Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1086

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-10-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
18/01344
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2019
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit) naar Marokko t.z.v. deelname aan criminele organisatie, internationale handel in verdovende middelen en omkoping. OM-cassatie tegen ontoelaatbaarverklaring uitlevering. Bevoegdheidstoedeling aan uitleveringsrechter en Minister. Is uitleveringsrechter bevoegd te oordelen over beroep op dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM vanwege martelingen verdachten in Marokkaanse strafzaak tegen opgeëiste persoon? 1. Oordeel Rb dat sprake is van dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM en dat door verzoekende Staat gegeven garantie te algemeen en te vaag is om het reële gevaar van deze schending te kunnen uitsluiten. 2. Heeft Rb toepasselijk toetsingskader miskend doordat zij niet heeft vastgesteld dat opgeëiste persoon na zijn uitlevering t.z.v. die inbreuk niet rechtsmiddel ten dienste staat a.b.i. art. 13 EVRM?

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:463 inzake de bevoegdheidstoedeling aan rechter en Minister t.a.v. beroep van opgeëiste persoon op dreigende en/of voltooide inbreuk op fundamentele rechten die hem in art. 6 EVRM zijn toegekend. Rb heeft geoordeeld dat uit overgelegde verklaringen van (advocaten van) medeverdachten van opgeëiste persoon, beschouwd in onderlinge samenhang en tegen de achtergrond van rapporten en beslissingen, volgt dat (1) reëel gevaar bestaat dat voor opgeëiste persoon belastende verklaringen die medeverdachten A en B in 2010 hebben afgelegd, zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met art. 3 EVRM en (2) deze verklaringen zullen worden toegelaten als bewijs in strafprocedure tegen opgeëiste persoon. Rb heeft voorts geoordeeld dat door verzoekende Staat gegeven garantie voor eerlijk en transparant proces te algemeen en te vaag is om dat reële gevaar te kunnen uitsluiten. Vervolgens heeft Rb geconcludeerd dat opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht dat ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan zijn uitlevering. Dat oordeel is in het licht van al hetgeen Rb heeft vastgesteld, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af hetgeen in toelichting op middel naar voren is gebracht t.a.v. door Marokko afgegeven garantie. In toelichting omschreven garantie houdt immers niets in ter afwending van door Rb als reëel geoordeeld gevaar dat verklaringen van medeverdachten zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met art. 3 EVRM en dat deze zullen worden toegelaten als bewijs in strafprocedure tegen opgeëiste persoon.

Ad 2. In overwegingen Rb ligt als haar oordeel besloten dat niet aannemelijk is dat opgeëiste persoon na zijn uitlevering t.z.v. dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM effectief rechtsmiddel ten dienste staat a.b.i. art. 13 EVRM. Oordeel dat zulks niet aannemelijk is - en dus niet is komen vast te staan - is niet onbegrijpelijk, gelet op inhoud van door Rb genoemde rapporten en beslissingen. Nu oordeel Rb dat sprake is van dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM, ontoelaatbaarverklaring van gevraagde uitlevering zelfstandig draagt, behoeft klacht tegen haar oordeel dat door verzoekende Staat overgelegde stukken ongenoegzaam zijn en dat (ook) dit moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van uitlevering, geen bespreking.

Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. vaststelling dat opgeëiste persoon na uitlevering t.z.v. dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM effectief rechtsmiddel ten dienste staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/01344 U

Zitting: 2 oktober 2018

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. Bij uitspraak van 22 februari 2018 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, de uitlevering van [de opgeëiste persoon]1 aan het Koninkrijk Marokko ontoelaatbaar verklaard.2

2. Mr. Y. van Setten, officier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant, heeft het cassatieberoep ingesteld. Mr. H.H.J. Knol, plv. officier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Mrs. R.J. Baumgardt, I.N. Weski en A.M. Seebregts, allen advocaat te Rotterdam, hebben het beroep van het Openbaar Ministerie tegengesproken met een schriftuur houdende tegenspraak.

3. Het middel klaagt dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte ontoelaatbaar heeft verklaard en voert daartoe drie deelklachten aan. In het middel zijn deze genummerd als (i), (ii) en (iii). De eerste deelklacht richt zich tegen de motivering van het oordeel van de rechtbank, dat in de onderhavige zaak ten opzichte van de opgeëiste persoon sprake is van een dreigende flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM en dat de door de verzoekende staat gegeven garantie te algemeen en te vaag is om het reële gevaar van deze schending te kunnen uitsluiten. De tweede deelklacht houdt in dat de rechtbank het toepasselijke toetsingskader heeft miskend door in dit kader niet vast te stellen dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel ten dienste staat als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR. De derde deelklacht richt zich tegen de motivering van het oordeel van de rechtbank dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens ongenoegzaamheid van de stukken.

4. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de feiten weer ter zake waarvan de uitlevering ter fine van strafvervolging van [de opgeëiste persoon] is verzocht en de beslissing van de rechtbank.

5. De Marokkaanse autoriteiten hebben bij een verzoek dat is gedateerd 16 juni 2015 de uitlevering van [de opgeëiste persoon] verzocht ter fine van strafvervolging ter zake van feiten die daarin – in de Nederlandse vertaling van de Franse vertaling uit het Arabisch – zijn samengevat als “het misdrijf oprichting van een criminele organisatie en de delicten omkoping en internationale drugshandel”. De rechtbank heeft aangenomen dat het verzoek betrekking heeft op de feiten zoals die uiteen zijn gezet in achtereenvolgens (1) de “Samenvatting van de feiten” die als bijlage is gevoegd bij het door de rechter-commissaris bij de vierde onderzoekskamer van het hof Casablanca opgestelde verzoek om uitlevering dat is gedateerd 16 juni 2015, en in (2) de brief van deze rechter-commissaris gedateerd 21 juli 2017.

6. Voordat ik de feiten weergeef zoals deze door de verzoekende staat uiteen zijn gezet, geef ik voor de hoofdlijnen de feiten weer zoals deze door de rechtbank in de uitspraak zijn samengevat:

“- ‘criminele bendevorming’ (‘gespecialiseerd in de internationale handel in verdovende middelen’), naar Marokkaans recht strafbaar gesteld bij de artikelen 293 en 294 van het Wetboek van Strafrecht in samenhang met de artikelen 1,2 en 5 van het Decreet van 21 mei 1974 inzake de beteugeling van drugsverslaving en het voorkomen van drugsafhankelijkheid;

- ‘internationale handel in verdovende middelen’, naar Marokkaans recht strafbaar gesteld bij de artikelen 1 en 2 van het Decreet van 21 mei 1974 en

- ‘omkoping’, naar Marokkaans recht strafbaar gesteld bij de artikelen 248 en 251 van het Wetboek van Strafrecht,

in de periode vanaf 2007 tot en met 3 mei 2010 in Marokko, Spanje en Nederland.

De betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de ‘criminele bendevorming’ en de ‘internationale handel in verdovende middelen’ zou er onder meer in hebben bestaan dat hij in het kader van een netwerk dat zich bezig hield met de smokkel van verdovende middelen in - ten minste - zes gespecificeerde gevallen van smokkel van grote hoeveelheden cannabis:

- de aankoop van de cannabis heeft gefinancierd;

- de cannabis heeft laten vervoeren;

- de cannabis met door hem gekochte boten vanuit Marokko naar Spanje heeft laten smokkelen en

met uitzondering van de hoeveelheid cannabis die het onderwerp vormde van de derde smokkeloperatie (die in Spanje in beslag is genomen door de Guardia Civil) en de hoeveelheid cannabis die het onderwerp vormde van de vijfde smokkeloperatie (die op zee overboord is gegooid tijdens een achtervolging door de Spaanse kustwacht):

- de cannabis in Spanje in ontvangst heeft genomen of door een ander of anderen in ontvangst heeft laten nemen;

- zorg heeft gedragen voor de aflevering en verdere distributie van de cannabis in Europa;

een percentage van 75% van de winst van de smokkel heeft ontvangen.

De betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de omkoping zou erin hebben bestaan dat hij:

- opdracht heeft gegeven aan een mededader om aan drie gespecificeerde personen die hoorden tot de Veiligheidsdienst of de Forces Auxiliaires steekpenningen te betalen en

- persoonlijk contact heeft opgenomen met het hoofd van het Veiligheidsdistrict Nador en met hem is overeengekomen een bedrag aan steekpenningen te betalen.”

7. De “Samenvatting van de feiten” die als bijlage is gevoegd bij het verzoek om uitlevering van 16 juni 2015 luidt aldus – waarbij ik de Nederlandse vertaling van de Franse vertaling uit het Arabisch citeer:

“Uit twee processen-verbaal van het door de Marokkaanse Nationale Recherchebrigade verrichte vooronderzoek, nr. 188/BNPJ, d.d. 20/05/2010, en procedure nr. 191/BNPJ d.d. 26/05/2010, alsmede uit het naar verdachte [betrokkene 1] verrichte onderzoek, is gebleken dat laatstgenoemde persoon nauwe banden heeft aangeknoopt met een groep drugshandelaren met wie hij tientallen malen drugs uit Marokko heeft gesmokkeld, zulks in uiteenlopende hoeveelheden. Betrokkene is hiermee begonnen in 2005, samen met ene [betrokkene 2] . Deze illegale handel heeft voortgeduurd tot in 2010. [de opgeëiste persoon] (parlementslid voor de Alahd Addimocrati-partij) en [betrokkene 3] , vervoerden samen 7488 kg cannabis, die door de Recherchebrigade van Nador in beslag is genomen. Betrokkene heeft een lijst van drugsbaronnen verstrekt en een overzicht van de met hen uitgevoerde smokkelactiviteiten. Een en onder blijkt uit het proces-verbaal van zijn verklaringen. Het betreft de volgende personen: [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , en anderen. Tussen 2007 en april 2010 hebben [betrokkene 1] en [de opgeëiste persoon] meerdere malen grote hoeveelheden cannabis over zee vervoerd naar de Spaanse kustplaats Alicante. Bij deze smokkelactiviteiten werd van rubberboten (Zodiac) gebruik gemaakt, die eigendom waren van [de opgeëiste persoon] en werden bestuurd door [betrokkene 7] . Voorafgaand aan elke internationale smokkel van cannabis met [de opgeëiste persoon] , ontving [betrokkene 1] een telefoontje via een mobiel telefoonnummer van hem om hem het telefoonnummer te geven van een van zijn hulpjes die voor het vervoer van de drugs van de regio Ketama naar de stad Nador zorgde. In Nador werden de drugs in ontvangst genomen door [betrokkene 1] , die deze vervolgens verstopte in zijn woning te Quartier Arid, lotissement Najah, of op zijn boerderij in de regio Bouâarek. Hierna nam hij contact op met [de opgeëiste persoon] om te zeggen wanneer het vervoer van de drugs zou plaatsvinden. Vervolgens bracht hij de "hulptroepen" in de persoon van [betrokkene 8] op de hoogte, die in ruil voor smeergeld zorgde voor de doorvoer van de voor smokkel bestemde drugs alsmede voor de coördinatie met de diensten die met het kusttoezicht belast zijn.

Op verzoek van [de opgeëiste persoon] is [betrokkene 9] naar Spanje gereisd om hem te ontmoeten. [de opgeëiste persoon] vertelde hem dat hij via een vaste telefoonlijn in Spanje persoonlijk contact had opgenomen met [betrokkene 10] en dat hij met hem was overeengekomen hem een bedrag van twee miljard Marokkaanse centimes te geven als hij een oplossing zou vinden voor [betrokkene 1] in verband met de inbeslagname van drugs in zijn huis in Quartier Arid te Nador. Hij kwam met de volgende oplossing: het huis waar de drugs in beslag zijn genomen, is nog niet op naam gezet van [betrokkene 1] , zodat hij mogelijk onder gerechtelijke vervolging zou kunnen uitkomen of in elk geval zijn zaak milder zou warden behandeld. In deze zaak mocht hij vooral zijn naam - [de opgeëiste persoon] - niet noemen. Hel genoemde bedrag stelde niet veel voor als hij in ruil daarvoor buiten deze zaak zou blijven. Zijn reputatie als parlementariër zou er immers schade van ondervinden en hij zou alles wat hij in jaren had opgebouwd verliezen. Vooral omdat [betrokkene 1] , ingeval hij door de politie van Nador zou worden aangehouden, de waarheid in deze zaak zou kunnen vertellen. Namelijk dat [de opgeëiste persoon] zijn grootste handlanger bij de internationale drugshandel is en dat het leeuwendeel van de inbeslaggenomen drugs van hem zijn.

