Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1026

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-09-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
17/06097
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1982, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Familierecht. Nietigverklaring huwelijk. Geestvermogens t.t.v. sluiting huwelijk gestoord (art. 1:32 BW)? Ontbreken goede trouw echtgenoot (art. 1:77 lid 2 onder b BW)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/06097

mr. M.L.C.C. Lückers

Zitting: 7 september 2018

Conclusie inzake:

[de man]

(hierna: de man),

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. N.C. van Steijn

tegen

1. [de jongste dochter]

(hierna: de jongste dochter),

verweerster in cassatie,

advocaat: C.G.A. van Stratum

en

2. [de vrouw]

(hierna: de vrouw)

3. [de oudste dochter]

(hierna: de oudste dochter, en samen met verweerster sub 1: de dochters)

4. [de curator]

(hierna: de curator)

5. de gemeente Breda, in dezen vertegenwoordigd door [ambtenaar van de burgerlijke stand], ambtenaar van de burgerlijke stand (hierna: abs),

verweersters in cassatie,

niet verschenen.

In deze zaak is het huwelijk tussen een man en een dementerende vrouw nietig verklaard door rechtbank en hof en is de man geoordeeld niet te goeder trouw te zijn geweest. In cassatie klaagt de man hoofdzakelijk dat voor deze twee oordelen ten onrechte alleen gebeurtenissen en verklaringen zijn gebruikt die dateren van na de huwelijksvoltrekking, en dat deze niet tot de conclusie kunnen leiden dat de vrouw ten tijde van het sluiten van het huwelijk wilsonbekwaam was en de man niet te goeder trouw.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1:

(i) Naar aanleiding van een door de man op 1 april 2011 in de krant geplaatste advertentie met de titel: “[de man] zoekt een vrouw, maar heeft die nog niet gevonden...” heeft de vrouw contact met de man opgenomen.

(ii) De man en de vrouw hebben nog in april 2011 een relatie gekregen.

(iii) Twee weken na de eerste ontmoeting met de vrouw is de man ingetrokken bij de vrouw in haar koopwoning in Roosendaal.

(iv) Op 3 oktober 2013 is voor notaris [betrokkene 1] te Fijnaart het levenstestament van de vrouw gepasseerd, waarin de vrouw haar oudste dochter heeft gevolmachtigd om zowel haar vermogensrechtelijke als niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen indien sprake is van wilsonbekwaamheid aan haar zijde.

(v) Op 11 september 2015 is de vrouw met een delier opgenomen op de afdeling neurologie van het Bravis ziekenhuis te Roosendaal. Tijdens die ziekenhuisopname heeft geriater [betrokkene 2] geconstateerd dat er bij de vrouw sprake is van langer bestaande cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie2.

(vi) Op 15 september 2015 is de vrouw ontslagen uit het ziekenhuis en is zij terug naar huis gegaan.

(vii) Op 17 september 2015 heeft een van de beide huisartsen van de praktijk waar de vrouw patiënt was de vrouw thuis bezocht. De huisarts heeft op dat moment de indruk dat er bij de vrouw sprake is van een dementieel beeld. In overleg met geriater [betrokkene 2] heeft de huisarts vervolgens de GGZ (voor ondersteuning thuis) en een casemanager dementie ingeschakeld.

(viii) Op 28 september 2015 heeft de huisarts met de vrouw gesproken. De vrouw kende op dat moment de achternaam van haar vriend niet.

(ix) Vanaf medio september 2015 is het contact tussen de vrouw en haar dochters volledig verbroken.

(x) Bij brief van 30 oktober 2015 heeft het Bravis ziekenhuis de vrouw bevestigd dat er voor haar op 20 november 2015 afspraken zijn gemaakt bij de geheugenpolikliniek.

(xi) Op of omstreeks 16 november 2015 zijn de man en de vrouw in Bergen op Zoom bij notaris [betrokkene 3] geweest om over onterving van de beide dochters van de vrouw te spreken. Tijdens deze bespreking heeft de man hoofdzakelijk het woord gedaan.

(xii) Op 16 november 2015 is het huwelijk tussen de man en de vrouw in Breda voltrokken. Het betrof een huwelijk in gemeenschap van goederen.3

(xiii) Op 2 december 2015 heeft de huisarts het advies van de GGZ gekregen om een melding te doen bij Veilig Thuis, omdat iedereen bij de vrouw wordt weggehouden door de man.

(xiv) Op 4 december 2015 zijn de man en de vrouw op de praktijk van de huisarts geweest voor een consult naar aanleiding van een wond op een been van de vrouw. Volgens de huisarts heeft.de man tijdens dit consult volledig de leiding genomen, kwam de vrouw onzeker over en was bij haar op dat moment sprake van een duidelijk dementieel beeld. Tijdens het consult heeft de man aangegeven dat hij wel weet dat het niet goed gaat met de vrouw en dat de vrouw dementerend is.

