Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1065

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-10-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
17/01185
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2150
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Art. 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Het onthouden van de nodige zorg aan dieren. Drie middelen. Falende klacht inzake nietigheid van de dagvaarding, falende bewijsklacht over invulling bestanddeel ‘het onthouden van de nodige zorg’ als bedoeld in art. 37 (oud) Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en falende klacht inzake systematische specialisverhouding tussen art. 37 gezondheids- en welzijnswet dieren en art. 4/ 5 besluit welzijn productiedieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01185

Zitting: 2 oktober 2018

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 28 februari 2017 de verdachte veroordeeld ter zake van het ‘zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren’ tot een geldboete van € 2.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen hechtenis, waarvan € 1.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J.L. Baar, advocaat te Den Haag, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Ten laste van de verdachte is door het hof bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 november 2011 tot en met 21 februari 2012 te Wateringen, gemeente Westland, op zijn terrein gelegen aan de [a-straat]

als houder van dieren, te weten paarden en stieren, die verbleven in boxen en/of loodsen en/of zeecontainers en/of op (buiten)terreinen aldaar, aan die paarden en stieren de nodige verzorging heeft onthouden,

immers hadden paarden en stieren in die boxen en/of loodsen en/of zeecontainers en/of (buiten)terreinen geen beschikking over (schoon) drinkwater en (vers/ geschikt) voer en stonden paarden en stieren in die boxen en/ of loodsen en/of zeecontainers en/of (buiten)terreinen op een vuile en/of drassige ondergrond en

waren op een van die (buiten)terreinen voorwerpen met scherpe randen en/of uitsteeksel aanwezig en

was/ waren

- bij 2 paarden de voorhoeven uitgegroeid en

- de vacht bij paarden en stieren bedekt met aangekoekte en/of oude mestresten.”

4. Het eerste middel klaagt over ’s hofs oordeel dat de dagvaarding niet aan enige nietigheid lijdt, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is, dan wel onvoldoende met redenen is omkleed.

5. Het hof heeft het verweer dat de dagvaarding partieel nietig is als volgt verworpen (onderstreept in het origineel):

“Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard. Hiertoe is kortgezegd aangevoerd dat in de onderhavige zaak onduidelijk is met betrekking tot welke dieren het verwijt al dan niet geldt. Nu niet blijkt op welke dieren wordt gedoeld, voldoet de tenlastelegging niet aan de uit artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voortvloeiende eis dat de dagvaarding de opgave van het feit behelst, aldus de raadsman.

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding in overeenstemming is met de eisen die zijn gesteld in het eerste lid van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, zodat geen sprake is van partiële nietigheid van de dagvaarding. Bij dat oordeel heeft het hof betrokken dat de tenlastelegging, bezien in samenhang met het dossier en artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD), voldoende begrijpelijk is, immers heeft de verdachte kunnen begrijpen welke strafbare gedragingen hem worden verweten en waartegen hij zich moet verdedigen. Daarnaast neemt het hof in overweging dat het dossier in zodanige mate de locaties van de aangetroffen toestanden aanduidt, dat het voor de verdachte, die als houder van deze dieren moet worden geacht te weten welke dieren op welke locatie verbleven, voldoende duidelijk is welke dieren het betreft.”

6. De steller van het middel betoogt in de kern dat de tenlastelegging in de onderhavige zaak onvoldoende feitelijk en duidelijk is met betrekking tot de opgave van het feit.

7. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Art. 261, eerste lid, Sv schrijft onder meer voor dat de dagvaarding een opgave van het ten laste gelegde feit moet behelzen en het tweede lid voegt daaraan toe dat ook de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan, moeten worden vermeld. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat de opgave van het feit een voldoende duidelijke en feitelijke omschrijving van het tenlastegelegde feit moet zijn.1 Ten aanzien van dat eerste vereiste dient het de rechter voldoende duidelijk te zijn wat het object van diens onderzoek is en aan de andere kant moet de verdachte voldoende houvast hebben om zich daartegen teweer te kunnen stellen.2 Over de vraag of de tenlastelegging voldoende feitelijk is, is in algemene termen weinig hards te zeggen, omdat die vraag sterk afhangt van het vervolgde delict en van de concrete gebeurtenis.3 In zaken zoals de onderhavige wordt in het algemeen niet vereist dat elk dier nauwkeurig in de tenlastelegging wordt omschreven of dat bijvoorbeeld oormerknummers van de betreffende dieren worden genoemd.4 Of de omschrijving voldoende feitelijk en duidelijk is, hangt naar vaste rechtspraak overigens niet alleen maar af van de omschrijving zelf. Ook het procesdossier, de houding en de verklaring van een verdachte en de pleitnota van de raadsman kunnen daartoe van belang zijn. Al met al zal zo specifiek mogelijk moeten worden omschreven wat de verweten gedraging is en op welke feiten (of dieren) die ziet. De cassatietoetsing inzake art. 261 Sv verschilt al naargelang het aspect dat aan de orde is. Over het algemeen stelt de Hoge Raad zich terughoudend op inzake de vraag of de tenlastelegging voldoende feitelijk en duidelijk is. Dit hangt samen met de grote vrijheid die de feitenrechter heeft bij de interpretatie van die tenlastelegging.5 Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt om te beoordelen of de omschrijving van de beschuldiging in de tenlastelegging, bezien tegen de voor de verdediging kenbare achtergrond van de resultaten van het voorbereidend onderzoek, de verdachte voldoende aanknopingspunten biedt om hem in staat te stellen zijn verdediging te voeren.

8. Aan de verdachte is in het onderhavige geval tenlastegelegd dat hij aan door hem gehouden paarden en stieren de nodige verzorging heeft onthouden. Zijn gedragingen worden in de tenlastelegging – voor zover hier van belang – als volgt gespecificeerd. De paarden hadden geen beschikking over (schoon) drinkwater en (vers/ geschikt) voer, zij stonden op een vuile en/of drassige ondergrond en op één van die (buiten)terreinen waren voorwerpen met scherpe randen en/of uitsteeksels aanwezig. Voorts is tenlastegelegd dat de voorhoeven van twee paarden waren uitgegroeid en dat de vacht bij paarden en stieren bedekt was met aangekoekte of oude mestresten.

9. De steller van het middel klaagt om te beginnen ten aanzien van het verwijt dat er scherpe randen of uitsteeksels in de verblijven aanwezig waren, dat noch uit de tenlastelegging, noch uit het dossier blijkt om welke behuizing of welk deel daarvan het gaat. Deze klacht mist feitelijke grondslag, nu uit het procesdossier (zie bewijsmiddel 1) blijkt dat het hierbij gaat om een door middel van een hek afgegrensd buitenterrein dat door middel van een uitloop verbonden was met de grote loods op het terrein gelegen aan de [a-straat] 2 te Wateringen. Voorts wordt geklaagd ten aanzien van het verwijt dat er paarden te mager waren. Nu de verdachte van dit verwijt is vrijgesproken, laat ik deze klacht hier onbesproken. Tot slot wordt ten aanzien van het verwijt dat twee paarden te lange voorhoeven hadden, geklaagd dat niet duidelijk is op welke paarden de tenlastelegging ziet. Uit het procesdossier blijkt weliswaar dat de verdachte 77 paarden hield (bewijsmiddel 2), maar dat het verwijt meer concreet betrekking heeft op twee van de acht paarden die zich in één grote box in de grote loods bevonden (bewijsmiddel 1). Daarmee heeft het hof het op dit punt door de verdediging gevoerde nietigheidsverweer kunnen verwerpen onder de overweging dat die ‘tenlastelegging, bezien in samenhang met het dossier en artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD), voldoende begrijpelijk is’. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat ‘het dossier in zodanige mate de locaties van de aangetroffen toestanden aanduidt, dat het voor de verdachte, die als houder van deze dieren moet worden geacht te weten welke dieren op welke locatie verbleven, voldoende duidelijk is welke dieren het betreft’. In het licht van het voorgaande is ’s hofs (motivering van zijn) oordeel dat de tenlastelegging voldoende duidelijk en feitelijk is, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.6

