Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1124

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-08-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
17/01636
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1892
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal (art. 310 Sr) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (art. 285.1 Sr) door te proberen kassa van snackbar open te krijgen en daarbij gebruik te maken van (nep)wapen. Verweer dat geen sprake is van strafbaar feit maar van grap. 1. Bewijsklacht diefstal. 2. Bewijsklacht bedreiging.

Ad 1. Aangezien Hof bewezenverklaring, v.zv. inhoudende dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft kunnen afleiden uit de inhoud van de gebezigde b.m., is deze naar de eis der wet met redenen omkleed. Tot een nadere motivering was Hof, ook tegen de achtergrond van het namens verdachte gevoerde verweer, o.m. inhoudende dat zijn gedragingen, bestaande uit het meermalen trachten te openen van de kassa, "stoerdoenerij" en "een grapje" betroffen, niet gehouden.

Ad 2. De HR herhaalt de relevante overwegingen uit HR:ECLI:NL: HR:2005:AT3659 en ECLI:NL:HR:1984:AC8252 m.b.t. vereisten voor veroordeling t.z.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Hof heeft vastgesteld dat verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan medewerkster (van snackbar) heeft getoond, heeft doorgeladen, op haar heeft gericht en vervolgens meermalen de trekker heeft overgehaald, alsmede dat medewerkster tegen verdachte heeft gezegd dat hij haar bang maakte. Op grond daarvan heeft Hof geoordeeld dat sprake was van strafbare bedreiging. Daarin ligt als zijn oordeel besloten dat door de gedragingen van verdachte bij medewerkster in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij haar leven zou kunnen verliezen, terwijl daarin voorts als diens oordeel ligt besloten dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm dermate zijn gericht op het doen ontstaan van bedoelde vrees, dat het opzet van verdachte daarop was gericht. Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip bedreiging a.b.i. art. 285 Sr en behoefden, ook in het licht van het namens verdachte gevoerde verweer, o.m. inhoudende dat slechts sprake was van "baldadigheid", geen nadere motivering. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01636

Zitting: 28 augustus 2018

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 15 maart 2017 door het hof Den Haag wegens 1. “poging tot diefstal” en 2. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/03397. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. De middelen klagen over de motivering van de bewezenverklaring onder 1 resp. 2.

  5. Ten laste van verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 25 april 2016 te Rotterdam ter uitvoering, van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld, toebehorende aan snackbar [A] (gelegen aan de [a-straat]) en/of [betrokkene 1], meermalen heeft getracht om een kassa in voornoemde snackbar te openen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”

6. Ten laste van verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 25 april 2016 te Rotterdam een medewerkster van snackbar [A], gelegen aan de [a-straat], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die medewerkster getoond en voorgehouden en daarbij dit voorwerp doorgeladen en daarbij dit voorwerp op die medewerkster gericht en daarbij meermalen de trekker van dit voorwerp overgehaald en daarbij aan die medewerkster de woorden toegevoegd: "Je bent getuige. Je bent van mij mattie".

7. Het arrest van het hof bevat de volgende nadere bewijsoverweging:

“Het opzet van verdachte op het wegnemen van geld volgt uit de aard van de handelingen zoals die blijken uit de beschrijving van de camerabeelden en hetgeen het hof waarneemt op de stills van die camerabeelden.

De verdachte heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan de medewerkster getoond, doorgeladen, op haar gericht en vervolgens meermalen de trekker overgehaald, terwijl hij daarbij de bewezenverklaarde uitlating deed. Op de camerabeelden, welke zijn uitgewerkt in een zich in het dossier bevindend proces-verbaal, is te horen dat de medewerkster tegen de verdachte zegt dat hij haar bang maakt. In de context van deze handelingen zijn de uitgesproken teksten zonder meer van bedreigende aard. Er is geen sprake van een grap, maar van een strafbare bedreiging.”

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

“Het hof neemt uit het vernietigde vonnis van de rechtbank over de inhoud van de in bijlage II onder 1, 2 en 3 vermelde bewijsmiddelen.

In aanvulling op die bewijsmiddelen bezigt het hof voorts het hieronder weergegeven bewijsmiddel voor het bewijs.

