Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1038

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-09-2018
Datum publicatie
21-12-2018
Zaaknummer
17/04066
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2361
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

IPR, internationaal publiekrecht. Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake vorderingen tot opheffing van in België gelegd conservatoir derdenbeslag en verbod om opnieuw conservatoir beslag te leggen; vorderingen gegrond op immuniteit van executie van internationale organisatie. Is sprake van burgerlijke en handelszaken (art. 1 lid 1 Verordening Brussel I-bis) en van exclusieve bevoegdheid van Belgische rechter (art. 24, aanhef en onder 5, Verordening Brussel I-bis)? Ambtshalve onderzoek van bevoegdheid door Hoge Raad (art. 27 Verordening Brussel I-bis). Prejudiciële vragen aan HvJEU.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2019/26 met annotatie van M. Teekens
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/04066

mr. P. Vlas

Zitting: 21 september 2018

Conclusie inzake:

1. Supreme Site Services GmbH, gevestigd te Glarus, Zwitserland

2. Supreme Fuels GmbH & Co KG, gevestigd te Frankfurt, Duitsland

3. Supreme Fuels Trading FZE, gevestigd te Ras al Khaimah, Verenigde Arabische Emiraten

(hierna tezamen: Supreme)

tegen

Supreme Headquarters Allied Powers Europe,

gevestigd te Mons/Bergen, België (hierna: SHAPE)

In dit kort geding heeft SHAPE, een in België gevestigd militair hoofdkwartier van de NAVO, opheffing gevorderd van een door Supreme, met verlof van de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, gelegd conservatoir derdenbeslag onder BNP Paribas te Brussel op het tegoed van een ‘escrow’ rekening. Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter, waarin het beroep van SHAPE op immuniteit van executie is gehonoreerd en het beslag is opgeheven, bekrachtigd. In het kader van het door Supreme ingestelde cassatieberoep, waarin de vraag centraal staat of er uitzonderingen gelden op de immuniteit van executie van een internationale organisatie, stel ik ambtshalve de vraag aan de orde of de onderhavige vordering tot opheffing van het in België gelegde conservatoir beslag valt onder het toepassingsgebied van de exclusieve bevoegdheidsbepaling van art. 24, aanhef en onder punt 5, EEX-Verordening.1

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.2SHAPE is een internationale organisatie, opgericht bij het ‘Protocol on the Status of International Military Headquarters set up pursuant to the North Atlantic Treaty’ van 28 augustus 19523 (hierna: Paris Protocol). In Brunssum is een regionaal hoofdkwartier gevestigd, ondergeschikt aan SHAPE, te weten Allied Joint Force Command Brunssum (hierna: JFCB).

1.2

Supreme heeft uit hoofde van Basic Ordering Agreements (hierna: BOA’s) onder meer brandstoffen geleverd aan SHAPE ten behoeve van de ISAF-missie van de NAVO in Afghanistan. Supreme bracht aan SHAPE daarvoor een prijs per liter in rekening, bestaande uit de kosten van de brandstof en een opslag voor andere kosten.

1.3

Op of omstreeks 15 november 2013 hebben JFCB en Supreme een zogenoemde Escrow Agreement ondertekend. Supreme is in de overeenkomst aangeduid als ‘the contractor’. De overeenkomst luidt onder meer als volgt:

‘RECITALS:

(-)

B. Upon expiry of the Contracts, certain adjustments, close down or trailing costs (‘Costs’) may be payable to Supreme by NATO Authorised Customers (as defined under the Contracts) or amounts owing due to overpayments will be outstanding and recoverable by NATO and NATO authorized Customers.

C. The parties acknowledge that payment for potential costs provided for in the contracts upon expiration of the BOAs will have limited invoicing mechanisms available.

Furthermore, NATO and/or NATO Authorized Customers may not have the requisite funds to pay validated costs upon expiry of the contracts. In order to address these practical issues, the parties have agreed to establish an escrow account under the provision of the Escrow Agreement for cover of indemnification claims or other adjustments and enter into the escrow arrangement as set forth below.

THE PARTIES AGREE as follows:

1. Appointment

1.1

The above recitals are incorporated below as if set forth at length. The Allied Command Operations (ACO) Corporate Accounting and Control (CAC) Officer has been designated as the Escrow Agent for the purpose set forth herein and that as the Escrow Agent accepts such appointment under the terms and conditions listed.