10. Het eerste middel faalt.

11. Het tweede middel klaagt dat het hof een onjuiste invulling heeft gegeven aan ‘het onthouden van de nodige zorg’ en heeft miskend dat daartoe meer nodig is dan een enkele momentopname of de enkele feitelijke beschrijving van een situatie van een dier op een bepaald moment, dan wel dat dit oordeel onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.

12. De bewezenverklaring steunt op de twee bewijsmiddelen als in de bij het arrest behorende bijlage, inhoudende een opgave van de bewijsmiddelen, genoemd.7

13. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De tenlastelegging is toegesneden op art. 37 (oud) Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: GWWD)8, dat ten tijde van het ten laste gelegde als volgt luidde:

“Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden”.

14. Dit artikel is onder meer als volgt toegelicht:

“Deze verbodsbepaling is afgesplitst van de bepalingen inzake dierenmishandeling van het Wetboek van Strafrecht. Vervallen zijn wel de zinsnede «zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is» en de term «nodeloos». Wij menen dat er geen enkel doel is dat het onthouden van de nodige verzorging als middel heiligt. In de huidige redactie behoeft er derhalve geen afweging tussen doel en middel meer plaats te vinden en is het onthouden van de nodige verzorging aan een dier zonder meer strafbaar. Deze bepaling maakt het mogelijk misstanden die zich meer incidenteel en vooral bij particulieren voordoen tegen te gaan. (…).” 9

15. Naar aanleiding van het in hoger beroep gevoerde verweer dat voor het ‘onthouden van de nodige zorg’ meer nodig is dan een enkele momentopname heeft het hof het navolgende overwogen (onderstreping in het origineel):

“Nadere bewijsoverweging

De verdediging heeft aangevoerd dat de bevindingen van de controleur Visscher niet kunnen worden beschouwd als meer dan een momentopname en onvoldoende zijn voor bewezenverklaring van overtreding van artikel 37 GWWD, en dat daaruit bovendien niet het bewijs kan volgen voor de tenlastegelegde periode die op 1 november 2011 begint.

Naar het oordeel van het hof kan evenwel uit de gebezigde bewijsmiddelen, met name de diergeneeskundige verklaring naar aanleiding van onderzoek op 21 februari 2012, worden afgeleid dat de op 13 februari 2012 aangetroffen situatie er het bewijs voor vormt dat de dieren in de tenlastegelegde periode gedurende enige tijd de nodige verzorging is onthouden.

In het bijzonder staat aan dat oordeel ook niet in de weg dat bij de dieren waarop de bewijsmiddelen betrekking hebben niet uit veterinair onderzoek zou zijn gebleken van een verminderde gezondheids- en/of voedingsconditie. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen bijvoorbeeld blijkt van:

- een bevroren drinkwatervoorziening, terwijl sprake was van aanhoudende vorst;

- beschimmeld en vervuild voedsel, en

- uitgegroeide voorhoeven.

