Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1108

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-07-2018
Datum publicatie
05-10-2018
Zaaknummer
18/01679
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1847, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsanering. Toerekenbare tekortkoming schuldenaar? Vervolg op HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:110, NJ 2017/76 en HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:145, NJ 2018/90. Monitoring aanvraag beschermingsbewind door bewindvoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

18/01679

mr. G.R.B. van Peursem

18 juli 2018

Conclu in de zaak van:sie

[verzoekster] ,

(hierna: [verzoekster]),

verzoekster tot cassatie,

adv. mr. S. Kousedghi.

Deze zaak is, na twee eerdere cassatieprocedures1, andermaal terug in cassatie. Het eerste hofarrest is vernietigd omdat was nagelaten het verweer in de beoordeling te betrekken dat de bewindvoerder haar verplichting om de aanvraag voor beschermingsbewind “nauwgezet te monitoren” niet deugdelijk was nagekomen en dat om die reden de nieuw ontstane schulden niet aan [verzoekster] zijn toe te rekenen. De tweede cassatie had als grond dat het hof de zorgplicht van de bewindvoerder tot “nauwgezet monitoren” had miskend. Het tweede verwijzingshof heeft nu geoordeeld dat het feit dat het beschermingsbewind achterwege is gebleven niet is toe te schrijven aan het onvoldoende monitoren door de bewindvoerder (voor zover daarvan al sprake is), maar aan de weerstand van [verzoekster] tegen dat bewind. Nu [verzoekster] niet open stond voor contact met de bewindvoerder, is het volgens de nu bestreden uitspraak begrijpelijk dat de bewindvoerder het aanvragen van het beschermingsbewind aan Plangroep heeft overgelaten en in dat verband geen verdergaande acties heeft ondernomen. Ik zie het derde cassatieberoep niet opgaan.

1. Feiten 2 en procesverloop

1.1 Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2013 is ten aanzien van [verzoekster] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van [betrokkene 1] als bewindvoerder.

1.2 Op 5 december 2014 heeft de rechter-commissaris een voordracht tot (tussentijdse) beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling gedaan. Grond daarvoor was een tekortkoming in de informatieverplichting en een boedelachterstand.

1.3 De rechtbank heeft bij vonnis van 3 april 2015 de voordracht tot tussentijdse beëindiging afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het er op lijkt dat [verzoekster] niet bij machte is om de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling na te komen. Haar is daarom een laatste kans gegeven om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Dit onder de voorwaarde dat zij zo spoedig mogelijk beschermingsbewind aanvraagt, met verzoek aan de bewindvoerder om ‘nauwgezet te monitoren’ dat [verzoekster] deze voorwaarde naleeft.

1.4 In haar eindverslag van 9 december 2015 heeft de bewindvoerder geadviseerd dat [verzoekster] wegens het laten ontstaan van bovenmatige nieuwe schulden geen schone lei wordt verleend.

1.5 Bij vonnis van 17 maart 2016 heeft de rechtbank de schuldsanering van [verzoekster] beëindigd zonder schone lei wegens het laten ontstaan van bovenmatige nieuwe schulden, bestaande in ten onrechte ontvangen huur- en zorgtoeslag 2014, terwijl ook over 2015 en 2016 terugvorderingen te verwachten zijn, nu [verzoekster] de toeslagen niet heeft stopgezet. Dat die tekortkomingen [verzoekster] niet kunnen worden toegerekend, is volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden. Daartoe is overwogen dat [verzoekster] bij vonnis van 3 april 2015 een laatste kans was gegeven om haar schuldsanering tot een goed einde te brengen, onder de voorwaarde dat zij zo spoedig mogelijk beschermingsbewind zou aanvragen, en dat zij desondanks heeft nagelaten beschermingsbewind aan te vragen.

1.6 Het Haagse hof heeft bij arrest van 24 mei 2016 dit vonnis van de rechtbank bekrachtigd3.

1.7 Die uitspraak is in het eerste cassatie-arrest van 27 januari 2017 vernietigd, waarna de zaak is verwezen naar het hof Amsterdam en waartoe onder meer als volgt is overwogen4:

“3.3.1 Het middel klaagt onder 1.2 dat het hof niet voldoende heeft gerespondeerd op grief 2 van [verzoekster]. Die grief hield in dat de rechtbank heeft miskend dat het op grond van het vonnis van 3 april 2015 op de weg van de bewindvoerder had gelegen om nauwgezet te monitoren dat [verzoekster] de voorwaarde van het aanvragen van beschermingsbewind naleeft en dat de bewindvoerder haar in dat kader ook had moeten informeren wat beschermingsbewind inhoudt en hoe zij dat in gang kon zetten. Nu de bewindvoerder dat niet heeft gedaan, maar [verzoekster] aan haar lot heeft overgelaten, is het niet aanvragen van het beschermingsbewind volgens grief 2 niet volledig aan [verzoekster] te wijten. Onder 1.3 betoogt het middel dat de nieuwe schulden alleen aan [verzoekster] hadden kunnen worden toegerekend als het achterwege laten van de beschermingsbewindaanvraag haar zou zijn toe te rekenen. Omdat het hof die vraag niet in ogenschouw heeft genomen, is zijn oordeel dat de nieuwe schulden een toerekenbare tekortkoming opleveren onbegrijpelijk.

3.3.2 Deze klacht komt erop neer dat het hof zijn oordeel dat de geconstateerde tekortkomingen [verzoekster] kunnen worden toegerekend onvoldoende heeft gemotiveerd doordat het de gestelde nalatigheid van de bewindvoerder om de aanvraag van een beschermingsbewind "nauwgezet te monitoren" niet bij zijn oordeel heeft betrokken. De klacht is gegrond.

In het hiervoor onder 3.2.2 weergegeven vonnis heeft de rechtbank het aanvragen van beschermingsbewind door [verzoekster] als voorwaarde gesteld om de schuldsaneringsregeling te kunnen voortzetten. De rechtbank heeft de bewindvoerder verzocht om "nauwgezet te monitoren" dat [verzoekster] deze voorwaarde naleeft. [verzoekster] werd op dat moment niet bijgestaan door een advocaat.

De rechtbank achtte het beschermingsbewind nodig voor een succesvolle voortzetting van de schuldsaneringsregeling, gezien de persoon en de psychische toestand van [verzoekster]. Die toestand maakte dat de op dat moment bestaande tekortkomingen [verzoekster], in de woorden van de rechtbank, "niet geheel toerekenbaar" waren. Onder deze omstandigheden kon het hof niet tot het oordeel komen dat de ten tijde van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling ontstane nieuwe schulden en het niet aanvragen van een beschermingsbewind aan [verzoekster] konden worden toegerekend, zonder daarbij in te gaan op het gestelde niet nakomen door de bewindvoerder van haar verplichting om het aanvragen van een beschermingsbewind "nauwgezet te monitoren" en op de gestelde gevolgen van het niet tot stand komen van het beschermingsbewind voor het verdere verloop van de schuldsaneringsregeling.”