(xv) Op 14 december 2015 heeft de GGZ met de man en de vrouw een afspraak gemaakt voor een huisbezoek op 18 december 2015, waarbij de man direct aan de GGZ heeft aangegeven dat de GGZ niet zou worden toegelaten tot de vrouw.

(xvi) Op 18 december 2015 is de GGZ niet binnengelaten bij de man en de vrouw, waarna de huisarts een melding bij Veilig Thuis heeft gedaan.

(xvii) Op 31 december 2015 heeft Veilig Thuis via de huisarts een melding ontvangen betrekking hebbend op mogelijk huiselijk geweld.

(xviii) Op 14 januari 2016 is voor notaris [betrokkene 3] het testament van de vrouw gepasseerd, waarin de beide dochters van de vrouw zijn onterfd en de man is benoemd tot enige en algehele erfgenaam van de vrouw.

(xix) Op 14 januari 2016 heeft de vrouw een door de man geschreven verklaring ondertekend, waarin zij alle door haar aan haar oudste dochter verleende volmachten per direct intrekt.

(xx) Medio februari 2016 is de vrouw dwalend in Roosendaal gezien en is de vrouw in een kledingzaak op zoek geweest naar een arts.

(xxi) Op 24 februari 2016 heeft een gesprek op het politiebureau plaatsgevonden, waarbij onder meer aanwezig zijn geweest: Veilig Thuis, een wijkagent, de GGZ, de huisarts en vervolgens ook de beide dochters van de vrouw. Er is toen gesproken over mogelijk huiselijk geweld, de geheugenproblemen van de vrouw en het onvoldoende toelaten van goede zorg bij de vrouw door de man.

(xxii) Op 14 maart 2016 acht Veilig Thuis verdere analyse/diagnostiek nodig naar de al langer bij de vrouw bestaande cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie. Het onderzoek van Veilig Thuis kan niet verder worden voortgezet, omdat de man niet meewerkt.

(xxiii) Op 16 maart 2016 wordt het dossier bij Veilig Thuis overgedragen van het cluster onderzoek naar het cluster regie.

(xxiv) Op 15 april 2016 bezoekt de vrouw, samen met de man, de geheugenpolikliniek van het Bravis ziekenhuis. In een gesprek met psycholoog/cognitief gedragstherapeut [betrokkene 4] verklaart de man dat ongeveer een jaar geleden bij de vrouw de eerste verschijnselen van geheugenproblematiek zijn begonnen, met een duidelijke knik vanaf september 2015 toen de vrouw met verwardheid werd opgenomen in het ziekenhuis. De man geeft ook aan dat hij in korte tijd een hele andere vrouw heeft gekregen. Neuroloog [betrokkene 5] en specialist ouderengeneeskunde [betrokkene 6] concluderen in hun naar aanleiding van het onderzoek van de vrouw opgemaakte verslag dat bij de vrouw sprake is van een gevorderd dementiesyndroom met een opvallend progressief verloop.

(xxv) Op 6 juni 2016 is de vrouw in verwarde toestand op straat aangetroffen en door passanten naar de politie gebracht. Vervolgens is de vrouw via de spoedeisende hulp opgenomen in het Bravis ziekenhuis.

(xxvi) Op 6 juni 2016 is de vrouw gezien door psychiater [betrokkene 7]. Volgens de psychiater vormt de vrouw een gevaar voor zichzelf om opnieuw in een verwarde toestand op straat te gaan. Opname van de vrouw binnen de GGZ-ouderenzorg lijkt volgens de psychiater geïndiceerd.

(xxvii) Op 14 juni 2016 is de vrouw in bewaring gesteld krachtens de Wet BOPZ en opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.

(xxviii) Bij beschikking van deze rechtbank van 16 juni 2016 is de inbewaringstelling van de vrouw voortgezet.

(xxix) Bij beschikking van deze rechtbank van 11 juli 2016 is een voorlopige machtiging verstrekt tot het doen voortduren van het verblijf van de vrouw in het psychiatrisch ziekenhuis tot en met 11 januari 2017.

1.2

Bij op 13 april 2016 ontvangen inleidend verzoekschrift heeft de jongste dochter de rechtbank Zeeland-West-Brabant verzocht om het op 16 november 2015 tussen de man en de vrouw gesloten huwelijk nietig te verklaren in dier voege dat de nietigverklaring terugwerkt tot het tijdstip van het aangaan van het huwelijk.

Zij heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de geestvermogens van de vrouw ten tijde van de huwelijksvoltrekking zodanig gestoord waren dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen, zoals bedoeld in art. 1:32 BW.

