw. dr. V. Soerdjbalie-Maikoe. Op 13 juni 2018 heeft de ACAS een rapportage ontvangen van DNA-deskundige dr. Van de Wal d.d. 11 juni 2018. De eerste twee rapporten komen thans aan de orde. Het als laatste genoemde rapport geeft mij geen aanleiding tot bespreking.

15. Aan de bloedspoorpatroondeskundige van het NFI, Van der Scheer, is gevraagd het rapport van Eikelenboom uit 2003 te beoordelen met hetzelfde onderzoeksmateriaal als Eikelenboom toen ter beschikking stond. Van der Scheer heeft zich vervolgens in zijn (voorlopige) rapportage voornamelijk beperkt tot twee aspecten, te weten (1) de bloedsporen, voor zover gerelateerd aan de sterk voorovergebogen houding waarin [slachtoffer] zich (volgens Eikelenboom) zou moeten hebben bevonden op het moment dat de snede in haar hals werd aangebracht, en (2) de bloedsporen op de broek en de schoenen van [veroordeelde] , aangezien dit twee essentiële aspecten betroffen in de bewijsredenering van de rechtbank en het gerechtshof. Daarnaast heeft de deskundige aandacht besteed aan de positie van het mes en bloedsporen op de achterpand van de blouse van [slachtoffer] , doch zonder daaraan conclusies te verbinden.

16. Het rapport van de bloedspoorpatroondeskundige houdt onder meer het volgende in wat betreft het eerste aspect, te weten de bloedsporen op de plaats van het delict (gerelateerd aan de houding van [slachtoffer] ).

De conclusie van Eikelenboom over de sterk voorovergebogen houding waarin [slachtoffer] zich zou moeten hebben bevonden op het moment dat de snede aan haar hals werd aangebracht – en (daarmee) de onwaarschijnlijkheid dat [slachtoffer] dat zelf heeft gedaan – berust op een drietal argumenten, namelijk:

(i) de afwezigheid van arterieel bloed op de bovenzijde van de broek van [slachtoffer] ,

(ii) de bloedsporen op het loopvlak van de linkerschoen van [slachtoffer] , en

(iii) de opnamecapaciteit van het tapijt waarop [slachtoffer] stond op het moment van het toebrengen van de halssnede, als gevolg waarvan (volgens Eikelenboom) zich pas na enige tijd de mogelijkheid van opspattend bloed zou manifesteren.

Van der Scheer kan zich met deze argumenten van Eikelenboom niet verenigen.

Wat betreft (i) de afwezigheid van arterieel bloed op de bovenzijde van de broek van [slachtoffer] oordeelt Van der Scheer “dat bij een (meer) rechtopstaande houding op het moment dat de snede aan de hals werd toegebracht, de kans op de afwezigheid van arteriële bloedspatten op de broek ongeveer even groot is als bij een voorovergebogen houding.”

De aanwezigheid van bloedspatjes op het loopvlak van de linkerschoen van [slachtoffer] (ii) kan volgens Van der Scheer “betekenen dat de linkerschoen eerst (evenals de rechterschoen) plat op de vloer heeft gestaan terwijl bloed op het tapijt terechtkwam. Hierbij zijn secundaire bloedspatten op het bovenwerk van de linkerschoen terechtgekomen. Op enig moment is de linkerschoen gekanteld waarbij de zool (loopvlak) toegankelijk is geworden voor het aldoor opspattende bloed. Vervolgens lijkt niet meer op het loopvlak van deze schoen te zijn gestaan. Hoe lang dit alles heeft geduurd kan op grond van de bloedsporen niet worden vastgesteld.

Over (iii), de opnamecapaciteit van het tapijt, merkt Van der Scheer op: “In het rapport beschrijft de onderzoeker [Eikelenboom, D.A.] de genoemde voorwaarde voor het verkrijgen van opspattend bloed, als gevolg van het op de vloer neergekomen arteriële bloed. Hierbij is aangegeven dat het enige tijd duurt voordat zich voldoende bloed op het tapijt heeft verzameld alvorens bloedspatten te doen ontstaan. Deze voorwaarde kan ik niet onderschrijven. Ook bij aanvang op het laagpolige tapijt terechtgekomen bloed zal namelijk al secundaire bloedspatten doen ontstaan.

Samenvattend concludeert Van der Scheer over dit eerste aspect:

De rechtbank en het gerechtshof hebben de conclusie met betrekking tot de houding van het slachtoffer van R. Eikelenboom overgenomen. Zoals aangegeven zijn de kleding en schoenen van het slachtoffer niet fysiek door mij onderzocht. Vooralsnog berust de beoordeling van de drie pijlers op louter het bestuderen van de foto’s. Echter, dit tot nu toe door mij beoordeelde aspect van het bloedsporenbeeld lijkt even waarschijnlijk onder een aanvankelijk ‘normale’ (meer) rechtopstaande houding met beide voeten plat op de vloer gevolgd door een ver voorover gebogen houding met een gekantelde linkerschoen als de eerder geconcludeerde ‘moeilijk te realiseren’ aanvankelijke houding.

17. Het tweede, door Van der Scheer beoordeelde aspect betreft de bloedsporen op de broek en de schoenen van [veroordeelde] . Dit aspect is beschouwd onder twee uiteenlopende hypothesen, te weten:

(1) de hypothese dat [veroordeelde] de halssnede heeft toegebracht, en

(2) de hypothese dat [slachtoffer] dat zelf heeft gedaan.

Ingeval de eerste hypothese juist is, “worden veel secundaire bloedspatten op de schoenen en de broek van de verdachte verwacht”, aldus Van der Scheer. Hij vervolgt:

Een dergelijk sporenbeeld lijkt niet aanwezig op de kleding en schoenen van de verdachte. De kans op het verkrijgen van de, naar het zich laat aanzien, enkele aanwezige bloedspatten is onder deze hypothese (zeer) klein. De kans op het verkrijgen van bloed op de (boven)kleding van de verdachte als gevolg van het steun geven in een dynamische situatie is reëel. De kans om geheel geen bloedsporen aan te treffen op de (boven)kleding in een dergelijke situatie is (zeer) klein.”