1.8 Vervolgens heeft het Amsterdamse hof in de procedure na verwijzing bij arrest van 26 september 2017 geoordeeld dat [verzoekster] toerekenbaar tekort is geschoten in de behoorlijke nakoming van haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling en het vonnis van de rechtbank van 17 maart 2016 opnieuw bekrachtigd5. Daartoe heeft het hof overwogen dat de nieuwe schulden die [verzoekster] tijdens haar schuldsanering heeft laten ontstaan aan haar kunnen worden toegerekend, nu uit de verklaring van de bewindvoerder ter zitting volgt dat de bewindvoerder wel degelijk voldoende heeft gedaan ter monitoring van de beschermingsbewindaanvraag van [verzoekster]. Volgens het hof moet het feit dat het beschermingsbewind er niet is gekomen niet voor rekening van de bewindvoerder worden gebracht, maar voor die van [verzoekster] zelf, waarbij geldt dat voldoende aannemelijk is geworden dat zij vanwege haar vrees voor stopzetting van de toeslagen haar medewerking aan het aanvragen van beschermingsbewind heeft geweigerd.

1.9 In het tweede cassatie-arrest van 2 februari 2018 is deze uitspraak vernietigd, waarna de zaak is verwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden6. Hiertoe is, voor zover in deze cassatieprocedure nog van belang7, als volgt overwogen (met als kern van het motiveringsgebrek in het nieuwe arrest na verwijzing hetgeen in rov. 3.5.3 en 3.5.4 wordt overwogen):

“3.5.1 Onderdeel 4 bevat een reeks klachten met als strekking dat het hof de zorgplicht van de bewindvoerder tot nauwgezet monitoren heeft miskend. Geklaagd wordt onder meer dat de verplichting van de bewindvoerder was bedoeld om te waarborgen dat [verzoekster] aan haar schuldsaneringsverplichtingen zou kunnen voldoen, omdat zij daartoe zelf niet in staat is. De bewindvoerder kan dus niet worden ontslagen van die monitorverplichting op de grond dat [verzoekster] haar toeslagen niet heeft stopgezet op verzoek van de bewindvoerder omdat zij die toeslagen niet wilde kwijtraken, aldus de klacht.

3.5.2 Het hof heeft in rov. 2.7 – terecht – vooropgesteld dat het diende te beoordelen wat de bewindvoerder heeft gedaan ter uitvoering van het verzoek van de rechtbank om het aanvragen van het beschermingsbewind door [verzoekster] nauwgezet te monitoren, en wat het doen of nalaten daarvan van de bewindvoerder betekent voor de toerekenbaarheid van het laten ontstaan door [verzoekster] van de nieuwe schulden. Uit rov. 2.8 volgt dat de bewindvoerder heeft verklaard contact te hebben opgenomen met Plangroep, Plangroep bereid te hebben gevonden om [verzoekster] te helpen met het aanvragen van beschermingsbewind en van Plangroep te hebben vernomen dat contact was opgenomen met [verzoekster] over het aanvragen van een zodanig bewind. Voorts heeft de bewindvoerder verklaard kort voor de zitting van Plangroep te hebben vernomen dat nog steeds geen beschermingsbewind was aangevraagd.

3.5.3 Het hof heeft zijn beslissing in rov. 2.11 vooral erop gegrond dat [verzoekster] nieuwe schulden heeft laten ontstaan, en heeft uit de verklaring van de bewindvoerder afgeleid dat die schulden [verzoekster] kunnen worden toegerekend en dat de bewindvoerder voldoende heeft gedaan ter monitoring van de beschermingsbewindaanvraag. Dit oordeel is onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in verband met het volgende.

Hetgeen het hof in rov. 2.8 heeft overwogen laat geen andere conclusie toe dan dat de bewindvoerder, na het benaderen van Plangroep, het tot stand komen van het beschermingsbewind geheel aan Plangroep heeft overgelaten. Niet blijkt dat de bewindvoerder hierover zelf contact met [verzoekster] heeft onderhouden of zelfs opgenomen, dan wel dat en waarom het onderhouden of opnemen van een zodanig contact niet mogelijk was of niet van de beschermingsbewindvoerder [lees: WSNP-bewindvoerder, A-G] kon worden gevergd. Op grond van het hiervoor in 3.1 vermelde vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2015 staat echter vast dat [verzoekster] door haar leeftijd en psychische gesteldheid “niet bij machte is om haar verplichtingen na te komen”, en dat in verband hiermee het aanvragen van beschermingsbewind noodzakelijk was. De opdracht aan de bewindvoerder tot ‘nauwgezet monitoren’ moet tegen deze achtergrond worden gezien, hetgeen betekent dat ook rekening moest worden gehouden met een passieve en wellicht aanvankelijk zelfs tegenwerkende houding van [verzoekster] bij het aanvragen van beschermingsbewind. Het door de rechtbank bedoelde ‘nauwgezet monitoren’ had tot doel om, gegeven de persoonlijke gesteldheid van [verzoekster], zoveel mogelijk te bewerkstelligen dat beschermingsbewind zou worden aangevraagd. Daarom kon het hof niet volstaan met een verwijzing naar de (in rov. 2.8 vermelde) verklaring van de bewindvoerder ter zitting als onderbouwing van zijn oordeel dat die bewindvoerder “wel degelijk voldoende heeft gedaan ter monitoring van de beschermingsbewindaanvraag van [verzoekster]”.

3.5.4 Dat de nieuwe schulden niet aan [verzoekster] kunnen worden toegerekend zonder dat daarbij de vraag wordt betrokken of de bewindvoerder heeft voldaan aan haar verplichting om ‘nauwgezet te monitoren’ dat beschermingsbewind zou worden aangevraagd, volgt uit het in 3.1 vermelde arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017 (rov. 3.3.2 slot). De door het hof in rov. 2.11 in aanmerking genomen omstandigheid dat uit verslagen van de bewindvoerder van 9 december 2015 en 25 februari 2016 volgt dat [verzoekster] meermalen tevergeefs is verzocht om de toeslagen te doen stopzetten, doet daarom aan het voorgaande niet af.”

1.10 Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft vervolgens bij arrest van 16 april 2018 in de procedure na deze tweede verwijzing geoordeeld dat [verzoekster] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van met name de informatieverplichting en in de verplichting om nieuwe bovenmatige schulden te voorkomen. Daaraan heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, de volgende uitvoerige overwegingen gewijd:

“3.3 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 februari 2018 onder 3.5.2 overwogen dat het hof Amsterdam terecht voorop heeft gesteld dat het diende te beoordelen wat de bewindvoerder heeft gedaan ter uitvoering van het verzoek van de rechtbank om het aanvragen van beschermingsbewind door [verzoekster] nauwgezet te monitoren, en wat het doen of nalaten daarvan van de bewindvoerder betekent voor de toerekenbaarheid van het laten ontstaan door [verzoekster] van de nieuwe schulden. Vervolgens heeft de Hoge Raad overwogen dat het hof Amsterdam zijn oordeel dat de bewindvoerder voldoende heeft gedaan ter monitoring en dat de nieuwe schulden aan [verzoekster] kunnen worden toegerekend onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Op grond van de verwijzing door de Hoge Raad ligt de vraag wat de bewindvoerder in het kader van de verzochte monitoring heeft gedaan en wat dat betekent voor de toerekenbaarheid van [verzoekster] aan dit hof voor.


