Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1103

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-07-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
17/01504
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1826
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Deelneming aan een criminele organisatie, art. 140.1 Sr en medeplegen van gewoontewitwassen, art. 420ter Sr. Afwijzing bij appelschriftuur gedaan getuigenverzoek. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01504

Zitting: 10 juli 2018 (bij vervroeging)

Mr. A.J. Machielse

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 9 maart 2017 voor 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, en 2: medeplegen van gewoontewitwassen, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk en tot een geldboete van € 10.000. Voorts heeft het hof een inbeslaggenomen nog niet teruggegeven voorwerp verbeurd verklaard.

2. Verdachte heeft cassatie ingesteld en mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat het hof door het verzoek van de verdediging om twee met name genoemde getuigen te horen af te wijzen is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en die afwijzing ontoereikend heeft gemotiveerd. Voorts heeft het hof door gebruik te maken van de verklaringen van de getuigen gehandeld in strijd met artikel 6 lid 3 onder d van het EVRM.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat:

"1. hij op tijdstippen in de periode van 1 november 2010 tot en met 1 november 2011, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

– gewoontewitwassen en

– oplichting van de Belastingdienst;

2. hij op tijdstippen in de periode van 1 november 2010 tot en met 1 november 2011, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal van (ongeveer) euro 74.019,00 (euro 14.409,00 en euro 14.922,00 en euro 480,00 en euro 4.229,00 en euro 39.979,00), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten, dat bovenomschreven geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt."

3.3. In een tijdig ingezonden appelschriftuur heeft de advocaat verzocht om een aantal getuigen te (doen) horen onder wie (10) [betrokkene 4] en (11) [betrokkene 5]. Als toelichting op het verzoek tot het horen van de getuigen 1 tot en met 27 bevat de appelschriftuur het volgende:

“Client wordt er thans van verdacht betrokken te zijn bij het plegen van valsheid in geschrift op basis van art. 225 Sr, witwassen op basis van art. 420bis jo 420ter Sr, oplichting van de Belastingdienst en het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van aangiften Inkomstenbelasting op basis van art. 69 lid 2 AWR. Daar cliënt tevens verdacht wordt van het deel uitmaken van een criminele organisatie waarin volgens justitie ook de medeverdachten bij betrokken zijn dienen in ieder geval de medeverdachten te worden gehoord teneinde de onschuld van cliënt aan te tonen. Cliënt ontkent elke betrokkenheid bij de criminele organisatie en wenst derhalve deze medeverdachten hier vragen over te stellen. In eerste aanleg is daar al de gelegenheid voor geweest, toen beriep men zich op het verschoningsrecht. Echter, thans in appel zijn een groot deel van de zaken van de bovengenoemde medeverdachten inmiddels onherroepelijk geworden zodat zij zich niet langer op het voornoemde recht kunnen beroepen. De verdediging wenst thans echt de kans te krijgen om hen te bevragen omtrent alle relevante feiten en omstandigheden.

Zo dienen er concrete vragen te worden beantwoord over de feitelijke omstandigheden. De verdediging acht het noodzakelijk om deze vragen in het kader van een juiste rechtsbedeling beantwoord te zien.”

Ter terechtzitting van het hof van 2 maart 2016 heeft de advocaat ten aanzien van de getuigen 1 tot en met 27 de volgende toelichting gegeven:

“Aangezien de onderdelen valsheid in geschrift en het onjuist/onvolledig doen van belastingaangiften als bestanddelen van de criminele organisatie worden genoemd in de tenlastelegging heeft de verdediging het recht om aan al deze getuigen daarover op basis van het verdedigingsbelangcriterium vragen te stellen.”

Het hof heeft vervolgens het verzoek tot het horen van een aantal van de gevraagde getuige toegewezen en de zaak daarvoor verwezen naar de raadsheer-commissaris en vervolgens overwogen:

“Ten aanzien van de overige door de verdediging verzochte en gehandhaafde getuigen overweegt het hof als volgt.

Bij de beoordeling van deze verzoeken is het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing. Van de verdediging mag in dit verband worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere door haar opgegeven getuige motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing.

Het hof wijst af de verzoeken tot het horen van de overige getuigen, nu deze verzoeken - met name in het licht van het zich in het dossier bevindende bewijsmateriaal in de vorm van schriftelijke stukken, zoals ook door de advocaatgeneraal opgenomen in haar schriftelijke reactie op de verzoeken - onvoldoende zijn onderbouwd en de verdediging door het afwijzen van de verzoeken, naar het oordeel van het hof, redelijkerwijs niet in haar belangen is geschaad."

Tot de getuigen die het hof afwees behoren de getuigen 10 en 11. Ter terechtzitting van 23 februari 2017 in hoger beroep heeft de gemachtigd advocaat om aanhouding verzocht teneinde met zijn cliënt diens verklaring als getuige in de zaken van medeverdachten te kunnen bespreken. Het hof heeft dat verzoek afgewezen. De advocaat van verdachte heeft toen het woord gevoerd overeenkomstig een pleitnota, maar is niet teruggekomen op het eerdere verzoek om getuigen te horen.