[betrokkene 9] heeft verklaard dat hij voor [betrokkene 11] een ontmoeting met bepaalde journalisten bij de geschreven pers had geregeld voor de publicatie van artikelen om hem als kandidaat voor de parlementsverkiezingen voor te dragen, alsmede om zijn liefdadigheidswerken en rol bij de ontwikkeling van de regio El Hoceima voor het voetlicht te brengen. Ook heeft hij verklaard dat [de opgeëiste persoon] aan de journalist, [betrokkene 12] genaamd, bij wijze van voorschot een bedrag van 4000 dirham heeft gegeven en aan [betrokkene 13] een bedrog van 5000 dirham. Verder heeft hij verklaard dal hij hem voor deze dienst een bedrag van 50.000,00 dirham heeft overhandigd.”

8. Nadat de Marokkaanse autoriteiten bij brief van 19 juni 2017 hebben verzocht het – aanvankelijk door Nederland niet (verder) in behandeling genomen3 - uitleveringsverzoek opnieuw in behandeling te nemen, zijn op 27 en 28 juni 2017 de delegatie van het Koninkrijk Marokko en de delegatie van het Koninkrijk der Nederlanden bijeengekomen op het ministerie van Buitenlandse Zaken en Internationale samenwerking te Rabat (Marokko) voor het bespreken van de onderhavige zaak. Op het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt, kom ik nog terug. In verband met de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht, is van belang dat na deze bijeenkomst, op 11 juli 2017, op voorhand namens de minister van Veiligheid en Justitie om aanvullende informatie is verzocht, te weten “om een meer concrete en uitgebreidere omschrijving te geven ten aanzien van de drie delicten” waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht en zijn betrokkenheid daarbij. De aanvullende informatie is verstrekt in de brief van de rechter-commissaris d.d. 21 juli 2017. Deze brief bevat onder meer een nieuwe samenvatting van de feiten. Daarin wordt beschreven dat uit het onderzoek naar een in de nacht van 2 op 3 mei 2010 in de woning van [betrokkene 1] inbeslaggenomen grote hoeveelheid cannabis heeft geleid tot de aanhouding van diverse personen (waaronder niet de opgeëiste persoon) en tot het aan het licht komen van het misdrijf moord, begaan door [betrokkene 1] en zijn helpers, waarvan [betrokkene 14] na marteling het slachtoffer is geworden vanwege vermeend misbruik van vertrouwen en diefstal. Uit het politieonderzoek is tevens het volgende aan het licht gekomen– waarbij ik opnieuw de Nederlandse vertaling van de Franse vertaling uit het Arabisch citeer:

“dat de handelaren in verdovende middelen en hun helpers […], in staat waren geweest, dit om zich ervan te kunnen verzekeren dat de smokkeloperaties van de verdovende middelen naar Europa zouden slagen, om relaties aan te knopen met een aantal leden van de Veiligheidsdienst, die als hun medeplichtigen functioneerden bij operaties samenhangende met het faciliteren van de doorvoer, het transport en de smokkel van de verdovende middelen naar Europa, waar de verdovende middelen in ontvangst werden genomen door de persoon genaamd [de opgeëiste persoon] , dit door een oogje dicht te knijpen tijdens de controle, in ruil voor geldbedragen waarvan de hoogte varieerde.

Op grond daarvan en tevens op grond van de gegevens en de onderzoeken welke zijn uitgevoerd in deze zaak, is gebleken dat de aangehouden personen de leden vormen van een netwerk dat zich speciaal bezighoudt met de internationale handel in verdovende middelen, en dat de leden daarvan zowel binnen als buiten Marokko actief zijn, namelijk in Europa, onder wie de persoon genaamd [de opgeëiste persoon] , waarbij ze ter facilitering van hun misdadige plannen en hun illegale activiteiten moedwillig contacten hebben aangeknoopt met een aantal leden van de Veiligheidsdienst en met een aantal gezagsdragers die belast waren met de kustbewaking, dit om hun hierboven genoemde activiteiten te verhullen en gemakkelijker te maken, en wel in ruil voor geldbedragen waarvan de hoogte varieerde en die kunnen worden beschouwd als steekpenningen, welke op regelmatige basis aan hen werden betaald, dit tijdens elke smokkeloperatie van verdovende middelen naar Europese landen.”

9. Ter zitting van de rechtbank is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat hij door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM en dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.

10. Met betrekking tot de dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM heeft de verdediging – samengevat – ter zitting aangevoerd dat:

- uit Europese jurisprudentie volgt dat het gebruik van bewijs dat is verkregen door foltering van derden, een flagrante schending oplevert van art. 6 EVRM;4

- verschillende medeverdachten in de Marokkaanse strafzaak van cliënt, waaronder de twee verdachten wiens verklaringen ten grondslag liggen aan het onderhavige uitleveringsverzoek, alsook hun advocaten, stellen dat de verdachten zijn gemarteld in de Marokkaanse strafzaak van cliënt;

- uit Europese jurisprudentie eveneens volgt dat de lat om foltering aannemelijk te maken, lager ligt naarmate het land een slechtere reputatie heeft op dat gebied, en

- Marokko blijkens rapporten van verschillende gerenommeerde NGO’s, ook nu nog een slechte reputatie heeft op het gebied van het folteren van verdachten.5

Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze dreigende schending van art. 6 EVRM onvoldoende wordt ondervangen door de garanties die zijn verstrekt door de Marokkaanse autoriteiten.

11. Met betrekking tot het ontbreken van een effectief rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM, respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR is door de verdediging ter zitting gewezen op:

- publicaties van Amnesty International waarin wordt bericht over de marteling van verdachten uit een ander politiek dissident gebied (de Westelijke Sahara) en waaruit volgens de verdediging blijkt, dat zelfs wanneer verdachten onder zichtbare verwondingen terechtstaan, de rechter vaak niet meegaat in het verzoek tot een onderzoek naar de martelingen/mishandelingen door de politie;

- publicaties van de VN, waaruit volgens de verdediging blijkt dat er wel procedures zijn gekomen om marteling in voorarrest of later, aannemelijk te maken bij de rechter met nader bepaalde consequenties, maar dat deze procedures niet effectief zijn omdat rechters vaak weigeren om daaraan gevolg te geven, en het aan de gemartelde is om aannemelijk te maken dat bewijs afkomstig is van marteling;

- een artikel van Human Rights Watch, waarin volgens de verdediging het beeld wordt bevestigd dat het tekenen van vervalste verklaringen in Marokko een vaker voorkomend probleem is, waar de rechter vaak niets aan doet, en

- de omstandigheid dat de rechter in zaken van medeverdachten heeft geweigerd om een onderzoek in te stellen naar de door hen gestelde martelingen waarop zij een beroep deden, terwijl de als gevolg daarvan verkregen belastende verklaringen van de medeverdachten waarschijnlijk worden gebruikt in het proces van de opgeëiste persoon.6

12. De rechtbank heeft met betrekking tot de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering, als volgt overwogen:

“8. Dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM

8.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar is, omdat sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. Hij heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.

Er is sprake van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM, nu sprake is van een ‘real risk of admission at the applicants (re)trial of evidence obtained by torture of third persons’ als bedoeld in EHRM 17 januari 2012, 8139/09 (Othman (Abu Qatada)/Verenigd Koninkrijk). De door de Marokkaanse autoriteiten gegeven garanties zijn in dit geval onvoldoende om die dreiging van een flagrante schending weg te nemen. Er is in Marokko geen sprake van een effectief rechtsmiddel tegen die dreigende flagrante schending.

Voor het geval dat de rechtbank zou oordelen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de verklaringen die naar alle waarschijnlijkheid zullen worden gebruikt in het strafproces tegen de opgeëiste persoon door marteling zijn verkregen, heeft de raadsman verzocht nader onderzoek daarnaar te gelasten.

8.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover al aannemelijk is dat verklaring van derden verkregen zijn door marteling, niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ter zake van die schending geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM te dienste zal staan.

8.3

Oordeel van de rechtbank

8.3.1

Inleiding

Het verweer spitst zich toe op de voor de opgeëiste persoon belastende bekentenissen die de medeverdachten [betrokkene 9] en [betrokkene 1] in mei 2010 hebben afgelegd en die zouden zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM.

8.3.2

Toetsingskader

Nu het uitleveringsverzoek niet is gebaseerd op een uitleveringsverdrag (vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, r.o. 3.5), brengt de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister van Justitie en Veiligheid mee dat de uitleveringsrechter op grond van zijn toetsing aan art. 6 EVRM de uitlevering slechts ontoelaatbaar kan verklaren, indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke verdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering (HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1441, r.o. 3.4.1).

Uit het door de verdediging bedoelde arrest Othman/Verenigd Koninkrijk volgt dat daarvan sprake is, indien een reëel gevaar bestaat dat verklaringen van derden die door marteling zijn verkregen worden toegelaten als het bewijs tegen de opgeëiste persoon.

Uit EHRM 25 september 2012, 649/08 (El Haski/België), § 85 volgt dat hetzelfde geldt voor verklaringen van derden die zijn verkregen door een onmenselijke of vernederende behandeling.

8.3.3

Relevante rapporten en beslissingen

Het rapport Just Sign Here. Unfair Trials Based on Confessions to the Police in Morocco van Human Rights Watch uit juni 2013 houdt onder meer het volgende in:

- Human Rights Watch heeft zes politiek gevoelige zaken met in totaal 84 verdachten uit de periode 2008-2013 onderzocht;

- in vijf van de zes zaken zijn veroordelingen gevolgd die hoofdzakelijk waren gebaseerd op bekentenissen van verdachten die vervolgens bij de rechter werden betwist;

- de Marokkaanse rechter heeft onvoldoende gedaan om te bepalen of die bekentenissen waren verkregen door marteling of door andere verboden handelingen.

Het rapport over Marokko van de United Nations Working Group on Arbitrary Detention van 4 augustus 2014 (UN doc. A/HRC/27/48/Add.5) houdt onder meer het volgende in:

- sinds de inwerkingtreding van de grondwet in juli 2011 zet de regering zich in om een cultuur van mensenrechten in Marokko te vestigen en te consolideren;

- in zaken van beschuldiging van terrorisme of bedreiging van de nationale veiligheid valt een systematisch patroon van marteling en andere ‘ill-treatment’ bij de aanhouding en tijdens de vrijheidsbeneming te ontdekken;

- hoewel naar Marokkaans recht een bekentenis die is verkregen door marteling niet mag worden gebruikt voor het bewijs, wordt in processen veel gewicht toegekend aan bekentenissen;

- aan de hand van gesprekken met gedetineerden die lange vrijheidsstraffen uitzaten is vastgesteld dat bekentenissen vaak het gevolg waren van marteling, dat zulke bekentenissen werden opgenomen in het politiedossier en bijna uitsluitend als bewijs voor vervolging en veroordeling dienden;

- de rechtspraak over Marokko genoemd door de Working Group toont een patroon aan van gevallen waarin personen zijn veroordeeld uitsluitend op basis van verslagen die door de politie zijn opgesteld, terwijl de betrokkenen zich in detentie bevonden en onderworpen waren geweest aan marteling (Opinion No. 19/2013; Opinion No. 3/2013; Opinion No. 40 /2012; Opinion No. 25/2013);

- concluderend is er in zaken met betrekking tot de veiligheid van de staat sprake van een patroon van marteling en ‘ill-treatment’ bij de aanhouding en tijdens de vrijheidsbeneming door de politie. Vele personen zijn gedwongen tot het afleggen van een bekentenis en zijn tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld uitsluitend op basis van die bekentenis.

De Concluding observations on the sixth periodic report of Morocco van de United Nations Human Rights Committee van 2 november 2016 (UN doc. CCPR/C/MAR/CO/6) houdt onder meer het volgende in:

- er is sprake van een aanzienlijke vermindering van het aantal gevallen van marteling en ‘ill-treatment’ sinds de vorige Concluding observations;

- desalniettemin bestaat bezorgdheid over de voortdurende berichten over marteling en onmenselijke of vernederende behandeling door de Marokkaanse staat, in het bijzonder in gevallen van verdenking van terrorisme of het in gevaar brengen van de territoriale integriteit van de staat;

- in het bijzonder is het Comité erover bezorgd dat:

o a) onder dwang verkregen bekentenissen naar verluidt soms worden toegelaten als bewijs, ook al is zulk bewijs volgens de wet ontoelaatbaar;

o b) rechters en officier van justitie in gevallen van beweerde marteling of het afdwingen van bekentenissen niet altijd medisch of ander onderzoek naar die bewering gelasten;

o c) personen die melding maken van gevallen van marteling soms worden onderworpen aan intimidatie, bedreigingen en juridische procedures;

o d) het aantal gevallen waarin een vervolging wegens marteling of andere ‘ill-treatment’ is ingesteld en waarin een veroordeling wegens dergelijk handelen is gevolgd nogal laag is gelet op het aantal klachten en de mate waarin er in het verleden sprake is geweest van marteling en ‘ill-treatment’.