3.4 [verzoekster] heeft ter zitting bij dit hof als volgt verklaard. Ten tijde van de zitting in maart 2015 had zij geen idee wat beschermingsbewind inhield en bij wie zij daarvoor terecht zou kunnen. Zij heeft na ontvangst van het vonnis van 3 april 2015 zelf de gemeente Hellevoetsluis gebeld, die haar voor verdere informatie heeft doorverwezen (naar wie kan zij zich niet herinneren) en voorts ook zelf Plangroep benaderd met vragen over beschermingsbewind. Toen haar duidelijk werd dat beschermingsbewind voor haar zou gaan betekenen dat haar gehele financiële situatie inzichtelijk zou moeten worden gemaakt en dat zij geen zeggenschap meer zou hebben over haar geld, heeft zij besloten, mede omdat zij al budgetbeheer bij Plangroep had, dat zij geen beschermingsbewind wilde. Vervolgens heeft zij de persoon/instantie die haar voornoemde uitleg had gegeven teruggebeld en laten weten van beschermingsbewind af te zien. Omdat zij geen contact (meer) had met de bewindvoerder en zij geen geld wilde uitgeven door gebruik te maken van een 06-nummer om de bewindvoerder te bereiken, heeft zij de bewindvoerder niet op de hoogte gesteld van haar bevindingen en de aan de hand daarvan genomen beslissing om af te zien van beschermingsbewind. [verzoekster] verklaarde tot slot dat het in 2015 in psychisch opzicht een stuk beter met haar ging en dat zij destijds ook geen psychische behandeling meer nodig had.

3.5 De bewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep het volgende verklaard. Na de toezending van het proces-verbaal van de zitting van 25 maart 2015 bij de rechtbank (waar [verzoekster] wel, maar de bewindvoerder niet aanwezig was) heeft zij contact opgenomen met Plangroep omdat [verzoekster] bekend was bij Plangroep vanwege budgetbeheer. Daarbij heeft Plangroep haar meegedeeld dat zij contact met [verzoekster] zou opnemen. Later is de bewindvoerder duidelijk geworden dat Plangroep contact had opgenomen met [verzoekster] en [verzoekster] het aanbod had gedaan haar te begeleiden bij het in gang zetten van beschermingsbewind. Het verwezenlijken daarvan had volgens de bewindvoerder betrekkelijk eenvoudig kunnen geschieden omdat Plangroep en de bewindvoerdersinstelling OBIN aan elkaar gelieerd zijn. Het enige dat [verzoekster] moest doen was een formulier ondertekenen. De bewindvoerder heeft in die periode niet zelf geprobeerd [verzoekster] te benaderen, omdat [verzoekster] op haar tijdens het huisbezoek opgegeven (en volgens de verklaring van [verzoekster] nimmer gewijzigde) telefoonnummer onbereikbaar was en zij evenmin respondeerde op de vele aan haar gestuurde brieven. Voor de zittingen bij het hof Den Haag en het hof Amsterdam heeft de bewindvoerder nogmaals telefonisch contact gehad met Plangroep. Hieruit is naar voren gekomen dat er nog steeds een aanbod van Plangroep lag voor [verzoekster] om haar te begeleiden bij de beschermingsbewindaanvraag. Binnen haar mogelijkheden heeft de bewindvoerder zich tot het uiterste ingespannen om [verzoekster] tegemoet te komen en haar op adequate wijze te informeren. Zij heeft in brede zin veel meer gedaan dan van haar in de uitoefening van haar takenpakket als bewindvoerder verwacht had mogen worden. Zo heeft zij (helaas zonder succes) de belastingdienst geprobeerd te bewegen de ten onrechte aan [verzoekster] uitgekeerde toeslagen wegens de inwonende (en verdienende) meerderjarige zoon stop te zetten. Zij heeft [verzoekster] ook meermalen schriftelijk verzocht de huurtoeslag stop te zetten. Door structureel onbereikbaar voor haar te zijn, heeft [verzoekster] echter alle door haar ontplooide initiatieven op tal van terreinen gefrustreerd, aldus de bewindvoerder.

3.6 Het hof is gelet op de stukken en hetgeen ter zitting bij dit hof naar voren is gekomen van oordeel dat het feit dat beschermingsbewind voor [verzoekster] achterwege is gebleven niet zozeer is toe te schrijven aan het onvoldoende monitoren door de bewindvoerder (zo het handelen van de bewindvoerder al als zodanig kan worden gekwalificeerd), maar aan de weerstand van [verzoekster] tegen dat bewind. Vaststaat dat [verzoekster] na het vonnis van de rechtbank van 3 april 2015 zelf het initiatief heeft genomen door met personen/instanties als de gemeente Hellevoetsluis en Plangroep in contact te treden over een mogelijk beschermingsbewind voor haar en vervolgens zelf, nadat haar duidelijk was geworden wat beschermingsbewind voor haar zou gaan betekenen (het geven van openheid van zaken en het kwijtraken van zeggenschap), heeft besloten dat zij zich niet aan beschermingsbewind wilde onderwerpen. Het feit dat [verzoekster] in staat is gebleken zelf contact op te nemen met Plangroep en anderen om zich over beschermingsbewind te laten informeren en aldus zicht heeft gekregen op de inhoud en de consequenties van beschermingsbewind, sluit aan bij haar verklaring dat het in 2015 zo veel beter met haar ging dan in de jaren daarvoor dat zij geen behandeling/begeleiding voor haar psychische klachten meer nodig had. Bij deze gang van zaken acht het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoekster] bij het nemen van haar beslissing om af te zien van beschermingsbewind in belangrijke mate gehinderd werd door (psychische) problematiek. [verzoekster] heeft ook onvoldoende overige feiten of omstandigheden aangevoerd (laat staan onderbouwd) die die conclusie kunnen dragen. Evenmin heeft [verzoekster] voldoende onderbouwd gesteld dat en waarom zij niet heeft kunnen begrijpen wat de gevolgen voor haar zouden zijn indien zij - zoals nu is gebeurd - niet zou voldoen aan de door de rechtbank aan haar laatste kans gestelde voorwaarde. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [verzoekster] er bewust voor heeft gekozen geen beschermingsbewind te accepteren, waardoor aan haar te wijten is dat zij die laatste kans niet heeft gegrepen.

