Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1085

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-10-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
17/03551
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2144
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. OM-cassatie. Beklag, conservatoir anderbeslag in het kader van de ‘Rotterdamse havenaffaire’. Art. 552a Sv en 94a.4 Sv. De rechtbank heeft bij de gegrondverklaring van het beklag kennelijk een andere dan de toepasselijke en dus onjuiste maatstaf aangelegd. De AG stelt zich op het standpunt dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd. Samenhang met 16/03592.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03551 B

Zitting: 2 oktober 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[klaagster 1] en [klaagster 2]

  1. De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 23 februari 2016 het klaagschrift van de klaagsters ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag, gegrond verklaard.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 16/03592 B. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld door het openbaar ministerie en mr. M. van der Horst, plaatsvervangend officier van justitie bij het Functioneel Parket, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Mr. N. Gonzalez Bos en mr. L.E.G. van der Hut, advocaten te Den Haag, hebben namens de klaagster het cassatieberoep schriftelijk tegengesproken.

  4. Het gaat in deze zaak om het volgende.

i) Op 23 oktober 2007 is door het OM op de voet van art. 94a Sv ten laste van [betrokkene 1] conservatoir anderbeslag gelegd op een BMW, type 745Li, chassisnummer [001] , toebehorende aan [klaagster 2]

ii) Op 4 februari 2014 is door het OM op de voet van art. 94a Sv ten laste van [betrokkene 1] conservatoir anderbeslag gelegd op de vordering(en) van [klaagster 1] op Maduro en Curiel's Bank N.V. te Curaçao.

iii) Deze beslagen zijn gelegd in het kader van een ontnemingsvordering tegen [betrokkene 1] naar aanleiding van de strafzaak die bekend is geworden onder de naam ‘Rotterdamse havenaffaire’. Deze strafzaak hield verband met faillissementen van verschillende bedrijven binnen het Rotterdamse Droogdok Maatschappij-concern (hierna: RDM-concern) ten behoeve waarvan het Havenbedrijf Rotterdam (hierna: HBR) kredietgaranties had verstrekt aan enkele investeringsmaatschappijen en banken.1

iv) Het strafrechtelijk onderzoek richtte zich voornamelijk op mogelijke onrechtmatigheden die zich in het kader van de faillissementen binnen het RDM-concern hebben voorgedaan en op de relatie tussen [betrokkene 1] , toenmalig eigenaar van het RDM-concern en [betrokkene 2] , de toenmalig directeur van het HBR.

v) [betrokkene 1] is door de rechtbank Rotterdam op 19 juli 2013 veroordeeld voor onder meer ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en bedrieglijke bankbreuk met betrekking tot faillissementen binnen het RDM-concern (te weten die van [A] BV, [B] BV en [C] BV).2

vi) Op 30 juni 2015 heeft het hof Den Haag [betrokkene 1] van de bedrieglijke bankbreuk vrijgesproken en veroordeeld voor ambtelijke omkoping van [betrokkene 2] en het medeplegen van valsheid in geschrift.3 Deze veroordeling is door het arrest van de Hoge Raad op 11 april 2017 onherroepelijk geworden.4
vii) In een afzonderlijke ontnemingsprocedure heeft het openbaar ministerie op 21 mei 2015 een ontnemingsvordering aan [betrokkene 1] betekend voor een bedrag van aanvankelijk ruim 42 miljoen euro. Deze vordering hield oorspronkelijk verband met de door de rechtbank jegens [betrokkene 1] bewezenverklaarde faillissementsfraude. Na de strafzaak in hoger beroep heeft het openbaar ministerie de vordering verhoogd tot 111 miljoen euro, gebaseerd op de bewezenverklaarde omkoping.5

viii) De rechtbank Rotterdam heeft op 21 april 2016 de vordering van het openbaar ministerie voor zover deze betrekking heeft op wederrechtelijk verkregen voordeel uit omkoping niet-ontvankelijk verklaard.6

ix) In hoger beroep heeft het hof Den Haag op 26 april 2018 deze beslissing vernietigd en de behandeling van de ontnemingsvordering teruggewezen naar de rechtbank Rotterdam.7

x) [klaagster 2] en [klaagster 1] hebben op 12 oktober 2015 ieder een klaagschrift ingediend en de rechtbank Rotterdam verzocht het conservatoir beslag op te heffen met last tot teruggave van het beslag aan [klaagster 2] , respectievelijk [klaagster 1]

xi) Bij de behandeling van dit klaagschrift stond de vraag centraal of er in casu sprake is van conservatoir anderbeslag zoals bedoeld in art. 94a lid 4 Sv en of er voldoende aanwijzingen zijn dat het beslagene geheel of ten dele aan de klaagsters is gaan toebehoren met het kennelijk doel de uitwinning te bemoeilijken of te verhinderen en dat klaagsters dit wisten of redelijkerwijze konden vermoeden.

xii) Zoals onder 1 vermeld heeft de rechtbank Rotterdam de beklagen van [klaagster 2] en [klaagster 1] gegrond verklaard en teruggave van het beslag gelast. Tegen deze beslissingen die door de rechtbank in één beschikking zijn gegeven richt zich het cassatieberoep van het OM.