4. De eigen waarneming van het hof.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep waargenomen dat hetgeen waarneembaar is op de stills van de camerabeelden in de fotobijlage behorende bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 april 2016 van de politie eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016137231-7 (pagina 10 tot en met 16 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier [A]) overeenkomt met de bevindingen ten aanzien van die foto's zoals door verbalisant [verbalisant] is gerelateerd in voornoemd proces-verbaal van bevindingen en opgenomen onder bewijsmiddel 3 in het vernietigde vonnis.”

9. Het vonnis van de rechtbank in eerste aanleg houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, nog het volgende in:

“Bijlage II

Bewijsmiddelen

Feit 1 en 2

1.

Het proces-verbaal van politie nummer PL1700-2016137231-1 (pagina 5 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier [A]), inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 1]:

Ik ben eigenaar van snackbar [A] gevestigd aan de [a-straat] te Rotterdam. Op 26 april 2016 werd ik aangesproken door een medewerkster van mij genaamd [betrokkene 2]. Zij vertelde mij dat een man op 25 april 2016 in de avonduren had getracht de kassalade te openen. Dit was hem niet gelukt. Ik ben vervolgens naar de beelden gaan kijken en zag een man in de snackbar. Ik zag op de beelden dat het incident op 25 april 2016 tussen 21:15 en 21:25 uur had plaatsgevonden. Ik zag op de beelden dat deze man een aantal keren op het beeldscherm van de kassa drukte op het moment dat mijn medewerkster even niet in de buurt van de kassa was of de kassa niet in het oog had doordat zij kennelijk bezig was bij de frituurinstallatie. Ik zag zelfs op de beelden dat deze man op de counter ging zitten en wederom probeerde via het beeldscherm van de kassa de kassalade te openen. Ik zag ook op de beleden dat mijn medewerkster deze man een tik op zijn hand gaf kennelijk om te voorkomen dat hij de kassa opende.

2.

Het proces-verbaal van politie nummer PL1700-2016137231-8 (pagina 33 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier [A]), inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 3]:

Op 25 april 2016 omstreeks 21.00 uur was ik aan het werk in [A] aan de [a-straat] in Rotterdam. Op een gegeven moment kwam er een jongen binnen die ik ken als [verdachte]. Ik was nog steeds in de winkel bezig op dat moment toen op een gegeven moment [betrokkene 4] naar mij toe kwam en mij zei mij die jongen bij de kassa een wapen had laten vallen. Ik schrok wel toen. Ik stond tegenover [verdachte] bij de kassa en hij haalde het vuurwapen uit zijn zak en hield het gericht naar mij. Hij haalde de trekker over en ik heb toen nog geroepen dat hij dit niet moest doen. Ik was aan het dweilen en ik toen keek ik weer op en zag ik dat [verdachte] op de toonbank zat. Ik zag dat hij drukte op het scherm van de kassa.

3.

Het proces-verbaal van politie nummer PL 1700-2016137231-7 (pagina 7 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier [A]), inhoudende als relaas van de verbalisant [verbalisant]:

Op 29 april 2016 heb ik de camerabeelden, welke door de bedrijfsleider van de snackbar [A] zijn verstrekt, bekeken. Dit betreffen de beelden van 25 april 2016 van 21:15 uur tot 21:21 uur. Tevens is het geluid bij de camerabeelden opgenomen.

De verdachte [verdachte] komt naar de toonbank toegelopen. Ik herken de verdachte [verdachte] voor 100 procent.

De verdachte heeft zijn handen ter hoogte van zijn broekzakken en onder zijn jas. Vanonder de jas van de verdachte valt een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de grond. Tegelijk is het geluid te horen van een metaal voorwerp wat op de grond valt. De twee meisjes en twee kleinere jongens zien dit gebeuren. De verdachte pakt het vuurwapen direct van de grond (foto 1) en stopt deze tussen zijn broeksband. (foto 2) De verdachte doet zijn jas over het wapen.