2. Establishment of Escrow Account

2.2

It is noted that ownership of the funds deposited, and that calculated under the Escrow Deposit (Para 3.2), remain that of NATO and NATO Authorized Customers, from the moment of payment by the NATO or NATO Authorized Customers. Any transfer of ownership of the funds deposited can only be executed for cover of approved indemnification claims or other adjustments.

3. Payment into the Escrow Account

3.2

The amount to be deposited each month by Supreme in the Escrow Account is calculated as follows: The (“Escrow Charge”) established as $ 0,05 USD multiplied by the number of liters for which payment has been received from the NATO and NATO Authorized Customers for the relevant month (“Payment Received”) = “Escrow Deposit”. (..)

3.3

On a monthly basis the contractor will transfer the Escrow Deposit into the Escrow Account. (..)

4. Responsibility of Contactor

4.4

The contractor will forward claims directly to the “Release of Funds” working group, and does not have any claim, right or title towards the escrow deposit.

5. Responsibility of the Escrow Agent

5.1

ACO CAC must act as a neutral third party and must ensure that the account is not closed prior to both parties signing a formal agreement that all responsibilities in accordance with the Basic Order Agreement (BOA) as contained in Schedule 1 are concluded.

5.5

The escrow Agent will only release funds to the contractor in line with the provisions of Para. 6 below, and only after duly authorization by the “Release of Funds” working group.’

1.4

Bij e-mail van 6 mei 2014 heeft [betrokkene 1] , General Counsel & Director of Security van Supreme, aan JFCB onder meer meegedeeld:

‘I understand that there is a view within JFC(B) that the monies in the Escrow Account can only be released with the approval of Supreme.

I have reviewed the agreement and I can see why this view might be taken. Whilst Clause 2.2 is clear (the monies in the Escrow Account are owned by NATO), under Clause 6 it might be interpreted that release of monies in the Escrow Account to Supreme can only happen if approved by Supreme and NATO.

My view (which is issued on behalf of Supreme Group as their official view) is that:

1. the monies in the Escrow Account are the property of NATO and do not require permission of Supreme to release them;

2. the release clause (Clause 6) is only to deal with the mechanisms of how monies would be released to Supreme once agreed by NATO; and

3. the monies in the Escrow Account remain the property of NATO until NATO decides to release any monies to Supreme - up until that point NATO can withdraw its money at any time it wishes.’

1.5

In een brief van (16) mei 2014 heeft kolonel [betrokkene 2] , Deputy Finance Controller van JFCB, aan Supreme onder meer meegedeeld:

‘As a result the two parties have agreed that a transfer of amounts owed to NATO and NATO approved nations would be deposited by Supreme Fuels into the established escrow account. The escrow account will be used to offset any contingent liabilities at the end of the BOA and any residual will be returned to nations prorated based on the amounts contributed.’

1.6

In de periode van november 2013 tot november 2014 is op de Escrow Account in totaal een bedrag van ongeveer USD 23 miljoen aan de zogenoemde close out-heffingen als bedoeld in art. 3 van de Escrow Agreement gestort, inclusief rente.

1.7

Naar aanleiding van financiële audits door JFCB bij Supreme heeft Supreme over het jaar 2013 ongeveer USD 122 miljoen aan NAVO terugbetaald wegens te veel in rekening gebrachte bedragen, de zogenoemde overpayments. Het terugbetaalde bedrag is gestort op de Escrow Account.

1.8

De Supreme Group wordt verdacht van omvangrijke fraude met betrekking tot leveringen en de berekening van kosten in het kader van de ISAF-missie. In november 2014 hebben twee onderdelen van de Supreme Group een schikking getroffen met de Amerikaanse autoriteiten. In Nederland zijn daarover Kamervragen gesteld.4

1.9

Bij dagvaarding van 1 december 20155 heeft Supreme SHAPE en JFCB gedagvaard voor de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, en gevorderd, samengevat, dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat Supreme aanspraak heeft op diverse bedragen en SHAPE en JFCB zal gebieden ervoor zorg te dragen dat die bedragen worden voldaan van het tegoed op de Escrow Account, al dan niet na bijstorting. Bij tussenvonnis van 8 februari 2017 heeft de rechtbank beslist dat zij bevoegd is om van de vordering van Supreme kennis te nemen. SHAPE is van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

1.10

Op 7 maart 2016 heeft BNP Paribas Supreme ervan in kennis gesteld dat SHAPE een bedrag van USD 74.084,83 van het tegoed van de Escrow Account wilde opnemen ter betaling van advocaatkosten.