3.7 Wat betreft het verzochte monitoren door de bewindvoerder merkt het hof volledigheidshalve nog op dat nu [verzoekster] niet open stond voor contact met de bewindvoerder begrijpelijk is dat de bewindvoerder Plangroep heeft gevraagd om contact te zoeken met [verzoekster] over het beschermingsbewind. Zeker waar Plangroep gelieerd was met OBIN, zodat de beschermingsbewindaanvraag gemakkelijk te realiseren was, en Plangroep had aangegeven contact op te zullen nemen, mocht de bewindvoerder er vanuit gaan dat [verzoekster] geïnformeerd zou worden over het beschermingsbewind en voldoende hulp bij de aanvraag kreeg. Niet aannemelijk is geworden dat onder de gegeven omstandigheden (waaronder de onbereikbaarheid van [verzoekster] ) verdergaande acties van de bewindvoerder konden worden gevergd die er wel toe zouden hebben geleid dat [verzoekster] beschermingsbewind zou hebben geaccepteerd.

3.8 Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat [verzoekster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van met name de informatieverplichting en in de verplichting om nieuwe bovenmatige schulden te voorkomen. Anders dan [verzoekster] heeft gesteld, is er geen sprake van dat deze tekortkomingen wegens hun bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing dienen te blijven. Aan [verzoekster] dient daarom de schone lei te worden onthouden. Het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2016 zal worden bekrachtigd.”

1.11 [verzoekster] heeft hiertegen tijdig cassatie ingesteld. Na ontvangst van het proces-verbaal van de bij het hof Arnhem-Leeuwarden op 5 april 2018 gehouden mondelinge behandeling heeft [verzoekster] haar verzoekschrift conform daartoe gemaakt voorbehoud aangevuld.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Aan het einde van rov. 3.3 van het nu bestreden arrest verwoordt het hof gelet op de eerdere arresten van Uw Raad in deze zaak volgens mij op juiste wijze wat de nu resterende taak was van het hof na de tweede verwijzing (gelet met name op de hiervoor in voetnoot 7 weergegeven passages uit rov. 3.3.2 van het arrest van Uw Raad van 2 februari 2018):

“(...) op grond van deze verwijzing door de Hoge Raad ligt de vraag wat de bewindvoerder in het kader van de verzochte monitoring heeft gedaan en wat dat betekent voor de toerekenbaarheid van [verzoekster] aan dit hof voor.”

Daartoe diende het hof volgens meergenoemde rov. 3.3.2 van het tweede verwijzingsarrest van Uw Raad:

“(...) zelfstandig (nader) onderzoek te doen naar de door [verzoekster] gestelde nalatigheid van de bewindvoerder om de aanvraag van beschermingsbewind ‘nauwgezet te monitoren’. Het stond het hof daarom vrij om nadere inlichtingen bij de bewindvoerder in te winnen en deze in de beoordeling te betrekken.”

De beslissing tot bekrachtiging van het vonnis van 17 maart 2016 door het hof in het nu aangevallen arrest berust op dit nadere onderzoek en rust bij precieze beschouwing op twee pijlers die naar mijn indruk ieder zelfstandig dragend zijn voor de gegeven beslissing.

In rov. 3.6 oordeelt het hof in de eerste plaats dat het feit dat het beschermingsbewind achterwege is gebleven niet zozeer valt toe te schrijven aan onvoldoende monitoring van de bewindvoerder – zo daarvan al sprake is – maar aan de weerstand van [verzoekster] tegen dat bewind, waartoe [verzoekster] na eerst actief zelfstandig inlichtingen te hebben ingewonnen bij de relevantie instanties (gemeente en Plangroep) volgens het feitelijke oordeel van het hof weloverwogen heeft besloten. Dat zij zelf in staat was deze informatie in te winnen en zich te laten informeren en zo zicht heeft gekregen op wat beschermingsbewind zou betekenen, sluit volgens het hof aan bij haar verklaring dat het in 2015 veel beter met haar ging dan voorheen en zij geen behandeling en begeleiding voor haar psychische klachten meer nodig had. De feitelijke gevolgtrekking die het hof hieruit trekt is dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster]’s eigen beslissing om van beschermingsbewind af te zien in belangrijke mate gehinderd werd door psychische problematiek, waartoe door [verzoekster] onvoldoende is gesteld en hetzelfde geldt volgens het hof voor de positie dat zij niet heeft kunnen begrijpen wat de gevolgen zouden zijn van het afzien van de aan de door de rechtbank geboden laatste kans verbonden voorwaarde van het aanvragen van beschermingsbewind.

Vervolgens – tweede pijler – oordeelt het hof in rov. 3.7 volledigheidshalve dat de bewindvoerder gelet op de omstandigheden van het geval hier heeft voldaan aan haar opdracht tot nauwgezet monitoren. In de gegeven omstandigheden, waaronder [verzoekster]’s onbereikbaarheid, is volgens het hof niet aannemelijk geworden dat verdergaande acties van de bewindvoerder hadden kunnen worden verlangd die [verzoekster] wel beschermingsbewind zouden hebben laten accepteren.

Van het uit zes onderdelen bestaande middel richten de onderdelen I.1 (eerste twee klachten) en I.2 zich tegen deze laatste tweede pijler (hoofdzakelijk rov. 3.7) en de onderdelen I.1 (laatste klacht), I.3 (dat in verdere subonderdelen uiteenvalt) en I.4 tegen de eerste (rov. 3.6), gevolgd door de louter voortbouwende klachten uit onderdelen I.5 en I.6. Indien mijn analyse klopt, kan pas worden gecasseerd als beide pijlers met succes onderuit gehaald worden. Daarvan is volgens mij geen sprake.

2.2

Ik bespreek eerst de aanval op de tweede pijler.

Onderdeel I.1 is in de eerste plaats gericht tegen de passage uit rov. 3.7 dat [verzoekster] niet openstond voor contact met de bewindvoerder/onbereikbaar was. Dat miskent dat [verzoekster] die onbereikbaarheid ter zitting heeft betwist: ongewijzigd telefoonnummer en adres (vgl. verklaring [verzoekster] zittingsp-v p. 4 middenin), maar geen telefoontjes of brieven waar de bewindvoerder het over heeft ontvangen, terwijl zij wel een stuk of 15 andere brieven van de bewindvoerder heeft ontvangen met een andere inhoud en waarin niets stond over toeslagen van de Belastingdienst). Door niet (kenbaar) stil te staan bij deze betwisting door [verzoekster], is het oordeel volgens de klacht strijdig met art. 149 Rv en onbegrijpelijk.

Vervolgens klaagt subonderdeel I.1 dat gegrondbevinding van de eerste klacht ook het oordeel aantast in rov. 3.7 dat gelet op onder meer [verzoekster]’s onbereikbaarheid geen verdergaande acties van de bewindvoerder konden worden verlangd die er wel toe zouden hebben geleid dat [verzoekster] beschermingsbewind zou hebben geaccepteerd.

