Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1116

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-08-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
17/00310
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1833
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Eenvoudige belediging van een politieagent, art. 266 en 267 Sr. Heeft "Lange, ik vind jou een schoft" een beledigend karakter? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00310

Zitting: 28 augustus 2018 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 11 januari 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van 150 euro, subsidiair drie dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van belediging van – kort gezegd – een ambtenaar in functie.

  4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘hij op 10 februari 2016 te Tilburg, opzettelijk beledigend een ambtenaar (van politie Zeeland - West Brabant) (te weten [verbalisant 1] ), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, op of aan de openbare weg, de [a-straat], en in diens tegenwoordigheid, mondeling heeft toegevoegd de woorden: "Lange, ik vind jou een schoft".’

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

‘1. Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 10 februari 2016, (…), opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] (agent), voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 1] :

Op 10 februari 2016 was ik in dienst van politie Zeeland-West-Brabant team Tilburg Centrum. Omstreeks 18.50 uur kregen ik en mijn collega [verbalisant 3] de melding te rijden naar de [a-straat 1] te Tilburg. Aldaar zou bij melder [verdachte] de deur zijn ingetrapt door zijn huurbaas en zijn woning zou zijn leeg gehaald. Ambtshalve ben ik bekend met [verdachte] . Dit betreft [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1971. Het is mij bekend dat hij vaker valse meldingen en aangiftes doet. In overleg met de Operationeel Coördinator van Team Centrum zijn wij niet ter plaatse gegaan. Omstreeks 19.45 uur kregen ik en mijn collega [verbalisant 3] het verzoek om langs de [a-straat 1] te Tilburg te rijden. [verdachte] zou namelijk minstens 30 keer 112 gebeld hebben. In opdracht van de officier van dienst moesten wij hem een waarschuwing gaan geven in verband met artikel 142 Wetboek van Strafrecht, valse meldingen. Wij zijn ter plaatse gegaan. Ik en mijn collega hebben eerst zijn verhaal aangehoord in verband met de eerste melding. [verdachte] vroeg ons om mee naar boven te lopen en liet ons de deur van zijn kamer zien. Ik zag daar geen sporen of resten van een deur welke ingetrapt zou moeten zijn. Ik en mijn collega hebben hem gemeld dat hij geen valse meldingen meer moet doen omdat hij anders aangehouden wordt. Hierna zijn ik en mijn collega terug naar beneden gelopen richting het dienstvoertuig. Toen ik bijna bij het dienstvoertuig was, welke ongeveer 10 meter bij de deur van de portiek vandaan geparkeerd stond, hoorde ik de stem van [verdachte] . Ik hoorde hem roepen: “Lange, ik vind jou een schoft”. Ik keek achterom en zag dat [verdachte] hierbij in mijn richting keek. Ik zag dat aan de overkant van de straat mensen liepen welke omkeken om te zien wat er aan de hand was. Door de woorden welke [verdachte] uitte op een voor het publiek toegankelijke plaats voelde ik mij in mijn eer en goede naam aangetast.

2. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 10 februari 2016, (…), opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 3] (agent), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 10 februari 2016 was ik samen met collega politieambtenaar [verbalisant 1] werkzaam in de rechtmatige uitoefening van mijn bediening als politieambtenaar en belast met het uitvoeren van incidenten afhandeling voor politieteam Tilburg-centrum Zeeland-West-Brabant. Wij kregen de melding om te rijden naar de [a-straat 1] te Tilburg. Aldaar zou zich [verdachte] bevinden. Wij hoorden van een collega dat zijn eenheid al eerder bij hem was langs geweest en dat [verdachte] een conflict had met zijn huisbaas. Volgens het Operationeel Centrum had [verdachte] na het vertrek van die eenheid nog minstens 30 keer gebeld. Omstreeks 19.45 uur werd ik gebeld door de officier van dienst. De officier van dienst had het verzoek om [verdachte] te bezoeken en te waarschuwen voor het valselijk doen van meldingen. Omstreeks 19.48 uur kwamen wij ter plaatse in de [a-straat 1] te Tilburg. [verdachte] deed de voordeur open. Wij werden naar zijn kamer begeleid. Ik legde [verdachte] op een kalme wijze uit dat hij een eenmalige waarschuwing kreeg van ons, dat hij bij een nieuwe valse melding naar het Operationeel Centrum artikel 142 Wetboek van Strafrecht zou overtreden en dat hij daarvoor zou worden aangehouden. Nadat wij onze waarschuwing hadden geboden, vertrokken wij uit het pand.