1.3

De oudste dochter heeft een instemmingsverklaring met betrekking tot dit verzoek ingediend. Ook de gemeente Breda heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd, en daarbij verzocht om een nader onderzoek door medisch deskundigen te bevelen.

1.4

De man heeft verweer gevoerd en verzocht het verzoek af te wijzen.

1.5

Nadat op 20 juli 2016 een mondelinge behandeling van de zaak had plaatsgehad, en de vrouw op 26 juli 2016 op haar verblijfplaats in de GGZ is gehoord, heeft de rechtbank bij tussenbeschikking van 16 augustus 2016 een deskundigenonderzoek gelast en daartoe de heer dr. P.L.J. Dautzenberg, geriater, tot deskundige benoemd.

In het definitieve eindrapport van de heer Dautzenberg heeft hij onder meer vermeld dat bij de vrouw zeker vanaf 2015 sprake was van een dementieel ziektebeeld. Ook heeft hij vermeld dat zij in het najaar 2015 dementerend was door de ziekte Alzheimer, ernst minimaal CDR 1 en dat deze mensen oppervlakkig gezien normaal lijken, maar moeite hebben met het oplossen van problemen, het benoemen van overeenkomsten en het benoemen van verschillen. Volgens hem was de vrouw op 16 november 2015 al beperkt in het nemen van dagelijkse beslissingen, niet in staat de gevolgen en betekenis van een huwelijk voldoende te overzien en is zeer twijfelachtig of zij op 16 november 2015 in staat was haar wil te bepalen en de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Haar taalbegrip en taal expressie moeten ook in november 2015 al fors zijn aangedaan, aldus de deskundige.

Namens alle (toenmalige) partijen en belanghebbenden, behalve de gemeente Breda, is op dit rapport gereageerd.

1.6

Bij eindbeschikking van 6 december 20164 heeft de rechtbank het tussen de man en de vrouw aangegane huwelijk nietig verklaard, in dier voege dat de nietigverklaring – ook ten aanzien van de man – terugwerkt tot het tijdstip van het aangaan van het huwelijk en bepaald dat de kosten van het onderzoek door de beide dochters en de man ieder voor een derde moeten worden voldaan.

De rechtbank heeft daartoe geconcludeerd dat op grond van het door de rechtbank opgenomen feitenrelaas (zoals hierboven onder 1.1 opgenomen) alsmede het door de deskundige Dautzenberg uitgebrachte rapport is komen vast te staan dat de geestvermogens van de vrouw ten tijde van het sluiten van het huwelijk op 16 november 2015 reeds zodanig waren gestoord dat zij niet in staat was haar wil te bepalen en de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat het aangaan van een huwelijk een complexe beslissing is, leidend tot verregaande gevolgen van emotionele, juridische, financiële en fiscale aard, zowel tijdens als ook na het einde van het huwelijk (rov. 2.8). Ook heeft zij overwogen dat de man niet te goeder trouw wordt geacht en de beschikking tot nietigverklaring van het huwelijk derhalve ook ten aanzien van de man terugwerkende kracht zal hebben tot het tijdstip van de huwelijksvoltrekking (rov. 2.12).

1.7

Bij op 3 maart 2017 binnengekomen beroepschrift is de man in hoger beroep gekomen van deze beschikking met het verzoek die te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover hier relevant, het verzoek van de jongste dochter af te wijzen en te bepalen dat de jongste dochter, althans de beide dochters met uitsluiting van de man de kosten van de deskundige moet(en) voldoen.

1.8

De dochters hebben verweer gevoerd en verzocht het principaal appel af te wijzen. Ook hebben zij bij incidenteel appel verzocht, voor zover hier relevant, om de beschikking wat betreft de kostenveroordeling te vernietigen en onder aanvulling en/of verbetering van gronden te bepalen dat de man de kosten van het deskundigenonderzoek volledig dient te voldoen dan wel dat deze kosten verdeeld worden over alle belanghebbenden, waaronder ook (de abs van) de gemeente Breda.

In hun verweerschrift hebben de dochters erop gewezen dat de vrouw inmiddels onder curatele is gesteld, met benoeming van verweerster in cassatie sub 4 tot curator.

1.9

Ook de gemeente Breda heeft verweer gevoerd.

1.10

Nadat op 8 augustus 2017 een mondelinge behandeling van de zaak had plaatsgehad, heeft het hof bij beschikking van 5 oktober 20175 de bestreden beschikking bekrachtigd, behalve voor zover het betreft de veroordeling in de kosten van het deskundigenonderzoek. In zoverre is de bestreden beschikking vernietigd en is, opnieuw rechtdoende, bepaald dat de man de volledige kosten van de deskundige moet voldoen.