5. Het middel bevat de klacht dat de rechtbank bij de beoordeling van de klaagschriften de onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, dan wel dat het oordeel van de rechtbank niet zonder meer begrijpelijk is.

5.1. De beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

‘’(…)

Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de klaagschriften van:

de naamloze vennootschap [klaagster 1] , klaagster 1,

(…)

en

[klaagster 2] , voorheen [D] Ltd, klaagster 3,

(…)

Procedure

Op 12 oktober 2015 zijn op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) klaagschriften ingediend.

De klaagschriften zijn op 13 oktober 2015 en op 28 oktober 2015 inhoudelijk door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. M.P. Kok en de raadsman zijn gehoord. Op 9 december 2015 is het onderzoek in raadkamer heropend en opnieuw gesloten. Op 9 februari 2016 is het onderzoek in raadkamer opnieuw heropend en gesloten.

(…)

Feiten

In 2007 is het openbaar ministerie een strafrechtelijk onderzoek onder de naam ‘Golf’ gestart tegen de belanghebbende [betrokkene 1] en anderen wegens onder andere faillissementsfraude, valsheid in geschrift en omkoping. In dat strafrechtelijk onderzoek is op 29 augustus 2007 door de rechter-commissaris een machtiging strafrechtelijk financieel onderzoek afgegeven. Binnen dit onderzoek zijn op diverse data op de voet van artikel 94a Sv beslagen gelegd.

Op 22 april 2010 is vervolgens door de rechter-commissaris een machtiging ex artikel 103 Sv tot een maximumbedrag van € 20.000.000,- afgegeven en op 2 oktober 2015 is voorts door de rechter-commissaris een machtiging ex artikel 103 Sv tot een maximumbedrag van €42.253.198,95 afgegeven.

Bij vonnis van deze rechtbank van 19 juli 2013 is de belanghebbende [betrokkene 1] veroordeeld ter zake van omkoping, valsheid in geschrift, bedrieglijke bankbreuk, meineed en het bezit van een vals reisdocument. Door het openbaar ministerie is bij de behandeling van de strafzaak tevens een ontnemingsvordering aangekondigd.

Bij arrest van 30 juni 2015 heeft het gerechtshof Den Haag de belanghebbende vrijgesproken van de bedrieglijke bankbreuken, meineed en het bezit van een vals reisdocument. De belanghebbende is veroordeeld voor omkoping en valsheid in geschrift. Tegen dit arrest is door het openbaar ministerie cassatie ingesteld.

Op 21 mei 2015 is de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, welk voordeel thans wordt geschat op € 42.253.198,95, aan de belanghebbende betekend.

(…)

Standpunten klaagsters en standpunt officier van justitie

De klaagsters hebben zich op het standpunt gesteld dat de beslagen onrechtmatig zijn gelegd, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 94a onder het vierde en het vijfde lid Sv. De transacties als gevolg waarvan de klaagsters over het beslagen vermogen zijn komen te beschikken, hebben een volstrekt legitiem karakter en daaraan lag telkens een reëel economisch motief en perspectief ten grondslag. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat op enig moment sprake is geweest van een schijnconstructie met als doel de uitwinning bij de belanghebbende te bemoeilijken. Het openbaar ministerie heeft ook niet inzichtelijk gemaakt of aangetoond waarom de klaagsters geweten zouden hebben of hadden moeten vermoeden dat sprake zou zijn van transacties met als kennelijk doel de uitwinning te bemoeilijken.

De klaagsters hebben zich daarnaast nog op het standpunt gesteld dat de voortduring van de beslagen onrechtmatig is, omdat daarvoor geen grond meer bestaat nu [betrokkene 1] is vrijgesproken van de feiten waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn gebaseerd. Met de gegeven vrijspraken ten aanzien van de bedrieglijke bankbreuken is de grondslag van de ontnemingsvordering en van de, ten behoeve van de ontnemingsvordering gelegde, beslagen komen te ontvallen, waardoor de gelegde beslagen niet, althans niet langer, rechtmatig zijn.