Bij juistheid van de tweede hypothese

is, gezien de ruime aanwezigheid van bloed in zowel de tochthal als de aangrenzende hal, de kans groot dat bloed onder en op de schoenen en op de onderzijden van de broek terechtkomt. Met iedere keer dat de doorgang waar het bebloede slachtoffer ligt wordt gepasseerd, waarbij de tochtdeur moet worden geopend, neemt de kans toe op het verkrijgen van (meer) bloed op kleding en schoenen. De kans dat bij het drie maal passeren van het slachtoffer enkele bloedspatten op de schoenen en de broek ontstaan is reëel.

Van der Scheer vat zijn bevindingen wat betreft aspect 2 nog eens samen:

Bovenstaand zijn de op de verdachte aangetroffen bloedsporen beschouwd in het licht van enerzijds de aanwezigheid tijdens het delict én enkele keren over het lichaam heenstappen (hypothese 1) en anderzijds alleen enkele keren over het lichaam heenstappen (hypothese 2). Een dergelijke evaluatie lijkt destijds niet te zijn verricht. In het rapport van 2003 en later bij de reconstructie in 2005 zijn de op de verdachte aangetroffen bloedsporen beschouwd in het licht van enerzijds de aanwezigheid van de verdachte en anderzijds de afwezigheid van de verdachte. Onder de hypothese dat de verdachte aanwezig was, lijkt het gegeven dat tevens minimaal twee keer over het slachtoffer is gestapt niet te zijn beschouwd.

Destijds is geconcludeerd dat de kans op het verkrijgen van bloedspatten onder hypothese 1 groot is, hetgeen op zich klopt. Maar de kans op zo weinig bloedspatten onder hypothese 1 is juist (zeer) klein.

Op basis van de beoordeling is de eenduidige deelconclusie van R. Eikelenboom met betrekking tot het dichtbij staan van de verdachte en het fysiek contact hebben met het slachtoffer te stellig. Op basis van de beoordeling van dit aspect is de kans namelijk zeer groot dat bloedspatten op de broek en schoenen terechtkomen. Een dergelijk beeld lijkt echter niet aangetroffen. Op de broek en de schoen lijken slechts enkele bloedspatten aanwezig. De kans op het verkrijgen van dit resultaat is onder deze hypothese (zeer) klein.

Een precieze toelichting hoe (vaak) de verdachte over het lichaam is gestapt en met name welke activiteiten al dan niet zijn verricht, is niet voorhanden. Desondanks zijn hierboven mogelijkheden geïdentificeerd voor het verkrijgen van bloedsporen onder hypothese 2. Bij het minimaal drie maal over het lichaam heenstappen, al dan niet in combinatie met overige activiteiten, is de kans groot dat bloed onder en op de schoenen en op de onderzijden van de broek terechtkomt. Op de schoenen en de broek zijn bloedsporen aangetroffen, waaronder enkele bloedspatten. De kans op het verkrijgen van dit resultaat is reëel onder hypothese 2. De kans op het aantreffen van dit aantal bloedspatten is onder hypothese 1 (zeer) klein.”

18. Een en ander brengt Van der Scheer tot de volgende concluderende beschouwingen:

Aspect ‘bloedsporen op de plaats delict’ (houding slachtoffer)

De eenduidige deelconclusie met betrekking tot de stand van de linkerschoen is destijds te stellig gepresenteerd. Dit geldt evenzeer voor de duur waarin het slachtoffer zich in deze houding heeft bevonden. De categorische conclusie dat het slachtoffer zich onder hypothese 2 enige (niet nader te bepalen) tijd in deze (moeilijk te realiseren) houding bevond, lijkt daarmee niet zondermeer gerechtvaardigd.

Dit betreffende aspect van het bloedsporenbeeld lijkt even waarschijnlijk onder een aanvankelijk ‘normale’ (meer) rechtopstaande houding met beide voeten plat op de vloer gevolgd door een ver voorover gebogen houding met een gekantelde linkerschoen als de destijds geconcludeerde ‘moeilijk te realiseren’ aanvankelijke houding.

Aspect ‘bloedsporen op broek en schoenen verdachte’

De eenduidige deelconclusie van destijds met betrekking tot het dichtbij het slachtoffer staan van de verdachte is te stellig.

Onder de destijds gepresenteerde hypothese is de kans namelijk zeer groot dat veel secundaire bloedspatten op de schoenen en de broek van de verdachte terechtkomen. Op de broek en de schoen lijken echter enkele bloedspatten aanwezig. De kans op dit resultaat is (zeer) klein onder de genoemde hypothese.

Bij het minimaal drie maal over het lichaam heenstappen, al dan niet in combinatie met overige activiteiten, is de kans groot dat bloed onder en op de schoenen en op de onderzijden van de broek terechtkomt. Op de schoenen en de broek zijn bloedsporen aangetroffen, waaronder enkele bloedspatten. De kans op het verkrijgen van dit resultaat is reëel onder hypothese 2. De kans op het aantreffen van dit geringe aantal bloedspatten bij het ontstaan van de verwonding is onder hypothese 1 (zeer) klein.

Dit betekent dat het op de kleding en schoenen aanwezige bloedsporenbeeld waarschijnlijker lijkt onder een hypothese waarbij de verdachte niet aanwezig is geweest, dan onder de hypothese waarbij de verdachte wel aanwezig is geweest en de activiteiten heeft verricht zoals in de rapportage van destijds zijn beschreven.

Samengevat wordt geconcludeerd dat ik voor beide genoemde aspecten van het bloedsporenbeeld niet tot dezelfde conclusie kom als R. Eikelenboom.”