1.11

Bij beschikking van 14 april 2016 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg aan Supreme verlof verleend tot het leggen van conservatoir derdenbeslag (vreemdelingenbeslag) onder BNP Paribas te Brussel op het tegoed op de Escrow Account voor een vordering wegens onbetaald gebleven kosten tot een bedrag van USD 217.857.167,00. Het beslag is op 18 april 2016 gelegd.6

1.12

SHAPE heeft bij dagvaarding van 17 maart 2017 Supreme gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg en in kort geding, voor zover in cassatie van belang, opheffing van het beslag gevorderd alsmede een verbod voor Supreme om opnieuw beslag te leggen op straffe van verbeurte van een dwangsom. SHAPE heeft aan deze vorderingen onder meer een beroep op immuniteit van executie ten grondslag gelegd.

1.13

Supreme heeft de vorderingen van SHAPE bestreden en onder meer aangevoerd dat het tegoed op de Escrow Account vatbaar is voor beslag, omdat SHAPE ten aanzien van deze rekening afstand van immuniteit heeft gedaan, althans omdat het tegoed een bestemming heeft die niet onverenigbaar is met de immuniteit, nu het tegoed is bestemd voor de afwikkeling van haar contractuele relatie met SHAPE en is gereserveerd dan wel aangewezen ter voldoening van haar vordering.7 Voorts heeft Supreme aangevoerd dat de erkenning van de immuniteit van executie in dit geval in strijd is met art. 6 EVRM, althans dat haar belang bij zekerheid voor verhaal van haar vordering zwaarder weegt dan het belang van SHAPE bij eerbiediging van zijn immuniteit.8

1.14

Bij vonnis van 12 juni 2017 heeft de voorzieningenrechter het conservatoire derdenbeslag opgeheven en Supreme verboden om opnieuw conservatoir (derden)beslag te leggen op het tegoed op de Escrow Account voor zover gegrond op dezelfde feiten als in dit geding aan de orde zijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

1.15

De voorzieningenrechter heeft kort samengevat overwogen dat SHAPE op grond van art. XI lid 2 Paris Protocol absolute immuniteit van executie toekomt en dat de in dat artikel voorziene uitzonderingen zich in dit geval niet voordoen (rov. 4.6). Van afstand van immuniteit is geen sprake (rov. 4.9). Het aanhouden van het tegoed in escrow houdt onmiddellijk verband met de vervulling van de aan SHAPE opgedragen taken, zodat het tegoed daarmee een publieke bestemming heeft (rov. 4.10). Vooralsnog bestaat onvoldoende grondslag om aan te nemen dat het tegoed op de rekening louter is gereserveerd of aangewezen ter voldoening van de vorderingen van Supreme (rov. 4.12-4.14). Het overeenkomstig internationaal recht toekennen van immuniteit van executie levert volgens vaste rechtspraak geen schending op van art. 6 EVRM (rov. 4.16-4.18). Het belang van Supreme bij zekerheid voor verhaal van haar beweerde vordering weegt volgens de voorzieningenrechter niet op tegen het belang van SHAPE bij eerbiediging van zijn immuniteit (rov. 4.19 en 4.21).

1.16

Op verzoek van Supreme heeft het hof ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 14 juni 2017 Supreme verlof verleend voor een zogenoemd turbospoedappel. Supreme heeft diezelfde dag een appeldagvaarding uitgebracht. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 16 juni 2017.

1.17

Bij arrest van 27 juni 2017 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Het hof heeft kort samengevat het volgende overwogen. Het hof acht zich bevoegd om als appelrechter over deze zaak te oordelen (rov. 3.6). Het hof baseert zijn internationale bevoegdheid om van het geschil kennis te nemen op art. 35 EEX-Verordening. Nu de Nederlandse rechter verlof heeft verleend tot het leggen van het beslag op de voet van art. 705 Rv, ligt daarin besloten dat de Nederlandse rechter bevoegd is dat beslag op te heffen (rov. 3.7). De in art. XI lid 2 Paris Protocol opgenomen immuniteit van executie is absoluut. Uitzonderingen op immuniteit van executie kunnen op internationaal gewoonterecht worden gebaseerd (rov. 3.11). Als regel van internationaal gewoonterecht kan worden aangenomen dat een uitzondering op immuniteit van executie op eigendom van een volkenrechtelijke entiteit kan worden aangenomen, indien wordt vastgesteld dat de eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door die entiteit voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden. Stelplicht en bewijslast daarvoor rusten op Supreme. In het kader van dit kort geding heeft Supreme voorshands niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de Escrow-overeenkomst de gelden op de Escrow-rekening geen publieke bestemming hebben (rov. 3.12). Supreme heeft voorshands niet aannemelijk gemaakt dat SHAPE afstand van immuniteit heeft gedaan (rov. 3.13). Uit de recitals van de Escrow-overeenkomst blijkt niet dat de gelden op de Escrow-rekening zijn gereserveerd of aangewezen om de vordering van Supreme te voldoen. Supreme heeft voorshands niet aannemelijk gemaakt dat het geld op de Escrow-rekening apart is gezet voor Supreme (rov. 3.14). Van strijd met art. 6 EVRM is geen sprake (rov. 3.15). Het belang van SHAPE bij handhaving van immuniteit van executie prevaleert boven het belang van Supreme bij verhaal van haar vordering op SHAPE (rov. 3.16). Het hof komt tot de slotsom dat de maatregel van conservatoir derdenbeslag niet had mogen worden genomen, dat het recht van SHAPE is geschonden en dat SHAPE daarmee de ondeugdelijkheid van het door Supreme ingeroepen recht aannemelijk heeft gemaakt, zodat het beslag terecht is opgeheven (rov. 3.19).

1.18

Supreme heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. SHAPE heeft geconcludeerd tot verwerping van het principaal cassatieberoep en tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Supreme heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, gevolgd door re- en dupliek.

2 Ambtshalve bespreking van de internationale bevoegdheid

2.1

Ambtshalve stel ik de vraag aan de orde of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om van de onderhavige vordering tot opheffing van het gelegde conservatoir beslag kennis te nemen. Is hier wellicht sprake van een exclusieve bevoegdheid op de voet van art. 24, aanhef en onder punt 5, EEX-Vo waarin is bepaald dat, ongeacht de woonplaats van partijen, voor de tenuitvoerlegging van beslissingen de gerechten van de lidstaat van de plaats van tenuitvoerlegging bij uitsluiting bevoegd zijn? Art. 27 EEX-Vo bepaalt dat het gerecht van een lidstaat waarbij een geschil aanhangig is gemaakt met als inzet een vordering waarvoor krachtens art. 24 EEX-Vo een gerecht van een andere lidstaat bij uitsluiting bevoegd is, zich ambtshalve onbevoegd verklaart. Deze verplichting geldt ook voor de Hoge Raad, zodat de Raad zich, zelfs buiten de middelen om, onbevoegd moet verklaren indien sprake is van een geschil waarvoor krachtens art. 24 EEX-Vo een gerecht van een andere lidstaat bij uitsluiting bevoegd is.9 Ik merk daarbij op dat schending van de in art. 24 EEX-Vo geregelde bevoegdheid een weigeringsgrond oplevert voor de erkenning van de beslissing in andere lidstaten (art. 45 lid 1, onder e, punt ii, EEX-Vo). Indien art. 24, aanhef en onder punt 5, EEX-Vo van toepassing is, zou niet de Nederlandse rechter bevoegd zijn het in België gelegde beslag op te heffen, maar de Belgische rechter als rechter van de lidstaat van de plaats van tenuitvoerlegging.

2.2

In het verzoek tot het leggen van conservatoir derdenbeslag van 11 april 2016 heeft Supreme betoogd dat de rechtbank Limburg bevoegd is om van dit verzoek kennis te nemen op grond van art. 7, aanhef en onder punt 5, EEX-Vo.10 Volgens Supreme is JFCB te beschouwen als een filiaal, agentschap of andere vestiging in de zin van voornoemde bepaling. De voorzieningenrechter heeft het verzochte verlof verleend. Voorlopige en bewarende maatregelen die zijn genomen door de rechter die zijn bevoegdheid heeft gebaseerd op een bevoegdheid voor de bodemprocedure – hieronder vallen de bevoegdheidsbepalingen van de EEX-Verordening met uitzondering van art. 35 EEX-Vo – komen voor erkenning en tenuitvoerlegging in een andere lidstaat onder de EEX-Verordening in aanmerking, mits de genomen maatregel vóór de tenuitvoerlegging aan de verweerder is betekend. De voorlopige of bewarende maatregel is in dat geval een beslissing in de zin van art. 2, aanhef en onder a, EEX-Vo. In de onderhavige zaak is het conservatoire beslag, nadat de rechtbank Limburg verlof had verleend tot het leggen daarvan, in België door de aldaar bevoegde autoriteit gelegd.

2.3

Het hof heeft in het bestreden arrest in rov. 3.5 overwogen dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van art. 35 EEX-Vo. Daarin is bepaald dat de in de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen bij de gerechten van die staat kunnen worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen. Tegen deze overweging zijn geen klachten gericht.

2.4

Ik merk geheel ten overvloede op dat een voorlopige of bewarende maatregel waarbij de bevoegdheid is gegrond op art. 35 EEX-Vo (en dus niet op een bevoegdheid voor de bodemprocedure) niet voor erkenning en tenuitvoerlegging in een andere lidstaat in aanmerking komt, maar uitsluitend territoriaal effect heeft. Dit volgt uit art. 2, aanhef en onder a, EEX-Vo en uit overweging 33 van de considerans van de EEX-Verordening.11

2.5

Voor de onderhavige zaak is de vraag van belang of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vordering tot opheffing van het door hem bevolen en vervolgens in een andere lidstaat (België) gelegde conservatoire beslag. Voor het antwoord moet worden nagegaan welke geschillen onder het geldingsbereik van art. 24, aanhef en onder punt 5, EEX-Vo vallen. Wat moet worden verstaan onder de in deze bepaling gebruikte woorden ‘de tenuitvoerlegging van beslissingen’?

2.6

Art. 24, aanhef en onder punt 5, EEX-Vo is gelijkluidend aan art. 22, aanhef en onder punt 5, van de versie van de EEX-Verordening (nr. 44/2001) zoals deze tot 10 januari 2015 heeft gegolden, en aan art. 16, aanhef en onder punt 5, EEX-Verdrag, zoals dit verdrag heeft gegolden tot aan het van toepassing worden van de EEX-Verordening (nr. 44/2001) op 1 maart 2002.12 In het Toelichtend Rapport van P. Jenard op het oorspronkelijke EEX-Verdrag van 27 september 1968 valt over art. 16 punt 5 EEX-Verdrag het volgende te lezen:

‘Wat moet worden verstaan onder geschillen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van vonnissen?

Hieronder moeten worden verstaan de geschillen die kunnen ontstaan door “het gebruik maken van de sterke arm, van dwangmaatregelen of van bezitsontneming van roerende en onroerende goederen (beslag) ten einde de materiële tenuitvoerlegging van beslissingen en akten te verzekeren”.

Moeilijkheden welke naar aanleiding van deze procedures ontstaan behoren tot de exclusieve bevoegdheid van het gerecht van de plaats van tenuitvoerlegging. Bepalingen in deze zin komen in verscheidene nationale rechtsstelsels voor’.13

2.7

Duidelijk is dat geschillen over de ‘exécution forcée’ onder het toepassingsgebied van (thans) art. 24, aanhef en onder punt 5, EEX-Vo vallen.14 Het gaat daarbij om bijvoorbeeld vorderingen tot nietigverklaring of opheffing van een executoriaal beslag, tot opschorting van de executie, tot beperking van het te executeren bedrag.15 Over de vraag of een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag onder deze exclusieve bevoegdheidsbepaling valt, wordt in rechtspraak en literatuur verschillend gedacht. Aan de ene kant wordt verdedigd dat deze exclusieve bevoegdheidsbepaling ruim moet worden uitgelegd en dat daaronder niet alleen geschillen over executoriale beslagen vallen, maar ook geschillen over conservatoire beslagen, waaronder de opheffing.16 Aan de andere kant wordt een enge uitleg bepleit, waarin de opheffing van een conservatoir beslag niet onder het geldingsbereik van deze exclusieve bevoegdheidsbepaling valt.17 Deze laatste opvatting sluit aan bij de strikte uitleg die het HvJEU geeft aan de exclusieve bevoegdheidsbepalingen. Deze bepalingen mogen niet ruimer worden uitgelegd dan hun oogmerk verlangt, omdat zij tot gevolg hebben dat partijen worden beroofd van de keuze van de rechter die hun anders zou toekomen en dat zij in bepaalde gevallen worden gedaagd voor een rechter die ten aanzien van geen van hen de eigen rechter van de woonplaats is.18 In de enge uitleg worden geschillen over conservatoire beslagen gebracht onder art. 35 EEX-Vo en niet onder art. 24, aanhef en onder punt 5, EEX-Vo.

2.8

In het algemeen zou ik menen dat de rechter die het verlof heeft verleend tot het leggen van het beslag, ook bevoegd is om dat beslag op te heffen. Dat is niet alleen praktisch, maar wordt ook gerechtvaardigd in het geval dat de bevoegdheid van de rechter tot het verlenen van het verlof tot leggen van het beslag is gegrond op een ‘bodembevoegdheid’ van de EEX-Verordening en de beslissing derhalve voor erkenning en tenuitvoerlegging in een andere lidstaat in aanmerking komt (zie hierboven onder 2.2-2.4).

2.9

In de onderhavige zaak is in de dagvaarding in kort geding als grond voor de opheffing van het conservatoire beslag primair schending van het aan SHAPE toekomende voorrecht van immuniteit van executie aangevoerd. Is het in dat geval niet verdedigbaar dat de exclusieve bevoegdheidsregel van art. 24, aanhef en onder punt 5, EEX-Vo wél van toepassing is? Volgens het HvJEU is art. 24 EEX-Vo gebaseerd op het bestaan van een bijzondere band tussen het geschil en de desbetreffende lidstaat.19 Procedures die in nauw verband staan met de tenuitvoerleggingsprocedure, vallen onder art. 24, aanhef en onder punt 5, EEX-Vo.20 De vraag of sprake is van immuniteit van executie waardoor het gelegde (conservatoir) beslag dient te worden opgeheven, staat in nauw verband met de tenuitvoerleggingsprocedure. Het garanderen van immuniteit van executie van een internationale organisatie is immers doorgaans een verdragsrechtelijke verplichting van de staat waar de internationale organisatie is gevestigd. De rechter van de staat waar het conservatoire beslag wordt gelegd (of dreigt te worden gelegd) is in dat geval het beste in staat de immuniteit van de desbetreffende internationale organisatie te beoordelen. Het kan niet zo zijn dat de rechter van de ene lidstaat (in dit geval Nederland) geroepen wordt te oordelen over internationaal-publiekrechtelijke verplichtingen van een andere lidstaat (België). Ik voeg hieraan toe dat de vraag of een internationale organisatie immuniteit van executie voor conservatoire beslagen geniet doorgaans op dezelfde wijze moet worden beoordeeld als de vraag naar de immuniteit voor executoriale beslagen.

2.10

Ik kom tot de slotsom dat twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of de vordering tot opheffing van een conservatoir beslag wegens immuniteit van executie valt onder het begrip ‘de tenuitvoerlegging van beslissingen’ in de zin van art. 24, aanhef en onder 5, EEX-Vo. Het HvJEU heeft zich over deze kwestie nog niet eerder uitgelaten, zodat geen sprake is van een ‘acte clair’ noch van een ‘acte éclairé’. Ik meen dan ook dat Uw Raad hierover een prejudiciële vraag aan het HvJEU dient te stellen. Hoewel het in deze zaak een kort geding betreft en de Hoge Raad in kort geding niet verplicht is tot het stellen van prejudiciële vragen21, acht ik de kwestie van zodanig belang dat het stellen van een vraag op zijn plaats is. Het komt vaker voor dat de Hoge Raad in kort geding procedures een prejudiciële vraag aan het HvJEU stelt.22 Een prejudiciële beslissing van het HvJEU kan duidelijkheid scheppen over de vraag of art. 24, aanhef en onder punt 5, EEX-Vo ook van toepassing is op geschillen inzake conservatoire beslagen en in het bijzonder op een geschil inzake de opheffing van een conservatoir beslag wegens immuniteit van executie.

2.11

Bij deze stand van zaken laat ik bespreking van het principale cassatiemiddel en het (voorwaardelijk ingestelde) incidentele middel achterwege. Beide middelen gaan in op de vraag of SHAPE het voorrecht van immuniteit van executie geniet. Indien Uw Raad aan het HvJEU vragen van uitleg over art. 24, aanhef en onder punt 5, EEX-Vo stelt, komt de bespreking van de cassatiemiddelen pas aan de orde in het geval dat het HvJEU de Nederlandse rechter bevoegd acht van de onderhavige vordering tot opheffing van het gelegde beslag kennis te nemen. Is dat niet het geval, dan is de Nederlandse rechter onbevoegd en behoeven de cassatiemiddelen geen behandeling.

2.12

Mocht Uw Raad oordelen dat het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU niet noodzakelijk is, omdat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen, dan zal ik in een nadere conclusie de cassatiemiddelen alsnog bespreken.

3 Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen, het Hof van Justitie van de EU zal verzoeken over de hierboven onder 2.10 bedoelde vragen van uitlegging van art. 24, aanhef en onder punt 5, EEX-Verordening uitspraak te doen en het geding zal schorsen totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van dat verzoek uitspraak zal hebben gedaan.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Verordening (EU) nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Herschikking), PbEU 2012, L 351/1 (hierna: EEX-Verordening, afgekort EEX-Vo). De EEX-Verordening is van toepassing geworden met ingang van 10 januari 2015.

2 Zie rov. 3.1.1-3.1.12 van het bestreden arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 27 juni 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2860, NJF 2017/317.

3 Trb. 1953, 11.

4 Zie de op 6 juni 2016 gestelde Kamervragen (kenmerk 2016Z11247) met het antwoord van de toenmalige minister van Defensie bij brief van 30 juni 2016 (kenmerk BS2016010119). Recentelijk zijn op 27 juni 2018 hierover opnieuw Kamervragen gesteld (kenmerk 2018Z12618), die door de minister van Defensie zijn beantwoord bij brief van 16 juli 2018 (kenmerk BS2018014289).

5 In rov. 3.1.11 van het bestreden arrest is abusievelijk 1 december 2016 vermeld. Zie o.a. de conclusie van antwoord van Supreme onder nr. 3, de appeldagvaarding van Supreme onder nr. 6 en voetnoot 13 op p. 3 van de schriftelijke toelichting van SHAPE.

6 Abusievelijk heeft het hof in rov. 3.1.10 van het bestreden arrest overwogen dat het beslag is gelegd op 16 april 2016. Ook de rechtbank vermeldt deze datum in rov. 2.10 van het vonnis van 12 juni 2017. De datum van 18 april 2016 is vermeld in nr. 1 van de inleidende dagvaarding (onder 1) in kort geding, en in nr. 1 en 52 van de conclusie van antwoord in kort geding.

7 Zie rov. 4.7 en 4.11 van het vonnis van de rechtbank Limburg van 12 juni 2017.

8 Zie rov. 4.15 en 4.19 van het vonnis van de rechtbank Limburg van 12 juni 2017.

9 Aldus HvJEG 15 november 1983, zaak 288/82, ECLI:EU:C:1983:326, Jur. 1983, p. 3663, NJ 1984/695, m.nt. L. Wichers Hoeth en J.C. Schultsz (Duijnstee/Goderbauer). Deze beslissing is gegeven onder de gelding van het oorspronkelijke EEX-Verdrag van 27 september 1968, maar heeft zijn betekenis behouden onder de gelding van de EEX-Verordening. Zie ook onder meer Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/274.

10 Zie productie 1, onder nr. 4 en 77, bij de inleidende dagvaarding in kort geding van 17 maart 2017, zoals te vinden in de door beide partijen overgelegde procesdossiers.

11 Overweging 33 luidt als volgt: ‘Wanneer voorlopige en bewarende maatregelen zijn gelast door een gerecht dat bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen, moet het vrije verkeer ervan worden gewaarborgd krachtens deze verordening. Voorlopige en bewarende maatregelen die door een gerecht als hierboven bedoeld zijn gelast zonder dat verweerder is gedaagd te verschijnen, mogen evenwel niet worden erkend en ten uitvoer gelegd, tenzij de beslissing waarin de maatregel is vervat, vóór de tenuitvoerlegging aan de verweerder is betekend. Dit laat de erkenning en tenuitvoerlegging van dergelijke maatregelen krachtens nationaal recht onverlet. Wanneer voorlopige en bewarende maatregelen zijn gelast door een gerecht van een lidstaat dat niet bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen, moeten de gevolgen van de maatregelen krachtens deze verordening worden beperkt tot het grondgebied van die lidstaat’.

12 Verdrag van 27 september 1968, Trb. 1969, 101 (zoals nadien aangepast aan de toetreding van diverse lidstaten), zie P. Vlas, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, EEX-Verdrag.

13 Rapport-Jenard, PbEG 1979, C 59, p. 36, bij art. 16, punt 5. Dit Rapport is ook opgenomen in Trb. 1969, 101 en in Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, Toelichtende Rapporten. Zie ook HvJEG 26 maart 1992, zaak C-261/90, ECLI:EU:C:1992:149, Jur. 1992, p. I-2149, NJ 1996/315, rov. 24-27 (Reichert II).

14 Zie Hélène Gaudemet-Tallon, Compétence et exécution des jugements en Europe, 5e éd., 2015, p. 132: ‘Cette compétence exclusive ne concerne que le contentieux de la réalisation de la mesure d’exécution, l’exécution proprement dite’.

15 Zie L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, 11e druk, 2015, nr. 254; S.J. Schaafsma, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel Ibis Verordening, aant. 9.

16 Zie o.a. J.P. Verheul, Rechtsmacht in het Nederlandse internationaal privaatrecht, deel 1, 1982, p. 121-122; H.E. Ras, De betekenis van het EEG-Executieverdrag voor de rechter van het land waar een onder het verdrag vallende zaak wordt aangebracht, TvP 1975, p. 888-889; H. Oudelaar, Civielrechtelijke executiegeschillen, 1992, p. 67-68; P.H.L.M. Kuypers, Forumkeuze in het internationaal privaatrecht, Serie Recht en Praktijk, deel 159, 2008, nr. 16.5.7, met verdere verwijzingen. Zie ook de volgende rechtspraak: Pres. Rb. Utrecht 4 juni 1996, rov. 4.2, te kennen uit Hof Amsterdam 31 oktober 1996, NIPR 1998/98; Pres. Rb. Roermond 4 oktober 2000, ECLI:NL:RBROE:2000:AH8244, KG 2000/214; Vzr. Rb Zwolle-Lelystad 1 juli 2008, ECLI:NL:RBZLY:2008:BG4030, NIPR 2009/59, rov. 4.4.2.

17 Zie Strikwerda, t.a.p.; Magnus/Mankowski/De Lima Pinheiro, Brussels Ibis Regulation (2016) Art. 24, nr. 77.

18 Zie o.a. HvJEG 14 december 1977, zaak 73/77, ECLI:EU:C:1977:208, Jur. 1977, p. 2382, NJ 1978/654 (Sanders/Van der Putte); HvJEG 10 januari 1990, zaak C-115/88, ECLI:EU:C:1990:3, Jur. 1990, p. I-00027, NJ 1991/572, m.nt. J.C. Schultsz (Reichert I), en het reeds aangehaalde arrest inzake Reichert II.

19 Zie HvJEG 4 juli 1985, zaak 220/84, ECLI:EU:C:1985:302, Jur. 1985, p. 2267, NJ 1986/509, m.nt. J.C. Schultsz (A-S Autoteile/Malhé), rov. 16. Deze beslissing heeft betrekking op art. 16 punt 5 EEX-Verdrag, maar heeft haar betekenis behouden onder de gelding van de EEX-Verordening.

20 HvJEG inzake A-S Autoteile/Malhé, reeds aangehaald, rov. 12.

21 Vgl. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/39.

22 Zie bijv. over kwesties met betrekking tot de rechterlijke bevoegdheid onder het EEX-Verdrag: HR 6 februari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4146, NJ 1982/280; HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1910, NJ 1999/338, m.nt. P. Vlas (Van Uden/Deco-Line).