1.11

De man heeft tegen deze beschikking – tijdig6 – cassatieberoep ingesteld en daarbij een voorbehoud tot aanvulling dan wel wijziging gemaakt voor zover het opgevraagde proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 8 augustus 2017 daartoe aanleiding zou geven. Vervolgens heeft de man een korte aanvulling gedaan op het cassatiemiddel. De jongste dochter heeft naar aanleiding van beide stukken een verweerschrift ingediend, waarin zij verzoekt het cassatieberoep te verwerpen.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

De man heeft één middel van cassatie voorgesteld dat is onderverdeeld in vier onderdelen.

2.2

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.14.1 die – voorafgegaan door rov. 3.14 – als volgt luidt:

“3.14. Uitgegaan wordt van de door de rechtbank in rechtsoverweging 2.2. van de bestreden beschikking vastgestelde feiten en omstandigheden, die als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

3.14.1.

Voor zover de man met grief 1 beoogt op te komen tegen (een deel van) deze feiten wordt de grief gepasseerd. Blijkens de toelichting op deze grief betoogt de man, zo begrijpt het hof, dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat geriater [betrokkene 2] zonder voorbehoud heeft geconstateerd dat er bij de vrouw sprake was van langer bestaande cognitieve functiestoornissen in het kader van dementie.

Blijkens productie 5 bij het verzoekschrift eerste aanleg heeft de geriater [betrokkene 2] geconstateerd:

“...Waarschijnlijk was er sprake van een delier in het kader van opname en mogelijk door nicotine onttrekking. Er lijkt echter ook sprake van al langer bestaande cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie... Conclusies: … Langer bestaande cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie waarvoor analyse volgt via de GGZ. Oordeel- en kritiekstoornissen in het kader van een dementie....

Hieruit blijkt niet van enig voorbehoud. Nu ook overigens niet is gebleken van enig voorbehoud wordt de grief in zoverre gepasseerd.”

Het onderdeel klaagt dat het hof hier ten onrechte heeft overwogen dat uit de door hem geciteerde passage van de geriater (en ook overigens) niet blijkt van enig voorbehoud. Volgens het onderdeel is de overweging onbegrijpelijk nu uit het citaat van de geriater wel degelijk enig voorbehoud valt op te maken. De geriater drukt zich immers in voorzichtige bewoordingen uit door te stellen dat aan de ene kant waarschijnlijk sprake was van een delier, maar dat echter ook sprake “lijkt” van al langer bestaande cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie, welk woord duidt op enig voorbehoud of aanname. Dat doet ook het feit dat vermeld wordt dat verdere analyse volgt via de GGZ. De conclusie, die naar haar aard beknopt is, dient daarmee in onderling verband te worden gelezen.

2.3

Voor zover bedoeld is hier een rechtsklacht te formuleren, geldt dat een dergelijk feitelijk oordeel niet met een rechtsklacht kan worden bestreden. Voor zover het onderdeel een motiveringsklacht inhoudt, geldt dat het hier gaat om een aan het hof voorbehouden waardering en uitleg van feitelijke aard die niet (zonder meer, door het enkele gebruik van het woordje “lijkt” of de vermelding van een nader via de GGZ te volgen analyse) als onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd kan worden aangemerkt.

2.4

Onderdeel 2 richt zich tegen rov. 3.18-3.19, met name de hieronder schuin weergegeven delen daarvan:

“3.18. Zoals uit de rapportage van dr. Dautzenberg en de daarbij horende bijlagen blijkt, heeft iedere zorgprofessional die met de vrouw in aanraking is gekomen na 11 september 2015 en waar de deskundige verslag van heeft kunnen vinden, de vrouw dementerend genoemd. Op het domein van geheugen is in 2015 al sprake van matige dementie en het niveau van de stoornis is dan licht tot matig dementerend. De man betoogt weliswaar dat de vrouw na het ontslag uit het ziekenhuis in september 2015 weer de oude was en dat zij tot en met april 2016 niet meer is behandeld of gezien door een medisch specialist, zodat niet met zekerheid kan worden gesteld hoe haar geestestoestand was op 16 november 2015. Echter, dit strookt op geen enkele wijze met de bevindingen van de deskundige en de door hem verkregen informatie van de betrokken zorgprofessionals. Weliswaar blijkt niet dat de vrouw na het ontslag uit het ziekenhuis terug diende te komen voor controles in verband met de val, maar de huisarts heeft op 17 september 2015 in overleg met de geriater het wel noodzakelijk geacht de GGZ en een casemanager dementie in te schakelen, hetgeen ook is gebeurd. De omstandigheid dat de vrouw zelf op dat moment mogelijk geen ziekte-inzicht had en als zorg mijdend kan worden aangemerkt, doet hier niet aan af. Daarbij komt dat de vrouw enkele maanden nadien, in februari 2016, dwalend in Roosendaal is aangetroffen, passend op het domein oriëntatie van de CDR bij matige dementie. In april 2016 was zij niet meer in staat om bij het zien van een pen of horloge deze te benoemen, passend op het domein oordeels- en probleemoplossend vermogen van de CDR bij ernstige dementie. In juni 2016 wist de vrouw niet meer hoeveel kinderen zij heeft, eveneens passend bij een ernstige dementie.

3.19.

Gelet op dit ziekteverloop en gelet op de bevindingen en conclusie van de deskundige Dautzenberg staat genoegzaam vast dat de vrouw op 16 november 2015 dementerend was door de ziekte Alzheimer, ernst minimaal CDR 1. Weliswaar kan worden aangenomen dat de vrouw in die periode oppervlakkig normaal leek, maar evenzeer dat zij toen al moeite had met het oplossen van problemen, het benoemen van overeenkomsten of het benoemen van verschillen. Op grond van de bevindingen van de deskundige wordt er voorts van uitgegaan dat haar taalbegrip en taalexpressie ook in november 2015 al fors waren aangedaan. Niet alleen was zij al beperkt in haar dagelijkse beslissingen, zij moest op dat moment zeker beperkt worden geacht in het kunnen overzien van de gevolgen en betekenis van het huwelijk. Daarbij gaat het niet alleen om de huwelijksvoltrekking als zodanig, maar ook om het vermogen de verdere gevolgen op juridisch en fiscaal terrein te kunnen overzien.

Op grond van de gebeurtenissen vóór de huwelijksvoltrekking, de onderzoeksresultaten van april 2016 en de verklaringen van de man over de toestand van de vrouw vanaf het voorjaar van 2015 (en al hetgeen hiervoor is overwogen), komt het hof, net als de rechtbank, tot het oordeel dat is komen vast te staat dat de geestvermogens van de vrouw ten tijden van het sluiten van het huwelijk op 16 november 2015 reeds zodanig waren gestoord dat zij niet in staat was haar wil te bepalen en de betekenis van haar verklaring te begrijpen.”

Het onderdeel klaagt dat er in het appelschrift door de man op is gewezen dat de medische verklaringen alle dateren van na de huwelijksvoltrekking, en dat tevens is gesteld dat:

(i) de verwardheid in september waarschijnlijk werd veroorzaakt door een delier, die vaak tijdelijk van aard is;

(ii) de geriater slechts stelt dat er sprake lijkt te zijn van cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie;

(iii) (veel van de) feiten zich hebben voorgedaan na de huwelijkssluiting zoals de opname in een GGZ kliniek voor ouderen;

(iv) er sprake is van een zeer progressief verloop in de periode na 1 januari 2016;

(v) er in de periode van observatie vier dagen na de val van de vrouw op 11 september 2015 o.a. een CT-scan is gemaakt van de hersenen van de vrouw waaruit niet bleek dat er sprake was van hersenletsel of enige hersenafwijking, terwijl in een nagekomen verslag uit juni 2016 van neuroloog [betrokkene 5] naar aanleiding van een MRI-scan forse afwijkingen worden beschreven welke worden gezien bij de ziekte van Alzheimer.

Volgens de man kunnen deze omstandigheden niet tot de conclusie leiden dat de vrouw op 16 november 2016 wilsonbekwaam was.

Het onderdeel voegt hieraan toe dat de door het hof geciteerde passage uit de rapportage van dr. Dautzenberg verwijst naar verslagen in verschillende bijlagen, en dat daarin in de periode voorafgaand aan het huwelijk alleen de huisarts/geriater in voorzichtige bewoordingen spreekt over “langer bestaande cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie” en de andere deskundigenverslagen zien op de periode (ver) na de dag van het huwelijk. Door deze verklaringen van later datum in zijn oordeelsvorming te betrekken, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zijn beslissing onbegrijpelijk. Datzelfde geldt voor de in rov. 3.18 verder genoemde incidenten van na de datum van het huwelijk. Het hof had zich behoren te beperken tot de verklaringen die betrekking hadden op de wilsbekwaamheid op de dag van de huwelijksvoltrekking. Het hof had verder moeten responderen op bovengenoemde stellingen, aldus het onderdeel.

Gelet op het voorgaande had het hof ten slotte volgens het onderdeel niet in rov. 3.19 mogen concluderen dat genoegzaam vaststond dat de vrouw op 16 november 2015 dementerend was door de ziekte van Alzheimer, ernst minimaal CDR 1.