Tevens heeft hij opgemerkt:

Mogelijkheid aanvullend onderzoek

Zoals aangegeven zijn de broek en de schoenen van de verdachte niet fysiek door mij onderzocht. Vooralsnog berust de beoordeling van dit aspect op louter het bestuderen van de foto's en de beoordeling van de reconstructie. Aanvullend sporenonderzoek aan het genoemde onderzoeksmateriaal kan resultaten opleveren die onderscheidend zijn in het licht van de voorliggende hypothesen.”

19. De forensisch patholoog mw. dr. V. Soerdjbalie-Maikoe heeft in haar rapport d.d. 2 mei 2018 de conclusies van Schieveld van commentaar voorzien. Ik geef hieronder de conclusies en motivering van Schieveld voor het leesgemak ten dele opnieuw weer.

Als conclusie 3 merkte Schieveld op:

Op de foto’s is zichtbaar en uit het sectierapport blijkt dat er maar één snede is gemaakt. Hierbij zijn meerdere weefsellagen doorgesneden. Uit het onderzoek van de foto’s wordt duidelijk dat op basis van de schaafverwondingen aan het begin en het einde van de snee kan worden geconcludeerd dat de snee van links naar rechts is toegebracht. Er zijn namelijk kleine krassen links en grote krassen rechts van de wond, veroorzaakt doordat het mes uit de wond over de huid naar boven is gehaald. De wond aan de hals is dus veroorzaakt door een enkelvoudige krachtige, snijdende beweging van links naar rechts, zonder aanwijzingen voor herhaaldelijk snijden of hakken. Indien het mes met minder kracht was gehanteerd dan waren er minder weefsellagen in één keer doorgesneden en had het uiterlijk van de verwonding er niet zo glad uitgezien.

Soerdjbalie heeft hierop als commentaar gegeven:

De foto’s tonen een lijnvormige, ietwat golvende snede door tenminste de huid en het onderhuids vetweefsel. Er is zicht op structuren van de hals en volgens het sectieverslag zou de rechter gemeenschappelijke halsslagader (a. carotis communis dextra) zijn geraakt. Dit bevestigt dat er meerdere weefsellagen zijn doorgenomen.

Op basis van de schaafverwondingen aan het begin en het einde van de snee kan geen onderscheid worden gemaakt over de snijrichting. In [literatuurverwijzingen, D.A.] wordt gesteld dat aan het einde van een snijwond soms een oppervlakkige huidbeschadiging wordt gezien. Dit is echter geenszins specifiek, en dus onvoldoende om de snijrichting, waarin een wond ontstaan is, op te baseren.

Het relatief rechte aspect van de wondranden, zonder inkepingen of huidflapjes suggereert dat de snede in één relatief ononderbroken beweging is gemaakt. Er zijn geen wondkenmerken die duiden op herhaaldelijk snijden/hakken.

Omdat snijdiepte van meer factoren afhangt dan alleen de kracht van het ingewerkte geweld (bijv. scherpte van het lemmet, dynamiek van het gebeurde) kan de mate van kracht niet worden afgeleid uit de kenmerken van het snijletsel.

Conclusie 4 van Schieveld luidde:

De bevindingen onder 3 worden bevestigd in het sectierapport. De inwendige verwondingen zoals daarin beschreven, komen eveneens overeen met het snijden door de hals van links naar rechts.”

Het commentaar van Soerdjbalie op conclusie 4 luidt:

In het voorlopige en definitieve sectierapport van patholoog R. Torenbeek worden geen uitspraken gedaan over de snijrichting of de kracht van de geweldsinwerking.

Op basis van de verwondingen zoals deze worden beschreven blijken er met name rechts in de hals structuren te zijn gekliefd. Op basis hiervan kan echter geen uitspraak worden gedaan over de snijrichting.

Conclusie 5 van Schieveld luidde:

In de hals, noch elders op het lichaam, zijn proef- of aarzelingssneden zichtbaar, die worden geassocieerd met zelfmoord.

Het commentaar van Soerdjbalie op conclusie 5 houdt onder meer in:

Uit het bestudeerde materiaal blijkt dat dat er bij sectie geen proef of aarzelingssneden werden gezien.

(.…).

Aarzelingssneden zijn op basis van deze literatuur afwezig bij alle toegebrachte letsels en bij ongeveer een kwart van de zelfdodingen. De afwezigheid van aarzelingssneden (zoals in deze zaak) is op basis van deze literatuur dus iets waarschijnlijker onder de hypothese van toegebracht letsel, dan onder de hypothese van zelfdoding (een Likelihood Ratio (LR) van 4, (…)). Opgemerkt wordt dat het aantal onderzochte gevallen (totaal 11) gering is.

Deze zwakke aanwijzing richting de hypothese van toegebracht letsel moet wegens tekortkomingen van de wetenschappelijke literatuur met betrekking tot methodologie en representativiteit met terughoudendheid worden geïnterpreteerd.

Conclusie 6 van Schieveld luidde als volgt (deze conclusie is door het hof niet opgenomen onder de bewijsmiddelen):

Bij het slachtoffer zijn geen afweerverwondingen waargenomen, die worden geassocieerd met moord of doodslag.”

Het commentaar van Soerdjbalie op conclusie 6 luidt als volgt:

“Uit het bestudeerde materiaal blijkt dat er bij sectie geen afweerverwondingen werden gezien.

Afweerverwondingen worden in algemene zin geassocieerd met het verzetten tegen bijvoorbeeld stekend/snijdend geweld [literatuurverwijzingen, D.A.].

(…).

Samenvattend zijn - op basis van deze literatuur - afweerverwondingen afwezig in 25 tot 85% van de gevallen van toegebracht letsel en in alle gevallen van zelfdoding.

Dit geeft ten hoogste een LR van 4 richting de hypothese van zelfdoding. Deze zwakke aanwijzing richting de hypothese van zelfdoding moet gezien de tekortkomingen van de literatuur met terughoudendheid worden geïnterpreteerd (…). Mijn eigen ervaring onderschrijft de zwakke bewijswaarde van de afwezigheid van afweerverwondingen.”