De verdachte gaat met zijn handen naar het vuurwapen en doet zijn jas omhoog. Met zijn rechterhand pakt hij het vuurwapen vast en laad deze door met zijn linkerhand. Hij trekt daarbij de slede met zijn linkerhand naar achteren. De verdachte houdt het vuurwapen in zijn rechterhand en zijn arm ligt nog steeds op de toonbank. Hij richt het wapen in de richting van de medewerkster en haalt de trekker over. (foto 4) Op dat moment is een harde klik te horen. Medewerkster roept: "Nee, nee, [verdachte]" en stapt een stap opzij. De verdachte haalt opnieuw de trekker over en er is wederom een harde klik te horen. Medewerkster roept: "[verdachte]!, [verdachte]!" De verdachte haalt het wapen naar zich toe en laadt deze opnieuw door met zijn linkerhand. De verdachte zegt: "Je bent getuige. Je bent van mij mattie." De verdachte richt het wapen weer kort op de medewerkster. (foto 5) Zij roept: "[verdachte], alsjeblieft. Doe .." Verdachte zegt: "Anders doe ik zo bij hem, he. Whollah." De verdachte richt naar de grond en haalt de trekker over. Er is een harde klik te horen. Medewerkster zegt: "Je maakt mij bang he." Verdachte zegt: "Dit is van mij he mattie. Het is (niet te verstaan) met deze ding."

De verdachte draait zich weer naar de kassa en de kassière toe. Verdachte zegt tegen de kassière: "Mevrouw?" Kassière zegt: "Ja." Verdachte: "Haal die kassa leeg, haal die kassa leeg. De verdachte gaat op de toonbank hangen en kijkt naar de kassa. De verdachte voelt aan de lade van de kassa en tikt vervolgens op het scherm van de kassa. De verdachte zegt: "Ik ga je kassa inbreken." De verdachte doet een paar passen opzij en probeert van de achterkant op de kassa te kijken. De kassière loopt in de richting van de keuken. Hierop gaat de verdachte weer terug naar de zijkant van de kassa en tikt op het scherm van de kassa. De verdachte zegt: "Hoe gaat doe kassa open?" Kassière loopt naar de kassa en zegt: "Ik weet niet." De kassière zegt: "Niet doen he! Camera he." De verdachte zegt: "Oké, maar hoe gaat die kassa open." De verdachte drukt opnieuw op het scherm. De kassière tikt de hand van de verdachte weg en zegt: "Ik weet het niet. Met mijn vingerprinten. Niet doen!" Verdachte: "Oké maar zeg even hoe die open gaat." De kassière zegt: "Ik ga niet zeggen." De medewerkster zegt: "[verdachte], niet doen! We worden echt ontslagen he,"

De verdachte gaat op de toonbank zitten met zijn rug naar de keuken toe en draait zijn lichaam naar de toonbank. De kassière loopt naar de keuken en gaat schoonmaken. De verdachte zegt: "Ik maak hem echt open." De medewerkster zegt: "[verdachte], [verdachte]!" en loopt naar de verdachte toe. De medewerkster trekt aan de arm van de verdachte en gebaart meerdere keren dat de verdachte van de toonbank af moet gaan.”

10. In feitelijke aanleg is door de verdediging in het bijzonder gesteld dat er sprake was van een grap (uit baldadigheid).1 Het ‘grapverweer’ (of een beroep op een practical joke) is in de rechtspraak niet onbekend. Alvorens de middelen te bespreken maak ik enkele opmerkingen van meer algemene aard over het verweer dat er niet sprake is van een strafbaar feit, omdat het ‘maar’ om een grap ging. Toen het verweer bij vervolging ter zake van een straatroof werd gevoerd, besliste de Hoge Raad dat niet in midden mag blijven of er inderdaad sprake was van een grap. Immers er is niet uitgesloten dat een grap de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid openlaat dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt (zogenaamd Meer-en Vaartgat).2 Het verweer behoeft dus veelal3 aandacht en het kan onder omstandigheden zelfs tot vrijspraak leiden. Volledig uit te sluiten is niet dat de rechter tot slotsom komt dat hij niet overtuiging heeft dat er sprake is van opzet op het ten laste gelegde feit (het ging om een vervolging ter zake van art. 362, eerste lid aanhef en onder 4 Sr), maar dat het een (volstrekt misplaatste) grap betreft.4