Het Country Report on Human Rights Practices for 2016 over Marokko van het US Department of State van 3 maart 2017 houdt onder meer het volgende in:

- in voorgaande jaren werd gemeld dat vaker werd gemarteld. Volgens een rapport van Amnesty International van mei 2015 zouden de veiligheidsdiensten tussen 2010 en 2014 routinematig geweld hebben toegepast om bekentenissen af te dwingen, activisten het zwijgen op te leggen en tegenstand te onderdrukken;

- de regering heeft stappen ondernomen, waaronder mensenrechtentrainingen voor medewerkers van de veiligheidsdiensten en van de justitiële autoriteiten.

Het bericht op de website van Amnesty International ‘Morocco: dozens arrested over mass protests in Rif report torture in custody’ van 1 augustus 2017 houdt onder meer het volgende in:

- de politie heeft sinds mei 2017 meer dan 270 personen aangehouden in verband met de Rif protesten;

- ten minste 66 personen hebben gemeld dat zij in detentie door de politie zijn gemarteld of zijn onderworpen aan andere ‘ill-treatment’, in sommige gevallen om hen een bekentenis af te dwingen.

In een beslissing van 15 november 2016 in de zaak van Ennaâma Asfari (CAT/C/59/D/606/2014), heeft het Committee against Torture geoordeeld dat:

- betrokkene tijdens zijn aanhouding, verhoor en detentie in 2010 is onderworpen aan marteling door de Marokkaanse autoriteiten;

- hoewel de betrokkene zich daarover in 2011 bij de onderzoeksrechter en in 2013 bij de zittingsrechter heeft beklaagd, de Marokkaanse autoriteiten geen onderzoek hebben ingesteld naar die klacht;

- de rechtbank in haar vonnis van 17 februari 2013 geen rekening heeft gehouden met de bewering van betrokkene dat hij een bekentenis heeft ondertekend als gevolg van marteling en hem op basis van die bekentenis heeft veroordeeld voor deelname aan geweld dat heeft geleid tot de dood van wetshandhavers;

- het hof van cassatie op 27 juli 2016 op het beroep van betrokkene en zijn medeverdachten de zaak heeft verwezen naar het hof van beroep te Rabat, maar dat het onwaarschijnlijk is dat dit hof de klacht over marteling zal kunnen onderzoeken. De cassatieprocedure had geen betrekking op de beweerde marteling en het hof in Rabat heeft niet de opdracht gekregen om die bewering te onderzoeken.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft onlangs op basis van de hiervoor genoemde rapporten van de United Nations Working Group on Arbitrary Detention, het United Nations Human Rights Committee en het US Department of State geoordeeld dat in Marokko willekeurige vrijheidsbeneming en marteling nog steeds voorkomen in zaken met betrekking tot personen die verdacht worden van terrorisme en beschouwd worden als een bedreiging voor de nationale veiligheid (EHRM 9 januari 2018, 36417/16 (X./Z[w]eden), § 57).

8.3.4

De overgelegde verklaringen van (advocaten van) medeverdachten van de opgeëiste persoon

[betrokkene 9] en [betrokkene 1] , medeverdachten in de strafzaak van de opgeëiste persoon, hebben in die strafzaak verklaard dat zij hun eerdere belastende verklaringen hebben afgelegd na te zijn gemarteld.

Advocaten van andere medeverdachten van de opgeëiste persoon hebben in die strafzaak aangevoerd dat bekentenissen zijn afgelegd onder marteling. De advocaten van twee medeverdachten hebben de wonden of littekens die het gevolg waren van de martelingen zelf waargenomen. De advocaat van één van de verdachten heeft de zittingsrechter verzocht om een medisch onderzoek in te stellen, maar de zittingsrechter heeft dit verzoek afgewezen, zoals ook de onderzoeksrechter dat eerder had gedaan.

8.3.5

Reëel risico dat de verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 1] zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM en dat die verklaringen voor het bewijs zullen worden gebruikt

Uit wat onder 8.3.3 is opgenomen volgt dat

- in de periode waarin [betrokkene 9] en [betrokkene 1] hun verklaringen hebben afgelegd, in Marokko sprake was van een patroon van met artikel 3 EVRM strijdige handelingen om bekentenissen af te dwingen, in het bijzonder – maar dus niet uitsluitend – in zaken waarin de veiligheid en/of territoriale integriteit van de staat in het geding was of die als politiek gevoelig werden beschouwd;

- ook al is sprake van verbetering ten opzichte van voorgaande jaren, in Marokko in dergelijke zaken nog steeds bekentenissen worden afgedwongen door handelingen die in strijd zijn met artikel EVRM, dat rechters en officieren van justitie niet altijd een onderzoek instellen naar beweringen dat een bekentenis is verkregen door dergelijke handelingen en dat dergelijke bekentenissen soms worden toegelaten tot het bewijs[.]

Omdat de ‘Samenvatting van de feiten’ meldt dat de opgeëiste persoon lid is van het Marokkaanse parlement en de verdenking mede betrekking heeft op omkoping van medewerkers van de Veiligheidsdienst en de Forces Auxiliaires, acht de rechtbank aannemelijk dat de Marokkaanse autoriteiten de strafzaak tegen de opgeëiste persoon minst genomen als politiek gevoelig beschouwden.

De door de verdediging overgelegde partiële vertaling van het ‘Definitief verzoek van het Openbaar Ministerie, strekkende tot verwijzing naar de strafkamer van eerste aanleg van het gerechtshof te Casablanca’ van 2 juni 2017 in het zogenaamde Hirak-proces meldt dat de opgeëiste persoon de oprichter is van de ‘18 september-beweging voor de onafhankelijkheid van de Rif’ en duidt hem aan als aanhanger van het plan van afscheiding van de Rif van Marokko. Op basis daarvan acht de rechtbank aannemelijk dat de Marokkaanse autoriteiten de strafzaak tegen de opgeëiste persoon nog steeds als politiek gevoelig beschouwen en dat zij de opgeëiste persoon zelf zien als iemand die de territoriale integriteit van Marokko in gevaar brengt.

Uit de overgelegde verklaringen van de (advocaten van) medeverdachten van de opgeëiste persoon, beschouwd in onderlinge samenhang en tegen de achtergrond van wat onder 8.3.3 is opgenomen, volgt daarom naar het oordeel van de rechtbank dat:

- een reëel gevaar bestaat dat de verklaringen die [betrokkene 9] en [betrokkene 1] in 2010 hebben afgelegd zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM en

- deze verklaringen zullen worden toegelaten als bewijs in de strafprocedure tegen de opgeëiste persoon.

8.3.6

Wendt de door Marokko gegeven garantie dit gevaar af?

Volgens het proces-verbaal van 29 juni 2017 zijn de Nederlandse regering en de Marokkaanse regering onder meer het volgende overeengekomen:

3. De Marokkaanse regering garandeert de voorwaarden voor een eerlijk en transparant proces (aanwezigheid van Nederlandse advocaten, periodieke bezoeken van de ambassade, uitwisseling van informatie tussen de justitiële autoriteiten over het verloop van het proces, …).

In het licht van wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, acht zij de garantie te algemeen en te vaag om het reële gevaar te kunnen uitsluiten.

8.3.7

Conclusie

De conclusie luidt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke verdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering.

De rechtbank komt daarom niet meer toe aan het voorwaardelijke verzoek om nader onderzoek naar de marteling van de medeverdachten en aan de overige verweren en verzoeken (punten 3 en 5-10 van de op de zitting van 29 januari 2018 overgelegde pleitnota van de raadsvrouw).

9. Slotsom

De rechtbank zal de uitlevering ontoelaatbaar verklaren, omdat:

– zich bij de stukken niet het origineel of een authentiek afschrift bevindt van het internationale aanhoudingsbevel van 19 mei 2015;

– de Marokkaanse strafbaarstelling van deelneming niet is overgelegd;

– sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM.”

(i) Een dreigende flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM

13. De eerste deelklacht richt zich tegen de motivering van het oordeel van de rechtbank, dat in de onderhavige zaak ten opzichte van de opgeëiste persoon sprake is van een dreigende flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM en dat de door de verzoekende staat gegeven garantie te algemeen en te vaag is om het reële gevaar van deze schending te kunnen uitsluiten.

14. Als kader voor de beoordeling van deze eerste deelklacht wordt in de schriftuur een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017 waarin de Hoge Raad zijn jurisprudentie met betrekking tot verweren over – kort gezegd – mensenrechtenschendingen in uitleveringszaken op hoofdlijnen heeft samengevat. Ik citeer uit de geanonimiseerde versie die is gepubliceerd op rechtspraak.nl:7

“3.5.

Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288). Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken – gelet op het systeem van de Uitleveringswet (hierna: UW), zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en 10 UW, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet – het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. Er bestaat geen goede grond ten aanzien van die bevoegdheidstoedeling anders te oordelen in zaken waarin het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten van toepassing is, zij het dat het dan de Gouverneur is die de taken en bevoegdheden heeft welke de UW aan de Minister toekent.

Bij een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten die de opgeëiste persoon in art. 6 EVRM zijn toegekend, geldt het volgende.

A. Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid, een flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, is het aan de uitleveringsrechter te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. Dit is niet anders indien het gaat om een beroep op een flagrante inbreuk op art. 14, eerste lid, IVBPR. Het gaat hier dus om een beroep op een voltooide flagrante schending van voormelde verdragsbepaling(en).

B.

(i) Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW, dan wel de Gouverneur deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.

(ii) Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.

(iii) Het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen, kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan

(a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens

(b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.

In zo een geval staat de op de landen van het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van de opgeëiste persoon te verzekeren in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het derhalve – kort gezegd – de uitleveringsrechter die tot oordelen is geroepen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM onderscheidenlijk art. 14, eerste lid, IVBPR, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat.

Daarbij moet worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. In dat verband kan worden gewezen op EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., nr. 8139/09, NJ 2013/360, rov. 259 waar gevallen zijn opgesomd waarin sprake is van een ‘flagrant denial of justice’.”8

15. Het oordeel van de rechtbank, dat ten opzichte van de opgeëiste persoon sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM zou op de navolgende drie punten niet zonder meer begrijpelijk zijn, althans onvoldoende gemotiveerd: 1) de relevantie voor de onderhavige zaak van het arrest van het EHRM in de zaak X./Zweden; 2) de aanname dat verklaringen van medeverdachten die door marteling zouden zijn verkregen, zonder meer ook in de strafzaak tegen de opgeëiste persoon zullen worden gebruikt en 3) het oordeel dat de zaak nog steeds een politiek gevoelige karakter heeft.

16. De eerste reden heeft betrekking op het beroep dat de rechtbank heeft gedaan op het arrest van het EHRM van 9 januari 2018 in de zaak X./Zweden. Hetgeen het EHRM in die zaak heeft overwogen zou “niet zonder meer relevant voor de onderhavige zaak” zijn omdat die zaak betrekking had op de uitzetting van een Marokkaanse onderdaan“ die door de Zweedse geheime dienst werd beschouwd als een bedreiging voor de Zweedse nationale veiligheid, welke informatie was gedeeld met de Marokkaanse autoriteiten. Juist dit maakte dat het EHRM oordeelde dat uitzetting van X. naar Marokko in strijd zou zijn met art. 3 EVRM.”

17. In de zaak X./Zweden oordeelde het EHRM dat de uitzetting door Zweden van X. naar Marokko een inbreuk zou opleveren op artikel 3 EVRM. Daarbij werd overwogen dat willekeurige detentie en foltering naar het oordeel van het EHRM nog steeds voorkomt in zaken die betrekking hebben op personen die worden verdacht van terrorisme of worden beschouwd als een bedreiging voor de nationale veiligheid.9De kwestie waar het in deze zaak om gaat, heeft betrekking op de vraag of X., op basis van de informatie die de Marokkaanse autoriteiten hebben verkregen van de Zweedse autoriteiten, door de Marokkaanse autoriteiten zou worden behandeld als een gevaar voor de nationale veiligheid.