De conclusie 7 van Schieveld luidde als volgt:

De bijna horizontale oriëntatie van de wond is ongebruikelijk bij zelfverwonding. Uit de literatuur blijkt dat de sneden bij zelfmoord meestal schuin verlopen van hoog naar laag, beginnend onder de kaakhoek tot aan de voorzijde van de hals; bij rechtshandigen is dat van linksboven naar rechtsvoor, bij linkshandigen van rechtsboven naar Iinksvoor.”

Het commentaar van Soerdjbalie op conclusie 7 luidt als volgt:

Uit het bestudeerde materiaal blijkt dat de snede in de hals nagenoeg horizontaal verliep.

In meerdere bronnen wordt gesteld dat wonden bij een zelfmoord door het insnijden van de hals veelal schuin verlopen, bij een rechtshandig persoon beginnend van links onder de kaak naar rechtsonder [literatuurverwijzingen, D.A.]. Echter, zoals reeds aangegeven in [literatuurverwijzingen, D.A.] is deze veelvuldig herhaalde beschrijving veelal fout. Horizontale sneden komen voor bij zelfdoding […], en de aanwezigheid van een horizontale snede kan derhalve niet gebruikt worden als argument om zelfdoding uit te sluiten. Omdat niet bekend is hoe vaak horizontale snedes voorkomen bij zelfdoding en bij moord/doodslag kan deze bevinding niet gebruikt worden om in termen van waarschijnlijkheid over deze twee opties te spreken.

Conclusie 8 van Schieveld luidde als volgt:

Gezien de richting van de sneden en de hoek die het mes heeft gemaakt is deze verwonding moeilijk door het slachtoffer zelf toe te brengen. Dit zou een bijzonder onhandige stand en beweging van de arm vereisen, het is twijfelachtig of onder die omstandigheden voldoende kracht kan worden ontwikkeld om een dergelijke snede te veroorzaken.”

Het commentaar van Soerdjbalie hierop luidt:

Volgens ondergetekende vereist de positie van de snede geen ‘bijzonder onhandige stand en beweging van de arm’. Dit is ongeacht de zijdigheid/dominantie van de overledene of de veronderstelde snijrichting. De snede kan dus zowel door het slachtoffer zelf als door een ander persoon zijn toegebracht. De conclusie van het voorlopige sectieverslag van drs. R. Torenbeek onderschrijft dit. Daarin wordt ook gesteld dat ‘het letsel [...] zeer wel door het slachtoffer zelf [kan] zijn toegebracht’. Er kan op grond van de sectiebevindingen en de wetenschappelijke literatuur dus geen uitspraak worden gedaan onder welk van de bovengenoemde hypothesen het ontstaan van de letsels waarschijnlijker is. Dit is niet in lijn met wat door drs. Schieveld is geconcludeerd.”

Conclusie 9 van Schieveld luidde als volgt:

“Uit de informatie beschikbaar in de Databank en de berekeningen die daarmee zijn gemaakt, zowel als uit de literatuur, blijkt dat de keuze van een gang als locatie voor zelfmoord door middel van het doorsnijden van de hals, hoogst ongebruikelijk is. Meestal kiest men een locatie waar men zich op zijn gemak voelt, de slaapkamer bijvoorbeeld, of de badkamer voor de spiegel waar men een goed zicht heeft op de hals. Ongebruikelijk is eveneens de keuze van een broodmes als wapen bij suïcide en wederom hoogst ongebruikelijk is het feit dat het slachtoffer een vrouw is. Van het totaal aantal slachtoffers (67) dat met doorgesneden keel in huis werd aangetroffen waren er 39 van het vrouwelijke geslacht. Niet één van deze vrouwen had de verwonding zelf toegebracht. Het doorsnijden van de keel wordt in de literatuur beschouwd als een gewelddadige methode van zelfmoord, die men, zoals met de meeste gewelddadige methodes, hoofdzakelijk ziet bij mannen.”

Het commentaar van Soerdjbalie op conclusie 9 luidt als volgt:

De National Injuries Database (NID) wordt door het NFI niet gebruikt. Doordat de in- en exclusiecriteria en de methodologie van de database mij onbekend zijn kan ik uitspraken gebaseerd op onderzoek met de NID in algemene zin niet waarderen.

Uit het verslag van drs. Schieveld blijkt dat zij slecht een zeer beperkt aantal zaken heeft gebruikt ter ondersteuning van haar uitspraken. Daarnaast is het door haar verrichte onderzoek methodologisch ongeschikt om onderscheid te maken tussen de door haar geformuleerde hypothesen. Uit haar rapport blijkt dat zij onderzocht hoe vaak een bepaalde omstandigheid of een bepaald kenmerk voorkwam in geval van een bepaalde hypothese (zelfdoding c.q. toegebracht letsel). Er werd echter niet onderzocht hoe vaak dezelfde omstandigheid of hetzelfde kenmerk voorkwam bij de alternatieve hypothese. Bijgevolg kan de bewijswaarde van de onderzochte omstandigheid/het kenmerk niet gegeven worden en zijn de uitkomsten van het onderzoek onvoldoende om uitspraken te doen over steun voor de twee hypothesen.

Samengevat is het beschreven NID-onderzoek grotendeels ongeschikt om zinvolle uitspraken met betrekking tot deze zaak op te baseren.

Wel ondersteunt de door mij geraadpleegde literatuur [literatuurverwijzingen, D.A] dat het doorsnijden van de keel als vorm van zelfdoding vaker voorkomt bij mannen dan bij vrouwen. In die zin is het vrouwelijke geslacht van het slachtoffer in deze zaak een aanwijzing richting de hypothese van toegebracht letsel.