Het verweer faalt.” 10

16. Uit de bewijsmiddelen blijkt onder andere dat een verbalisant van de Algemene Inspectiedienst/ Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zich op het terrein van de verdachte heeft begeven. Hij heeft de zogenoemde grote loods geïnspecteerd en trof aldaar 27 paarden aan, waarvan acht paarden in één grote box en 19 paarden in aparte boxen. In de grote loods was geen drinkwater aanwezig, noch was het mogelijk om drinkwater in de bakken te laten lopen. De acht paarden in de grote box hadden voorts niet de beschikking over een droge en schone ligplaats, de vacht van die paarden was op diverse plaatsen bezet met oude mestresten en bij twee paarden uit diezelfde box waren de voorhoeven uitgegroeid en niet tijdig bekapt. In de box die een uitloop naar het buitenterrein had, heeft de inspecteur meerdere scherpe randen van betonplaten gezien waaraan de paarden zich konden beschadigen. Voorts heeft hij aldaar beschimmeld voedsel aangetroffen. Het voedsel in de voedselbakken op het buitenterrein was bevroren en vermengd met kunststof verpakkingsmateriaal. In een kleinere loods werden vijf paarden gehouden en ook daar was de voederbak gevuld met bevroren voedsel en hadden de paarden geen of slechts bevroren drinkwater. De ondergrond was bezet met onder andere urine en mest en ook de vacht van deze paarden was bezet met oude mestresten. Tot slot heeft de inspecteur ook het verblijf van de stieren gecontroleerd. De ondergrond van dit verblijf was wederom bezet met een urine en mest, de stieren hadden geen droge en schone ligplaats en de vacht van de stieren was bezet met oude mestresten. Het voer en het drinkwater van de stieren was bevroren en beschimmeld, noch hadden zij op andere wijze toegang tot voer of drinkwater. Voorts is een diergeneeskundige verklaring opgemaakt en tot het bewijs gebezigd. Hieruit blijkt onder andere dat de (matige tot slechte) conditie van de in de verblijven van de verdachte aangetroffen dieren vanwege hun slechte leefomstandigheden en de afwezigheid van voldoende voedsel en drinkwater matig tot slecht was. Voorts wordt geconcludeerd dat de conditie van de dieren meerdere maanden geleden is ontstaan, minimaal twee maanden geleden, dat de leefomstandigheden al meerdere maanden tot jaren geleden in deze staat waren en dat de (afwezigheid van) toegang tot het voer één tot meerdere weken geleden is ontstaan. Door de slechte kwaliteit van het voedsel hebben de dieren in die afgelopen periode ook minder gegeten, aldus de diergeneeskundige verklaring. Tot slot blijkt uit deze verklaring dat de gezondheid/ welzijn van de dieren is benadeeld en dat hen derhalve de nodige verzorging is onthouden.

17. Ik merk in de eerste plaats op dat in cassatie slechts marginaal wordt getoetst of de feitenrechter tot de bewezenverklaring heeft kunnen komen; de Hoge Raad controleert slechts of de bewezenverklaring kán volgen uit de bewijsmiddelen.11 In casu heeft het hof onder meer vastgesteld dat de verdachte de door hem gehouden dieren onvoldoende en/of beschimmeld en bevroren voedsel en drinkwater heeft gegeven, dat de dieren zich in hun dierenverblijven konden bezeren aan scherpe voorwerpen en dat vachten vervuild zijn geraakt met onder andere mest en urine en dat van een aantal paarden de voorhoeven te lang niet zijn bekapt. Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte, als houder van de dieren, die dieren de nodige zorg heeft onthouden. Voor zover het middel klaagt dat ’s hofs oordeel slechts ziet op een momentopname, dan wel dat hij onvoldoende begrijpelijk/ gemotiveerd heeft geoordeeld dat geen sprake is van een momentopname, mist het feitelijke grondslag. Immers, uit de bewijsvoering van het hof, en in het bijzonder uit de diergeneeskundige verklaring, blijkt dat de matige tot slechte conditie van de dieren, evenals de slechte leefomstandigheden in de dierenverblijven, langere tijd daarvoor is ontstaan. De tegen dit oordeel gerichte klacht faalt dan ook.

18. Het tweede middel faalt.

19. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte het bewezenverklaarde strafbaar heeft geacht en heeft gekwalificeerd als een overtreding van art. 37 GWWD, terwijl aan de verdachte overtreding van een speciale strafbepaling, te weten art. 4 of 5 van het Besluit welzijn productiedieren, tenlastegelegd had dienen te worden, dan wel dat ’s hofs oordeel dat geen sprake is van een lex specialis en dat daarom geen beroep kan worden gedaan op ontslag van rechtsvervolging ontoereikend is gemotiveerd.