18. Het EHRM overwoog in X./Zweden als volgt:

“57. The applicant essentially claims that, since the Moroccan authorities know that he is considered a security threat in Sweden, he will be arrested upon return and tortured as a suspected terrorist. He alleges that the type of activity he is accused of by the Swedish Security Service is a criminal offence under Moroccan terrorist legislation. The Court observes that the Swedish Government have acknowledged that the Security Service has been in contact with the Moroccan authorities and informed them about the applicant. The Moroccan authorities are thus aware that the applicant is considered a national security threat in Sweden and they have certain information about him. […]. Moreover, the Court notes that it is the Swedish Security Service which is responsible for the enforcement of the applicant’s expulsion and that its officers will escort him back to his home country. In view of this, and having regard to the material from reliable international sources which show that arbitrary detention and torture continue to occur in cases related to persons suspected of terrorism and considered a national security threat (see paragraphs 27, 28 and 30 above), the Court considers that the applicant has shown that there is a risk of his being subjected to treatment contrary to Article 3 if expelled to his home country.”10

19. Het risico op een inbreuk op artikel 3 EVRM wordt door het EHRM aangenomen op basis van de behandeling die X. te wachten stond door de Marokkaanse autoriteiten ook al zou de grond voor dat optreden berusten op informatie die door de Zweedse autoriteiten is verstrekt. Anders dan in de schriftuur wordt aangevoerd, is het dus niet ‘juist’ de informatie die afkomstig is van de Zweedse autoriteiten die voor X. het gevaar van een inbreuk oplevert, maar net als in de onderhavige zaak het optreden van de Marokkaanse autoriteiten als het gaat om verdachten die worden beschouwd als een bedreiging voor de nationale veiligheid. Het beroep door de rechtbank op het arrest van het EHRM in de zaak X./Zweden maakt haar oordeel gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk terwijl het daardoor evenmin onvoldoende gemotiveerd is.

20. De tweede reden waarom het oordeel van de rechtbank, dat ten opzichte van de opgeëiste persoon sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM, niet zonder meer begrijpelijk zou zijn, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft betrekking op het gebruik voor het bewijs van twee getuigenverklaringen. Naar het oordeel van de rechtbank zou een reëel gevaar bestaan dat de verklaringen die in 2010 door [betrokkene 9] en [betrokkene 1] zijn afgelegd, zijn verkregen door middel van handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM en deze verklaringen zullen worden toegelaten als bewijs in de Marokkaanse strafprocedure tegen de opgeëiste persoon. In de schriftuur wordt hier tegen ingebracht dat zelfs als “al zou moeten worden aangenomen dat de verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 1] door marteling zouden zijn verkregen, dan brengt dit nog niet zonder meer mee dat die verklaringen ook in de strafzaak tegen de opgeëiste persoon zullen worden gebruikt. Dat in het verleden in andere zaken wel gebruik is gemaakt van verklaringen die na marteling zijn verkregen, is daarvoor onvoldoende.”

21. Voordat ik de klacht inhoudelijk bespreek, wijs ik erop dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat de verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 1] “door marteling zouden zijn verkregen”, zoals wordt aangevoerd, maar dat deze verklaringen zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM. Dit is ruimer omdat artikel 3 EVRM naast foltering ook onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen verbiedt. Uit El Haski/België volgt dat ook het gebruik tot bewijs van verklaringen die zijn verkregen door een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, een “deni de justice flagrant” oplevert.11 In cassatie wordt er niet over geklaagd dat het gebruik van verklaringen die zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM welke niet bestaan uit foltering maar uit onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen geen “flagrante denial of justice” zou opleveren. Daarmee moet er in cassatie van worden uitgegaan dat het gebruik van verklaringen die zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM een “flagrante denial of justice” opleveren.

22. Dan kom ik toe aan de inhoudelijke bespreking van de klacht dat zelfs als al zou moeten worden aangenomen dat de verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 1] door marteling zouden zijn verkregen, dit nog niet zonder meer meebrengt dat die verklaringen ook in de strafzaak tegen de opgeëiste persoon zullen worden gebruikt. Dat in het verleden in andere zaken wel gebruik is gemaakt van verklaringen die na marteling zijn verkregen, is daarvoor onvoldoende, aldus de toelichting op het middel.

23. Ik lees het oordeel van de rechtbank anders. De rechtbank heeft, anders dan de steller van het middel aanvoert, niet overwogen dat de getuigenverklaringen “zonder meer […] ook in de strafzaak tegen de opgeëiste persoon zullen worden gebruikt”. De rechtbank overweegt in de laatste slotzin van overweging 8.3.5 dat naar het oordeel van de rechtbank:

“– een reëel gevaar bestaat dat de verklaringen die [betrokkene 9] en [betrokkene 1] in 2010 hebben afgelegd zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM en

– deze verklaringen zullen worden toegelaten als bewijs in de strafprocedure tegen de opgeëiste persoon.”

24. De vaststelling door de rechtbank dat “deze verklaringen zullen worden toegelaten als bewijs in de strafprocedure tegen de opgeëiste persoon” staat niet op zichzelf maar hangt samen met en volgt op de in dezelfde volzin gedane vaststelling dat “een reëel gevaar” bestaat dat de verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 1] zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM. Hier komt bij dat de vaststelling wordt gedaan in het kader van de vraag of er sprake is van een “dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM” waarbij de rechtbank zelf in het toetsingskader heeft aangegeven dat daarvan sprake is “indien een reëel gevaar bestaat dat verklaringen van derden die door marteling zijn verkregen worden toegelaten als het bewijs tegen de opgeëiste persoon”.12 Voor zover de klacht berust op de veronderstelling dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 1] “zonder meer” zullen worden toegelaten als bewijs in de strafprocedure tegen de opgeëiste persoon, berust het op een onjuiste lezing van de beslissing en faalt het daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.

25. De derde reden waarom het oordeel van de rechtbank, dat ten opzichte van de opgeëiste persoon sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM, niet zonder meer begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zou zijn, betreft het door de rechtbank vastgestelde politiek gevoelige karakter van de zaak. Aangevoerd wordt dat het oordeel van de rechtbank niet begrijpelijk is “dat zij het aannemelijk acht dat de Marokkaanse autoriteiten de strafzaak tegen de opgeëiste persoon nog steeds als politiek gevoelig beschouwen en dat zij de opgeëiste persoon zelf zien als iemand die de territoriale integriteit van Marokko in gevaar brengt.” Ik citeer verder uit de schriftuur, niet alleen omdat daarmee de klacht nader wordt onderbouwd voor wat betreft de vraag wat precies niet begrijpelijk wordt geacht maar omdat daarmee naar mijn mening ook duidelijk wordt waarom de klacht faalt:

“Wat de Rechtbank verder ook bedoeld moge hebben met haar overwegingen, de omstandigheden dat de opgeëiste persoon parlementslid is, dat hij de oprichter is van de ’18[-]september-beweging voor de onafhankelijkheid van de Rif’ en wordt aangeduid als aanhanger van het plan van afscheiding van de Rif van Marokko, brengen nog niet mee dat aannemelijk is dat de Marokkaanse autoriteiten de strafzaak tegen de opgeëiste persoon als politiek gevoelig beschouwen en de opgeëiste persoon zelf zien als iemand die de territoriale integriteit van Marokko in gevaar brengt.”

26. Voor de begrijpelijkheid herhaal ik hier de relevante overweging van de rechtbank:

“Omdat de ‘Samenvatting van de feiten’ meldt dat de opgeëiste persoon lid is van het Marokkaanse parlement en de verdenking mede betrekking heeft op omkoping van medewerkers van de Veiligheidsdienst en de Forces Auxiliaires, acht de rechtbank aannemelijk dat de Marokkaanse autoriteiten de strafzaak tegen de opgeëiste persoon minst genomen als politiek gevoelig beschouwden.

De door de verdediging overgelegde partiële vertaling van het ‘Definitief verzoek van het Openbaar Ministerie, strekkende tot verwijzing naar de strafkamer van eerste aanleg van het gerechtshof te Casablanca’ van 2 juni 2017 in het zogenaamde Hirak-proces meldt dat de opgeëiste persoon de oprichter is van de ‘18 september-beweging voor de onafhankelijkheid van de Rif’ en duidt hem aan als aanhanger van het plan van afscheiding van de Rif van Marokko. Op basis daarvan acht de rechtbank aannemelijk dat de Marokkaanse autoriteiten de strafzaak tegen de opgeëiste persoon nog steeds als politiek gevoelig beschouwen en dat zij de opgeëiste persoon zelf zien als iemand die de territoriale integriteit van Marokko in gevaar brengt.”

27. De klacht richt zich tegen een onderdeel van de overwegingen van de rechtbank waarin de rechtbank het “aannemelijk” acht “dat de Marokkaanse autoriteiten de strafzaak tegen de opgeëiste persoon nog steeds als politiek gevoelig beschouwen en dat zij de opgeëiste persoon zelf zien als iemand die de territoriale integriteit van Marokko in gevaar brengt”. Het aannemelijk achten is in dit verband iets anders dan iets vaststellen. Hetgeen de rechtbank hier aannemelijk acht, is een van de bouwstenen voor het oordeel dat op basis van het ter zitting gevoerde verweer is komen vast te staan dat “een reëel gevaar bestaat dat de verklaringen die [betrokkene 9] en [betrokkene 1] in 2010 hebben afgelegd zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM en deze verklaringen zullen worden toegelaten als bewijs in de strafprocedure tegen de opgeëiste persoon”.

28. De “Samenvatting van de feiten” waaraan de rechtbank refereert, maakt onderdeel uit van het uitleveringsverzoek van 16 juni 2015. Het “Definitief verzoek van het Openbaar Ministerie…” dateert van 2 juni 2017. Met de overweging dat de Marokkaanse autoriteiten de strafzaak tegen de opgeëiste persoon “nog steeds” als politiek gevoelig beschouwen en dat zij de opgeëiste persoon zelf zien als iemand die de territoriale integriteit van Marokko in gevaar brengt, heeft de rechtbank aangegeven dat het tijdsverloop en de aanvullende uiteenzetting van de feiten niets hebben veranderd aan het eerdere oordeel. Onbegrijpelijk acht ik dat oordeel geenszins gelet op hetgeen de rechtbank eraan ten grondslag heeft gelegd aangezien deze overwegingen verband houden met politieke betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij ontwikkelingen in Marokko die als politiek gevoelig kunnen worden aangemerkt. Inhoudelijke bezwaren daartegen worden in cassatie ook niet aangevoerd anders dan dat het de steller van het middel niet duidelijk is “[w]at de Rechtbank verder ook bedoeld moge hebben met haar overwegingen”.

29. Volgens de steller van het middel is ook het oordeel van de rechtbank dat de door de verzoekende staat gegeven garantie te algemeen en te vaag is om het reële gevaar van schending van art. 6 EVRM te kunnen uitsluiten niet zonder meer begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.

30. Voordat ik inhoudelijk inga op wat daarvoor is aangevoerd, herhaal ik de overweging van de rechtbank die betrekking heeft op de door Marokko afgegeven garanties:

“Volgens het proces-verbaal van 29 juni 2017 zijn de Nederlandse regering en de Marokkaanse regering onder meer het volgende overeengekomen:

3. De Marokkaanse regering garandeert de voorwaarden voor een eerlijk en transparant proces (aanwezigheid van Nederlandse advocaten, periodieke bezoeken van de ambassade, uitwisseling van informatie tussen de justitiële autoriteiten over het verloop van het proces, …).

In het licht van wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, acht zij de garantie te algemeen en te vaag om het reële gevaar te kunnen uitsluiten.”

31. Aangevoerd wordt dat gelet op de inhoud van de door Marokko gegeven garantie, het oordeel van de rechtbank dat deze te algemeen en te vaag is om het reële gevaar van schending van artikel 6 EVRM te kunnen uitsluiten niet zonder meer begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is. Inhoudelijk acht ik deze motiveringsklacht onvoldoende precies nu niet wordt aangegeven waarom de garantie naar het oordeel van de verzoeker tot cassatie niet “te algemeen en te vaag is”. De klacht komt erop neer dat de garantie wel afdoende is zonder dat dit nader wordt onderbouwd. Ik meen dat de klacht daarom niet voor bespreking in aanmerking komt.