Een laatste vervolgklacht uit onderdeel I.1 is dat de juistheid van de vorige klachten ook de motivering uit rov. 3.6 onderuit haalt dat het achterwege blijven van beschermingsbewind niet zo zeer is toe te schrijven aan onvoldoende monitoring, maar aan [verzoekster]’s weerstand tegen beschermingsbewind en dat het ervoor gehouden moet worden dat [verzoekster] er bewust voor heeft gekozen geen beschermingsbewind te accepteren, zodat het aan haar zelf te wijten is dat zij die laatste kans niet zelf heeft gegrepen.

2.3

Deze klachten zijn tevergeefs voorgesteld. Het oordeel dat [verzoekster] niet open stond voor contact met de bewindvoerder is klaarblijkelijk gebaseerd op de stelling van de bewindvoerder dat [verzoekster] structureel onbereikbaar voor haar was, nu het telefoonnummer van [verzoekster] niet werkte, althans de bewindvoerder [verzoekster] daarop nooit aan de lijn kreeg, en [verzoekster] ook niet reageerde op vele aan haar gestuurde brieven (zittingsp-v p. 3 en 4 en rov. 3.3). In reactie hierop heeft [verzoekster] opgemerkt dat het telefoonnummer dat zij aan de bewindvoerder heeft gegeven het juiste nummer is en dat zij de brieven waarover de bewindvoerder het heeft niet heeft ontvangen, maar wel een stuk of 15 brieven met een andere inhoud (zittingsp-v p. 4). Hiermee heeft [verzoekster] evenwel niet de stelling van de bewindvoerder bestreden dat zij [verzoekster] telefonisch nooit aan de lijn kreeg en dat [verzoekster] ook niet reageerde op de aan haar gestuurde brieven (waarvan zij er in ieder geval wel een stuk of 15 heeft ontvangen). Dat [verzoekster] naar voren heeft gebracht dat zij geen telefonische oproepen van de bewindvoerder heeft ontvangen, zoals de klacht het formuleert, lees ik zodoende niet in het zittingsp-v8. Daaruit volgt wél dat [verzoekster] wegens de daarmee gemoeide kosten niet bereid was om zelf de bewindvoerder te bellen (zittingsp-v p. 3). Dat het hof hieruit per saldo feitelijk afleidt dat [verzoekster] structureel onbereikbaar was voor de bewindvoerder en dat zij niet openstond voor contact met de bewindvoerder is volgens mij niet onbegrijpelijk of in strijd met art. 149 Rv.

2.4

Nu deze eerste klacht uit onderdeel I.1 niet opgaat, geldt dat ook voor de daarop voortbouwende klachten daarin, die geen zelfstandige betekenis hebben.

2.5

Onderdeel I.2 klaagt in de eerste plaats dat, voor zover het hof de onder I.1 genoemde betwisting van [verzoekster] wel (impliciet) in zijn beoordeling heeft betrokken, is miskend dat de bewindvoerder een nadere motiveringsplicht had ter onderbouwing dat zij contact met [verzoekster] heeft gezocht over het aanvragen van het beschermingsbewind. Deze nadere, verzwaarde motiveringsplicht ligt volgens de klacht gelet op [verzoekster]’s betwisting van haar onbereikbaarheid in het verlengde van de nauwgezette monitorverplichting van de bewindvoerder, die gelet op de door Uw Raad in het tweede verwijzingsarrest geschetste omvang is te kenschetsen als een bijzondere zorgplicht jegens [verzoekster]. Dus vanwege deze betwisting door [verzoekster] rust op de bewindvoerder op grond van haar nauwgezette monitorverplichting de plicht om te onderbouwen dat zij alle inspanningen heeft verricht die van haar redelijkerwijs konden worden verlangd om zoveel mogelijk te bewerkstelligen dat het beschermingsbewind zou worden aangevraagd. Dit geldt volgens de klacht vooral in deze zaak waar de bewindvoerder zich verschuilt achter Plangroep en daarbij in algemene bewoordingen stelt dat [verzoekster] niet bereikbaar was, hetgeen volgens [verzoekster] niet klopt.

2.6

Uit de bespreking van onderdeel I.1 is om te beginnen duidelijk geworden dat deze klacht feitelijke grondslag mist, nu we zagen dat [verzoekster] de hier aan de orde zijnde stellingen van de bewindvoerder niet heeft betwist, zodat er ook geen sprake van kan zijn dat het hof deze vermeende betwisting (impliciet) bij de beoordeling heeft betrokken.

2.7

Maar ook anderszins kan deze klacht niet slagen. Deze behelst naar de kern genomen dat op grond van een verzwaarde motiveringsplicht had moeten worden aangegeven dat de bewindvoerder in contact is gepoogd te treden met [verzoekster] over het aanvragen van beschermingsbewind voor haar. Ik begrijp het hofoordeel op dit punt zo dat, omdat uit eerdere pogingen vanwege de bewindvoerder om contact met [verzoekster] te leggen over andere onderwerpen dan het beschermingsbewind is gebleken dat [verzoekster] voor dit contact niet openstaat (zij reageerde niet op brieven en was telefonisch onbereikbaar), het begrijpelijk is dat de bewindvoerder het contact met [verzoekster] over het beschermingsbewind aan Plangroep overliet (vgl. ook hierna in 2.9). Hiermee loopt het hof de bezwaren uit rov. 3.5.3 van het tweede verwijzingsarrest van 8 februari 2018 af: het hof toetst of de bewindvoerder over de beschermingsbewindkwestie zelf contact met [verzoekster] heeft onderhouden of opgenomen, dan wel dat en waarom dergelijk contact niet mogelijk was of niet van de bewindvoerder kon worden gevergd. Dit wordt afgetikt op het tweede punt: reden dat geen contact is opgenomen was structurele onbereikbaarheid van [verzoekster] voor de bewindvoerder. De klacht onderkent dit onvoldoende, omdat het in rov. 3.5.3 van het tweede verwijzingsarrest van Uw Raad van tweeën één is: òf er wordt voldoende gemotiveerd aangegeven dat is gepoogd in contact te treden met [verzoekster] hierover, òf er wordt aangegeven dat en waarom het onderhouden of opnemen van zulk contact niet mogelijk was of niet van de bewindvoerder kon worden gevergd. De klachten richten zich op het eerste punt (verzwaarde motiveringsplicht voor pogingen bewindvoerder om in contact te treden), maar het hof is gaan liggen voor het tweede anker (in contact treden kon niet worden gevergd, omdat [verzoekster] structureel onbereikbaar was). Op dat laatste richten de klachten van onderdeel I.2 zich volgens mij niet. Daar ketst de hoofdklacht uit onderdeel I.2 dan op af en dat geldt ook voor de louter daarop voortbordurende klachten die zijn geformuleerd uitgaande van gegrondbevinding van deze hoofdklacht, zodat ik die verder onbesproken laat.

2.8

Bij aanvullend verzoekschrift klaagt [verzoekster] ten aanzien van de onderdelen I.1 en I.2 nog dat de bewindvoerder tegenstrijdige stellingen inneemt, nu zij enerzijds stelt dat zij [verzoekster] nooit zelf heeft benaderd maar de kwestie rondom beschermingsbewind aan Plangroep heeft overgelaten en anderzijds dat [verzoekster] niet bereikbaar was.