Ik liep naar het politievoertuig toe samen met [verbalisant 1] . Ik keek om naar [verdachte] en ik zag dat hij naar collega [verbalisant 1] keek. Ik zag dat [verdachte] collega [verbalisant 1] aansprak en zei: “Lange, ik vind jou een schoft”. Ik zag dat omstanders hierop reageerden door hun aandacht naar [verdachte] en ons te wenden.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 10 februari 2016, (…), opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 4] (agent), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

V: vraag verbalisant

A: antwoord verdachte

V: Ik begreep dat je meerdere malen 112 hebt gebeld. Klopt dit?

A: Ik ben een under mens (het hof begrijpt: Untermensch). Zo word ik behandeld door jullie. Ik heb alleen maar gezegd: “Ik vind je gewoon schofterig”, ik zei dat tegen die grote agent.

V: Wat gebeurde er toen de politie jouw woning net had verlaten?

A: Toen moest ik naar onder lopen om de deur dicht te doen en toen heb ik gezegd: “Ik vind jou schofterig”.

V: Waarom heb jij dat tegen die politieagent gezegd?

A: Hij was onbeschoft tegen mij.’

6. Het hof heeft een door de raadsman gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen (met weglating van verwijzingen):

‘De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de uitlatingen van verdachte, gelet op de context waarin deze zijn geuit, niet als een belediging in de zin van artikel 266 juncto 267 van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden aangemerkt. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte de uitlatingen uit frustratie heeft gedaan omdat hij aangifte wilde doen van vernieling en de politie hierin niet wilde bewilligen. De uitlatingen hadden niet de strekking om [verbalisant 1] te beledigen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] (…) en de aangifte van de ambtenaar van politie [verbalisant 1] (…) blijkt dat de politieagenten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] op 10 februari 2016 het verzoek hebben gekregen om langs de [a-straat 1] te Tilburg te rijden, waar verdachte woont. Verdachte belde onophoudelijk het alarmnummer 112 en moest worden gewaarschuwd op te houden met het misbruiken van het alarmnummer. Ter plaatse zijn de politieagenten naar binnen gegaan naar de kamer van verdachte. Zij hebben zijn verhaal aangehoord met betrekking tot de eerste melding van verdachte waarin hij heeft verklaard dat zijn huurbaas een deur zou hebben ingetrapt. De politieagenten hebben geen schade gezien aan de deur en hebben verdachte gemeld dat hij zou worden aangehouden op het moment dat er opnieuw een valse melding zou binnenkomen.

Hierop zijn de politieagenten vertrokken uit het pand en zijn zij richting het dienstvoertuig gelopen. Op een afstand van ongeveer 10 meter vanaf het portiek hoorden zij verdachte naar de politieambtenaar [verbalisant 1] roepen: “Lange, ik vind jou een schoft”. Toen [verbalisant 1] achterom keek zag hij dat [verdachte] zijn richting op keek. Aan de overkant van de straat liepen mensen die omkeken om te zien wat er aan de hand was.

De verdachte heeft verklaard (…) dat hij zich door de politie behandeld voelt als een ‘Untermensch’, dat hij — toen de politie zijn woning had verlaten — tegen de grotere politieagent heeft gezegd ‘ik vind jou schofterig’, dat dit gebeurde bij hem thuis voor de deur en dat hij dit heeft gezegd omdat die agent ‘onbeschoft tegen mij’ was.

Het hof overweegt als volgt.

Een uitlating kan als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft een ander aan te randen in zijn eer en goede naam.

Het hof stelt vast dat de verdachte naar de ambtenaar van politie [verbalisant 1] heeft geroepen: ‘Lange, ik vind jou een schoft’ en dat hij dit in het openbaar heeft gedaan toen de in uniform geklede politieagenten net de woning van verdachte hadden verlaten, terwijl er publiek op de straat was. Daarmee heeft de verdachte ten overstaan van dat publiek en ten overstaan van de beide politieambtenaren de suggestie gewekt dat de lange politieagent zich als ambtenaar van politie onoorbaar had gedragen en heeft hij blijk gegeven van minachting van de betreffende politieagent. De uitlating van de verdachte ziet daarmee ook op de uitoefening van de functie van politieambtenaar (‘ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’). Dit laatste blijkt ook uit de hiervoor weergegeven verklaring van de verdachte.

In deze context had de uitlating van de verdachte de strekking om [verbalisant 1] als ambtenaar van politie in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening in zijn eer en goede naam en integriteit aan te tasten. Aldus is sprake van belediging.

Het hof verwerpt het verweer.’

7. De steller van het middel betoogt dat de uitlating ‘schoft’ in de zinsnede ‘Lange, ik vind jou een schoft’ geen beledigend karakter heeft. Ook de omstandigheden waaronder de uitlating is gedaan, zouden niet meebrengen dat het hier om een belediging gaat. Daarbij beroept de steller zich op de hem ter beschikking staande versie van ’De Dikke van Dale’. Daarin wordt bij het woord ‘schoft’ als eerste betekenis gegeven: ‘schoelje, schurk, vlegel’. De steller concludeert dat uit de omstandigheid dat het woord ‘schoft’ door de Van Dale niet als scheldwoord is aangeduid, voortvloeit dat ’s hofs oordeel dat de ten laste gelegde uitlating als een belediging dient te worden aangemerkt, onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is.

8. Deze deelklacht ziet eraan voorbij dat het bij het vaststellen van de al dan niet beledigende betekenis die een woord kan hebben niet bepalend is of de Van Dale een woord al dan niet als scheldwoord aanmerkt.1 Uw Raad heeft eerder aangegeven dat een uitlating als beledigend moet worden beschouwd ‘indien zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan’.2Waar het om gaat is of de betekenis die een woord heeft, en bij het vaststellen van die betekenis is de Van Dale wel een betrouwbaar hulpmiddel, beledigend van karakter is of in de context kan zijn. De betekenissen die voorkomen in de Van Dale die de steller van het middel ter beschikking stond, vormen een aanwijzing dat het woord ‘schoft’ dat beledigende karakter heeft of in de context kan hebben. Ik keek ook nog even naar de betekenissen die in het voor een ieder via het internet gratis toegankelijke woordenboek met dezelfde naam worden genoemd.3 Dat zijn ‘schurk’ en ‘schoelje’. Datzelfde woordenboek geeft op zijn beurt van ‘schurk’ de betekenissen: ‘gewetenloos iemand’ en ‘bedrieger’.

9. De steller van het middel verwijst voorts naar een column in de Metro (d.d. 14 oktober 2015), die begint met ‘Wat is PVV-voorman Geert Wilders toch een onverbeterlijke schoft’. De enkele omstandigheid dat eenzelfde woord in een andere context tegen een andere persoon is geuit, terwijl dat niet tot een strafvervolging heeft geleid, brengt evenwel niet mee dat aan dat woord een beledigend karakter dient te worden ontzegd. Daarbij kan wat de context van de uitlating waar het middel naar verwijst nog worden aangestipt dat het om een uitlating van een columnist gaat.

10. De steller van het middel geeft vervolgens aan, gecharmeerd te zijn van de stellingname van A-G Jörg in zijn conclusie voorafgaand aan HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/671 m.nt. Buruma. In de betreffende strafzaak was aan de verdachte ten laste gelegd dat hij tegen een politiesurveillant had gezegd: ‘Wat moet je nou, mafkees’. De steller verwijst naar enkele passages in de conclusie, waarbij in plaats van het woord ‘mafkees’ het woord ‘schoft’ en in plaats van de uitlating ‘Wat moet je nou, mafkees’ de uitlating ‘Lange, ik vind jou een schoft’ gelezen zou moeten worden:

’25. (…) In combinatie met de voorafgaande zin: 'wat moet je nou' acht ik de objectieve strekking van het woord 'mafkees' niet zonder meer beledigend. Het gaat hier immers om een blijk van ontevredenheid van verzoeker met het optreden van de politie, waarbij die uitlating "wat moet je nou, mafkees" kennelijk voor de agent bestemd was en niet voor het winkelend publiek (verzoeker keek daarbij immers naar de verbalisant en wendde zich niet tot het winkelend publiek). Als het omstreden woord hier al als een scheldwoord moet worden begrepen, is het een 'licht' scheldwoord; het is een woord waarmee de uitroep 'wat moet je nou' wordt gesloten; vergelijkbaar met 'eikel' als ook zo'n soort 'sluitwoord'. Naar mijn mening is - anders dan Janssens en Nieuwenhuis mogelijkerwijs vinden - de objectieve strekking van 'mafkees' niet eo ipso beledigend. Eventueel zou het in de feitelijke situatie een zeer licht beledigende ondertoon kunnen hebben, maar dat staat in de constellatie der geschetste feiten niet vast. Dat de verbalisant het bezigen van dit woord als een aantasting van zijn eer en goede naam heeft beschouwd is niet doorslaggevend. Daarmee zou willekeur zijn intrede doen.

(…)

28. Is dus mijn oordeel dat de objectieve strekking van het woord 'mafkees' niet eo ipso beledigend is, zodat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in dezen, zo vind ik het oordeel van het hof dat dit woord in de gegeven feitelijke situatie een beledigende strekking heeft gekregen - zonder nadere toelichting die eveneens ontbreekt - bovendien onbegrijpelijk.’

11. De steller van het middel lijkt er daarmee van uit te gaan dat de uitlating die in de conclusie van A-G Jörg centraal stond, min of meer gelijk zou kunnen worden gesteld aan de uitlating die in deze zaak centraal staat. Daar kan ik de steller van het middel niet in volgen. De betekenis en gevoelswaarde van de woorden ‘schoft’ en ‘mafkees’ verschillen naar het mij voorkomt sterk. A-G Jörg had uit de hem ter beschikking staande versie van de Van Dale als betekenissen van ‘mafkees’ onder meer afgeleid ‘sufferd, malloot, zot’. De woorden schurk en schoelje en (daarmee) schoft duiden op iemand die slecht is; kwalijke dingen doet. De woorden sufferd, malloot, zot en (daarmee) mafkees duiden op iemand die niet al te slim is en/of zich een beetje vreemd gedraagt. A-G Jörg merkte het woord ‘mafkees’ (op zijn hoogst) als een licht scheldwoord aan; dat kan ik van ‘schoft’ niet vinden. Ik wijs er daarbij voorts nog op dat Uw Raad de conclusie van A-G Jörg niet volgde in de betreffende zaak. Uw Raad overwoog:

‘2.4. De bewezenverklaring houdt in dat het hier gaat om een belediging die iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is aangedaan. In een dergelijk geval moet een uitlating als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan.

2.5. Het kennelijke oordeel van het Hof dat de uitlating van de verdachte "Wat moet je nou mafkees?" de strekking heeft degene tot wie zij is gericht in zijn eer en goede naam aan te tasten, geeft - in het licht van de omstandigheden waaronder die uitlating is gedaan, zoals daarvan blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen - geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat van een politieagent mag worden verwacht "dat deze in een gegeven situatie meer moet kunnen verdragen dan anderen, waar het eventueel beledigende uitlatingen betreft" vindt geen steun in het recht (vgl. HR 22 september 2009, LJN BI5623, NJ 2009, 466).’4

12. De steller van het middel klaagt voorts dat nu het beledigend karakter van het woord ‘schoft’ niet rechtstreeks zou volgen uit de gangbare betekenis, het hof op zijn minst onderzoek had moeten doen naar het opzet van de verdachte. Daarmee bestrijdt de steller als ik het goed zie zowel het beledigende karakter van de uitlating, dat niet uit de context zou volgen, als de vaststelling van het vereiste opzet.

13. Voor zover de steller van het middel wil bestrijden dat de uitlating in de context waarin zij is gedaan een beledigend karakter had, faalt de klacht gelet op de eerder geciteerde bewijsoverweging van het hof. Het hof heeft daarin vastgesteld dat de verdachte de ten laste gelegde uitlating naar politieambtenaar [verbalisant 1] heeft geroepen, dat hij dit in het openbaar heeft gedaan toen de in uniform geklede politieagenten net de woning van de verdachte hadden verlaten, en dat er toen publiek op straat was. Daarmee heeft de verdachte, zo stelt het hof, ‘ten overstaan van dat publiek en ten overstaan van de beide politieambtenaren de suggestie gewekt dat de lange politieagent zich als ambtenaar van politie onoorbaar had gedragen en heeft hij blijk gegeven van minachting van de betreffende politieagent.’ Daarmee heeft het hof toereikend beargumenteerd dat en waarom de ten laste gelegde uitlating in deze context een beledigend karakter had. In het bijzonder het wekken van de suggestie van onoorbaar gedrag is naar het mij voorkomt beledigend, en haalt deze zaak uit de ‘lange tenen’-discussie waar de steller van het middel haar in poogt onder te brengen.5

14. Ik wil daar nog aan toevoegen dat het, bij het onderscheid dat Uw Raad maakt, maar de vraag is of het woord ‘schoft’ wel gerangschikt dient te worden onder de ‘woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is’. Het lijkt mij een woord waarvan het gebruik in het algemeen beledigend is, maar waaraan de context (ik denk dan aan Jiskefet-achtige situaties, tussen vrienden onderling) het beledigend karakter kan ontnemen. Anders gezegd: als een burger een agent een schoft noemt kan ook bij minder context mogelijk nog wel van een belediging gesproken worden.

15. Ten slotte heeft het hof het opzet op de belediging in de voornoemde context uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden. Dat de verdachte zijn uitlatingen uit frustratie heeft gedaan, zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, staat aan de vaststelling van het opzet om te beledigen niet in de weg. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is op dit punt ook geen verweer gevoerd. De raadsman heeft, om maar enkele voorbeelden te noemen, niet gesteld dat de verdachte de betekenis van het woord ‘schoft’ niet begreep, of een grapje maakte. Het middel beroept zich ook niet op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Tegen die achtergrond is de vaststelling van het vereiste opzet toereikend met redenen omkleed.

16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Mogelijk is de steller van het middel op deze gedachte gebracht door de omstandigheid dat het woord ‘mafkees’ blijkens de conclusie van A-G Jörg die voorafging aan HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/671 m.nt. Buruma destijds door de Van Dale wel als scheldwoord werd aangeduid (onder 22 en 23).

2 Vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:274, NJ 2015/186 m.nt. Keijzer, rov. 2.3; HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1564, rov. 2.3; HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2003, NJ 2014/181 m.nt. Keijzer, rov. 2.4; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9960, rov. 3.2; HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7085, NJ 2013/49 m.nt. Mevis, rov. 4.2 en HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/671 m.nt. Buruma, rov. 2.4.

3 https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/schoft#.

4 Ook uit andere arresten volgt dat woorden die op zichzelf niet beledigend zijn, dat in een met deze casus vergelijkbare context wel kunnen worden; vgl. HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9960 (‘flikker’); HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1564 (‘pikkie’). Bij het woord ‘mierenneuker’ was die context in HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9188, NJ 2012/462 m.nt. Keijzer onvoldoende duidelijk gemaakt; na cassatie volgde wederom een veroordeling, die in cassatie wel stand hield (HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:274, NJ 2015/186 m.nt. Keijzer). In HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2003, NJ 2014/181 m.nt. Keijzer bleef de veroordeling wegens belediging met het woord ‘mierenneuker’ ook in stand. Zie verder voor – al dan niet in de desbetreffende context – beledigende uitlatingen tegen politieambtenaren: HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9745, NJ 2001/101 (‘vuile homo's, homofielen, vieze smerissen’); HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8498, NJ 2004/201 (‘homofiel’); HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3602 (art. 81 RO; ‘racisten’); HR 18 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8985, NJ 2008/34 (‘fuck you’ en opsteken middelvinger); HR 2 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2551 (art. 81 RO; ‘fuck you, ik neuk jullie allebei’); HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8403 (art. 81 RO; niet gepubliceerd, ‘misselijk mens’); HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3447 (art. 81 RO; niet gepubliceerd, ‘stomme trut’); HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5623, NJ 2009/466 ('sukkels, klootzakken, loosers, kankerlijers'); HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3366, NJ 2010/672 m.nt. Buruma onder NJ 2010/671 (‘jij bent echt een homo’); HR 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1468 (art. 81 RO; niet gepubliceerd; ‘klootzak, min mannetje, sukkel’); HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:709, NJ 2015/187 (‘kaolo’; Surinaams voor klootzak); HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2965 (art. 81 RO; ‘flapdrol(len)’). In HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3106, NJ 2012/44 m.nt. Schalken volgde cassatie omdat de op een openbaar internetforum geplaatste tekst ‘En aan meneer de agent die dit leest je moch gister zeker niet over je wijf heen’ in het algemeen niet beledigend werd geoordeeld en de door het hof vastgestelde context onvoldoende grond bood voor zijn oordeel dat niettemin sprake was van belediging.

5 Vgl. ook HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7085, NJ 2013/49 m.nt. Mevis (‘waarom loog je’; ‘jij moet niet liegen’).