32. De eerste deelklacht faalt in alle onderdelen.

(ii) De eis dat is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ter zake van de dreigende flagrante inbreuk een effectief rechtsmiddel ten dienste staat

33. De tweede deelklacht houdt in dat de rechtbank voorbij is gegaan aan het vereiste dat op basis van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat aan de opgeëiste persoon na te zijn uitgeleverd geen effectief rechtsmiddel ten dienste staat ter zake van de dreigende flagrante inbreuk. Hiertoe wordt onder meer een beroep gedaan op het reeds genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad.13

34. De eis dat is komen “vast te staan” dat de opgeëiste persoon “na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat” wordt in het overzichtsarrest gesteld in verband met de vraag of de uitleveringsrechter bij een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging bevoegd is te oordelen over een verweer waarin een beroep op het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR is gedaan. Slechts indien aan deze eis wordt voldaan, kan blootstelling van de opgeëiste persoon aan het risico van een dergelijke inbreuk in de verzoekende staat, leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. In andere gevallen komt het oordeel daarover toe aan de minister. De gedachte hierachter is dat indien nog niet vooraf vaststaat en dus zeker is dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk geen effectief rechtsmiddel ten dienste staat, de minister door de mogelijkheid om via het Ministerie van Buitenlandse Zaken informatie in te winnen of met de verzoekende staat in overleg te treden, meer mogelijkheden heeft om dat risico in te schatten en eventuele waarborgen te bedingen.14

35. De deelklacht stelt allereerst de vraag aan de orde naar de toepasselijkheid in de onderhavige zaak van de eis dat is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ter zake van de dreigende flagrante inbreuk een effectief rechtsmiddel ten dienste staat.

36. Voor de beoordeling van de tweede deelklacht is het toetsingskader van belang dat de rechtbank in de bestreden beslissing als volgt uiteen heeft gezet:

“8.3.2 Toetsingskader

Nu het uitleveringsverzoek niet is gebaseerd op een uitleveringsverdrag (vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, r.o. 3.5), brengt de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister van Justitie en Veiligheid mee dat de uitleveringsrechter op grond van zijn toetsing aan art. 6 EVRM de uitlevering slechts ontoelaatbaar kan verklaren, indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke verdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering (HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1441, r.o. 3.4.1).”

37. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat ook voor een uitleveringsverzoek als het onderhavige, dat niet berust op een “uitleveringsverdrag”, het toetsingskader moet worden aangehouden zoals dat in het overzichtsarrest van 21 maart 2017 uiteen is gezet voor de beoordeling door de uitleveringsrechter van een beroep op mensenrechtenschendingen.15 Dat het verdrag op grond waarvan de uitlevering wordt gevraagd, niet een “uitleveringsverdrag” is, “dwingt immers niet tot een andere bevoegdheidsverdeling”, zo wordt in de schriftuur met een beroep op het HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1441 aangevoerd.

38. Voordat ik inhoudelijk inga op hetgeen in cassatie wordt aangevoerd en het aan te leggen toetsingskader, zet ik uiteen waarom het onderhavige uitleveringsverzoek niet op een “uitleveringsverdrag” berust en waar het dan wel op berust.

39. Aan het uitleveringsverzoek hebben de Marokkaanse autoriteiten twee verdragen ten grondslag gelegd, te weten het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen 1988 en het Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad 2000. Beide verdragen zijn geen specifieke uitleveringsverdragen. Nederland en Marokko hebben geen bilateraal uitleveringsverdrag gesloten en zijn ook niet samen partij bij een specifiek multilateraal uitleveringsverdrag, zoals het Europees Verdrag betreffende uitlevering van de Raad van Europa (hierna: EUV).16 Wel zijn in de onderlinge verhoudingen twee bilaterale verdragen van kracht die betrekking hebben op andere vormen van internationale rechtshulp in strafzaken, te weten: het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake de overbrenging van gevonniste personen van 30 november 199917 en het Verdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko van 20 september 2010.18

40. Met betrekking tot uitlevering, bevatten beide verdragen waarop het Marokkaanse uitleveringsverzoek is gebaseerd, bepalingen waaruit volgt dat ze kunnen worden gebruikt als de naar Nederlands recht vereiste verdragsgrondslag voor uitlevering. Ik begin met artikel 6, derde lid, Verdrag tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen 1988, dat model heeft gestaan voor het daarop volgende artikel 16, vierde lid, Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad 2000.19

Artikel 6, derde lid, Verdrag van de VN tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen 1988 luidt:

“If a Party which makes extradition conditional on the existence of a treaty receives a request for extradition from another Party with which it has no extradition treaty, it may consider this Convention as the legal basis for extradition in respect of any offence to which this article applies. The Parties which require detailed legislation in order to use this Convention as a legal basis for extradition shall consider enacting such legislation as may be necessary.”20

Artikel 16, vierde en vijfde lid, Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad 2000 luidt:

“4. If a State Party that makes extradition conditional on the existence of a treaty receives a request for extradition from another State Party with which it has no extradition treaty, it may consider this Convention the legal basis for extradition in respect of any offence to which this article applies.

5. States Parties that make extradition conditional on the existence of a treaty shall:

a) At the time of deposit of their instrument of ratification, acceptance, approval of or accession to this Convention, inform the Secretary-General of the United Nations whether they will take this Convention as the legal basis for cooperation on extradition with other States Parties to this Convention; and
b) If they do not take this Convention as the legal basis for cooperation on extradition, seek, where appropriate, to conclude treaties on extradition with other States Parties to this Convention in order to implement this article.”21

41. Nederland heeft de in artikel 16, vijfde lid, Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad 2000 gevraagde verklaring afgelegd.22 Aan de toepassing van artikel 6, derde lid, Verdrag van de VN tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen 1988 zijn in het verdrag geen nadere eisen gesteld. Op basis van de tekst kan als belangrijk verschil met specifieke uitleveringsverdragen erop worden gewezen dat deze delict-specifieke verdragen niet tot uitlevering verplichten.23

42. In cassatie wordt aangevoerd dat het feit dat de verdragen op grond waarvan de uitlevering wordt gevraagd, geen uitleveringsverdragen zijn, niet dwingt tot een andere bevoegdheidsverdeling dan die uiteen is gezet in het overzichtsarrest en dus evenmin dwingt af te wijken van de twee cumulatieve eisen die in het overzichtsarrest worden gesteld aan de voorwaarden waaronder de uitleveringsrechter in gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd het beroep op een dreigende mensenrechtenschending mag beoordelen c.q. bevoegd is de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.

43. Ter ondersteuning wordt een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2014 dat betrekking heeft op uitlevering aan Rwanda waarmee Nederland evenmin een “uitleveringsverdrag” heeft en op een arrest van de Hoge Raad van 23 februari 2018.24 Over dat laatste arrest kan ik kort zijn: dat heeft betrekking op uitlevering aan Oekraïne waarmee Nederland een uitleveringsverdrag heeft, te weten het Europees Verdrag betreffende uitlevering. zodat het uitleveringsverzoek berustte op een “uitleveringsverdrag”. Het feit dat daarin het toetsingskader uit het overzichtsarrest werd gehanteerd, is daarom voor de onderhavige zaak niet relevant.25

44. In zijn arrest van 17 juni 2014 heeft de Hoge Raad overwogen dat het feit dat het in die zaak toepasselijke verdrag geen “uitleveringsverdrag” is, niet dwingt tot een andere bevoegdheidsverdeling. Het arrest heeft betrekking op een uitleveringsverzoek van Rwanda waarbij de vereiste verdragsgrondslag werd verschaft door het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, dat op 9 december 1948 te Parijs is gesloten (hierna: het Genocideverdrag 1948). Het Genocideverdrag 1948 is een van de verdragen die zich richten op een specifiek strafbaar feit en daarbij tevens desgewenst een verdragsgrondslag voor uitlevering bieden.

45. Namens de opgeëiste persoon was in deze zaak bij de rechtbank aangevoerd dat wegens het ontbreken van een “uitleveringsverdrag” niet zou mogen worden uitgegaan van de gelding van het vertrouwensbeginsel in de betreffende uitleveringsprocedure en dat de rechtbank daarom “ten volle moet toetsen of de opgeëiste persoon in Rwanda een eerlijk proces zou krijgen”. In cassatie werd geklaagd over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat “vanwege het ontbreken van een uitleveringsverdrag tussen Nederland en Rwanda niet mag worden uitgegaan van de gelding van het vertrouwensbeginsel in de onderhavige uitleveringsprocedure.” De Hoge Raad verwierp het middel en overwoog daartoe het volgende:

“3.3.

De Rechtbank heeft in de in het uitleveringsverzoek gegeven garanties een voldoende waarborg gezien dat de opgeëiste persoon in Rwanda een eerlijk proces zal krijgen, met inbegrip van het recht op hoger beroep. Gelet hierop geeft haar oordeel dat de enkele omstandigheid dat het recht op een eerlijk proces niet is vastgelegd in een uitleveringsverdrag het vertrouwensbeginsel niet zonder meer buiten werking stelt, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

3.4.1.

De bevoegdheidsverdeling tussen de rechter die over de toelaatbaarheid van een verzochte uitlevering moet oordelen en de Minister die, indien de rechter de uitlevering toelaatbaar heeft geoordeeld, uiteindelijk beslist of en zo ja onder welke condities daadwerkelijk tot uitlevering zal worden overgegaan, brengt mee dat de rechter op grond van zijn toetsing aan art. 6 EVRM de uitlevering slechts ontoelaatbaar kan verklaren indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke verdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering. De enkele omstandigheid dat het hier toepasselijke zogenoemde genocideverdrag niet een ‘uitleveringsverdrag’ is, dwingt niet tot een andere bevoegdheidsverdeling. Een en ander laat onverlet dat de uitleveringsrechter de Minister kan adviseren omtrent de vraag of de uitlevering ook daadwerkelijk zou moeten worden toegestaan, zoals de Rechtbank ook heeft gedaan.

3.4.2.

Het oordeel van de Rechtbank dat niet is gebleken van een risico als hiervoor onder 3.4.1 bedoeld, is niet onbegrijpelijk, ook niet in licht van hetgeen door en namens de opgeëiste persoon is aangevoerd.”

46. De steller van het middel gebruikt dit arrest van 17 juni 2014 om het overzichtsarrest uit 2017 uit te leggen, terwijl de rechtbank hetzelfde arrest gebruikt als grondslag voor een zelfstandig toetsingskader voor de beoordeling van een beroep op mensenrechtenschendingen indien het uitleveringsverzoek, anders dan in het overzichtsarrest, niet berust op een uitleveringsverdrag. Het arrest van 17 juni 2014 is een zeldzaam arrest van de Hoge Raad dat betrekking heeft op een uitleveringsverzoek dat niet berust op een uitleveringsverdrag en waarbij een beroep is gedaan op mensenrechtenschendingen.26

47. Uit het overzichtsarrest in combinatie met het arrest van 17 juni 2014 leidt de rechtbank af dat indien een uitleveringsverzoek niet berust op een “uitleveringsverdrag”, voor de beoordeling van een beroep op een dreigende schending van art. 6 EVRM het toetsingskader moet worden aangelegd zoals dat in laatgenoemde arrest is weergegeven en niet dat van het overzichtsarrest uit 2017. In dit oordeel ligt besloten dat volgens de rechtbank dit toetsingskader afwijkt van dat in het overzichtsarrest nu in vergelijking met het overzichtsarrest de expliciete eis ontbreekt dat de opgeëiste persoon “na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat”. De Hoge Raad beperkt zich in het arrest van 17 juni 2014 immers tot de eis dat “blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht”.27 Ik begrijp de beslissing van de rechtbank aldus dat zij kennelijk van oordeel is dat indien een uitleveringsverzoek niet berust op een “uitleveringsverdrag” de uitleveringsrechter slechts bevoegd is de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren indien is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht, zonder dat daarvoor is vereist dat is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.

48. Het arrest van 17 juni 2014 lees ik anders dan de rechtbank. De eis van het ontbreken van een effectief rechtsmiddel die in eerdere arresten van de Hoge Raad wel was gesteld,28 komt in dit arrest niet terug, maar dat hoefde ook niet omdat in de eraan ten grondslag liggende zaak niet was voldaan aan de eis die betrekking heeft op het vaststaan van een risico van een flagrante inbreuk. Het beroep op een mensenrechtenschending was om die reden al verworpen. De eis inzake het ontbreken van een effectief rechtsmiddel was in cassatie dus niet aan de orde. Daarmee mag uit het arrest van 17 juni 2014 niet zonder meer worden afgeleid dat de eis inzake het ontbreken van een effectief rechtsmiddel niet geldt bij uitleveringsverzoeken die niet op een uitleveringsverdrag zijn gegrond.