2.5

Het onderdeel faalt. Een deel van de medische verklaringen, maar niet al deze verklaringen dateren van na de huwelijksvoltrekking. De verklaring van geriater [betrokkene 2] van tijdens de ziekenhuisopname in september 2015 bijvoorbeeld, en de verklaringen van de huisarts van 17 en 28 september 2015 (zie ook hierboven bij 1.1 onder (vii) en (viii), het deskundigenrapport van dr. Dautzenberg7 op p. 4 en de daarbij behorende bijlage 12) dateren van daarvóór (het betreft hier in ieder geval twee verschillende personen en niet een en dezelfde, zoals het onderdeel mogelijk lijkt te suggereren). Er is voorts ook een verklaring van de huisarts van 4 december 2015 (zie hierboven bij 1.1 onder (xiv) en bijlage 16 bij het deskundigenrapport van dr. Dautzenberg), dat wil zeggen kort na de huwelijksvoltrekking. Bovendien vallen uit dergelijke verklaringen, ook als deze dateren van enige tijd na de voor de toets van de wilsbekwaamheid relevante datum, in voorkomende gevallen – mede in het licht van het algemene verloop van de betreffende ziekte en het aan de hand van gebeurtenissen voor en na de relevante datum te reconstrueren concrete verloop van de ziekte in het voorliggende geval – tevens conclusies te trekken over de (naar een redelijke mate van waarschijnlijkheid aan te nemen) situatie op bedoelde datum. Sommige van de (latere) verklaringen spreken zich ook met zoveel woorden uit over het verleden, zoals met name ook de rapportage van dr. Dautzenberg zelf. Door deze verklaringen mede in zijn oordeel te betrekken, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting noch een onbegrijpelijk oordeel gegeven.8

Ook de door de man aangevoerde stellingen leiden niet tot een andere conclusie. Tijdens de ziekenhuisopname in september 2015 is niet alleen geconstateerd dat sprake was van een delier, maar óók dat sprake was van al langer bestaande cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie (volgens de verklaring van geriater [betrokkene 2], tegen de waardering en interpretatie waarvan in onderdeel 1 reeds zonder succes werd opgekomen). Het hof heeft in rov. 3.18 en 3.19 bovendien niet zozeer aangeknoopt bij het (zeer) progressieve verloop van de dementie in de periode na 1 januari 2016, maar juist gelet op het gehele ziekteverloop vanaf 2015 (en de bevindingen en conclusie van deskundige Dautzenberg), en daarbij mede in aanmerking genomen de verschillende gebeurtenissen en medische verklaringen van vóór en na de huwelijksvoltrekking en de eerdere verklaringen van de man zelf over de toestand van de vrouw vanaf het voorjaar van 2015. Niet gezegd kan worden dat het enkele (zeer) progressieve verloop van de dementie van de vrouw in de periode na 1 januari 2016 hieraan in de weg zou staan. Ook het door de man eerder gestelde feit dat er in september 2015 een CT-scan is gemaakt waaruit niet is gebleken van enige hersenafwijking, terwijl uit het deskundigenrapport blijkt dat er in juni 2016 op een MRI-scan forse afwijkingen zijn geconstateerd, kan hieraan niet afdoen, alleen al gelet op het feit dat tijdens de ziekenhuisopname in september 2015 door geriater [betrokkene 2] (wel degelijk) is geconcludeerd dat sprake was van langer bestaande cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie. Overigens wordt in de passage in het appelschrift waarnaar in cassatie wordt verwezen en waar de man stelt dat uit de CT-scan van september 2015 niet is gebleken van hersenletsel of enige hersenafwijking – dit in een algemene beschrijving van de feiten en niet in de toelichting op een of meer specifieke grieven – niet verwezen naar enige medische verklaring waaruit dit zou blijken, en is in de betreffende bijlage bij het deskundigenrapport van dr. Dautzenberg (nr. 5 op p. 2, de verklaring van geriater [betrokkene 2]) slechts terug te lezen dat de CT geen grote afwijkingen toonde (waarop vervolgens wel degelijk de conclusie volgde dat sprake was van langer bestaande cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie). Ook dr. Dautzenberg heeft in zijn deskundigenrapport (p. 6, beantwoording van vraag 5, zie ook p. 5, beantwoording van vraag 1) expliciet rekening gehouden met de CT- en MRI-scans, waar hij vermeldt dat op beide scans geen vaatschade is gezien, terwijl alleen bij dergelijke schade acute verslechteringen zijn te verwachten, maar in die zin sprake was van een langzaam progressieve aandoening (langzaam in de zin dat er niet sprake is van een acute dementie, zoals te zien is na een CVA, waarbij iemand van de een of andere dag dementerend is) (cursivering toegevoegd).

Het hof is derhalve niet of niet slechts op grond van de door de man aangehaalde stellingen tot zijn oordeel gekomen (zodat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist) en bovendien staan deze stellingen niet aan dit oordeel in de weg. Het hof was daarom evenmin gehouden op deze stellingen in te gaan.

2.6

Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel van het hof inzake de goede trouw als bedoeld in art. 1:77 lid 2 BW in de rov. 3.25-3.27. Deze overwegingen luiden – met de daaraan voorafgaande rov. 3.23-3.24 – als volgt:

“3.23. Vervolgens ligt de vraag voor of de man ten tijde van het sluiten van het huwelijk te goeder trouw was.

3.24.

Artikel 1:77 lid 1 BW bepaalt dat de nietigverklaring van het huwelijk, zodra de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, terugwerkt tot het tijdstip van de huwelijksvoltrekking. Ingevolge artikel 1:77 lid 2, aanhef en onder b, BW mist de beschikking echter terugwerkende kracht – en heeft zij hetzelfde rechtsgevolg als een echtscheiding – ten aanzien van de te goeder trouw zijnde echtgenoot.

3.25.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat geen sprake was van goede trouw aan de zijde van de man ten tijde van het sluiten van het huwelijk. Daartoe wordt het volgende in overweging genomen.

3.26.

Nadat de vrouw op 15 september 2015 uit het ziekenhuis is ontslagen, heeft de huisarts haar op 17 september 2015 thuis bezocht. Omdat ook hij een dementieel beeld bij de vrouw constateerde heeft hij de GGZ ingeschakeld voor ondersteuning thuis alsmede een casemanager dementie. Blijkens onderliggende stukken van de huisarts behorende bij het deskundigenrapport meldde de huisarts, het hof begrijpt in de eerste week van december 2015, dat hij de vrouw al eerder had aangemeld bij Zorgdomein in verband met dementie, maar dat de inbreng van Zorgdomein door de inwonende vriend van de vrouw, zijnde de man, en de vrouw was afgewezen. Volgens de huisarts hield de man zorg af, maar had hij uiteindelijk tijdens een consult om andere medische redenen op 4 december 2015 toestemming gegeven dat GGZ hem weer zou contacteren. Daarbij meldde de huisarts: “... Owv vandaag deze toestemming wil ik graag een contact op zo kort mogelijke termijn, voor meneer zich bedenkt en alles weer afblokt”. Daarbij noteerde de huisarts dat de man wel wist dat het niet goed ging, dat ze dementerend was, en ook dat de man voorlopig geen verwijzing naar de geheugenpoli wilde. Nadat op 14 december 2015 de GGZ met de man en vrouw een afspraak had gemaakt voor een huisbezoek op 18 december 2015 werd de GGZ op 18 december 2015 niet binnengelaten. De huisarts deed vervolgens een melding bij Veilig Thuis. In februari 2016 werd de vrouw dwalend in Roosendaal aangetroffen en was zij in een kledingzaak op zoek naar een arts. Vervolgens is via Veilig Thuis overleg gestart met onder meer politie en zorgverleners omdat, kort gezegd, rekening werd gehouden met mogelijke oudermishandeling vanwege het onthouden van zorg.

Op grond van deze gegevens en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk dat de man bewust de zorg afhield, terwijl moet worden aangenomen dat het hem duidelijk was althans moest zijn dat er bij zijn vrouw sprake was van een mogelijk dementieel beeld en dat nadere ondersteuning van haar noodzakelijk was.

De verklaring van de man tegenover de deskundige dat hem pas in maart 2016 de eerste problemen met haar geheugen zijn opgevallen, acht het hof in het licht bezien van de vastgestelde feiten en de hiervoor genoemde omstandigheden onwaarachtig. Ook zijn verklaring ter zitting is hiermee in strijd en komt het hof ongeloofwaardig over. Zo heeft hij ter zitting verklaard dat hij pas omstreeks april 2016 kennis heeft genomen van het feit dat zijn vrouw in februari 2016 dwalend in Roosendaal is aangetroffen en dat hij er tot dat moment niet van op de hoogte was dat de betrokken hulpverleners en artsen al langer zorgen hadden over de gezondheid en de leefomgeving van de vrouw. Voorts wordt zijn verklaring ter zitting dat hem pas na ontvangst van de processtukken in de eerste aanleg duidelijk werd dat er mogelijk dementieproblemen bestonden, onaannemelijk geacht.

Daarbij komt dat vaststaat dat aan de dochters, onmiddellijk na het ontslag uit het ziekenhuis op 15 september 2015 alsook de overige familieleden zoals de kleinkinderen, de toegang tot de woning van de man en de vrouw is ontzegd, terwijl zij tot aan dat moment nagenoeg dagelijks contact met elkaar hadden. Een deugdelijke verklaring daarvoor ontbreekt en wordt door de man ook niet gegeven. Het betoog dat de oudste dochter zonder overleg en medeweten van de vrouw de auto van de vrouw heeft verkocht is betwist en niet aannemelijk geworden. Bovendien hebben de dochters ter zitting onbetwist verklaard dat zij na september 2015 hun moeder zonder medeweten van de man heimelijk bij de buren van de man en vrouw ontmoetten en dat de vrouw en de dochters tot in ieder geval medio september 2015 een hechte band met elkaar hadden.