11. Niet elk beroep op een grap tast te bewijzen bestanddelen aan. Zo oordeelde het hof Amsterdam5 dat het knijpen in de billen gelet op de context ontucht kon opleveren, zelfs als het als grap was bedoeld. Soms doet het dus niet ter zake of het gedrag is bedoeld als grap. Daarbij wordt ook wel een beroep gedaan op de uiterlijke verschijningsvorm waaruit dan wordt afgeleid dat bijvoorbeeld sprake was van een overval en dat niet aannemelijk is geworden dat het een grap was.6 Bij die uiterlijke verschijningsvorm valt te denken aan onder meer de aard en ernst van de gedragingen die een grap min of meer uitsluiten. Onder meer mishandeling, misdrijven tegen het leven gericht en zedendelicten laten zich moeilijk als grap denken. In andere gevallen komt het beroep op een grap te laat. De geloofwaardigheid van de opvatting van de verdachte dat het echt om een grap ging, staat dan op het spel. Denk aan het de volgende dag terugbezorgen van de buit van een overval met de mededeling dat het maar om een grap ging7 of om het uitlokken van een overval met de latere strategie dat het plan nooit serieus, maar steeds als grap was bedoeld.8

12. Bij bedreiging kan het effect van het gedrag als een beletsel om van een grap te spreken worden gezien. De mededeling om docenten van een school ‘neer te leggen’ leidde ertoe dat voor een aantal ervan gold dat ze zwaar waren gechoqueerd, angstig gemaakt en dat ze niet verder konden werken op de school.9 De context (recente ‘school shooting’ in het buitenland) kan een rol spelen.10 Een grap is gelet op die context soms al gauw niet meer als zodanig te beschouwen. Ook als de verdachte zijn gedraging echt als grap heeft bedoeld, sluit dat niet uit dat die gedraging als bedreiging kan worden aangemerkt.11 Bij op zichzelf bedreigende bewoordingen kan de context ook relativerend zijn. “Ik schiet je dood” is geen bedreiging in de context van de spelsituatie, zoals bij paintball. Relativering van bedreigende woorden die (tevens) grappig bedoeld zijn is niet eenvoudig, indien iemand door de ‘grap’ de stuipen op het lijf zijn gejaagd.12

13. Dan kom ik nu toe aan de bespreking van de middelen. Voor zover de middelen inhouden dat niet is gereageerd op het ‘grapverweer’ mist dat gelet op de onder randnummer 7 geciteerde nadere bewijsoverweging van het hof feitelijke grondslag. De middelen betreffen voor het overige vooral de vraag of reactie van het hof toereikend en niet onbegrijpelijk is.

14. Het eerste middel houdt in dat uit de bewijsvoering het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening niet naar voren komt en legt er de nadruk op dat het gedrag van verdachte moet worden aangemerkt als baldadig (en dat het een grap was). Het hof heeft dat oogmerk aanwezig geoordeeld - ik citeer - op grond de aard van de handelingen zoals die blijken uit de beschrijving van de camerabeelden en hetgeen het hof waarneemt op de stills van die camerabeelden. Het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ligt daarmee volgens het hof vervat in het onder randnummer 9 geciteerde bewijsmiddel 3.

15. Blijkens bewijsmiddel 3 heeft de verdachte onder meer gezegd: “Ik ga je kassa inbreken”, "Haal die kassa leeg, haal die kassa leeg”, "Hoe gaat doe kassa open?" en "Ik maak hem echt open". Tevens heeft de verdachte onder andere aan de lade van de kassa gevoeld en enkele malen op het scherm van de kassa getikt. Uit de toelichting op het middel blijkt niet dat wordt bestreden dat deze uitlatingen en dit gedrag in het algemeen wel redengevend bewijs kan zijn voor het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Ik begrijp de toelichting op het middel zo dat de ‘context van de situatie in de snackbar’ waarin de gedraging plaatsvond een dwingende contra-indicatie vormt dat verdachte in dit geval het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had.