49. Uit het arrest van 17 juni 2014 kan wél worden opgemaakt dat de enkele omstandigheid dat het toepasselijke verdrag niet een “uitleveringsverdrag” is, niet dwingt tot een andere bevoegdheidsverdeling tussen de minister en de uitleveringsrechter. De Hoge Raad overweegt in rechtsoverweging 3.4.1 immers dat de enkele omstandigheid dat het hier toepasselijke zogenoemde genocideverdrag niet een “uitleveringsverdrag” is, niet dwingt tot een andere bevoegdheidsverdeling. Ook indien het uitleveringsverzoek niet berust op een “uitleveringsverdrag” geldt voor de bevoegdheidsverdeling met andere woorden het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een mensenrechtenschending, is voorbehouden aan de minister van Justitie en Veiligheid, zo volgt uit het arrest van 17 juni 2014. Dit uitgangspunt volgt ook uit het overzichtsarrest.

50. De Hoge Raad begint in rechtsoverweging 3.5 van het overzichtsarrest met het uitgangspunt “dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren”.29 Hieruit leidt de rechtbank af dat het overzichtsarrest niet van toepassing is op de onderhavige zaak omdat “het uitleveringsverzoek niet is gebaseerd op een uitleveringsverdrag”. De eerste volzin van de inleidende overweging van de Hoge Raad in het overzichtsarrest heeft echter geen betrekking op de “bevoegdheidsverdeling” tussen de uitleveringsrechter en de minister om over mensenrechtenschendingen te oordelen, maar op het “vertrouwen” inzake het respecteren van fundamentele rechten zoals die zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR waarvan bij een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag bij de beoordeling van een verweer door de minister of de rechter in beginsel moet worden uitgegaan. Daarmee is echter nog niet gezegd dat vertrouwen en de bevoegdheidsverdeling strikt van elkaar gescheiden kunnen worden.

51. In het uitleveringsverkeer geldt het vertrouwensbeginsel. Dit brengt onder meer mee dat in beginsel vertrouwen in de verzoekende staat wordt gesteld dat deze het fundamentele recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR zal eerbiedigen en de opgeëiste persoon in staat zal stellen om na diens uitlevering een beroep op een schending van deze rechten voor te leggen aan de rechter van de verzoekende staat, waarna deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces zoals dat in beide bepalingen is bedoeld. 30 Indien aan de twee cumulatieve eisen die de Hoge Raad in verband met een dreigende schending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR in onder meer zijn overzichtsarrest heeft gesteld, wordt voldaan, doorbreekt dit niet alleen het vertrouwen dat in de verzoekende staat wordt gesteld, maar vormt dit tegelijkertijd een reden om een uitzondering te maken op het uitgangspunt dat de minister en niet de uitleveringsrechter oordeelt over een beroep op dreigende mensenrechtenschendingen. Indien aan de twee cumulatieve eisen wordt voldaan, mag de uitleveringsrechter het beroep op deze dreigende mensenrechtenschendingen beoordelen en de uitlevering in verband daarmee ontoelaatbaar verklaren.

52. Waarop het vertrouwen in de verzoekende staat berust, heeft de Hoge Raad in het overzichtsarrest niet uitdrukkelijk aangegeven. Een aanwijzing daarvoor biedt het arrest van 8 juli 2003, het enige arrest waarnaar de Hoge Raad in het overzichtsarrest verwijst in het kader van de samenvatting op hoofdlijnen van zijn rechtspraak met betrekking tot verweren over mensenrechtenschendingen in uitleveringszaken.

53. Het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2003 heeft, net als het overzichtsarrest, betrekking op een uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten. Het vertrouwen dat de verzoekende staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren, onderbouwt de Hoge Raad als volgt:

“Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (Trb. 1980, 111) heeft kunnen afstemmen op de aard en de mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten van Amerika.

De Hoge Raad neemt derhalve als uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren.

Dat brengt mee dat evenzeer van dat vertrouwen uitgegaan moet worden bij toepassing in de Verenigde Staten van Amerika van het aldaar tot de strafprocessuele mogelijkheden behorende systeem dat een verdachte in voorkomend geval een plea agreement kan aangaan. Die mogelijkheid bestond immers ook reeds ten tijde van de bilaterale onderhandelingen die tot het onderhavige uitleveringsverdrag hebben geleid.

Dit vertrouwensbeginsel kan uitzondering lijden, voor wat betreft art. 6 EVRM, indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de nakoming van de uit het vermelde uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting in de weg staat.”31

54. Uit deze overwegingen kan worden opgemaakt dat het vertrouwen, dat de verzoekende staat fundamentele mensenrechten zal respecteren, kan berusten op het bestaan van een uitleveringsverdrag. Hetzelfde vertrouwen vormt de reden om de mogelijkheid voor de uitleveringsrechter om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren te beperken tot die gevallen waarin “blijkt”32 dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op enig hem in gevolge artikel 6 EVRM toekomend recht. In een later arrest heeft de Hoge Raad in de uitleveringsrelatie met de Verenigde Staten ook de aanvullende eis gesteld dat is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ter zake van die flagrante inbreuk geen effectief rechtsmiddel ten dienste staat. Ook daaraan heeft de Hoge Raad het vertrouwen ten grondslag gelegd dat berust op het bestaan van een uitleveringsverdrag.33

55. Een andere grondslag voor het vertrouwen dat de verzoekende staat fundamentele mensenrechten zal respecteren, heeft de Hoge Raad gegeven in uitleveringszaken die betrekking hebben op uitleveringsverzoeken van landen die partij zijn bij het EVRM. Illustratief is het arrest van 11 maart 2003 waarin de Hoge Raad voor het eerst als aanvullende eis stelt dat is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zal staan.

“3.3

De rechtspraak van de Hoge Raad kan, voorzover hier van belang, als volgt worden samengevat. Indien de uitlevering is verzocht teneinde de opgeëiste persoon (verder) te vervolgen, komt het in de gevallen — zoals hier — waarin zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, aan de rechter die moet oordelen over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering in het algemeen niet toe te beslissen over de vraag of in het kader van die strafvervolging enig in het EVRM gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is of dreigt te worden geschonden, omdat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen. Wat betreft art. 6 EVRM kan dit beginsel evenwel uitzondering lijden indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren in de weg staat aan nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. […]

3.4

De Hoge Raad is van oordeel dat voormelde opvatting precisering behoeft. In de gevallen waarin zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, brengt het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dat verdrag zal eerbiedigen, mee dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere) strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende Staat. Dit betekent dat de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering slechts dan moet wijken voor de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijnuitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.”34

56. In de uitleveringsrelatie met Marokko kan het vertrouwen niet op de grondslag berusten van een uitleveringsverdrag of op het feit dat de verzoekende staat partij is bij het EVRM. Evenmin kan dat vertrouwen berusten op het enkele feit dat Marokko partij is het bij het IVBPR nu Marokko het individueel klachtrecht niet heeft erkend. Daarmee is niet gezegd dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering in Marokko geen effectief rechtsmiddel ten dienste zal staan, maar slechts dat daarop niet mag worden vertrouwd op grond van het enkele feit dat Marokko partij is bij het IVBPR. Ter ondersteuning hiervan wijs ik ten eerste op het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 1984 waaruit dit uitdrukkelijk volgt met betrekking tot het EVRM in de tijd dat het individueel klachtrecht nog afzonderlijk moest worden erkend en de verzoekende staat dat nog niet had gedaan.35 Ten tweede volgt dit impliciet uit de genoemde arresten die betrekking hebben op de uitleveringsrelatie met de Verenigde Staten die toen wel partij waren bij het IVBPR maar niet het individueel klachtrecht hadden (en nog niet hebben) erkend en waarin de Hoge Raad het vertrouwen niet doet rusten op het (enkele) feit dat de Verenigde Staten partij zijn bij het IVBPR maar op het bestaan van een uitleveringsverdrag.36 Ten derde wijs ik op het VN mensenrechtencomité dat toezicht houdt op de naleving van het IVBPR. In haar General Comment No. 33 dat betrekking heeft op de verplichtingen van de verdragsluitende staten krachtens het Facultatief Protocol behorend bij het IVBPR, waarmee het individueel klachtrecht wordt erkend, merkt zij op dat een staat door partij te worden bij het Facultatief Protocol heeft erkend dat hij overeenkomstig artikel 2 IVBPR “has undertaken to ensure to all individuals within its territory or subject to its jurisdiction the rights recognized in the Covenant and to provide an effective and enforceable remedy in case a violation has been established.”37

57. Voor het stellen van beide cumulatieve eisen in zaken waarin het uitleveringsverzoek, zoals in de onderhavige zaak, niet op een uitleveringsverdrag berust, terwijl de verzoekende staat ook geen partij is bij het EVRM, kan een beroep worden gedaan op de overwegingen die de Hoge Raad aan de bevoegdheidsverdeling als zodanig ten grondslag heeft gelegd, te weten de parlementaire voorbereiding van de Uitleveringswet in combinatie met de beperkte mogelijkheden van de uitleveringsrechter om van de verzoekende staat waarborgen te bedingen opdat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet het slachtoffer zal worden van inbreuken op zijn fundamentele rechten. In zijn arrest van 15 oktober 1996 heeft de Hoge Raad hieromtrent overwogen:

“5.3.2

Blijkens de parlementaire geschiedenis van het wetsontwerp dat tot de Uitleveringswet heeft geleid liggen hieraan de volgende gedachten ten grondslag:

‘dat de regering de beschikking heeft over informaties omtrent de politieke situatie en de strafrechtspleging in andere landen, die voor de rechter ontoegankelijk zijn. Indien de regering zou worden gebonden aan het oordeel van de rechter, zou zij niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de te nemen beslissing. Een eventuele interventie van de Nederlandse regering in geval tegen de verwachting in toch discriminatoire vervolging plaatsvindt, zou daardoor aan kracht inboeten’

(Memorie van Antwoord, Kamerstukken II, 1965–1966, 8054, nr. 10, blz. 5).

Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat de uitleveringsrechter de mogelijkheid ontbeert om van de verzoekende staat waarborgen te bedingen opdat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet het slachtoffer zal worden van inbreuken op zijn fundamentele rechten.”38

58. Uit hetgeen de Hoge Raad hier aan de bevoegdheidsverdeling ten grondslag heeft gelegd, volgt ook dat (dreigende) flagrante inbreuken op enig de opgeëiste persoon ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht die nog kunnen worden afgewend door het verkrijgen van garanties van de verzoekende staat, niet bij de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering dienen te leiden.39 De ratio verzet zich er bovendien tegen om de uitleveringsrechter de uitlevering ontoelaatbaar te laten verklaren wegens een dreigende flagrante inbreuk op enig de opgeëiste persoon ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM of artikel 14, eerste lid, IVBPR toekomend recht indien de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ter zake van die flagrante inbreuk een effectief rechtsmiddel ten dienste zou staan.

59. Bij deze bevoegdheidsverdeling in combinatie met de twee cumulatieve eisen waaronder het ontbreken van een effectief rechtsmiddel, moet worden bedacht dat de beperkte bevoegdheid van de uitleveringsrechter om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren wegens een dreigende flagrante inbreuk, niet betekent dat de uitlevering zonder meer zal worden toegelaten indien in de procedure voor de uitleveringsrechter niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen effectief rechtsmiddel ter zake van die inbreuk ten dienste zal staan.40 Bij zijn beslissing op het uitleveringsverzoek zal de minister van Justitie en Veiligheid zich een oordeel moeten vormen omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten. In het overzichtsarrest wordt hieraan toegevoegd dat hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering zal moeten afwijzen.41 Hierbij zal de minister van Justitie en Veiligheid ook de vraag moeten betrekken of door middel van door hem te verkrijgen garanties van de verzoekende staat de dreigende inbreuk kan afwenden.

60. Op grond van het vorenstaande, kom ik tot mijn standpunt dat de bevoegdheidsverdeling zoals die in het overzichtsarrest is uitgewerkt, ook van toepassing is indien het uitleveringsverzoek niet berust op een “uitleveringsverdrag”. Deze bevoegdheidsverdeling brengt mee dat de uitleveringsrechter slechts bevoegd is de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren indien is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM of artikel 14, eerste lid, IVBPR toekomend recht en tevens dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.

61. Gelet op het vorenstaande zou de tweede deelklacht gegrond zijn, indien de rechtbank daadwerkelijk voorbij is gegaan aan het vereiste van een effectief rechtsmiddel. In de schriftuur houdende tegenspraak is aangevoerd dat in de vaststellingen van de rechtbank besloten ligt dat de opgeëiste persoon geen effectief rechtsmiddel ten dienste staat.