20. De samenvatting en de conclusie van Soerdjbalie luiden als volgt:

Samenvattend kan mijns inziens gesteld worden dat het letsel in de hals is ontstaan door bij leven ingewerkt scherprandig perforerend/snijdend geweld, als gevolg van het steken/snijden met een één- of tweezijdig scherprandig voorwerp, zoals bijvoorbeeld een mes. De letselkenmerken passen goed bij het gebruik van een mes met een gekarteld lemmet. Het relatief rechte aspect van de wondranden, zonder inkepingen of huidflapjes suggereert dat de snede in één relatief ononderbroken beweging is gemaakt. De letselkenmerken zijn onvoldoende specifiek om een uitspraak te doen over de snijrichting en de ingewerkte kracht, of om een onderscheid te maken tussen zelfdoding of toegebracht letsel. De snede kan qua locatie zowel door het slachtoffer zelf als door een ander persoon zijn toegebracht.

Het beschreven NID-onderzoek is mijns inziens grotendeels ongeschikt om zinvolle uitspraken met betrekking tot deze zaak op te baseren.

(…).

Op basis van revisie van de sectiebevindingen, en op basis van de redenaties zoals deze in bovenstaande paragrafen uiteengezet is, kan ik op basis van de sectie geen onderscheid maken tussen de hypothesen zoals deze zijn geformuleerd in het FIT- gesprek van 29-09-2017, te weten:

Hypothese 1 : meneer heeft zijn partner van het leven beroofd.

Hypothese 2: mevrouw heeft zichzelf van het leven beroofd.

Hypothese 3: mevrouw heeft zichzelf van het leven beroofd maar meneer heeft haar geholpen.”

21. Mede op basis van deze rapportages heeft de ACAS op 25 juni 2018 aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad het volgende advies uitgebracht:

De veroordeling is nagenoeg uitsluitend gebaseerd op de conclusies van Eikelenboom en de bevindingen van forensisch geneeskundige Schieveld, in combinatie met de impliciete aanname dat het niet voor de hand ligt dat een vrouw van die leeftijd onder de gegeven omstandigheden haar eigen keel doorsnijdt, hetgeen ook bevestiging vond in de rapportages van Eikelenboom en Schieveld. Deze impliciete aanname houdt, gelet op het rapport van Soerdjbalie-Maikoe en de daaraan ten grondslag gelegde literatuur, evenwel niet zonder meer stand. Bovendien komt deskundige Van der Scheer op een aantal punten tot andere conclusies dan Eikelenboom. Daarbij komt dat het slachtoffer bekend was met depressies, waanbeelden die haar een duidelijk motief kunnen hebben gegeven om zichzelf te verwonden in/aan haar hals en een eerdere zelfmoordpoging.

De Commissie stelt dan ook vast dat er in het geval van deze twee uitgebrachte nadere rapportages sprake is van een op basis van de huidige stand van de wetenschap sterk afwijkend deskundigenadvies. Zowel de bloedspoorpatroondeskundige als de forensisch patholoog komt op onderdelen tot een andere conclusie en beide deskundigen wijzen op onderdelen de eerdere conclusies van Eikelenboom en Schieveld af. Hiermee worden naar de overtuiging van de Commissie de (bewijsvoerings)pijlers waarop de rechtbank en het gerechtshof hun uitspraken hebben gebaseerd aangetast.

De Commissie adviseert de procureur-generaal bij de Hoge Raad het verzoekschrift in het licht van deze vaststelling te bezien en geeft de procureur-generaal daarbij in overweging het nader onderzoek dat nog kan worden verricht zoals vermeld in het rapport van Van der Scheer, alsnog uit te laten voeren.”

22. Bij brief van 26 juni 2018 heb ik dit advies van de ACAS aan de raadsman aangeboden voor commentaar, met de mededeling dat ik voornemens was aan dit advies gevolg te geven door het NFI op te dragen het opengelaten onderzoek aan kledingstukken alsnog uit te voeren. Bij brief van 9 juli 2018 heeft de raadsman mij onder meer laten weten zich te kunnen verenigen met deze opdracht. Bij brief van 10 juli 2018, die tezamen met het advies van de ACAS is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, heb ik hem kenbaar gemaakt dit onderzoek door het NFI te zullen doen uitvoeren. De Haarlemse rechter-commissaris, mw. mr. C. Boom, heeft de onderzoeksopdracht op 13 juli 2018 verstrekt.

23. Bij rapport van 18 september 2018 van de reeds genoemde Ing. Van der Scheer en dr. Y. van de Wal, heeft het NFI aan de opdracht voldaan. Het verschil met het in mei 2018 gerapporteerde onderzoek is dat thans ook de kleding van [veroordeelde] , en de schoenen, de broek en de sokken van [slachtoffer] zelf zijn onderworpen aan een aanvullend sporenonderzoek. De schoenen van [veroordeelde] bleken niet meer voor onderzoek beschikbaar.

24. Ik belicht het volgende uit dit rapport van 18 september 2018. In de eerste plaats is één bevinding opmerkelijk, te weten dat Van der Scheer aan de voorzijde van de broek van [veroordeelde] géén bloedspatjes heeft aangetroffen. De eerder beschreven bloedspatjes bleken zich onderaan de achterzijde van de linker broekspijp te bevinden. Het betreffen in totaal drie bloedspatjes. In de directe nabijheid daarvan is in 2000 één bloedspoortje als ABK562#1 veiliggesteld. Onder de aanname dat het veiliggestelde spoortje eveneens een bloedspatje betrof, bevinden zich daarmee op de broek in totaal vier bloedspatjes, waarvan zoals gezegd geen enkele aan de voorzijde. Ik noem deze bevinding ‘opmerkelijk’ omdat de locatie van de vier bloedspatjes, te weten onderaan de broekspijp, hetzij aan de voorzijde, hetzij aan de achterzijde daarvan, mij in zekere mate onderscheidend lijkt voor de onderzochte scenario’s, te weten dat van enerzijds doodslag anderzijds zelfdoding (dat laatste met inbegrip van de mogelijkheid dat [veroordeelde] enkele malen door een bloedplas is gestapt). Ik lees over deze specifieke locatie van de bloedspatjes in de rapportage van Eikelenboom echter niets terug.