2.9

Waarom deze stellingen van de bewindvoerder tegenstrijdig zouden zijn, licht het middel niet toe. Ik zie die tegenstrijdigheid niet. Voor zover de vermeende tegenstrijdigheid in de omstandigheid zou liggen dat de bewindvoerder enerzijds stelt geen contact met [verzoekster] te hebben opgenomen en anderzijds dat [verzoekster] niet bereikbaar was, waarbij dat laatste impliceert dat de bewindvoerder wél contact met [verzoekster] heeft opgenomen, berust dit op een onjuiste lezing van de stellingen van de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft namelijk niet gesteld dat zij geprobeerd heeft contact op te nemen met [verzoekster] over het beschermingsbewind en dat [verzoekster] toen niet bereikbaar was, hetgeen inderdaad tegenstrijdig zou zijn met de stelling dat de bewindvoerder het contact over het beschermingsbewind aan Plangroep heeft overgelaten, maar dat zij eerder, over andere onderwerpen, al heeft geprobeerd contact met [verzoekster] op te nemen, dat [verzoekster] toen onbereikbaar bleek en dat zij daarom het contact over het beschermingsbewind aan Plangroep heeft overgelaten. In die stellingen valt geen tegenstrijdigheid te bespeuren.

2.10

Nu de klachten tegen de tweede pijler van de hofbeslissing niet slagen, bestaat – zoals toegelicht in 2.1 – bij de andere klachten geen belang meer. Voor het geval Uw Raad daar niettemin aan toe zou komen, volgt ook daarvan nu een bespreking.

2.11

Onderdeel I.3 is gericht tegen het oordeel in rov. 3.6 dat [verzoekster] niet voldoende onderbouwd heeft gesteld dat en waarom zij niet heeft kunnen begrijpen wat de gevolgen voor haar zouden zijn indien zij – zoals nu is gebeurd – niet zou voldoen aan de door de rechtbank aan haar laatste kans (op een schone lei) gestelde voorwaarde van het aanvragen van beschermingsbewind.

2.12

Het onderdeel klaagt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting over de vaststaande omvang en strekking van de nauwgezette monitorverplichting van de bewindvoerder. Het oordeel is bovendien onbegrijpelijk. Niet valt in te zien waarom [verzoekster] moet onderbouwen dat zij zich niet bewust is geweest van de gevolgen van haar beslissing ten aanzien van de schuldsaneringsregeling, terwijl vaststaat dat de bewindvoerder zonder een aannemelijke verklaring haar in feite aan Plangroep heeft overgelaten (onder I.3.3). Gelet op de omstandigheid dat (i) de bewindvoerder [verzoekster] niet zelf heeft geprobeerd te benaderen over het beschermingsbewind, maar van mening was dat zij dit aan Plangroep mocht overlaten9, hetgeen zij ook heeft gedaan, en (ii) het hof niet zonder nader onderzoek heeft mogen vaststellen dat [verzoekster] niet open zou staan voor contact met de bewindvoerder, heeft het hof:

 niet kunnen oordelen dat het op de weg van [verzoekster] had gelegen om nader te onderbouwen dat zij niet heeft kunnen begrijpen wat de gevolgen voor haar schuldsaneringsregeling zouden zijn indien zij af zou zien van beschermingsbewind en dat [verzoekster] dit onvoldoende heeft onderbouwd (onderdeel I.3.1) en

 miskend dat blijkens de vaststaande omvang en strekking van de nauwgezette monitorverplichting het niet op de weg van [verzoekster] lag om nader te onderbouwen dat zij zich de gevolgen van haar beslissing om af te zien van het beschermingsbewind niet heeft gerealiseerd, nu het aan de bewindvoerder was om te onderbouwen dat [verzoekster] hiervan wel bewust was (onderdeel I.3.2).

2.13

Het onderdeel bouwt in al zijn klachten voort op het – in de hieraan voorafgaande bespreking onjuist bevonden – uitgangspunt dat het hof niet heeft mogen oordelen dat het, gelet op het feit dat [verzoekster] niet openstond voor contact met de bewindvoerder, begrijpelijk is dat de bewindvoerder het aan Plangroep heeft overgelaten om contact met [verzoekster] te zoeken over het aanvragen van het beschermingsbewind. Daarop lopen deze klachten al stuk.

2.14

Het met dit onderdeel bestreden oordeel volgt bovendien op de vaststelling van het hof dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] bij het nemen van haar beslissing om af te zien van het beschermingsbewind in belangrijke mate gehinderd werd door (psychische) problematiek10. In dat licht bezien is rechtens niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat het vervolgens aan [verzoekster] was om te stellen, en zo nodig te onderbouwen, dat zij desalniettemin niet heeft kunnen begrijpen wat de gevolgen voor haar zouden zijn indien zij niet zou voldoen aan de door de rechtbank aan haar laatste kans gestelde voorwaarde. Doel en strekking van de nauwgezette monitorverplichting maken dat niet anders, zoals nader uiteengezet wordt bij de bespreking van onderdeel I.4.

2.15

We komen hier wel bij een aarzelpunt: het in hoge mate feitelijke oordeel of [verzoekster] de gevolgen van het afzien van beschermingsbewind ten aanzien van haar schuldsaneringsregeling wel of niet volledig heeft overzien, had op basis van de (psychische) gesteldheid van [verzoekster] en hetgeen ter mondelinge behandeling van 5 april 2018 door haar is verklaard volgens mij ook anders beoordeeld kunnen worden in het licht van de gedingstukken (maar maakt de gegeven hoofdzakelijk feitelijke beslissing nog niet zonder meer vatbaar voor cassatie zonder voldoende precieze klachten daarover). Ik citeer uit het proces-verbaal van die mondelinge behandeling:

Voorzitter: u bent in maart 2013 tot de schuldsaneringsregeling toegelaten. Na anderhalf jaar was er een verhoor bij de rechter-commissaris omdat uw regeling niet goed liep. Wat is er toen met u besproken?

[verzoekster] : dat weet ik niet. Ik had een burn-out en een depressie. Wat toen werd gezegd kwam niet binnen bij me.

(…)

[verzoekster] : ik had er geen benul van wat beschermingsbewind inhield. Daarover heb ik toen contact gehad met mijn budgetbeheerder, Plangroep. Ook heb ik de gemeente Hellevoetsluis gebeld. Daar werd gezegd dat ik die en die moest bellen. Dat heb ik toen gedaan. Toen hoorde ik dat alles bloot zou komen te liggen, ook mijn hele inkomen. Ik zag niet in waarom ik dat zou doen. Ik had al budgetbeheer via Plangroep, waarom zou ik dan beschermingsbewind moeten hebben?

Voorzitter: de rechter-commissaris vond het verstandig dat u onder beschermingsbewind zou komen en dat u dat moest aanvragen.

[verzoekster] : ik wist niet wat een beschermingsbewindvoerder doet en waar ik zo iemand kan vinden. Ik had toen nog een burn-out. Anderhalf jaar lang heb ik daarvoor bij een psycholoog gelopen.