20. In hoger beroep is blijkens de ter terechtzitting overgelegde pleitaantekeningen het volgende aangevoerd (dikgedrukt en onderstreept in het origineel):

“Ontslag van rechtsvervolging

63. Indien tot een bewezenverklaring voor één of meerdere onderdelen van het tenlastegelegde gekomen wordt, is van belang dat cliënt voor een aantal onderdelen van die tenlastelegging ontslagen dient te worden van alle rechtsgevolgen, nu tot een kwalificatie van het tenlastegelegde artikel 37 GWWD niet gekomen kan worden.

64. Zo is tenlastegelegd dat de paarden en stieren geen of onvoldoende de beschikking hadden over drinkwater en voer. In artikel 4 lid 4 van het Besluit welzijn productiedieren (in werking tot 1-7-2014), is opgenomen dat een dier een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort geschikt voer moet krijgen. In artikel 5 lid 8 van dat Besluit is opgenomen dat een dier toegang moet hebben tot een toereikende hoeveelheid schoon water.

65. Ook is tenlastegelegd dat in de boxen scherpe randen of uitsteeksels aanwezig waren. In artikel 5 lid 4 van voornoemd besluit is opgenomen dat behuizing en inrichtingen voor de beschutting van een dier zodanig geconstrueerd moet zijn en in een zodanige staat van onderhoud moeten verkeren dat er geen scherpe randen of uitsteeksels zijn die het dier kunnen verwonden.

66. Naar deze artikelen van het besluit wordt in het rapport overigens ook verwezen. Het Besluit Welzijn Productiedieren betreft een uitwerking van het bepaalde in de artikelen 35, 38, 45 en 111 GWWD. In artikel 35 GWWD was ten tijde van de verweten gedragingen opgenomen dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de wijze waarop dieren mogen worden gehouden. Overtreding van artikel 35 GWWD was bovendien zelfstandig strafbaar gesteld onder artikel 1 sub 4 van de WED. Dat geldt eveneens voor artikel 45 GWWD.

67. Voor overtredingen die zien op de huisvesting is dus een aparte strafbaarstelling gecreëerd, een specialis. De vermeende gebreken in de huisvesting kunnen niet als 'het onthouden van de nodige zorg' gekwalificeerd worden.

68. Het gaat hiermee dus om een specialis van de algemene norm zoals neergelegd in artikel 37 GWWD. Daarbij is van belang op te merken dat het om een systematische specialis gaat. De verweten gedraging is hetzelfde, in die zin dat met overtreding van de normen neergelegd in het Besluit Welzijn Productiedieren, ook aan de - veel ruimere - delictsomschrijving van artikel 37 GWWD [wordt voldaan, D.P.]. De uitwerkingen van het bepaalde in de artikelen 35, 38, 45 en 111, zien echter op specifieke normen gericht tot productiedieren. Uit artikel 1 van dat Besluit blijkt dat het daarbij gaat om dieren die ten behoeve van landbouwdoeleinden worden gehouden of gefokt. Dat daar in casu sprake van is, leidt geen twijfel. Deze normen zijn mede tot stand gekomen naar aanleiding van Europese regelgeving. Van belang is evenwel dat uit de ratio achter deze normen, te weten het stellen van minimale verzorgingseisen voor productie van dieren, alsmede uit de plaats van die normen in de wet, volgt dat deze normen niet anders te zien zijn dan als een specifieke uitwerking van de algemene norm dat een dier niet de nodige verzorging mag worden onthouden.

69. Derhalve doet zich hier de situatie als bedoeld in artikel 55 lid 2 Sr voor, hetgeen maakt dat tot kwalificatie van de tenlastegelegde overtreding van artikel 37 GWWD niet gekomen kan worden.