25. Ik belicht tevens een onderdeel uit dit rapport dat betrekking heeft op de linkerschoen van [slachtoffer] , aangezien ook dit onderzoek heeft geleid tot een verdergaande nuancering van de door Van der Scheer op 4 mei 2018 reeds gerapporteerde conclusies:

“Schoenen

In het rapport van 4 mei 2018 is aangegeven dat op de foto’s van de linkerzijde van de linkerschoen bloedspatjes aanwezig lijken te zijn. Deze schoen is aan een sporenonderzoek onderworpen. Hierbij zijn de volgende vier bijzonderheden in het bloedsporenbeeld geconstateerd:

1. Aan de linkerzijde zijn circulaire bloedspatjes aanwezig.

In een normale rechtopstaande stand is (dit deel van) de schoen toegankelijk voor in de nabijheid opspattend bloed.

Indien de schoen zich in een (meer) naar links gekantelde positie bevindt, is afgezien van de linkervoorzijde naar verwachting het overige deel van de linkerzijde (meer) afgeschermd door de vloer.

2. Enkele nagenoeg neerwaarts gerichte bloedspatjes aan de rechterzijde.

In een normale rechtopstaande stand is de rechterzijde bereikbaar voor in de nabijheid opspattend bloed. Een deel van dit bloed zal zich als neerwaarts gerichte bloedspatjes afzetten. Een dergelijk beeld is eveneens aanwezig op de onderzochte rechterschoen. Indien de bron van het opspattende bloed zich rechts ten opzichte van het toegankelijke loopvlak bevond (conform de redenering van R. Eikelenboom), vertonen de op de rechterzijde ontstane bloedspatjes naar verwachting een opwaartse beweegrichting.

Degelijke bloedspatjes zijn op de rechterzijde aangetroffen. Echter, de hierboven genoemde neerwaarts gerichte eveneens aanwezige bloedspatjes vertonen een hieraan tegengestelde beweegrichting.

3. Aan de bovenzijde bevinden zich enkele min of meer circulaire bloedspatjes.

In een normale rechtopstaande stand is de bovenzijde bereikbaar voor hierop loodrecht terecht gekomen bloed, resulterend in min of meer circulaire bloedspatjes. Indien bloed rechts van en op de (meer) naar links gekantelde schoen terechtkomt, vertonen de hierop ontstane bloedspatjes naar verwachting een ovale vorm.

4. Op het loopvlak zijn twee kenmerkende ellipsvormige richting de hak gerichte bloedspatjes aangetroffen.

In een normale rechtopstaande stand is dit deel van de schoen toegankelijk voor in de nabijheid opspattend bloed. Opspattend bloed bereikt de opening tussen voorvoet en hak en scheert/schampt het oppervlak van de zool, resulterend in naar de hak gerichte langgerechte ellipsvormige bloedspatjes. Dergelijke bloedspatten zijn ruim aanwezig op de onderzochte rechterschoen.

Indien bloed rechts van en op de (meer) naar links gekantelde schoen terechtkomt, vertonen de ontstane bloedspatjes op het loopvlak naar verwachting een minder langgerechte ellipsvorm.

De kans op het aantreffen van bovengenoemde vier bijzonderheden in het bloedsporenbeeld is zeer groot indien deze schoen zich in een normale stand plat op de vloer heeft bevonden tijdens het in de nabijheid op de vloer terecht gekomen bloed. Op enig moment is de schoen naar links gekanteld waarbij onder andere het loopvlak bespat is geraakt. In de redenering van R. Eikelenboom stond de (zool van de) linkerschoen aanvankelijk min of meer haaks op de vloer. Hoewel de exacte stand van de schoen en de positie ten opzichte van het op de vloer terecht gekomen bloed niet zijn benoemd, is de kans op bovengenoemde vier bijzonderheden in het bloedsporenbeeld op de schoen in een aldoor (meer) naar links gekantelde stand zeer klein.

26. Het onderzoek aan de genoemde stukken van overtuiging heeft Van der Scheer tot de volgende conclusie gebracht. Daarin zijn de resultaten van het eerder, namelijk op 4 mei 2018 gerapporteerde onderzoek geïntegreerd:

“De resultaten van dit nadere onderzoek zijn betrokken bij de aanvullende beoordeling van de conclusies aangaande twee aspecten van het eerdere door R. Eikelenboom verrichte onderzoek. Deze aspecten betreffen de bloedsporen op de kleding en de schoenen van de verdachte en de houding van het slachtoffer. Op grond van het aanvullend onderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

Aspect ‘bloedsporen op broek en schoenen verdachte’

De eenduidige deelconclusie van destijds met betrekking tot het dichtbij het slachtoffer staan van de verdachte is te stellig. Onder de destijds gepresenteerde hypothese is de kans namelijk zeer groot dat veel secundaire bloedspatten op de broek en de schoenen van de verdachte terechtkomen.

Een dergelijk sporenbeeld is op de voorzijde van de broek geheel niet aanwezig. Aan de achterzijde van de broek zijn maximaal vier bloedspatjes aanwezig. Op de schoenen lijkt een dergelijk sporenbeeld niet aanwezig. De kans op dit sporenbeeld is zeer klein onder de omstandigheden zoals gevisualiseerd bij de reconstructie van 27 september 2005.

Bij het minimaal drie maal over het lichaam heenstappen, al dan niet in combinatie met overige activiteiten, is de kans groot dat bloed onder en op de schoenen en op de onderzijden van de broek terechtkomt. Op de broek en de schoenen zijn bloedsporen onderzoek aangetroffen, waaronder enkele bloedspatten. De kans op het verkrijgen van dit resultaat is reëel onder hypothese 2. De kans op het aangetroffen zeer beperkte bloedspattenbeeld op de kleding en de schoenen van de verdachte bij het ontstaan van de verwonding is onder hypothese 1 zeer klein.