Voorzitter: hierover is geen enkele informatie overgelegd.

[verzoekster] : ik heb, behalve een kaartje, zelf ook niets gekregen. De behandeling bij de psycholoog duurde van 2012 tot half 2013.

Voorzitter: stond u tussen 2014 en 2016 nog onder behandeling?

[verzoekster] : nee. Het ging toen redelijk goed met mij.

Wat de rechter tegen mij zei, kwam ook toen nog niet bij me aan, ik begreep het niet.

Voorzitter: ging het met u in die periode toen wel goed?

[verzoekster] : ja, maar de woorden kwamen niet aan. Ik zat in een langzaam proces van beter worden.

Voorzitter: vond u het instellen van beschermingsbewind voor u een goed idee?

[verzoekster] : ik wist niet wat dat was. Nu is dat bewind niet meer nodig, ik ben eruit.

(…)

Raadsheer Bilderbeek: u zei dat u moest bellen voor informatie over beschermingsbewind en dat u toen ‘die en die had gebeld’. Hoorde u toen voor het eerst dat beschermingsbewind betekende dat u geen zeggenschap meer zou hebben over uw eigen geld?

[verzoekster] : toen dacht ik: ik loop al bij Plangroep, dus waarom dan beschermingsbewind?

Ik heb toen teruggebeld en gezegd dat ik van beschermingsbewind afzie. (…)

Raadsheer Bilderbeek: u bent wel zelf netjes gaan bellen. Toen u kreeg te horen wat beschermingsbewind voor u zou gaan betekenen, had u daar geen zin in.

[verzoekster] : ik vroeg mij af waarom ik beschermingsbewind moest als ik het ook zelf kon? Dan ga ik iemand belasten terwijl dat niet nodig is.

Voorzitter: u vond het ingewikkeld uw financiële gegevens bloot te geven, dat wilde u niet.

[verzoekster] : inderdaad.”

2.16

Uit deze verklaring van [verzoekster] kan worden afgeleid dat zij niet heeft stilgestaan bij de gevolgen die het afzien van het beschermingsbewind zou hebben voor haar schuldsaneringsregeling, althans deze gevolgen niet heeft overzien. Als redenen om af te zien van het beschermingsbewind noemt zij immers dat zij haar financiële gegevens niet bloot wilde leggen en dat zij niet inzag wat beschermingsbewind zou toevoegen ten opzichte van het budgetbeheer via Plangroep.

2.17

Verder blijkt uit de verklaringen van [verzoekster] gedaan in de periode waarin zij de beslissing nam om af te zien van het beschermingsbewind (2015) dat zij op dat moment wel degelijk last had van (psychische) problematiek11, hetgeen ook door de rechtbank bij het vonnis van 3 april 2015 is vastgesteld12. In 2018 verklaart zij vervolgens – overigens net zoals in 201513 – weliswaar dat zij in 2015 niet langer onder behandeling stond van een psycholoog omdat het “redelijk goed” met haar ging, maar ook dat ze langzaam herstelde en (daardoor) hetgeen in die periode tegen haar gezegd werd “niet bij haar binnenkwam” en dat “zij het niet begreep”. Dit maakt eveneens dat betwijfeld kan worden of [verzoekster] de gevolgen van het afzien van beschermingsbewind voor haar schuldsaneringsregeling wel voldoende kon overzien. Dat [verzoekster] ter zitting van het hof in 2018 verklaart dat zij in 2015 geen behandeling/begeleiding meer had voor haar psychische problematiek, zoals ook het hof vaststelt, doet hieraan niet af, nu dit niet noodzakelijk betekent dat zij dat ook niet meer nodig had dan wel hiervan geen last meer ondervond bij het nemen van beslissingen.

2.18

Hier komt nog bij dat, juist vanwege de bij [verzoekster] aanwezige (psychische) problematiek, rekening moest worden gehouden met een aanvankelijk tegenwerkende houding van [verzoekster] tegenover het beschermingsbewind, aldus Uw Raad in het arrest van 2 februari 2018, rov. 3.5.3 (vp. vt. 1).

2.19

De beoordeling van de vraag (in het kader van, uiteindelijk, de toets of zij een schone lei verdient) of [verzoekster] voldoende heeft kunnen begrijpen wat de gevolgen voor haar zouden zijn ten aanzien van de schuldsaneringsregeling indien zij af zou zien van het beschermingsbewind, is als gezegd sterk verweven met waarderingen van feitelijke aard en bevindt zich daarom in belangrijke mate in het domein van de feitenrechter. Dat betekent dat het oordeel van het hof op dit punt in cassatie maar beperkt te toetsen is. Ik zie in onderdeel I.3 geen voldoende scherpe (motiverings)klachten die de vinger leggen op de hiervoor aangekaarte punten. Ook onderdeel I.3 leunt (te) zwaar op de (falende) klachten uit onderdelen I.1 en I.2 en de tevergeefs gewraakte onbereikbaarheid van [verzoekster] voor de bewindvoerder. Daar komt bij dat het hof de hele beoordeling in de als hiervoor aangegeven volgens mij juiste toets situeert van de uiteindelijk ambtshalve door het hof te beoordelen vraag of een schone lei kan worden verleend (vgl. hiervoor in 2.1 en het citaat uit voetnoot 7).

2.20

Onderdeel I.4 richt zich tegen het oordeel in rov. 3.6 dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] bij het nemen van haar beslissing om af te zien van beschermingsbewind in belangrijke mate gehinderd werd door (psychische) problematiek, nu zij in staat is gebleken zelf contact op te nemen met Plangroep en andere instanties om zich over het beschermingsbewind te laten informeren en aldus zicht heeft gekregen op de inhoud en de consequenties van het beschermingsbewind, hetgeen aansluit bij haar verklaring dat het in 2015 zoveel beter met haar ging dat zij geen behandeling voor haar psychische klachten meer nodig had.

2.21

Het onderdeel klaagt ten eerste dat dit oordeel in strijd is met het in dit geding op grond van het vonnis van de rechtbank van 3 april 2015 vaststaande feit dat [verzoekster] door haar leeftijd en psychische gesteldheid niet bij machte is haar schuldsaneringsregelingsverplichtingen na te komen, zodat het oordeel van het hof de omvang van het verwijzingsgeschil miskent.

Verder klaagt het onderdeel dat dit oordeel ook onbegrijpelijk is, nu niet valt in te zien waarom [verzoekster], die bij de behoorlijke nakoming van haar verplichtingen onder de schuldsanering gehinderd wordt door haar leeftijd en psychische gesteldheid, hierdoor niet gehinderd zou worden bij het nemen van de beslissing om af te zien van beschermingsbewind.