70. Mocht voor deze onderdelen van de tenlastelegging tot een bewezenverklaring gekomen worden, dan verzoek ik uw hof cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging ten aanzien van deze onderdelen van de tenlastelegging.” 12

21. Het hof heeft hieromtrent onder de kop ‘strafbaarheid van het bewezen verklaarde’ het volgende overwogen:

“Door de raadsman van de verdachte is betoogd dat de verdachte ten aanzien van een aantal onderdelen van het ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren een vangnetbepaling (de algemene norm) is en dat in het onderhavige geval de tenlastelegging had moeten worden toegespitst op de meest specifieke strafbepaling, in dit geval de artikelen 4 (vierde lid) en 5 (vierde en achtste lid) van het Besluit welzijn productiedieren, aangezien die wetsbepalingen zich richten op dieren die ten behoeve van landbouwdoeleinden worden gehouden of gefokt. Het bewezenverklaarde kan derhalve niet gekwalificeerd worden, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent dat uit de wettekst en de wetsgeschiedenis van zowel de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren als het Besluit welzijn productiedieren niet blijkt dat de wetgever heeft beoogd één van de strafbepalingen als bijzondere (specialis) bepaling te laten gelden. Het verweer wordt derhalve verworpen.” 13

22. Het middel klaagt dat art. 4 of 5 van het Besluit welzijn productiedieren14 (hierna: het Besluit), dat zich specifiek richtte tot houders van productiedieren, ten opzichte van de in art. 37 GWWD neergelegde algemene norm, een bijzondere (specialis) strafbepaling vormt als bedoeld in art. 55, tweede lid, Sr, waardoor niet tot een kwalificatie van overtreding van art. 37 GWWD kan worden gekomen, hetgeen tot ontslag van rechtsvervolging dient te leiden. De steller van het middel betoogt dat uit de plaats in de wet, alsmede uit het feit dat het Besluit zich specifiek richt tot houders van productiedieren en mede tot stand is gekomen naar aanleiding van Europese regelgeving op grond waarvan lidstaten dergelijke normen moeten opnemen, volgt dat beoogd is een (systematische) specialisverhouding te creëren. De regels van het Besluit vormen een uitwerking van de artikelen 35, 38, 45 en 111 GWWD en zien op specifieke normen voor productiedieren. Daarbij gaat het om dieren die ten behoeve van landbouwdoeleinden worden gehouden of gefokt en daarvan is in het onderhavige geval evident sprake, aldus het middel.

23. Art. 55, tweede lid, Sr luidt als volgt:

Indien voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.”

24. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De bedoeling van art. 55, tweede lid, Sr is om de meest specifieke, dat is de meest op de situatie passende bepaling, bij uitsluiting van elke andere in aanmerking te doen komen, onverschillig of dit de lichtere of de zwaardere is.15 Indien een specialiteitsverhouding niet op grond van een letterlijke vergelijking van de delictsomschrijving moet worden aangenomen, maar op basis van het wettelijk stelsel en de bedoeling van de wetgever, wordt wel gesproken van ‘systematische specialiteit’. Een systematische specialis bevat niet alle bestanddelen van de algemene bepaling, maar wel een aantal specifieke andere bestanddelen.16 Van een (dwingende) systematische specialiteitsverhouding is bijna nooit sprake.17 Die is gereserveerd voor alleen die gevallen waarin het zonneklaar is dat de wetgever heeft bedoeld de vervolging voor het algemene delict uit te sluiten.18 Het openbaar ministerie en de rechter moeten in beginsel immers kunnen afgaan op de tekst van een strafbepaling.