Dit betekent dat het op de kleding en schoenen aanwezige bloedsporenbeeld veel waarschijnlijker is wanneer de verdachte niet aanwezig is geweest (hypothese 2), dan wanneer de verdachte wel aanwezig is geweest en de activiteiten conform de reconstructie van R. Eikelenboom heeft verricht (hypothese 1).

Aspect ‘bloedsporen op de plaats delict’ (houding slachtoffer)

De eenduidige deelconclusie met betrekking tot de stand van de linkerschoen is destijds te stellig gepresenteerd. Dit geldt evenzeer voor de duur waarin het slachtoffer zich in deze houding heeft bevonden. De categorische conclusie dat het slachtoffer zich in de redenering van R. Eikelenboom enige (niet nader te bepalen) tijd in deze (moeilijk te realiseren) houding bevond, is daarmee niet gerechtvaardigd.

De kans op het aantreffen van de vier geconstateerde bijzonderheden in het

bloedsporenbeeld op de linkerschoen is zeer groot indien deze schoen zich aanvankelijk in een normale stand plat op de vloer heeft bevonden tijdens het in de nabijheid op de vloer terecht gekomen bloed. Op enig moment is de schoen naar links gekanteld waarbij onder andere het loopvlak bespat is geraakt. In de redenering van R. Eikelenboom is de kans op de geconstateerde bijzonderheden in het bloedsporenbeeld op de linkerschoen zeer klein.

Dit betekent dat het op de onderzochte linkerschoen aanwezige bloedsporenbeeld veel waarschijnlijker’ is indien deze schoen zich aanvankelijk in een normale stand plat op de vloer bevond, en vervolgens na enige niet nader te bepalen tijd zoals destijds geconcludeerd naar links is gekanteld, dan onder een hypothese waarbij het slachtoffer zich aanvankelijk bevond in een ‘moeilijk te realiseren’ houding met een gekantelde linkerschoen, zoals in de redenering van R. Eikelenboom.

27. Tot zover de onderzoeksresultaten. Bij brief van 20 september 2018 heb ik de raadsman (voor zover van toepassing: nogmaals) de rapportages waarin die onderzoeksresultaten zijn neergelegd doen toekomen. Daarmee was voldaan aan zijn verzoek tot nader onderzoek bij brief van mei 2016. De procedure ex art. 461 Sv die door hem met die brief was ingeleid is daarmee afgerond.

28. Ik heb de raadsman bij diezelfde brief van 20 september 2018 meegedeeld dat ik vanwege deze onderzoeksresultaten ernstig overwoog om – eventueel (ongeveer) gelijktijdig met een door hem in te dienen herzieningsverzoek – zelf bij de Hoge Raad een vordering in te dienen die strekt tot de herziening van de genoemde onherroepelijke uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, en hem verzocht zijn standpunt daarover aan mij kenbaar te maken. De raadsman heeft mij op 8 oktober 2018 telefonisch laten weten dat hij instemt met een door mij in te dienen vordering tot herziening, en dat hij het onder die omstandigheden niet nodig acht zelf ook een aanvraag tot herziening te doen. Daarop heb ik heden deze vordering tot herziening ingediend, die ik thans nader zal toelichten.

29. Hoewel de politie, justitie, de rechtbank en (later) het gerechtshof wel degelijk ook andere scenario’s onder ogen hebben gezien, heeft het onderzoek in deze strafzaak zich toegespitst op twee scenario’s die de dood van [slachtoffer] kunnen verklaren:

(1) [veroordeelde] heeft de keel van [slachtoffer] met een mes doorgesneden, respectievelijk

(2) [slachtoffer] heeft zichzelf met een mes de keel doorgesneden.

Andere scenario’s dan deze twee zijn op zichzelf reeds onwaarschijnlijk, dan wel missen iedere steun in de onderzoeksresultaten. Bijvoorbeeld, indien een ander persoon dan [veroordeelde] de keel van [slachtoffer] zou hebben doorgesneden, is [veroordeelde] onschuldig en is er geen reden voor twijfel aan de juistheid van zijn mededelingen dat hij de voordeur van de flatwoning bij thuiskomst om ongeveer 11 uur in de ochtend van 10 april 2000 op het nachtslot aantrof en er geen huissleutels ontbraken. Er zijn bovendien geen sporen van braak of inklimming aangetroffen. Dat laat zich slecht rijmen met het scenario van doodslag gepleegd door een ander dan [veroordeelde] , dat daarmee dus (zeer) onwaarschijnlijk is.

Voor de juistheid van een vierde, mogelijke scenario, te weten dat [veroordeelde] [slachtoffer] zou hebben geholpen bij zelfdoding, bestaat geen enkele aanwijzing. Overigens zou ook dit scenario – indien juist gebleken – voor herziening van het bestreden arrest aanleiding kunnen geven.

Dat het door het gerechtshof uitgevoerde onderzoek zich uiteindelijk heeft geconcentreerd op de twee eerstgenoemde scenario’s is dan ook niet aan kritiek onderhevig geweest, evenmin van de zijde van bijvoorbeeld Stad & Van Koppen in hun reeds genoemde publicatie over deze strafzaak met de wat dit betreft veelzeggende ondertitel: ‘Het onderscheid tussen moord en zelfmoord’.

30. Het hof heeft van die twee scenario’s het scenario van zelfdoding verworpen en voldoende bewijsmateriaal aanwezig geacht voor het scenario van een door [veroordeelde] gepleegde doodslag. Dit heeft geleid tot de bewezenverklaring die is opgenomen in het bestreden arrest. De hierboven weergegeven bewijsvoering in het bestreden arrest (en de aanvulling daarop) maakt m.i. duidelijk dat de beslissing om het scenario van een door [veroordeelde] gepleegde doodslag voor juist te houden, voor een belangrijk deel steunt op de rapportages en verklaringen van de deskundigen Eikelenboom en Schieveld.