16. Voor zover ik zie worden de volgende contextuele factoren in de toelichting op het middel genoemd: verdachte is geen onbekende van het personeel, verdachte is gewaarschuwd dat er camera’s in de snackbar hangen, aan de ‘poging tot diefstal’ komt een einde nadat een medewerkster verdachte bij de arm pakt, het personeel heeft het gedrag van verdachte kennelijk ook als grap opgevat en verdachte blijft nadat de ‘poging tot diefstal’ is gestaakt gewoon in de snackbar aanwezig. De steller van het middel wijst er terecht op dat (alleen) die laatste twee factoren in feitelijke aanleg uitdrukkelijk zijn aangevoerd ter onderbouwing van de stelling dat van een serieuze poging tot diefstal geen sprake was, maar dat het een als grap bedoeld baldadig gedrag betrof. Dat de medewerkers het niet als grap hebben opgevat komt uit bewijsmiddel 3 naar voren onder meer als één van de medewerkers aan het einde zegt: “[verdachte], niet doen! We worden echt ontslagen he.” Dat verdachte na afloop nog enige tijd is gebleven is niet weersproken. Als daarvan in cassatie dan ook wordt uitgegaan, staat daarmee nog in het geheel niet vast hoelang en waarom verdachte is gebleven. Het hof heeft ook in dit kader in het algemeen verwezen naar de aard van de gedragingen en kennelijk de aard van de voorafgaande gedragingen zodanig geacht dat de poging tot diefstal wel serieus was. Dat is niet onjuist of onbegrijpelijk in het licht van de door verdachte gebruikte bewoordingen, het door hem vertoonde op een vuurwapen gelijkend voorwerp, het herhaald trachten de kassa te openen en het springen op de toonbank.

17. De eerste drie contextuele factoren zet de steller van het middel niet eerder dan in cassatie in de schijnwerper. Het hof was reeds daarom niet gehouden daarop met zoveel woorden in te gaan. Ook hier geldt echter dat het hof oordeelt dat het in de aard van de (zojuist nog eens geëxpliciteerde) gedragingen een serieuze poging tot diefstal ziet. Ik volsta met de constatering dat poging tot diefstal van of bij bekenden in de wetenschap dat de diefstal wordt geregistreerd met camera’s nog niet betekent dat het geen serieuze poging is. Evenmin neemt het trekken door een medewerkster aan de arm van verdachte het serieuze karakter van de diefstal weg, al was het maar omdat in het geheel niet vaststaat dat dit nu juist dat de reden is geweest dat verdachte de verdere uitvoering van de diefstal heeft gestaakt.

18. Het oordeel van het hof dat de aard (en de ernst) van de gedragingen uitsluiten dat dat het niet serieus, maar slechts baldadigheid en/of een grap was, past naadloos in hetgeen ik in het algemeen over de rechtspraak over het ‘grapverweer’ opmerkte. Behalve de reeds genoemde omstandigheden zijn hier ook nogal contra-indicatief voor een grap de aandrang tot openen van de kassa van de kant van verdachte en herhaling van gedragingen om de kassa te openen almede de duur. Bewijsmiddel 3 bevat waarneming gedurende zes minuten. Het gaat dus niet om een flitsende grap, die niet goed valt en waarop de verdachte dan ook snel terug komt, maar het gedrag van verdachte heeft bepaald enige tijd in beslag genomen.

19. Het eerste middel faalt.

20. Het tweede middel klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de gedragingen van verdachte en de door hem geuite bewoordingen bedreigend zijn.

21. In vaste rechtspraak overweegt de Hoge Raad13 bij bedreiging (art. 285 Sr):

“Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen (vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448).”

22. Als ik de steller van het middel goed begrijp wordt niet betwist dat het tonen/richten, doorladen en bij herhaling overhalen van de trekker van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bedreigend kan zijn. Of de bewezenverklaarde woorden daaraan nu meer of minder bijdragen lijkt mij er in de kern weinig toe te doen, maar onbegrijpelijk is het niet dat ‘Jij bent van mij, mattie’ bovenop het gedrag eveneens enige vrees doet ontstaan.

23. Als ik het goed begrijp wordt de kern van het middel gevormd door het standpunt dat gelet op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd de gedragingen en bewoordingen bij de medewerkster niet in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen. Het hof heeft daarbij in de bewijsoverweging in het bijzonder in aanmerking genomen dat de medewerkster tegen verdachte zegt dat hij haar bang maakt. Daarmee heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat de medewerkster bang is geworden door het gedrag en de woorden van verdachte.

24. Niet alleen is vereist dat er door gedrag en/of woord van verdachte vrees is ontstaan, maar er zijn nog twee nadere vereisten. De vrees (1) moet in redelijkheid kunnen zijn ontstaan en (2) moet betrekking hebben op het verlies van het leven. Het eerste vereiste vraagt daarmee om een zekere objectivering. Het moet niet gaan om een bedreiging waarvan niemand onder de indruk zal raken. Het tweede vereiste houdt in dat het slachtoffer er van uit moet gaan dat de verdachte het op zijn of haar leven heeft gemunt, hoewel dat in het geheel (nog) niet het geval behoeft te zijn.

