Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1096

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-08-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
17/00288
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1820
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belaging, art. 285b.1 Sr. Hof heeft verdachte ex art. 416.2 Sv n-o verklaard in zijn h.b., omdat hij niet een schriftuur met grieven tegen vonnis Pr heeft ingediend. Aan cassatieschriftuur gehechte appelmemorie bevindt zich niet bij stukken. HR: Op de gronden die zijn vermeld in de CAG is het middel terecht voorgesteld. CAG: Inhoud van aan cassatieschriftuur gehechte stukken - te weten een appelmemorie en een “geheugen verzend rapport” betreffende de verzending van dit schrijven per fax naar het toenmalige faxnummer van de strafgriffie van Rb - biedt grond voor het ernstige vermoeden dat namens verdachte een schriftuur houdende grieven a.b.i. art. 410 Sv is ingediend. Gelet hierop is ’s Hofs overweging dat verdachte niet een schriftuur met grieven tegen vonnis heeft ingediend, niet begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00288

Zitting: 28 augustus 2018 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 1 mei 2015 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 2 september 2014, waarbij de verdachte wegens ‘belaging’ werd veroordeeld.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel betoogt dat de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk zou zijn verklaard in zijn hoger beroep omdat noch bij appelschriftuur noch ter terechtzitting grieven naar voren zouden zijn gebracht tegen het vonnis van de politierechter. Namens de verdachte zou (volgens de steller van het middel) wel degelijk tijdig, namelijk op 30 september 2014, een appelmemorie zijn ingediend.1

4. Het bestreden arrest behelst de volgende overwegingen en beslissing:

‘De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 1 mei 2015 gevorderd dat de niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof :

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.’

5. Blijkens de appelakte heeft mr. W.H. van Zundert namens de verdachte op 16 september 2014 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Aan de cassatieschriftuur is een appelmemorie van mr. Van Zundert gehecht, gedateerd 30 september 2014, waarop vermeld is dat zij per fax en gewone post verzonden is naar de rechtbank Den Haag, sector strafrecht. Als faxnummer is op de appelmemorie vermeld: 070-3813055. In die appelmemorie zijn vier grieven verwoord tegen het daarin met het juiste parketnummer aangeduide vonnis van de politierechter van 2 september 2014. Aan de cassatieschriftuur is voorts een ‘geheugen verzend rapport’ gehecht dat dateert van 30 september 2014. Uit dat rapport blijkt dat de fax is verzonden naar het nummer 0703813055. Het rapport vermeldt bij de status ‘OK’, daarnaast vermeldt het voorblad ‘successful TX notice’. Het verzendrapport geeft voorts aan dat er ‘4 pages’ zijn verzonden. De appelmemorie die aan de cassatieschriftuur is gehecht bestaat uit drie bladzijden.2 De eerste bladzijde van die appelmemorie is verkleind op het aan de cassatieschriftuur gehechte verzendrapport afgedrukt.

6. De appelmemorie en het verzendrapport die de steller van het middel aan de cassatieschriftuur heeft gehecht, bevinden zich niet bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken. De strafgriffie van de Hoge Raad heeft de bedoelde appelmemorie van 30 september 2014 bij het hof opgevraagd. Bij brief van 10 juli 2018 is van de zijde van het hof bericht dat ‘zich in het restdossier geen (kopie) van de appelmemorie bevindt.’

7. Naar aanleiding van het middel heb ik inlichtingen ingewonnen bij de rechtbank Den Haag. Daaruit volgt dat op het moment waarop de onderhavige appelmemorie (succesvol) werd verzonden, bij de strafgriffie van de rechtbank Den Haag het faxnummer in gebruik was dat vermeld staat op het verzendrapport dat aan de cassatieschriftuur is gehecht (0703813055).3 Dat het de aan de cassatieschriftuur gehechte appelmemorie is die werd verzonden, volgt naar het mij voorkomt in toereikende mate uit het verzendrapport, nu daarop de eerste bladzijde van de appelmemorie is afgedrukt, de aan de cassatieschriftuur gehechte appelmemorie uit drie bladzijden bestaat en melding maakt van een bijlage en volgens het verzendrapport vier bladzijden zijn verzonden.4

8. Al met al biedt de inhoud van de aan de schriftuur gehechte stukken grond voor het ernstige vermoeden dat namens de verdachte een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410 Sv is ingediend. Op grond hiervan moet er in cassatie van worden uitgegaan dat een dergelijke schriftuur wel is ingediend.5 Gelet hierop is de overweging van het hof inhoudend dat de verdachte niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis heeft ingediend niet begrijpelijk.