31. Bevestiging voor de conclusies uit het rapport van Schieveld vond het hof in de deskundigenverklaring ter terechtzitting van mw. drs. A. Maes, die tot aan haar voortijdig overlijden als forensisch patholoog werkzaam was bij het NFI. Naar ik de processen-verbaal van de terechtzittingen van 6 december 2005 (p. 6) en van 16 maart 2006 (p. 2 en p. 7-8) begrijp, diende het verhoor van Maes ter vervanging van een verhoor ter terechtzitting van de rapporterend forensisch patholoog Torenbeek. Torenbeek had het NFI inmiddels verlaten en achtte zich niet (meer) ter zake deskundig. Terecht wijzen Stad & Van Koppen alsook Alkemade erop dat Maes in deze strafzaak zelf geen onderzoek had verricht, noch gerapporteerd, en dat zij ter terechtzitting van 16 maart 2006 (p. 8-12) antwoord gaf op geleide van vragen en informatie die haar mondeling werd aangereikt. Om haar door het hof als bewijsmiddel 5 opgenomen uitspraak op waarde te kunnen schatten, moet in aanmerking worden genomen dat Maes – als ik het goed begrijp (haar deskundigenverklaring is niet helemaal duidelijk in dit opzicht) – op basis van de aan haar gedane mededelingen ervan uitging dat de snijrichting van de wond aan de hals van (de rechtshandige) [slachtoffer] bekend was, namelijk van links naar rechts, en dat die snijbeweging naar achteren toe ‘omhoog is getrokken’. Dit uitgangspunt berust echter slechts op de rapportage van Schieveld, en de juistheid van dat uitgangspunt staat ter discussie.

32. Aldus bezien onderschrijf ik het oordeel van de ACAS dat “de veroordeling nagenoeg uitsluitend [is] gebaseerd op de conclusies van Eikelenboom en de bevindingen van forensisch geneeskundige Schieveld.”

33. Mede onder verwijzing naar meer recente vakliteratuur worden de cruciale conclusies van de bloedspoorpatroondeskundige Eikelenboom en forensisch arts Schieveld meer dan tien jaar later tegengesproken door de bloedspoorpatroondeskundige Van der Scheer, respectievelijk de forensisch patholoog Soerdjbalie. Er zijn geen redenen voor twijfel aan hun deskundigheid. Mijn betrekkelijk uitgebreide weergave van hun bevindingen in deze vordering, maakt het mogelijk om het gewicht van hun argumenten reeds op het eerste gezicht in te schatten. Deze nieuwe rapportages verhouden zich slecht met de bewezenverklaring van doodslag. Met name de rapportages van Van der Scheer wijzen sterk in de richting van het scenario van zelfdoding door [slachtoffer] .

34. Een waarschuwing is nog wel op z’n plaats. Doordat de meest recente rapportages in deze zaak zijn opgemaakt door Van der Scheer en Soerdjbalie, en zij dus als laatsten hebben ‘gesproken’, kan gemakkelijk de gedachte postvatten dat zij in dit dispuut zonder meer het gelijk aan hun zijde hebben, en Eikelenboom en Schieveld niet. Een gewogen oordeel hierover vereist een weerwoord van hun zijde. Ik meen echter dat dit binnen de onderhavige procedure tot herziening van het bestreden arrest niet noodzakelijk is. Het oordeel over deze kwestie laat ik geheel aan het gerechtshof waarnaar de zaak m.i. moet worden verwezen.

35. De conclusies van Van der Scheer en Soerdjbalie betreffen deskundigeninzichten waarmee het gerechtshof dat in deze strafzaak uitspraak deed nog niet bekend kon zijn. Deze deskundigeninzichten zijn van voldoende gewicht en zij zijn onverenigbaar met een bewezenverklaring. Daarmee deel ik het oordeel van de ACAS d.d. 25 juni 2018, die in de door de raadsman geëntameerde verzoekschriftprocedure heeft overwogen dat “de (bewijsvoerings)pijlers waarop de rechtbank en het gerechtshof hun uitspraken hebben gebaseerd door deze nieuwe conclusies worden aangetast.

36. Om die reden draag ik de genoemde deskundigenrapportages van Van der Scheer en Soerdjbalie voor als nova. Die moeten m.i. leiden tot de herziening van de onherroepelijke uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 29 juni 2007, parketnummer 20-000104-05, ten laste van [veroordeelde] , althans voor zover dat betrekking heeft op de doodslag van [slachtoffer] .

37. Hierbij vraag ik op de hiervoor vermelde gronden de herziening aan van het ten laste van [veroordeelde] gewezen arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch d.d. 29 juni 2007, parketnummer 20-000104-05, voor zover dat betrekking heeft op het feit onder 1, met verwijzing van de strafzaak naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, opdat de zaak in zoverre zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als is voorzien in artikel 472, tweede lid Sv.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 [veroordeelde] bevond zich vanaf zijn aanhouding op 10 april 2000 in verzekering en vervolgens in voorlopige hechtenis, totdat ter terechtzitting van 21 juli 2000 de opheffing van de voorlopige hechtenis werd bevolen. Op 10 februari 2004 is [veroordeelde] opnieuw aangehouden, vervolgens in verzekering gesteld, en met ingang van 13 februari 2004 in bewaring gesteld (aflopend op 23 februari 2004). De raadkamer van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch heeft op 18 februari 2004 de vordering tot gevangenhouding afgewezen (zonder de onmiddellijke invrijheidstelling te bevelen), doch op het hoger beroep van de officier van justitie heeft de raadkamer van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 25 maart 2004 alsnog de gevangenhouding bevolen, waarna [veroordeelde] met ingang van 26 maart 2004 weer in voorlopige hechtenis verbleef. Met ingang van 28 oktober 2008 is de TBS met dwangverpleging ten uitvoer gelegd, en dit tot eind 2017. Sindsdien verblijft [veroordeelde] in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg.