Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1044

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-10-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
17/01742
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2151
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag, beslag auto. Art. 552a Sv en 116 Sv. Teruggave aan een ander dan klager/beslagene. AG herhaalt relevante overwegingen van de HR uit ECLI:NL:HR:2003:AF3826. De opvatting dat op grond van (in dit geval) Belgisch (civiel) recht moet worden vastgesteld of de beslagene bezitter te goeder trouw is, vindt geen steun in het recht. AG merkt ambtshalve op dat een onderzoek naar de goede trouw niet aan de orde is in het geval art. 3:86 lid 3 BW van toepassing is en de in voornoemd artikellid onder a en b bedoelde uitzonderingen zich niet voordoen. Het advies van de AG is de zaak met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering af te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01742 B

Zitting: 2 oktober 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[klaagster]

  1. De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 8 februari 2017 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot teruggave aan de klaagster van een personenauto van het merk Volkswagen Polo, ongegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Over de status van het beslag en de ontvankelijkheid van het beklag merk ik ambtshalve het volgende op.

i) Op 7 november 2016 heeft [klaagster] bij de rechtbank een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend strekkende tot teruggave aan haar van de onder haar op 10 juni 2016 inbeslaggenomen Volkswagen Polo.

ii) Uit namens mij ingewonnen inlichtingen bij de Dienst Domeinen is gebleken dat op 3 januari 2017 door het openbaar ministerie is besloten de inbeslaggenomen Volkswagen Polo terug te geven aan de belanghebbende [betrokkene 1] in Frankrijk.

iii) In het dossier bevindt zich geen schriftelijke kennisgeving als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv aan [klaagster] van het voornemen van de officier van justitie om de auto aan de rechthebbende [betrokkene 1] terug te geven.

iv) De rechtbank heeft op 8 februari 2017 haar beschikking op het klaagschrift van [klaagster] gewezen.

v) De auto is op 24 mei 2017 opgehaald door (een chauffeur van) [A] B.V. die door [betrokkene 1] daartoe was gemachtigd.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat tijdens de behandeling van het klaagschrift door de rechtbank, de auto feitelijk nog niet was teruggegeven aan [betrokkene 1], zoals ook blijkt uit het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 11 januari 2017 waarin is opgenomen dat de rechter heeft medegedeeld: ‘’De betreffende auto staat nog steeds in Hoogeveen en is nog niet terug naar Frankrijk.’’
In het geval dat het in beslag genomen voorwerp is teruggegeven aan een ander dan de beslagene, zonder dat blijkt dat art. 116 lid 3 Sv is toegepast, moet het volgens de Hoge Raad ervoor worden gehouden dat het beklag van de beslagene het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de officier van justitie om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene te doen teruggeven, alsof die teruggave nog niet heeft plaatsgevonden.1

Ik meen dat in het onderhavige geval, waarin de officier van justitie al wel tot teruggave heeft besloten maar daar vóór de uitspraak van de rechtbank nog geen (feitelijke) uitvoering aan heeft gegeven, hieraan gelijk moet worden gesteld. De klaagster was en is dus ontvankelijk in haar beklag, zowel ten tijde van de behandeling van het klaagschrift door de rechtbank als in cassatie.

4. Het middel bevat de klacht dat de rechtbank heeft miskend dat op grond van het toepasselijke Belgisch recht de bezitter van een roerende zaak vermoed wordt eigenaar te goeder trouw te zijn, zodat het oordeel van de rechtbank dat de klaagster niet als redelijkerwijs rechthebbende moet worden aangemerkt onbegrijpelijk is.

4.1. De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en daarbij, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

‘’(…)

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beklag uit van de navolgende feiten en omstandigheden:

1. onder klaagster is op 10 juni 2016 in beslag genomen:

- een personenauto, Volkswagen Polo

2. klaagster heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen.

Overwegingen

De raadsman van klaagster heeft in raadkamer ter aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat de broer van klaagster voor de aankoop van de auto de site “Stop Heling” heeft geraadpleegd. Die site beperkt zich niet alleen tot Nederland, maar maakt melding van alle gestolen goederen. Er is een reële prijs betaald voor de auto en er is een koopovereenkomst, autopapieren en een autosleutel van de betreffende auto. Pas later bleek dat de autopapieren vals waren. Klaagster heeft volledig te goeder trouw gehandeld.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering niet is gebaat bij het voortduren van het beslag, en dat hetgeen in beslag is genomen niet moet worden teruggegeven aan klager, maar aan [betrokkene 1], wonende te Frankrijk die redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt.

De rechtbank zal de officier van justitie hierin volgen en heeft hiertoe kennisgenomen van de van toepassing zijnde artikelen van het Belgisch Burgerlijk Wetboek en de artikel 3:86 lid 3 sub a BW. Kort gezegd dient de rechtbank na te gaan of klaagster kan worden aangemerkt als verkrijger te goeder trouw. Hierbij zijn alle omstandigheden van belang.

De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken is gebleken dat het betreffende voertuig op 17 april 2016 in Frankrijk is gestolen en dat [betrokkene 1] daarvan aangifte heeft gedaan.

De broer van klaagster heeft de auto via een Duitse internetsite gezien en heeft een afspraak gemaakt met de verkoper om de auto dezelfde dag nog in België te kopen en over te dragen. Deze overdracht heeft vervolgens plaatsgevonden in Luik, op een parkeerplaats naast een supermarkt.

Klaagster stelt dat de prijs van de auto marktconform was en dat alvorens de auto werd gekocht op de website “Stopheling” is gecontroleerd of de auto niet als gestolen stond gesignaleerd. Vervolgens is de auto aangeboden bij de RDW op 10 mei 2016. Uit onderzoek door de RDW op 11 mei 2016 is gebleken dat de auto in Frankrijk als gestolen stond gesignaleerd en dat de meegeleverde autopapieren vals waren.

De rechtbank is van oordeel dat klaagster onder de geschetste omstandigheden onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de herkomst van de in Duitsland aangeboden auto en daarmee niet kan worden aangemerkt als een verkrijger te goeder trouw.

De rechtbank is van oordeel dat teruggave aan klaagster om die reden niet gerechtvaardigd, te meer nu duidelijk is geworden dat de betreffende auto in Frankrijk is gestolen van [betrokkene 1], die daarmee een groter recht lijkt hebben op teruggave aan haar.

Dit brengt met zich dat het beklag ongegrond zal worden verklaard. (…)’’

4.2. Voor de beoordeling van het middel is het volgende relevant. In een geval als het onderhavige — waarin het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert en de officier van justitie heeft medegedeeld voornemens te zijn de inbeslaggenomen zaak te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene — zal de rechtbank moeten beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende op de zaak kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar daarbij zal hij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken.2

4.3. Volgens de steller van het middel wordt op grond van art. 2279 lid 1 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek (BBW) de bezitter van een roerende zaak vermoed eigenaar te zijn. Daarnaast wordt overeenkomstig art. 2230 BBW en 2268 BBW tevens de aanwezigheid van goede trouw vermoed. Uit HR 3 september 1999, NJ 2001/405 (Boon/RG Lease) blijkt dat voor de vraag welk nationaal recht van toepassing is op een koopovereenkomst, leidend is waar het voorwerp zich bevond ten tijde van de constituerende handeling van de overeenkomst zodat in dit geval het Belgisch recht van toepassing is op de koopovereenkomst van de klaagster. Volgens de steller van het middel getuigt het oordeel van de rechtbank dat niet de klaagster maar de bestolene [betrokkene 1] redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt daarom van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet (zonder meer) begrijpelijk.

4.4. Deze zaak vertoont gelijkenis met een zaak waarin de Hoge Raad op 6 mei 2003 uitspraak heeft gedaan.3 Daar ging het om een in Rome gestolen auto, waarvan de klager stelde dat de auto hem in Italië was geleverd en daar door hem was betaald. De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond door te overwegen dat de eigenaar (of zijn rechtsopvolger) op grond van art. 3:86 lid 3 BW het inbeslaggenomen goed gedurende 3 jaren, te rekenen vanaf de dag van de diefstal af, als zijn eigendom kan opeisen en de klager de auto niet bij een reguliere autohandel had gekocht zodat zich niet één van de in voornoemd artikellid onder a en b bedoelde uitzonderingen voordeden. In cassatie werd door de klager aangevoerd dat de rechtbank de aanspraak van de klager op de auto had beoordeeld aan de hand van art. 3:86 lid 3 BW, terwijl naar Italiaans recht had moeten worden vastgesteld of de oorspronkelijke eigenaar zijn eigendomsrecht tegenover de klager kon uitoefenen. De Hoge Raad verwierp het beroep met de overweging dat de opvatting dat naar Italiaans recht had moeten worden vastgesteld of de oorspronkelijke eigenaar zijn eigendomsrecht tegenover de klager kon uitoefenen geen steun vindt in het recht.4

4.5. Het middel in onderhavige zaak is gebaseerd op de opvatting dat de rechtbank naar buitenlands recht, in dit geval het Belgisch recht, had moeten vaststellen of de oorspronkelijke eigenaar haar eigendomsrecht tegenover de klaagster kon uitoefenen, althans dat de goede trouw van de klaagster naar Belgisch recht dient te worden vastgesteld. Die opvatting vindt echter, zoals uit de hiervoor genoemde beschikking blijkt, geen steun in het recht zodat het middel reeds hierom faalt.

5. Overigens meen ik dat de overwegingen van de rechtbank over de afwezigheid van de goede trouw van klaagster ten overvloede zijn gegeven. De rechtbank heeft namelijk vastgesteld dat de auto op 17 april 2016 is gestolen in Frankrijk en daarvan door [betrokkene 1] aangifte is gedaan. Ook heeft zij vastgesteld dat de broer van klaagster de auto via een Duitse internetsite heeft gezien en een afspraak met de verkoper heeft gemaakt om de auto in België te kopen. De overdracht heeft vervolgens plaatsgevonden in Luik, op een parkeerplaats naast een supermarkt. De rechtbank is er dus klaarblijkelijk van uitgegaan dat de klaagster de auto niet heeft verkregen van een vervreemder die in de uitoefening van zijn bedrijf handelde maar van een particulier. Op grond van art. 3:86 lid 3 aanhef BW5 komt in een dergelijk geval aan de benadeelde, in dit geval [betrokkene 1], het recht toe de auto als haar eigendom op te eisen.6 Anders dan het middel en de rechtbank lijken te veronderstellen, is in een dergelijk geval niet relevant of de klager de auto te goeder trouw heeft verkregen zodat de rechtbank dit in het midden had kunnen laten.7 De overweging van de rechtbank dat teruggave aan de klaagster niet is gerechtvaardigd ‘’(…) te meer nu duidelijk is geworden dat de betreffende auto in Frankrijk is gestolen van [betrokkene 1], die daarmee een groter recht lijkt hebben op teruggave aan haar’’, draagt het oordeel van de rechtbank dan ook zelfstandig, wat er ook zij van het oordeel van de rechtbank omtrent de goede trouw van de klaagster.

6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 30 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2480, NJ 1996/526 m.nt. Schalken; HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1656, rov. 3; HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9397 en HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2588.

2 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.10 en 2.12-2.13.

3 HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3826, NJ 2003/459.

4 HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3826, NJ 2003/459, rov. 3.4.

5 De relevante leden van art. 3:86 BW luiden: “1. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet-registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. 2. [….] 3. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen, tenzij: a. de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde; of b. het geld dan wel toonder- of orderpapier betreft.”

6 Vgl. HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0634, NJ 1997/390.

7 Vgl. HR 24 september 1996, NJ 1997/87 m.nt. ‘t Hart; HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9074.