3.4. In zijn arresten van 4 juli 2017, NJ 2017/440 en 441 m.nt. Kooijmans heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de consequenties van de uitspraak van het EHRM in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland.1 Eerst herhaalt de Hoge Raad de hoofdpunten uit eerdere rechtspraak2 onder meer over het criterium van het verdedigingsbelang:

"2.5. In de rechtspraak en de doctrine wordt aangenomen dat die maatstaf het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter ertoe noopt een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren.

2.6. Enerzijds impliceert deze regeling een terughoudend gebruik door het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek, doch anderzijds veronderstelt zij dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd. Zo is afwijzing van het verzoek goed denkbaar als het verzoek niet dan wel zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde, of het doen horen van getuigen à charge die in het vooronderzoek zijn gehoord, teneinde deze personen of hun afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen."

In een nadere beschouwing wijst de Hoge Raad er dan op dat het ondervragingsrecht van de verdediging samenhangt met de "overall fairness of the trial". De Hoge Raad overweegt dan:

"3.6. Tegen deze achtergrond heeft naar het oordeel van de Hoge Raad voor het Nederlandse strafproces te gelden dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. Deze motiveringsplicht draagt voorts eraan bij dat de rechter zo vroegtijdig mogelijk het recht op een eerlijk proces in de hiervoor bedoelde zin kan betrekken bij de beoordeling van het verzoek. De aan het verzoek te geven motivering dient ten aanzien van iedere van de door de verdediging opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Art. 6, derde lid onder d, EVRM verzet zich niet ertegen dat deze eis aan de onderbouwing van zo een verzoek wordt gesteld. Ook de rechtspraak van het EHRM omtrent het ondervragingsrecht noopt niet tot het stellen van andere, lichtere eisen aan de motivering van een verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen. Immers, ook in de rechtspraak van het EHRM komt als op de verdachte rustende plicht tot uitdrukking dat hij zo een verzoek onderbouwt "by explaining why it is important for the witnesses concerned to be heard and their evidence must be necessary for the establishment of the truth".

Voor de onderbouwing van het verzoek tot het horen van getuigen kan niet worden volstaan met de enkele stelling dat de processtukken een verklaring van de getuige bevatten of dat die verklaring door de rechter in eerste aanleg voor het bewijs is gebruikt. De Hoge Raad gaat dan verder:

"3.8.1. Of een verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd alsook of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval - en met inachtneming van het toepasselijke criterium - moeten beoordelen. De rechter dient, indien hij een verzoek afwijst, de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel de uitspraak op te nemen. Die rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM.

3.8.2. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen."

3.5. Faries en Rezaei komen in het vonnis van de rechtbank niet voor. In eerste aanleg heeft de verdediging niet verwezen naar hun verklaringen, noch deze verklaringen betwist. Het belang van het horen van deze beide getuigen is in de appelschriftuur alleen maar in uiterst algemene en vage bewoordingen gevat. Op de individuele betekenis van de verklaringen die beiden hebben afgelegd wordt niet ingegaan. Het hof heeft de verklaringen van beiden onder bewijsmiddel 7 weergegeven. Het blijkt dat beide getuigen gebruikt zijn om op hun rekeningen gelden van de belastingdienst waarop zij geen recht hadden te ontvangen, waarna deze gelden weer werden doorgesluisd. De gegevens van beiden zijn aangetroffen in de woning waar medeverdachte [betrokkene 3] verbleef. Over verdachte reppen zij met geen woord. Onder deze omstandigheden mag van de verdediging worden gevergd dat zij aan de rechter duidelijk maakt welk verdedigingsbelang met het horen van deze personen desalniettemin is gemoeid.3 Zo'n uitleg is uitgebleven. Daarmee is de afwijzing door het hof van het verzoek om deze getuigen te horen in overeenstemming met de eisen die het EVRM stelt en is zij niet onbegrijpelijk.

4. Het middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili vs. Duitsland).

2 HR 1 juli 2015, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers.

3 Zo ook EHRM 10 november 2005, nr. 54789/00 (Bocos-Cuesta vs. Nederland) § 67; EHRM 10 juli 2012, nr. 58331/09 (Gregacevic vs. Kroatië) § 62. De schriftuur verwijst nog naar EHRM 9 mei 2017, nr. 21668/12 (Poropat vs. Slovenië; inmiddels onherroepelijk) maar in die zaak ging het om de weigering van de nationale rechter een getuige te horen die licht zou kunnen werpen op de onbetrouwbaarheid van aangever. In die zaak draaide het helemaal om de waardering van de betrouwbaarheid van verdachte en van aangever en verdachte had telkenmale de verklaringen van aangever als onbetrouwbaar aangemerkt en de getuige opgegeven die dat zou kunnen bevestigen. Dat is een heel verschil met de beide in de onderhavige zaak gevraagde getuigen. Het EHRM bevestigt overigens in § 42 dat de verdediging een verzoek om getuigen te horen moet doen steunen op argumenten op grond waarvan het belangrijk is om dat te doen.