25. Terug naar het onderhavige geval. De telastelegging in deze zaak is (uitsluitend) gebaseerd op het inmiddels vervallen art. 37 GWWD, welk artikel was opgenomen in hoofdstuk III van de GWWD betreffende de zorg voor het welzijn van dieren. Het bevatte een verbodsbepaling voor houders van dieren om die dieren de nodige zorg te onthouden. Een gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld bij het toenmalige art. 37 GWWD werd blijkens art. 121 GWWD beschouwd als misdrijf en op grond van art. 122, eerste lid, GWWD bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie. Indien dit misdrijf evenwel in de uitoefening van een beroep of bedrijf was gepleegd, kon op grond van art. 122, vierde lid, GWWD een geldboete van de naast hogere categorie worden opgelegd. Uit de parlementaire behandeling blijkt onder meer dat deze verbodsbepaling is afgesplitst van de bepalingen inzake dierenmishandeling van het Wetboek van Strafrecht en dat het onthouden van de nodige verzorging aan een dier zonder meer strafbaar is.19

26. Het (per 1 juli 2014 ingetrokken) Besluit is later tot stand gekomen dan de GWWD. Het strekte ter uitvoering van richtlijn nr. 98/58/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PbEG L 221) en was gebaseerd op de artikelen 35 (oud), 38 en 45 GWWD op grond waarvan regels konden (en ten dele nog kunnen) worden gesteld ten aanzien van de wijze waarop bepaalde soorten en categorieën dieren moeten worden gehouden, verzorgd en gehuisvest, alsmede op art. 111 GWWD,20 op grond waarvan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop de GWWD van toepassing is, regelen worden gesteld waarbij kan worden afgeweken van bepalingen van deze wet. Bij de richtlijn zijn concrete minimumnormen vastgesteld inzake de bescherming van landbouwhuisdieren.21 Overtreding van de voorschriften die bij algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 38, 45 en 111 GWWD zijn gesteld, zijn gekwalificeerd als economische delicten en vallen onder de Wet op de economische delicten (WED). Schending van de voorschriften die bij algemene maatregel van bestuur zijn gesteld op grond van artikel 35 GWWD vormde een overtreding in de zin van het commune strafrecht.22

27. De artikelen 4 en 5 van het Besluit luidden – voor zover hier van belang - als volgt:

“Art. 4

(…)

4. Een dier krijgt een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voeder zodat het in goede gezondheid blijft en aan zijn voedingsbehoeften wordt voldaan.

(…).

Art. 5

(…)

4. Behuizing en inrichtingen voor de beschutting van een dier zijn zodanig geconstrueerd en verkeren in een zodanige staat van onderhoud dat er geen scherpe randen of uitsteeksels zijn die het dier kunnen verwonden.

(…)

8. Een dier heeft toegang tot een toereikende hoeveelheid schoon water of kan op een andere wijze aan zijn behoefte aan water voldoen.

(…).”

28. De steller van het middel gaat ervan uit dat tussen art. 37 GWWD en de artt. 4 en 5 van het Besluit een (dwingende systematische) specialis verhouding bestaat, waardoor in onderhavige zaak niet tot een kwalificatie van overtreding van art. 37 GWWD had kunnen worden gekomen. Ik deel dit standpunt niet. Ik wijs erop dat het hof tevens bewezen heeft verklaard dat bij twee paarden de voorhoeven waren uitgegroeid en dat de vacht bij paarden en stieren bedekt waren met aangekoekte en/of oude mestresten. Daarmee heeft het hof tevens feiten bewezenverklaard die niet gedekt worden door de bepalingen van het Besluit en welke bewezenverklaring een kwalificatie van overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 37 GWWD zelfstandig kan dragen. Voorts vloeit uit het wettelijk stelsel en de wetsgeschiedenis niet evident voort dat handelingen die in strijd zijn met de minimumvoorschriften zoals neergelegd in het Besluit niet zouden mogen worden betrokken bij een vervolging wegens overtreding van art. 37 GWWD op basis van daarmee samenhangende feiten.23 De kwalificatie door het hof getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het oordeel dat geen sprake is van een (systematische) specialis door het hof toereikend is gemotiveerd door de overweging dat ‘(…) uit de wettekst en de wetsgeschiedenis van zowel de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren als het Besluit welzijn productiedieren niet blijkt dat de wetgever heeft beoogd één van die strafbepalingen als bijzondere (specialis) bepaling te laten gelden’.