25. Het middel richt zich onder meer op het bedreigende karakter van de gebruikte bewoordingen. De kern van de bedreiging is in het onderhavige geval echter niet in de woorden gelegen. Het hof stelt in de bewijsoverweging de gedragingen van verdachte terecht voorop. Op zichzelf niet onmiddellijk bedreigende woorden kunnen in de context van de concrete gedragingen bedreigend zijn. Hoewel anders dan vermoedelijk vroeger het fluisterend uiten van de woorden ‘je bent van mij’ in de amoureuze sfeer doorgaans niet meer op prijs zal worden gesteld, zullen die woorden in die context niet snel als bedreigend worden gezien. Dat ze in de context van het gedrag van verdachte door het hof als zonder meer bedreigend worden aangemerkt, is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet anders dan de steller van het middel wil niet af dat uit bewijsmiddel 3 niet expliciet blijkt dat de woorden worden gesproken tegen de medewerkster, omdat de communicatie naar wel blijkt uit dat bewijsmiddel zich vrijwel geheel tussen hen beiden voordoet. Evenmin is bepalend dat verdachte de woorden (mogelijk) niet gelijktijdig met het overhalen van de trekker uitspreekt of dat hij het wapen wanneer hij de trekker voor de derde en laatste keer overhaalt op de grond gericht houdt. Dat zijn vooral feitelijke vaststellingen waarvan de waardering in handen van het hof ligt en voor toetsing waarvan in cassatie nauwelijks ruimte is. Als er een volle dag tussen gedrag en woorden zit, zal het oordeel zeer wel onbegrijpelijk kunnen zijn, maar juist de overzichtelijke context van een snackbar met maar een paar aanwezigen en het korte tijdbestek van zes minuten waarin zich alles wat is gerelateerd in bewijsmiddel 3 heeft voorgedaan, leidt tot de slotsom dat het aanmerken van de geuite woorden als bedreigend hier niet onbegrijpelijk is.

26. In de bewezenverklaring heeft het hof anders dan de rechtbank14 het voorwerp waarmee is gedreigd aangeduid als een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. In cassatie wordt een beroep gedaan op de omstandigheid dat de medewerkster wist dat het om een nepwapen ging. Mogelijk wordt gedoeld op een zin in de aan het hof tijdens de zitting overgelegde pleitaantekeningen in het procesdossier zijn gevoegd(p. 1): “Maar hij zei hier gelijk bij dat het een nepwapen betrof.” Hiermee wil de steller van het middel kennelijk onderbouwen dat de medewerkster ervan op de hoogte was dat ze werd bedreigd met een nepwapen en dat bij die stand van zaken van vrees in redelijkheid geen sprake kon zijn. Er is echter niet gesteld dat de medewerkster die mededeling heeft gehoord of voor het geval dat ze het wel heeft gehoord dat zij daar ondanks de omstandigheden (waaronder de harde klikken na het overhalen van de trekker) alle geloof aan diende te hechten. Het uitgangspunt dat de medewerkster wist dat het om een neppistool ging (en daarom in redelijkheid van vrees geen sprake kon zijn) mist feitelijke grondslag.

27. Als bij middel 1 wordt er hier een beroep op gedaan dat de medewerkster en de verdachte elkaar kennen. Uit bewijsmiddel 1 is inderdaad af te leiden dat de medewerkster verdachte bij naam kent. Onderlinge bekendheid van dader en slachtoffer kan een bedreiging zowel ernstiger al minder ernstig maken. In feitelijke aanleg is niet nader onderbouwd waarom de onderlinge bekendheid in een bepaalde richting zou wijzen. Het hof was niet gehouden nader op deze omstandigheid in te gaan. De omstandigheid is niet zonder meer contra-indicatief voor bedreiging. De motivering van het hof is niet onbegrijpelijk, omdat in de overwegingen van het hof dat onderlinge bekendheid geen nadere aandacht krijgt.