62. In het kader van de beoordeling van het verweer – dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht – heeft de rechtbank onder 8.3.5 met betrekking tot handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM om bekentenissen af te dwingen, overwogen dat in Marokko “rechters en officieren van justitie niet altijd een onderzoek instellen naar beweringen dat een bekentenis is verkregen door dergelijke handelingen en dat dergelijke bekentenissen soms worden toegelaten tot het bewijs” en dat een “reëel gevaar bestaat dat de verklaringen die [betrokkene 9] en [betrokkene 1] in 2010 hebben afgelegd zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met artikel 3 en deze verklaringen zullen worden toegelaten als bewijs in de strafprocedure tegen de opgeëiste persoon”. Deze overwegingen zijn gebaseerd op de door de rechtbank in 8.3.3 weergegeven “Relevante rapporten en beslissingen” en op de door de rechtbank in 8.3.4 weergegeven overgelegde verklaringen van (advocaten van) medeverdachten van de opgeëiste persoon.

63. De naar het oordeel van de rechtbank relevante rapporten en beslissingen zoals die onder 8.3.3 van de uitspraak zijn weergegeven houden achtereenvolgens onder meer in dat:

- in vijf van de zes zaken waarin de veroordelingen hoofdzakelijk waren gebaseerd op bekentenissen van verdachten die bij de rechter waren betwist, de Marokkaanse rechter onvoldoende heeft gedaan om te bepalen of die bekentenissen waren verkregen door marteling of door andere verboden handelingen (rapport van Human Rights Watch);

- in zaken met betrekking tot de veiligheid van de staat sprake is van een patroon van marteling en “ill-treatment” en vele personen zijn gedwongen tot het afleggen van een bekentenis en uitsluitend op basis van die bekentenis zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf (rapport van de United Nations Working Group on Arbitrary Detention);

- rechters en officieren van justitie in gevallen van beweerde marteling of het afdwingen van bekentenissen niet altijd medisch of ander onderzoek naar die bewering gelasten en

- het aantal gevallen waarin een vervolging wegens marteling of andere “ill-treatment” is ingesteld en waarin een veroordeling wegens dergelijk handelen is gevolgd nogal laag is gelet op het aantal klachten en de mate waarin er in het verleden sprake is geweest van marteling en “ill-treatment” (beide in de Concluding Observations on the Sixth Periodic Report of Morocco van de United Nations Human Rights Committee);

- in de zaak E. Asfari de Marokkaanse autoriteiten geen onderzoek hebben ingesteld naar de klacht dat hij tijdens zijn aanhouding, verhoor en detentie is onderworpen aan marteling door de Marokkaanse autoriteiten (beslissing van het Committee against Torture).

64. De door de rechtbank in 8.3.4 weergegeven overgelegde verklaringen van (advocaten van) medeverdachten in de Marokkaanse strafzaak in het kader waarvan de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht (hierna: de Marokkaanse strafzaak), houden in dat bekentenissen zijn afgelegd als gevolg van foltering en dat de advocaten van twee medeverdachten de wonden of littekens die het gevolg waren van de foltering zelf hebben waargenomen. In de zaak van een van deze medeverdachten hebben zowel de onderzoeksrechter als de zittingsrechter het verzoek om medisch onderzoek afgewezen. De medeverdachten [betrokkene 9] en [betrokkene 1] hebben aangevoerd dat zij hun belastende verklaringen in de Marokkaanse strafzaak hebben afgelegd na te zijn gefolterd. Op basis van deze vaststellingen is de rechtbank met zoveel woorden tot de conclusie gekomen dat een reëel gevaar bestaat dat de verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 1] zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met artikel 3 EVRM en deze verklaringen zullen worden toegelaten als bewijs in de strafprocedure tegen de opgeëiste persoon. Hierbij is van belang dat [betrokkene 9] en [betrokkene 1] medeverdachten zijn in de Marokkaanse strafzaak. De uitleveringsrechter heeft daaruit kennelijk afgeleid en daarmee vastgesteld dat het reële risico bestaat dat in de zaak tegen de opgeëiste persoon de bewering dat belastende verklaringen van de medeverdachten die zijn afgelegd na handelingen in strijd met artikel 3 EVRM evenmin door de Marokkaanse gerechten in de zaak van de opgeëiste persoon zullen worden onderzocht en voor het bewijs in zijn zaak zullen worden gebruikt.

65. Kan de uitspraak van de rechtbank nu zó worden gelezen dat daarin de vaststelling besloten ligt, dat de opgeëiste persoon ter zake van het door de rechtbank vastgestelde risico van een flagrante inbreuk, na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een effectief rechtsmiddel ten dienste staat?

66. In cassatie moet worden uitgegaan van de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld. De conclusie van de rechtbank, dat de opgeëiste persoon in de onderhavige zaak door te worden uitgeleverd zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces, berust op een aantal vaststellingen die ik hierboven heb samengevat. Daaruit blijkt dat de rechtbank ‘slechts’ heeft vastgesteld dat rechters en officieren van justitie “niet altijd” onderzoek instellen naar beweringen dat een bekentenis is verkregen door dergelijke handelingen en dat dergelijke bekentenissen “soms” worden toegelaten tot het bewijs, in plaats dat dit “altijd” gebeurt. In die vaststellingen ligt kortom besloten dat er een reële kans is dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zal staan ter zake van de door de rechtbank vastgestelde dreigende flagrante inbreuk, maar niet dat dit “vaststaat”, zoals is vereist. Hetgeen namens de opgeëiste persoon ter zitting is aangevoerd, wees ook al in deze richting.42

67. Gelet op het vorenstaande acht ik de tweede deelklacht gegrond.

(iii) Ongenoegzaamheid van de stukken

68. Over de derde deelklacht kan ik betrekkelijk kort zijn. De rechtbank heeft de uitlevering ook ontoelaatbaar verklaard wegens ongenoegzaamheid van de stukken gelet op het ontbreken van (1) een origineel of authentiek afschrift van het internationaal aanhoudingsbevel d.d. 19 mei 2015 alsmede (2) de Marokkaanse strafbaarstelling van deelneming.

69. Voordat ik inhoudelijk op deze deelklacht inga, wijs ik erop dat met betrekking tot beide stukken wordt aangevoerd dat het op de weg van de rechtbank had gelegen om de ongenoegzaamheid van de stukken aan de orde te stellen tijdens de regiezitting van 8 december 2017 en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om het dossier tijdig aan te vullen. Deze klacht stuit af op HR 15 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6313, NJ 2003/378, dat betrekking had op de eisen die worden gesteld aan de over te leggen stukken in weliswaar een ander uitleveringsverdrag maar in vergelijkbare bewoordingen. De Hoge Raad overwoog dat het in beginsel de taak is van de minister van Justitie (thans: en Veiligheid), toe te zien op de volledigheid van de door de verzoekende staat overgelegde stukken, om — indien zulks nodig of wenselijk is — te vragen om de noodzakelijke aanvulling op de gegeven inlichtingen, terwijl het de rechter vrijstaat om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden teneinde de verzoekende staat in de gelegenheid te stellen alsnog voor de nodige aanvulling van de stukken te zorgen. Hieruit maak ik op dat de in de schriftuur gewenste proactieve houding niet op de weg ligt van de uitleveringsrechter. Een bevestiging hiervoor lees ik in de daaropvolgende overweging van de Hoge Raad, dat de genoemde verplichting van de minister er niet aan in de weg staat dat de rechter de uitlevering ontoelaatbaar verklaart wegens de ongenoegzaamheid van de stukken.43 De uitleveringsrechter mag de officier van justitie dus faciliteren, maar is daartoe niet verplicht.

70. Inhoudelijk merk ik met betrekking tot de deelklacht op dat in cassatie alsnog vanwege de verzoekende staat door het Openbaar Ministerie zijn overgelegd het origineel van het internationaal aanhoudingsbevel d.d. 19 mei 2015, en de tekst van de Marokkaanse bepaling inzake deelneming. Een kopie van beide stukken is de dag erop, tezamen met een kopie van de schriftuur van het Openbaar Ministerie, aan de raadsman van de opgeëiste persoon verstuurd.44 De op 9 juli 2018 ingediende schriftuur houdende tegenspraak beperkt zich tot wat ik hier heb aangeduid als de eerste en tweede deelklacht.

71. Nu alsnog door de verzoekende staat het origineel van het internationaal aanhoudingsbevel is overgelegd en de tekst van de Marokkaanse bepaling inzake deelneming, kan de ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering niet langer berusten op de door de rechtbank geconstateerde ongenoegzaamheid van de stukken.45 Ook deze derde deelklacht acht ik gegrond.

72. Nu het middel terecht is voorgesteld kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven.

73. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot het oproepen van de opgeëiste persoon te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 In de vertaling van de Marokkaanse stukken wordt de opgeëiste persoon ook wel aangeduid als [de opgeëiste persoon] .

2 ECLI:NL:RBZWB:2018:1084. Naar aanleiding van het onderhavige uitleveringsverzoek zijn op 3 juli 2017 Kamervragen gesteld, die op 14 juli 2017 door de Minister van Veiligheid en Justitie, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken, zijn beantwoord: Aanhangsel Handelingen II 2016/17, 2337.

3 Uit de beantwoording van Kamervragen (zie voetnoot 1) kan worden afgeleid dat het uitleveringsverzoek aanvankelijk niet in behandeling kon worden genomen, omdat het betrekking heeft op een persoon die (tevens) de Nederlandse nationaliteit heeft en Marokko eerder niet bereid was tot de toezegging dat de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling zijn straf in Nederland zou mogen uitzitten. In dit verband is van belang dat art. 4 UW een terugkeergarantie verlangt, de verdragen op basis waarvan de uitlevering wordt verzocht niet tot uitlevering verplichten, terwijl art. 5, aanhef en onder a, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake de overbrenging van gevonniste personen van 30 november 1999 (Trb. 1999, 198) voorziet in een facultatieve weigeringsgrond indien de gevonniste persoon de nationaliteit heeft van de staat van veroordeling.

4 EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/360 m.nt. N. Keijzer (Othman/V.K.) par. 267: “the Court considers that the admission of torture evidence is manifestly contrary, not just to the provisions of Article 6, but to the most basic international standards of a fair trial. It would make the whole trial not only immoral and illegal, but also entirely unreliable in its outcome. It would, therefore, be a flagrant denial of justice if such evidence were admitted in a criminal trial.”

5 Zie de pleitaantekeningen van mr. Seebregts, p. 11.

6 Zie de pleitaantekeningen van mr. Seebregts, p. 15-17 en het proces-verbaal van de zitting, p. 4..

7 In de versie zoals die in de NJ is gepubliceerd, is “de opgeëiste persoon” in rov. 3.5 en 3.6, anders dan in het originele arrest van de Hoge Raad, aangeduid als “L.”, waardoor algemeen bedoelde overwegingen specifiek op de betreffende zaak betrekking lijken te hebben.

8 HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. N. Rozemond. Zie voorts EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/360 m.nt. N. Keijzer (Othman/V.K.) par. 259 “In the Court's case-law, the term ‘flagrant denial of justice’ has been synonymous with a trial which is manifestly contrary to the provisions of Article 6 or the principles embodied therein […]. Although it has not yet been required to define the term in more precise terms, the Court has nonetheless indicated that certain forms of unfairness could amount to a flagrant denial of justice. These have included: — conviction in absentia with no possibility subsequently to obtain a fresh determination of the merits of the charge […]; — a trial which is summary in nature and conducted with a total disregard for the rights of the defence […]; — detention without any access to an independent and impartial tribunal to have the legality the detention reviewed […]; — deliberate and systematic refusal of access to a lawyer, especially for an individual detained in a foreign country […].” en par. 267: “For the foregoing reasons, the Court considers that the admission of torture evidence is manifestly contrary, not just to the provisions of Article 6, but to the most basic international standards of a fair trial. It would make the whole trial not only immoral and illegal, but also entirely unreliable in its outcome. It would, therefore, be a flagrant denial of justice if such evidence were admitted in a criminal trial. The Court does not exclude that similar considerations may apply in respect of evidence obtained by other forms of ill-treatment which fall short of torture.”

9 EHRM 8 januari 2018, nr. 36417/16 (X./Zweden). Hoewel de overweging van het EHRM in paragraaf 57 dat “arbitrary detention and torture continue to occur in cases related to persons suspected of terrorism and considered a national security threat” een cumulatieve voorwaarde lijkt te stipuleren, betreffen het twee afzonderlijke, voldoende voorwaarden zoals blijkt uit de rapportages waarnaar daarbij ter ondersteuning wordt verwezen. In het bijzonder blijkt dat uit de rapportage van de VN werkgroep inzake willekeurige detentie waaruit door het EHRM in paragraaf 27 wordt geciteerd en waarin onder 23 wordt gewezen op getuigenverklaringen over foltering en onterende behandeling “in cases involving allegations of terrorism or threats against national security”, alsmede uit het in paragraaf 30 weergegeven landenrapport van het VN mensenrechtencomité waarin eveneens onder 23 wordt gewezen op foltering et cetera “particularly in the case of persons suspected of terrorism or of endangering State security or posing a threat to the territorial integrity of the State”.

