Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1110

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-07-2018
Datum publicatie
05-10-2018
Zaaknummer
18/02349
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1848, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Verzoek tot machtiging voortgezet verblijf niet toewijsbaar omdat betrokkene voorwaardelijk is ontslagen uit het ziekenhuis en de beslistermijn is verstreken (art. 17 lid 2 Wet Bopz). Geen gebruik gemaakt van mogelijkheid van art. 8a Wet Bopz om passender machtiging te verzoeken. Mocht rechtbank wel een voorlopige machtiging verlenen als "het mindere" van de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JGZ 2019/1 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 18/02349

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 20 juli 2018

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Oost-Nederland

In deze BOPZ-zaak heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend na een verzoek van de officier van justitie tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij verzoekschrift van 12 januari 2018 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Gelderland verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen ten aanzien van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene). Betrokkene verbleef op dat moment in het psychiatrisch ziekenhuis Pro Persona, locatie Rivierenland, kliniek Siependaal, te Tiel krachtens een voorlopige machtiging d.d. 23 oktober 2017 waarvan de geldigheidsduur verstreek op 23 januari 2018. Bij het verzoekschrift was onder meer een verklaring van de geneesheer-directeur gevoegd als bedoeld in art. 16 Wet Bopz.

1.2

Op 31 januari 2018 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld en gehoord: betrokkene, haar advocaat en de behandelaar (GZ-psycholoog). Tijdens de zitting is gebleken dat aan betrokkene voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis was verleend1. In overleg met de aanwezigen heeft de rechtbank de behandeling aangehouden teneinde op de voet van art. 8a Wet Bopz aan de officier van justitie de vraag voor te leggen of een andere machtiging niet passender is.

1.3

De rechtbank heeft bij brief van 5 februari 2018 de officier van justitie gevraagd te onderzoeken of in de gegeven omstandigheden een andere machtiging, bijv. een voorwaardelijke machtiging, niet passender is dan de verzochte machtiging. De officier van justitie heeft op 20 februari 2018 gereageerd door toezending van een brief van de behandelend arts van 14 februari 2018 waarin deze toelicht dat een voorwaardelijke machtiging niet haalbaar is. De officier van justitie heeft het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf gehandhaafd. De advocaat van betrokkene heeft een reactie gegeven in emailberichten van 21 en 22 februari 2018. Voorts heeft de advocaat een verweerschrift met een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in art. 35 Wet Bopz ingediend.

1.4

De rechtbank heeft de mondelinge behandeling voortgezet ter zitting van 28 februari 2018. Zij heeft toen gehoord: betrokkene en haar advocaat, de behandelend psychiater van betrokkene in Nijmegen en de officier van justitie. Ook heeft de rechtbank telefonisch de behandelend psychiater van betrokkene in Tiel gehoord.

1.5

Op dezelfde datum heeft de rechtbank bij mondelinge uitspraak (ECLI:NL:RBGEL:2018:1235) een voorlopige machtiging verleend om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en/of te doen verblijven voor een periode van zes maanden, tot en met 28 augustus 2018. De rechtbank overwoog dat bij betrokkene sprake is van een geestesstoornis in de vorm van een complexe angststoornis. Deze stoornis doet betrokkene gevaar veroorzaken, aangezien zij meerdere pogingen heeft gedaan om zichzelf van het leven te beroven en zij met haar labiele gedrag een zware wissel trekt op haar echtgenoot, die herstelt van een zwaar ongeluk, en haar dochters. Dit gevaar kan volgens de rechtbank niet worden afgewend met een voorwaardelijke machtiging. De rechtbank overwoog verder:

“Met het oog op de vraag welke machtiging dan moet worden verleend is het volgende van belang. De voorafgaande machtiging (een voorlopige machtiging) is afgegeven op 23 oktober 2017 voor de duur van drie maanden. De termijn van deze machtiging verstreek dus op 23 januari 2018. Doordat voor het einde van die termijn een machtiging tot voortgezet verblijf is verzocht had de lopende machtiging een zekere nawerking. Dit volgt uit artikel 48 van de Wet Bopz. Daarin is namelijk bepaald dat de geneesheer-directeur aan iemand die niet vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft, ontslag verleent wanneer de geldigheidsduur van de lopende machtiging is verstreken en, wanneer een aansluitende machtiging is verzocht, de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken. Die termijn kan alleen nog worden verlengd als op verzoek van de betrokkene een deskundige wordt geraadpleegd. De beslistermijn wordt dus niet verlengd door de toepassing van artikel 8a.