De officier van justitie heeft zich voor wat betreft het klaagschrift van klaagster 3 op het standpunt gesteld dat klaagster 3 niet ontvankelijk in haar beklag dient te worden verklaard. Namens klaagster 3 is op 29 januari 2008 een klaagschrift ingediend. Bij beschikking van 16 september 2008 is dit klaagschrift ongegrond verklaard. Thans zijn door klaagster 3 geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht, waardoor niet voldaan is aan de voorwaarden voor het indienen van een hernieuwd beklag.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de beklagen van de klaagsters 1 en 2 ongegrond dienen te worden verklaard, nu niet buiten redelijke twijfel vast kan worden gesteld dat de klaagsters als eigenaar kunnen worden aangemerkt. De feiten en omstandigheden die in de processen-verbaal met nummers 16122014.1545.rfm en 14022014.0920.rfm zijn gepresenteerd, laten enerzijds zien dat de voorwerpen aan een ander zijn gaan toebehoren om het verhaal te frustreren en anderzijds om bewust twijfel te creëren over de werkelijke eigendom. Deze werkwijze brengt met zich dat niet meer buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld wie de daadwerkelijke en/of formele eigenaar is.

De officier van justitie heeft zich in de derde plaats op het standpunt gesteld dat het beklag voor wat betreft de door de klaagsters gestelde onrechtmatigheid van het (voortduren van het) beslag wegens de vrijspraken voor de bedrieglijke bankbreuken onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd is. Nu geen sprake is van een algehele vrijspraak, laat staan een onherroepelijke uitspraak, bestaat thans geen reden om de ontnemingsprocedure te beëindigen of afwijzing hiervan te vrezen. Het belang van strafvordering is nog steeds onverkort gediend bij het voortduren van de conservatoire beslagen die dienen tot zekerheid van het recht van verhaal van een op te leggen ontnemingsmaatregel en/of geldboete. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, een ontnemingsmaatregel zal opleggen.

(…)

Ontvankelijkheid klaagster 3

Met betrekking tot het klaagschrift van klaagster 3 overweegt de rechtbank het volgende. Een hernieuwd beklag is slechts mogelijk op grond van nieuwe feiten en omstandigheden. Bij beschikking van 16 september 2008 is ten gronde beslist op een door klaagster 3 ingediend beklag tegen de inbeslagneming van hetzelfde voorwerp. Klaagster 3 heeft in haar huidige klaagschrift andere argumenten of omstandigheden gesteld dan die waarover bij voormelde beschikking een oordeel is gegeven. Immers, de veroordeling door het gerechtshof was op dat moment nog niet bekend.

Klaagster 3 zal daarom ontvankelijk worden verklaard in het beklag.

Beoordeling klachten

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

Bij de behandelingen van de klaagschriften in raadkamer is namens de klaagsters zeer uitvoerig betoogd dat er geen strafvorderlijk belang is bij handhaving van het beslag en dat de situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde lid, Sv niet aan de orde is.

Het openbaar ministerie heeft naar aanleiding van de onderbouwde argumenten van de klaagsters ruime gelegenheid gekregen kenbaar te maken op basis waarvan ten aanzien van het (resterende) beslag het strafvorderlijk belang thans nog aanwezig is. Gelet op het gevoerde verweer, de diverse raadkamerbehandelingen, het tijdsverloop en met name de heroverwegingen van het beslag in de overige klaagschriften, mag van de officier van justitie worden verwacht dat zij dit concreet en goed onderbouwd aangeeft. De officier van justitie heeft dit nagelaten. Als meest dragend argument voor de handhaving van het beslag worden de feiten en omstandigheden die in de processen-verbaal met nummers 16122014.1545.rfm en 14022014.0920.rfm zijn gepresenteerd genoemd. Nu de officier van justitie in de klaagschriftprocedure van [betrokkene 3] en [E] B.V. inmiddels besloten heeft tot teruggave van (delen van) het beslag, terwijl ook die beslagen in de voornoemde processen- verbaal worden beschreven, is de enkele herhaalde verwijzing naar deze processen-verbaal tegenover de onderbouwde argumenten van de klaagsters volstrekt ontoereikend om het strafvorderlijk belang bij de voortduring van het beslag ook nu nog voldoende aanwezig te achten.