10 EHRM 8 januari 2018, nr. 36417/16 (X./Zweden).

11 EHRM 25 september 2012, nr. 649/08 (El Haski/België) “88. […] dans le cas du moins où un « accusé » demande devant le juge interne l’exclusion de déclarations obtenues dans un Etat tiers au moyen, selon lui, de traitements contraires à l’article 3 infligés à une autre personne, il convient de suivre l’approche mise en exergue dans l’arrêt Othman précité. Ainsi, en tout cas, lorsque le système judiciaire de l’Etat tiers dont il est question n’offre pas de garanties réelles d’examen indépendant, impartial et sérieux des allégations de torture ou de traitements inhumains ou dégradants, il faut et il suffit, pour que l’intéressé puisse se prévaloir de la règle d’exclusion sous couvert de l’article 6 § 1 de la Convention, qu’il démontre qu’il y a un « risque réel » que la déclaration litigieuse a été ainsi obtenue. Il serait inéquitable de lui imposer une charge de preuve plus importante. […] 99. Selon la Cour, ces informations, issues de sources diverses, objectives et concordantes, établissent qu’il existait à l’époque des faits un « risque réel » que les déclarations litigieuses aient été obtenues au Maroc au moyen de traitements contraires à l’article 3 de la Convention. L’article 6 de la Convention imposait en conséquence aux juridictions internes de ne pas les retenir comme preuves, sauf à s’être préalablement assurées, au vu d’éléments spécifiques à la cause, qu’elles n’avaient pas été obtenues de cette manière […]” In zijn arrest in de zaak Othman/V.K. had het EHRM zich daar nog niet over uitgelaten maar dit uitdrukkelijk niet uitgesloten. Zie EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/360 m.nt. N. Keijzer (Othman/V.K.) par. 267, zoals hierboven weergegeven in voetnoot 8.

12 Vgl. wederom EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/360 m.nt. Keijzer (Othman/V.K.) par. 267. Zie hieromtrent voetnoot 8.

13 HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. N. Rozemond.

14 J.W. van der Hulst in WvSv/IISS, A.L. Melai/A.H. Klip e.a. 16.5.4 (actueel t/m 30-10-2014). Voor kritiek op dit argument zie o.a. randnummer 11 van de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Keijzer vóór HR 25-05-2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8387, NJ 2005, 243 en A.H. Klip in zijn noot onder dit arrest.

15 ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. N. Rozemond.

16 Het EUV staat ook open voor toetreding door niet-lidstaten van de Raad van Europa.

17 Trb. 1999, 198. Voorlopig toegepast vanaf 30 december 1999, i.w.tr. 1 mei 2001, Trb. 2001, 79, p. 1.

18 Trb. 2010, 285. I.w.tr. 1 december 2012, Trb. 2012, 221, p. 2.

19 D. McClean, Transnational Organized Crime. A Commentary on the UN Convention and its Protocols, Oxford: University Press 2007, p. 175 en 179.

20 Trb. 1989, 97, p. 24.

21 Trb. 2001, 68, p. 24 en 26.

22 Trb. 2004, 184, p. 3 “With reference to Article 16, paragraph 5, under a), the Kingdom of the Netherlands declares that it will take this Convention as the legal basis for cooperation on extradition with other States Parties to this Convention.”

23 McClean 2007, voetnoot 16, p. 180 “It was not possible to make the provision mandatory as some States insist on bilateral as opposed to multilateral extradition treaties.”

24 HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1441; HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:289.

25 HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:289 “3.6. De Rechtbank heeft overwogen dat de uitleveringsrechter slechts kan oordelen over een beroep op een voltooide schending van art. 3 EVRM en dat van zo een schending geen sprake is. Voorts heeft de Rechtbank ten aanzien van het beroep op een dreigende schending van art. 6 EVRM overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces noch dat de opgeëiste persoon daartegen geen rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat, terwijl het bij een beroep op een dreigende – niet flagrante – schending van art. 6 EVRM niet aan de uitleveringsrechter is te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep. 3.7. Het oordeel van de Rechtbank geeft, in het licht van de hiervoor onder 3.5 weergegeven bevoegdheidstoedeling aan de rechter en de Minister, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”

26 Vgl. HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0837 waarin het uitleveringsverzoek van de Verenigde Arabische Emiraten, net als in de onderhavige zaak, berustte op het Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad 2000 maar – voor zover dat kan blijken uit de arresten van de Hoge Raad in die zaak – geen beroep op mensenrechtenschendingen werd gedaan. Zie voorts HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8326, NJ 2006/408 m.nt. A.H. Klip waarin een beroep op mensenrechtenschendingen werd gedaan, en waarin het uitleveringsverzoek van Kenia – net als onderhavige zaak - berustte op het Verdrag van Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Mijn voormalige ambtgenoot Vellinga wees er overigens op dat tussen Kenia en Nederland wél een “uitleveringsverdrag” van kracht was dat – via de band van art. 6 lid 5 van het VN-verdrag in het onderhavige geval ook van toepassing was. Zie hieromtrent zijn conclusie onder randnummers 4-13. Zie hieromtrent ook de noot bij dit arrest van A.H. Klip onder 3-9.

27 De in het arrest aangelegde maatstaf van een flagrante inbreuk op “enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht” is ruimer dan de in het overzichtsarrest in r.o. 3.6 onder B sub (iii) onder a aangelegde maatstaf van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge “art. 6, eerste lid, EVRM” toekomend recht.

28 Zie HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312 en HR 20 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3308, m. nt. Y. Buruma.

29 Zie over de bevoegdheidsverdeling tussen de rechter en de minister in verband met het vertrouwensbeginsel T. Kraniotis, Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken, Serie Staat en Recht nr. 31, diss. Nijmegen, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 180-183.

30 HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, r.o. 3.6 “B. (i) Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. […](ii) Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.”

31 HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288 r.o. 3.1.2.

32 In het overzichtsarrest wordt als maatstaf aangelegd dat dit is komen vast te staan.

33 HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1534, NJ 2004/595 r.o. 3.4.2 “Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het hier toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika heeft kunnen afstemmen op de aard en mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten van Amerika, terwijl sedertdien die verdragsrelatie is gecontinueerd. Daarom is uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, LJN AE5288). Dit betekent dat de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering slechts dan moet wijken voor de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en in dat geval voorts (b) naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel ten dienste staat ter zake van die inbreuk (vgl. HR 11 maart 2003, NJ 2004, 42).”

34 HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004/42.

35 HR 27 maart 1984, NJ 1984/611 r.o. “5.1 Bij de beoordeling van dit middel moet worden vooropgesteld dat, indien uitlevering ten behoeve van een strafvervolging wordt verzocht in gevallen waarin zowel de verzoekende staat als de aangezochte staat zijn toegetreden tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder aan te duiden als: Europees Verdrag mensenrechten), het aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering moet oordelen, in het algemeen niet toekomt te beslissen over de vraag of door dan wel in het kader van die strafvervolging enig in dat verdrag gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon wordt geschonden of dreigt te zullen worden geschonden. In evenbedoelde gevallen moet immers in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat de desbetreffende bepalingen van het Europees Verdrag mensenrechten zal eerbiedigen.
Dit beginsel lijdt echter uitzondering indien de verzoekende staat geen verklaring als bedoeld in art. 25 Europees Verdrag mensenrechten heeft afgelegd, aangezien daaruit dan volgt dat 1. die staat zich niet bereid heeft getoond tot erkenning van de bevoegdheid van de Europese Commissie voor de rechten van de mens om kennis te nemen van verzoekschriften van personen die beweren het slachtoffer te zijn van schending van in het Europees Verdrag mensenrechten gegarandeerde rechten, en 2. de opgeëiste persoon geen gelegenheid zal krijgen zich tot genoemde Commissie te wenden indien de rechter van de verzoekende staat naar aanleiding van het reeds in de uitleveringsprocedure gedane en tegenover hem herhaalde beroep op de betrokken bepaling(en) van het Europees Verdrag mensenrechten eventueel niet mocht oordelen en beslissen zoals volgens vorenbedoeld vertrouwensbeginsel had mogen worden verwacht.

36 Ten tijde van HR 9 april 1991, NJ 1991/696 waren de Verenigde Staten nog geen partij bij het IVBPR hetgeen kan verklaren waarom het vertrouwen berust op het bestaan van een uitleveringsverdrag en de HR in r.o. 5.5 uitdrukkelijk afstand neemt van de overweging van de rechtbank die betrekking heeft op de toepasselijkheid van het IVBPR en het daarop gebaseerde vertrouwen: “5.1 Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de VS van 24 juni 1980 (Trb. 1980, 111) heeft kunnen afstemmen op de aard en de mate waarin de in het eerstgenoemde verdrag neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de VS. De rechtbank heeft mitsdien terecht tot uitgangspunt genomen dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde Europese verdrag zal respecteren. […]5.5 Met dit oordeel, waarin ligt besloten dat er geen ernstige reden is om te vrezen dat Van H. door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk als hiervoren onder 5.2 bedoeld, heeft de rechtbank het verweer op toereikende grond verworpen, wat er zij van wat zij in rubriek 6.3.11 van haar uitspraak heeft overwogen omtrent de toepasselijkheid van het IVBP. Voor zover het middel betrekking heeft op de verwerping van het hiervoren onder 5.3 vermelde verweer is het derhalve vruchteloos voorgesteld.”

37 VN document CCPR/C/GC/33, par. 14 (5 november 2008).

38 HR 15 oktober 1996, NJ 1997/533. Zo ook HR 25 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8387, NJ 2005/243 m.nt. A.H. Klip r.o. 3.4.1.

39 Vgl. V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning, diss. Amsterdam (VU), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 178. Zie ook Kraniotis, a.w., voetnoot 21, p. 205-208 en A. Smeulders, In staat van uitlevering, “Houden uitleveringsrechters in Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten voldoende rekening met het proces en de behandeliing die de opgeëiste persoon in de verzoekende staat na uitlevering te wachten staan?” diss. Maastricht, Inersentia, Antwerpen-Groningen, 2003, p. 248-259.

40 HR (Tweede Kamer) 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, NJ 2007/276 m.nt. A.H. Klip (Kesbir II).

41 HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. N. Rozemond r.o. 3.5.

42 Zie hetgeen ik daarover opmerkte onder randnummer 11.

43 Vgl. HR 15 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6313, NJ 2003/378 r.o. 3.13: “Gelet op het vorenoverwogene moet art. 12 BUV aldus worden begrepen dat het in beginsel de taak is van de Minister van Justitie, die ingevolge art. 19 UW dient toe te zien op de volledigheid van de door de verzoekende staat overgelegde stukken, om — indien zulks nodig of wenselijk is — te vragen om de noodzakelijke aanvulling op de gegeven inlichtingen, zij het dat het de rechter vrijstaat om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden teneinde de verzoekende staat in de gelegenheid te stellen alsnog voor de nodige aanvulling van de stukken te zorgen. Gelet op hetgeen in de art. 33 en 34 UW is bepaald staat voornoemde verplichting van de Minister er niet aan in de weg dat de rechter de uitlevering ontoelaatbaar verklaart wegens de ongenoegzaamheid van de stukken.” Art. 12 BUV komt inhoudelijk overeen met art. 13 EUV dat van toepassing is gelet op het bepaalde in achtereenvolgens art. 51a, derde lid, Uw, art. 6, vijfde lid, Verdrag van Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, Wenen 20 december 1988, Trb. 1989, p. 24 en 26 “Extradition shall be subject to the conditions provided for by the law of the requested Party or by applicable extradition treaties, including the grounds upon which the requested Party may refuse extradition.” en art. 16, zevende lid, Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, New York 15 november 2000, Trb. 2001, 68, p. 26 “Extradition shall be subject to the conditions provided for by the domestic law of the requested State Party or by applicable extradition treaties, including, inter alia, conditions in relation to the minimum penalty requirement for extradition and the grounds upon which the requested State Party may refuse extradition.”

44 Vgl. HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2938, NJ 2001/588 r.o. 3.5 waarin de raadsman van de opgeëiste persoon wél uitdrukkelijk zijn standpunt had kenbaar gemaakt over het in cassatie alsnog door de verzoekende staat overleggen van stukken.

45 Uit HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2295 valt af te leiden dat de Hoge Raad acht slaat op stukken die in cassatie worden overgelegd.