In artikel 17 lid 2 Wet Bopz is bepaald dat de rechter op een verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf beslist binnen vier weken na indiening van het verzoek. Dit betekent dat de beslistermijn op 9 februari 2018 is verstreken. Betrokkene verbleef op dat moment, vanwege het aan haar verleende voorwaardelijk ontslag, buiten de instelling. Omdat het ontslag na 9 februari 2018 niet meer kon worden ingetrokken (doordat de geldigheidsduur van de lopende machtiging was verstreken en betrokkene buiten de instelling verbleef), kan de rechtbank nu geen machtiging tot voorgezet verblijf meer afgeven. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2711).

Zoals de advocaat van betrokkene in haar e-mailbericht van 21 februari 2018 heeft betoogd kan de rechtbank daarom alleen een voorlopige machtiging afgeven.

Het verzoek van de officier van justitie strekt tot het afgeven van een machtiging tot voorgezet verblijft. Hij verzoekt dus om een gedwongen opname van betrokkene. De rechtbank beschouwt een voorlopige machtiging in dit verband als “het mindere” ten opzichte van een machtiging tot voortgezet verblijf. De stukken die zich in het dossier bevinden en de tijdens de twee zittingen verkregen informatie zijn toereikend om (ook) tot afgifte van een voorlopige machtiging te beslissen.”

1.6

Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen de mondelinge uitspraak. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel klaagt dat de rechtbank geen voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz kon verlenen, omdat de officier van justitie geen verzoek daartoe heeft ingediend. De overweging dat de rechtbank een voorlopige machtiging beschouwt als het mindere ten opzichte van een machtiging tot voortgezet verblijf rechtvaardigt volgens de klacht niet de verlening van een voorlopige machtiging zonder verzoek van de officier van justitie. Subsidiair bevat het middel een motiveringsklacht.

2.2

In cassatie is niet het oordeel van de rechtbank bestreden dat de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf niet meer kon worden verleend, aangezien betrokkene buiten de instelling verbleef krachtens een aan haar verleend voorwaardelijk ontslag en dit ontslag na het verstrijken van de geldigheidsduur van de machtiging niet meer kon worden ingetrokken; zie de door de rechtbank genoemde beschikking van de Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2711)2.

2.3

Een officier van justitie kan primair een machtiging tot voortgezet verblijf verzoeken en subsidiair een andere machtiging (zoals een voorwaardelijke machtiging of een voorlopige machtiging). De vraag of de rechtbank een voorlopige machtiging kan verlenen indien de officier van justitie slechts heeft verzocht om een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen, kwam aan de orde in HR 29 april 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT1744)3. In deze beschikking heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van art. 8a Wet Bopz uitgemaakt dat de rechtbank niet de bevoegdheid heeft om ambtshalve een andere machtiging te verlenen dan door de officier van justitie is verzocht4. De Hoge Raad vervolgde:

“3.2.3. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank slechts mocht overgaan tot het verlenen van een – door haar toewijsbaar geachte – voorlopige machtiging indien zij in het (….) verzoek van de officier van justitie het verzoek mocht lezen tot het verlenen van een voorlopige machtiging, dan wel, indien zulks niet mogelijk was, zij de officier van justitie op de voet van art. 8a in de gelegenheid had gesteld het verzoek aan te passen en deze daartoe was overgegaan. (…)”

Uit de zo-even aangehaalde overweging volgt dat in het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen niet zonder meer, als het ‘mindere’ daarvan5, een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging besloten ligt. Het komt aan op de uitleg van het verzoek, waarbij ook de positie van de verdediging van belang is: hebben de betrokkene en zijn of haar advocaat begrepen dan wel redelijkerwijs moeten begrijpen dat de officier van justitie tevens een voorlopige machtiging verzocht?6

2.4

In de onderhavige zaak heeft de rechtbank in haar mondelinge uitspraak vastgesteld dat het verzoek van de officier van justitie strekt tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf. De officier van justitie heeft dit verzoek gehandhaafd nadat de rechtbank op de voet van art. 8a Wet Bopz de vraag had voorgelegd of een andere machtiging niet passender is. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de advocaat van betrokkene in haar emailbericht van 21 februari 2018 heeft betoogd dat de rechtbank slechts een voorlopige machtiging kan afgeven. Uit dit verweer blijkt niet dat de advocaat van betrokkene in het voorliggende verzoek van de officier van justitie mede een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging heeft gelezen7. De rechtbank heeft een voorlopige machtiging beschouwd als “het mindere” ten opzichte van een machtiging tot voortgezet verblijf. Indien de rechtbank met die overweging heeft bedoeld dat een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging zonder meer besloten ligt in ieder verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf, dan getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Indien de rechtbank heeft bedoeld dat het onderhavige verzoekschrift van de officier van justitie mocht worden opgevat als mede strekkende tot verlening van een voorlopige machtiging, dan heeft zij dit oordeel onvoldoende gemotiveerd. Weliswaar is een voorlopige machtiging in het algemeen minder ingrijpend dan een machtiging tot voortgezet verblijf omdat de laatste een langere geldigheidsduur kan hebben, maar dit neemt niet weg dat de wetgever in art. 8a Wet Bopz een bepaalde procedure heeft aangewezen voor het geval dat de rechter een andere machtiging wil verlenen dan de officier van justitie had verzocht. In zoverre slaagt het middel.

2.5

Doorgaans volgt in Bopz-zaken na vernietiging van de bestreden beslissing een terugwijzing naar de rechtbank. In dit geval zou het alsnog verlenen van een voorlopige machtiging uitsluitend mogelijk zijn door na verwijzing nogmaals toepassing te geven aan art. 8a Wet Bopz. Gelet op de aard van het te duchten gevaar én omdat in deze zaak (zij het voor een ander doel) reeds toepassing aan art. 8a Wet Bopz is gegeven, stel ik de Hoge Raad voor de zaak zelf af te doen door het inleidend verzoek van de officier van justitie af te wijzen. Afhankelijk van de situatie op dat moment, kan vervolgens opnieuw worden bezien of een onvrijwillige opneming in een psychiatrisch ziekenhuis noodzakelijk is.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot alsnog afwijzing van het inleidend verzoek van de officier van justitie.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv.

1 Blijkens een daarvan opgemaakt formulier heeft de geneesheer-directeur het voorwaardelijk ontslag met ingang van 14 februari 2018 ingetrokken, met als reden “niet nakomen van aan het voorwaardelijk ontslag verbonden voorwaarden, en toename suïcidaliteit”.

2 NJ 2017/225 m.nt. J. Legemaate, Jvggz 2017/3 m.nt. W.J.A.M. Dijkers.

3 NJ 2009/115 m.nt. J. Legemaate, BJ 2005/16. Zie nader over het verzoek van de officier van justitie: W. Dijkers, SDU-Commentaar Bopz, Kernproblematiek, aant. C.II.3.6, C.II.3.10 en C.II.18.2, art. 8a aant. C.3, en art. 17 aant. C.2.2 (slot).

4 Zie ook: HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6085, NJ 2008/436 m.nt. J. Legemaate en HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3455, BJ 2009/33.

5 Een machtiging tot voortgezet verblijf kan worden verleend voor, in beginsel, ten hoogste een jaar. Een voorlopige machtiging kan worden verleend voor ten hoogste zes maanden.

6 Vgl. alinea’s 2.7 en 2.16 van de conclusie voor HR 29 april 2005. Overigens is onder de nog niet in werking getreden Wet verplichte ggz (wet van 24 januari 2018, Stb. 37) de positie van de officier van justitie als verzoekende partij gehandhaafd, zie art. 5:17 van die wet. De nieuwe wet kent slechts één machtiging, de zorgmachtiging. De rechter heeft de bevoegdheid om in de zorgmachtiging af te wijken van de verplichte zorg of doelen die zijn vermeld in het bij het verzoek over te leggen zorgplan (art. 6:4 lid 2 Wet verplichte ggz).

7 Zie ook de e-mail van de advocaat aan de rechtbank van 22 februari 2018: “Pro Persona gaat er blijkens de brief van [naam behandelend psychiater] van uit dat er een nieuwe voorlopige rm moet worden aangevraagd; deze is door mij nog niet waargenomen. (…) Kennelijk gaat de OvJ er op dit moment van uit dat er alsnog beslist kan worden op het op 12 januari 2018 ingediend verzoek voortgezet verblijf. Nu de titel 23 oktober 2017 (…) is geëxpireerd én de beslistermijn voor de rechtbank op het op 12 januari 2018 ingediende verzoek is verlopen (…), ben ik het met de instelling eens dat er een nieuwe voorlopige machtiging dient te worden aangevraagd en dient de rechtbank zich onbevoegd te verklaren om nog te mogen beslissen en/of de OvJ niet ontvankelijk.