Gelet hierop worden de klaagschriften van de klaagsters 1 en 3 gegrond verklaard. (…)’’

5.2.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking niet expliciet vastgesteld welke wettelijke bepaling de grondslag vormde voor het beslag, noch vastgesteld waarop onder [klaagster 1] en [klaagster 2] beslag is gelegd. Uit de stukken van het geding kan echter worden afgeleid dat op grond van art. 94a Sv beslag is gelegd op vorderingen dan wel tegoeden van [klaagster 1] op Maduro en Curiel’s Bank N.V. (hierna: MCB) ter waarde van 44.663,27 euro en een auto van het merk BWM 745Li van [klaagster 2] ter waarde van 11.666,- euro toebehorend aan [klaagster 2]8 In feitelijke aanleg was dit voor alle partijen duidelijk, althans is dit punt niet weersproken, zodat hiervan in cassatie moet worden uitgegaan.

5.3.

De klaagsters stellen eigenaar te zijn van de vorderingen, tegoeden en de auto die in het kader van een strafrechtelijk (financieel) onderzoek tegen de verdachte [betrokkene 1] conservatoir in beslag zijn genomen. Hier doet zich dus het geval voor dat een ander dan degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek is gericht, stellende dat het beslagen voorwerp hem in eigendom toebehoort, zich bij de rechtbank beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan hem.

5.4.

In een dergelijk geval dient de rechter die over het beklag heeft te oordelen, als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a lid 4 of 5 Sv voordoet.9 Indien buiten twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en zich niet de situatie voordoet als bedoeld in art. 94a lid 4 of 5 Sv, dient het inbeslaggenomen voorwerp aan de klager te worden teruggegeven. Onderzoek naar het belang van strafvordering is dan niet aan de orde.10

5.5.

Volgens de steller van het middel heeft de rechtbank onder het hoofdstuk "Beoordeling klachten", kort samengevat, overwogen dat de officier van justitie er naar haar oordeel niet in is geslaagd om "het strafvorderlijk belang" bij het voortduren van het beslag aan te tonen. Daarmee heeft de rechtbank niet de juiste maatstaf gehanteerd.

5.6.

Uit de hiervoor onder 5.1 weergegeven overwegingen van de rechtbank blijkt inderdaad niet dat zij de hiervoor onder 5.4 uiteengezette maatstaf heeft aangelegd. Door uitsluitend te overwegen dat wat de officier van justitie heeft aangevoerd volstrekt ontoereikend is om het strafvorderlijk belang bij de voortduring van het beslag ook nu nog voldoende aanwezig te achten, heeft de rechtbank kennelijk een andere dan de toepasselijke en dus onjuiste maatstaf aangelegd. Dat de rechtbank aan haar oordeel (mede) ten grondslag heeft gelegd dat ‘’namens de klaagsters zeer uitvoerig [is] betoogd dat er geen strafvorderlijk belang is bij handhaving van het beslag en dat de situatie als bedoeld in art. 94a, vierde lid, Sv niet aan de orde is’’ doet daaraan niet af omdat daaruit nog niet genoegzaam blijkt dat de rechtbank (zelf) onderzoek heeft gedaan naar de vraag of buiten redelijke twijfel is dat de klagers als eigenaren van de beslagen voorwerpen kunnen worden aangemerkt en zo ja, of zich in dat geval de situatie van art. 94a lid 4 of 5 Sv voordoet.11 De bestreden beschikking is reeds hierom ontoereikend gemotiveerd.

5.7.

Aangezien het middel reeds hierom slaagt behoeft de andere in het middel vervatte klacht, dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is, geen bespreking meer. Mocht de Hoge Raad hier anders over oordelen dan ben ik graag bereid hierover nader te concluderen.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Over deze kredietgaranties heeft de Hoge Raad op 27 mei 2016 uitspraak gedaan, ECLI:NL:HR:2016:994, in welke zaak Commerz Nederland N.V. kredietfaciliteiten had verstrekt aan het RDM-concern.

2 Rb Rotterdam 19 juli 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:5448.

3 Hof Den Haag 30 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2015:1752.

4 HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641.

5 Zie bijv. Hof Den Haag 26 april 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:953.

6 Rb Rotterdam 21 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2963.

7 Hof Den Haag 26 april 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:953.

8 Zie bijvoorbeeld het klaagschrift van [klaagster 1] , p. 3, het klaagschrift van [klaagster 2] , p. 1 en het verweerschrift van het openbaar ministerie, p. 2.

9 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.15. Art. 94a Sv is ingevolge de Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming van 31 maart 2011 (Stb 2011, 171) nadien gewijzigd zodat in het arrest 'art. 94a, derde of vierde lid, Sv’ in dit geval moet worden gelezen als 'art. 94a, vierde of vijfde lid, Sv'.

10 HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5407, rov. 2.3.

11 Vgl. HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:690 en de conclusie van AG Harteveld daarbij, ECLI:NL:PHR:2016:277 waarbij de rechtbank wel enig blijk geeft van dit onderzoek; zie ook HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:613.