28. Als ik het goed zie richt het middel zich vooral op de bewijsoverweging voor zover deze inhoudt dat het bewezenverklaarde gedrag en de bewezenverklaarde woorden kunnen worden gekarakteriseerd als bedreiging. Tot hier heb ik mij daar ook op gericht en ben tot de slotsom gekomen dat het niet onbegrijpelijk is dat het hof gelet op de aard van het gedrag dit in het licht van de omstandigheden heeft aangemerkt als bedreigend en dat min of meer in vervolg daarop de geuite bewoordingen eveneens als bedreiging kunnen worden aangemerkt. Ik worstel enigszins met de vraag hoe ruim het middel moet worden gelezen en daartoe het volgende.

29. Het middel bevat niet met zoveel woorden klachten over het bewezenverklaarde opzet en de vraag of de vrees om het leven te verliezen hier niet wat overdreven is. Alles is immers gezet in de sleutel van klachten tegen de bewijsoverweging en beargumenteerd met omstandigheden die wel of niet in aanmerking zijn genomen. Ook hier ligt zoals bij het eerste middel echter achter de klachten in cassatie de opvatting verscholen dat er geen opzet op bedreiging was omdat het om een (baldadige) grap ging.

30. Onder verwijzing naar mijn algemene opmerkingen over het grapverweer hierboven (randnummers 10 t/m 14) merk ik op dat indien vaststaat (zover is het hof niet gekomen) dat een verdachte slechts de bedoeling heeft een grap te maken terwijl niet kan worden bewezen dat hij doelgericht bedreigt, dit nog uitsluit dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn gedrag en woorden in redelijkheid als bedreigend kunnen worden beschouwd. Voorwaardelijk opzet sluit niet uit dat verdachte beoogde een grap te maken en wel een verkeerde grap die een opzettelijk misdrijf oplevert.

31. Dan de vraag of het hof uit gedrag en woord van verdachte binnen de gegeven context kon afleiden dat de medewerkster in redelijkheid bevreesd kon zijn voor een misdrijf tegen het leven. Met lichte aarzeling gelet op de nogal strenge rechtspraak van de Hoge Raad15 meen ik dat overwegende waarde kan worden toegekend aan het doorladen, herhaaldelijk richten en tonen van het op een vuurwapen gelijkend voorwerp alsmede het overhalen van de trekker. In redelijkheid kan worden aangenomen dat iemand daarmee de stuipen op het lijf worden gejaagd en kennelijk was de schrik/angst in dit concrete geval bij de medewerkster milder wellicht omdat verdachte een bekende was. Het gedrag van verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een bedreiging met dodelijk geweld.

32. De middelen falen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie reeds het verhoor in het kader van de inbewaringstelling van verdachte van 3 mei 2016 dat verbeterd gelezen inhoudt “U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik die meisjes wilde pesten. Daarmee bedoel ik een grap uit te halen.”

2 HR 24 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1502, NJ 2009/171.

3 Afhankelijk van de vraag of een te bewijzen bestanddeel wordt bestreden en de grap niet wordt geëlimineerd door de gebezigde bewijsmiddelen.

4 HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3124.

5 Hof Amsterdam 22 maart 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:936.

6 Rechtbank Gelderland 7 maart 2014,, ECLI:NL: RBGEL:2014:1512.

7 Rechtbank Amsterdam 16 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2095.

8 Rechtbank Zutphen 17 april 2012, RBZUT:BW2960.

9 Rechtbank Amsterdam 14 maart 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AT0183.

10 Rechtbank Rotterdam 13 december 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BU8211.

11 Vgl. Hof Arnhem 4 september 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BJ7047.

12 NLR aantek. 8 bij art. 285 Sr. Vgl. voor de grenzen daarvan HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:24, NJ 2018/63 waarin het ging om de vraag of ten gevolge van een in het bijzonder ten behoeve van het digitaal neerschieten van aangevers ontwikkeld computerspel bij de aangevers in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat daadwerkelijk op hen zou worden geschoten. De Hoge Raad vernietigde anders dan in de conclusie, waarin ook aandacht voor de context werd gevraagd, voorgesteld.

13 HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:245, NJ 2018/118 r.o. 2.3.

14 De rechtbank verklaarde bewezen: “alarmpistool of startpistool.”

15 HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:245, NJ 2018/118, HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:909, HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:24, NJ 2018/63.