In de derde plaats klaagt het onderdeel volgens het aanvullend verzoekschrift dat het hof heeft miskend dat de psychische problematiek en leeftijd [verzoekster] nog steeds hinderen bij het nakomen van haar schuldsaneringsverplichtingen, nu uit het zittingsp-v volgt dat [verzoekster] het “ingewikkeld” vond om al haar financiële gegevens te overhandigen (vgl. het citaat hiervoor uit 2.15 aan het einde).

2.22

In het vonnis van 3 april 2015 is overwogen dat “gebleken is dat schuldenares door haar leeftijd en psychische gesteldheid grote moeite heeft met het doen van haar administratie” en dat “het erop lijkt dat [[verzoekster]] niet bij machte is om de verplichtingen [uit de schuldsaneringsregeling, A-G] na te komen”14. Het tot uitgangspunt nemen van deze overwegingen dwingt niet tot de conclusie dat [verzoekster] bij al haar in die periode genomen beslissingen ook daadwerkelijk gehinderd werd door (psychische) problematiek. Het feitelijke hofoordeel dat, gelet op de omstandigheden van het geval, onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] met betrekking tot de beslissing om af te zien van beschermingsbewind werd gehinderd door (psychische) problematiek, is dan ook niet zonder meer strijdig met deze overwegingen van de rechtbank. Evenmin is dit feitelijke oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu dit is toegelicht door te wijzen op de – in cassatie onbestreden – omstandigheden dat (i) [verzoekster] na het rechtbankvonnis uit april 2015 zelf contact heeft opgenomen met diverse instanties om zich te laten voorlichten over het beschermingsbewind, (ii) [verzoekster] aldus zicht heeft gekregen op de inhoud en consequenties van het beschermingsbewind en (iii) dit aansluit bij de verklaring van [verzoekster] dat het in 2015 zoveel beter met haar ging dat zij geen behandeling/begeleiding meer nodig had voor haar psychische klachten.

2.23

Voor wat betreft de klacht dat uit het feit dat [verzoekster] het “ingewikkeld” vond om haar financiële gegevens te overhandigen zou blijken dat zij nog steeds niet bij machte is om aan haar schuldsaneringsverplichtingen te voldoen, geldt – wat daar verder ook van zij – dat het hof niet heeft geoordeeld dat de psychische problematiek en haar leeftijd [verzoekster] niet langer hinderen bij het nakomen van haar schuldsaneringsverplichtingen. Het hof heeft geoordeeld dat deze problematiek [verzoekster] niet heeft gehinderd bij de specifieke beslissing om af te zien van het beschermingsbewind. Overigens lijkt mij hier met de term “ingewikkeld” gelet op de context waarin de opmerking is gemaakt bedoeld te zijn dat [verzoekster] het niet prettig vond om haar financiële gegevens bloot te geven, en niet dat het haar boven de pet ging. Ik zie zodoende geen van de klachten uit onderdeel I.4 opgaan.

2.24

De onderdelen I.5 en I.6 bevatten alleen voortbouwende klachten, die gelet op het voorgaande geen inhoudelijke bespreking behoeven.

3 Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:110, NJ 2017/76 en HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:145, NJ 2018/90.

2 Ontleend aan rov. 1.1-1.6 van het bestreden arrest, Hof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2018:3472 en aan rov. 2.1-2.5 van het arrest van het hof Amsterdam 26 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5529. Zie voor een uitgebreidere weergave van de feiten en het procesverloop tot aan het arrest van Uw Raad van 27 januari 2017 mijn conclusie voor dat arrest (ECLI:PHR:2016:1434, onder 1.1-1.11).

3 Hof Den Haag 24 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2444.

4 HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:110, NJ 2017/76.

5 Hof Amsterdam 26 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5529.

6 HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:145, NJ 2018/90.

7 De bespreking van onderdeel 1 (over de omvang van de procedure na cassatie en verwijzing) is weggelaten, omdat deze kwestie niet (meer) speelt in de onderhavige zaak. Ik memoreer nog wel dat daarin door Uw Raad in rov. 3.3.2 is uitgemaakt dat deze procedure gaat om de ambtshalve door de rechter te beoordelen vraag of een schone lei kan worden verleend, waarbij de bewindvoerder geen partij of belanghebbende is in de procedure en waarbij de rechter niet gebonden is aan hetgeen de bewindvoerder in zijn advies ter zake of naderhand in de procedure naar voren brengt. Belangrijk voor deze derde cassatie is ook deze passage uit rov. 3.3.2 (in fine): “Indien de beschikbare informatie naar zijn oordeel daartoe aanleiding gaf, diende het hof ook na verwijzing zelfstandig (nader) onderzoek te doen naar de door [verzoekster] gestelde nalatigheid van de bewindvoerder om de aanvraag van beschermingsbewind ‘nauwgezet te monitoren’. Het stond het hof daarom vrij om nadere inlichtingen bij de bewindvoerder in te winnen en deze in de beoordeling te betrekken.”

8 Het onderdeel noemt geen vindplaatsen, ook niet bij aanvullend verzoekschrift.

9 Zie de aanvulling op dit onderdeel in het aanvullend verzoekschrift, p. 2.

10 Deze beslissing wordt in onderdeel I.4 – zoals we zullen zien: volgens mij tevergeefs – bestreden.

11 P-V zitting 25 maart 2015: “Bij de vorige behandeling kon ik niet aanwezig zijn omdat ik een longontsteking had. Het gaat niet goed met me. Ik ben depressief en ik heb een burn-out. Soms komt het niet aan wat iemand tegen mij zegt. Dan klap ik dicht. Ik heb geen contact meer met maatschappelijk werk of een psycholoog.”. Zie voor het betreffende citaat nader onder 1.4 van mijn conclusie voor HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:110, NJ 2017/76.

12 “Gebleken is dat schuldenares door haar leeftijd en psychische gesteldheid grote moeite heeft met het doen van haar administratie.”. Zie voor het betreffende citaat nader onder 1.5 van mijn conclusie voor HR 27 januari 2017, vp. vorige voetnoot. Vgl. ook Uw Raad in rov. 3.5.3 van het arrest van 2 februari 2018 (vp. vt. 1): “Op grond van het hiervoor in 3.1 vermelde vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2015 staat echter vast dat V. door haar leeftijd en psychische gesteldheid “niet bij machte is om haar verplichtingen na te komen”, en dat in verband hiermee het aanvragen van beschermingsbewind noodzakelijk was.”.

13 Zie het citaat in voetnoot 11.

14 Zie 1.5 van mijn conclusie voor HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:110, NJ 2017/76 (onderstreping A-G, hierna ook). In het arrest van Uw Raad van 2 februari 2018 is dit aldus geparafraseerd: “Op grond van het hiervoor in 3.1 vermelde vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2015 staat echter vast dat V. door haar leeftijd en psychische gesteldheid “niet bij machte is om haar verplichtingen na te komen”, en dat in verband hiermee het aanvragen van beschermingsbewind noodzakelijk was.” Dat is stelliger dan de voorzichtige bewoordingen van de rechtbank, maar de nu volgende redenering lijkt mij ook op te gaan in de sleutel van de stelliger bewoordingen van het arrest van Uw Raad.