29. Het derde middel faalt tot slot ook.

30. Alle middelen falen en de eerste twee middelen kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering.

31. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

32. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bijvoorbeeld HR 14 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0452, NJ 1997/720.

2 Zie: A.L. Melai, M.S. Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering, artikel 261 Sv, aantekening 11 onder a, bewerkt door D.H. de Jong (online bijgewerkt tot 11 mei 2015). Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Kluwer 2018, p. 661.

3 Zie: A.L. Melai, M.S. Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering, artikel 261 Sv, aantekening 12, bewerkt door D.H. de Jong (online bijgewerkt tot 11 mei 2015).

4 Zie: J.L. Baar, ‘Een schurftig schaap steekt de hele kudde aan’, Tijdschrift voor bijzonder strafrecht en handhaving, maart 2017/ nr. 1, p. 21-22. Voor een jurisprudentie-update van voornoemd artikel zie van dezelfde auteur: ‘Over schurftige schapen, natte geiten, dorstige honden en dikke eekhoorns’, Tijdschrift voor bijzonder strafrecht en handhaving, 2018/ nr. 2, p. 98.

5 Zie: A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 205.

6 Zie voor een vergelijkbaar geval de aan HR 3 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:1546, voorafgaande conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:834) van mijn ambtgenoot Machielse.

7 Zie de bijlage, inhoudende een opgave van de bewijsmiddelen behorende bij het arrest van 28 februari 2017 van het gerechtshof Den Haag van 7 augustus 2017, p. 1 – 10.

8 Op 1 juli 2014 is de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren vervallen. Het voorheen in art. 37 GWWD voorziene verbod is thans opgenomen in art. 2.2, achtste lid, Wet dieren.

9 Zie: Nota van Wijziging, Kamerstukken II 1984/1985, 16 447, nr. 7, p. 31.

10 Zie het arrest van het hof Den Haag d.d. 28 februari 2017, p. 6 – 7.

11 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 243.

12 Zie de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 februari 2017 gehechte pleitaantekeningen, p. 19 – 21.

13 Zie het arrest van het hof Den Haag van 28 februari 2017, p. 7.

14 Dit besluit is per 1 juli 2014 vervangen door het Besluit houders van dieren.

15 Vgl. E. André de la Porte, De telastelegging in strafzaken, diss. Leiden, Arnhem: Gouda Quint 1976, art. 350 Sv, aant. 3, p. 5, C.M. Pelser, De naam van het feit. Over de kwalificatiebeslissing in strafzaken, diss. Leiden, Arnhem: Gouda Quint 1995, p. 151 en J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 536.

16 Zie: C.M. Pelser in C.P.M. Cleiren (red.) Tekst en Commentaar Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, commentaar op art. 55, aant. 5.

17 Zie: J. de Hullu, a.w., p. 538.

18 Zie de aan HR 21 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:247, voorafgaande conclusie (ECLI:NL:PHR:2017:1542) van mijn ambtgenoot Hofstee onder punt 8.

19 Zie de toelichting zoals hiervoor is opgenomen onder randnummer 14.

20 Zie de nota van toelichting bij het Besluit van 16 december 1999, Stb. 1999, 568.

21 Zie art. 1, eerste lid, van richtlijn nr. 98/58/EG.

22 Vgl. de nota van toelichting bij het Besluit van 16 december 1999, Stb. 1999, 568.

23 Ook voor zover bepaalde feiten daarnaast en afzonderlijk als economisch delict zouden zijn telastegelegd, zou geen berechting door een economische kamer zijn voorgeschreven. Vgl. art. 39 WED.