9. Het eerste middel slaagt.

10. Het tweede middel is onderverdeeld in een onderdeel a en een onderdeel b. In onderdeel a klaagt de steller dat de raadsman die de appelmemorie heeft ingediend ten onrechte niet als advocaat in kennis is gesteld van de oproeping van de verdachte voor de zitting in hoger beroep die op 1 mei 2015 plaatsvond.

11. Uit het slagen van het eerste middel volgt dat ook onderdeel a van het tweede middel gegrond is. Nu er in cassatie van moet worden uitgegaan dat mr. Van Zundert een appelmemorie heeft ingediend en de gedingstukken niets inhouden waaruit kan blijken dat aan mr. Van Zundert een afschrift van de appeldagvaarding is verzonden, is in hoger beroep het voorschrift van art. 51 (oud) Sv niet nageleefd.6

12. Het tweede middel betoogt onder onderdeel b nog dat — wat de toepasselijkheid van de ‘Salduzwetgeving’ betreft — ten onrechte onderscheid zou zijn gemaakt tussen de situatie waarin een verdachte is aangehouden en de situatie waarin de verdachte wordt uitgenodigd voor verhoor. Deze klacht richt zich niet tegen een beslissing van het gerechtshof en faalt (reeds) om die reden.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de cassatieschriftuur wordt gesteld dat de appelmemorie is ingediend ‘binnen de voorgeschreven 14 dagen na de uitspraak van de politierechter op 16 september 2014’. Bedoeld zal zijn: binnen veertien dagen na het op 16 september 2014 ingestelde hoger beroep.

2 In de aan de cassatieschriftuur gehechte appelmemorie wordt verwezen naar het op 16 september 2014 ingestelde hoger beroep. De appelmemorie noemt daarbij een ‘bijlage 1’. Het feit dat volgens het verzendrapport één pagina meer is verzonden dan het aantal pagina’s van de appelmemorie, kan het gevolg zijn van de verzending van die – niet aan de cassatieschriftuur gehechte – ‘bijlage 1’. Ik acht het waarschijnlijk dat die bijlage heeft bestaan uit de appelakte.

3 Uit telefonisch en per mail verstrekte inlichtingen volgt dat het betreffende nummer in gebruik was op 30 september 2014, toen het onderhavige faxbericht werd verzonden.

4 De appelmemorie is voorts op de laatste dag van de daarvoor geldende termijn binnengekomen. De omstandigheid dat het grievenformulier pas na sluitingstijd van de griffie is gefaxt, doet niet af aan de tijdigheid gezien de vaste rechtspraak van Uw Raad dat ‘een per fax verzonden appelschriftuur die ter griffie van het gerecht is begonnen binnen te komen vóór 24.00 uur op de laatste dag van de ingevolge art. 410, eerste lid, Sv geldende termijn van veertien dagen na het instellen van het hoger beroep, moet worden aangemerkt als binnen deze termijn ingediend’. Vgl. HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2746.

5 Vgl. eerder HR 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:8; HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:207 en HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:205. Met A-G Vegter in zijn conclusie voorafgaand aan de laatstgenoemde twee arresten meen ik dat er geen reden is verschillende eisen te stellen aan de vaststelling van de verzending van stelbrieven, appel- en cassatieschrifturen. Vgl. in verband met de verzending van stelbrieven onder meer HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:697. Of de beslissing in HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6130, NJ 2011/467 van deze lijn afwijkt is niet helemaal duidelijk; Uw Raad stelt vast dat (met de Borgersbrief) niet een stuk is meegezonden ‘inhoudende dat die schriftuur aldaar (BFK: bij de griffie van de rechtbank) is ontvangen’.

6 Vgl. HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1072. Nu de appelmemorie in 2014 is ingediend, is de in HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1052, rov. 2.7 bedoelde aanscherping van de regels betreffende het optreden van de raadsman in de onderhavige zaak niet van toepassing.