Voorts is onbetwist dat de dochters via de huisarts ervan op de hoogte geraakten dat hun moeder inmiddels met de man in het huwelijk was getreden. Het ligt niet voor de hand, in aanmerking nemende de goede band die in ieder geval tot medio september 2015 altijd heeft bestaan, de dochters daarover niet te informeren. Niet alleen is het gestelde incident met betrekking tot de verkoop van de auto niet komen vast te staan, bovendien is onvoldoende aannemelijk dat dit heeft geleid tot een bewuste keuze van de vrouw om alle banden met haar dochters en kleinkinderen te verbreken.

Daar komt bij dat de vrouw, toen zij nog niet dementerend was, op 3 oktober 2013 voor notaris [betrokkene 1] te Fijnaart haar levenstestament heeft laten passeren, waarin zij haar oudste dochter een volmacht gaf al haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen indien sprake zou zijn van wilsonbekwaamheid aan haar zijde. Op dat moment had zij al ruim 2 jaar een relatie met de man, was zij nog niet dementerend en koos zij er kennelijk uitdrukkelijk voor de volmacht bij uitsluiting van de man aan haar oudste dochter te geven. Dit duidt op een goede relatie met haar oudste dochter en sluit volledig aan bij hetgeen ook de deskundige in zijn rapportage heeft geconstateerd, namelijk dat haar keuzes voor mannelijke partners niet gangbaar waren, dat zij altijd financieel onafhankelijk wilde zijn, en daarbij loyaal was aan haar familie en kinderen en niet aan haar partners.

Dat de man en vrouw vervolgens in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd waardoor de man mede-eigenaar is geworden van al de bezittingen van de vrouw waaronder een eigen woning ter waarde van ongeveer € 130.000,-/140.000,- past niet bij voormelde omstandigheden. Daarbij komt dat de man op geen enkele wijze concrete en toetsbare informatie heeft gegeven over zijn inkomens- en vermogenspositie ten tijde van het sluiten van het huwelijk, terwijl hij daarmee de angst van de dochters dat hij louter om financiële redenen met de vrouw samenwoonde en uiteindelijk is gehuwd, toch vrij eenvoudig had kunnen wegnemen. Integendeel, zelfs in onderhavige procedure is de man vaag gebleven over zijn inkomsten, vermogen en bedrijf. De man heeft weliswaar aangevoerd dat hij de dagelijkse boodschappen contant betaalde, maar dat is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Hij heeft bovendien wel verklaard dat hij een eenmanszaak en een besloten vennootschap heeft, maar deze door hem genoemde bedrijven zijn kennelijk pas op 22 mei 2014 gevestigd, hij is pas op 10 november bestuurder geworden van een besloten vennootschap en niet eerder dan 1 april 2016 eigenaar geworden van een eenmanszaak. Voor het overige heeft hij op geen enkele wijze inzicht gegeven in zijn inkomens en vermogenspositie, terwijl onweersproken vaststaat dat inmiddels uit het vermogen van de vrouw wel boetes en aanmaningen ter zake door de man aangegane schulden worden betaald. Bovendien is op 14 januari 2016 voor notaris [betrokkene 3] een nieuw testament van de vrouw gepasseerd waarin de beide dochters van de vrouw zijn onterfd, en de man is benoemd tot enig en algeheel erfgenaam van de vrouw. Niet alleen was mevrouw toen al dementerend en kon zij vermoedelijk de strekking van dit testament niet overzien, deze handelwijze past op geen enkele manier bij de eerder gemaakte keuzes in haar leven en de relatie die zij met haar kinderen had tot medio september 2015. Weliswaar betoogt de man dat hij de inhoud van het nieuwe testament van de vrouw niet kende, maar het hof is daarvan niet overtuigd geraakt. Dit klemt te meer waar de man volgens eigen zeggen op dezelfde datum bij dezelfde notaris een testament heeft laten passeren en hij bovendien in het testament van de vrouw als enig erfgenaam in het testament wordt geduid en bij vooroverlijden van hem, [betrokkene 8], kennelijk een goede relatie van de man. Op geen enkele manier zijn feiten of omstandigheden gesteld of gebleken dat de vrouw bewust en overtuigd deze erfrechtelijke keuzes heeft gemaakt. De enkele stelling dat de notaris zich daarvan moet hebben vergewist, acht het hof daar toen in het onderhavige geval onvoldoende.

3.27.

Al deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien rechtvaardigen naar het oordeel van het hof de conclusie dat de man ten tijde van het sluiten van het huwelijk niet te goeder trouw was. Daarom is ook het hof van oordeel dat de beschikking tot nietigverklaring van het huwelijk van de man en de vrouw ook ten aanzien van de man terugwerkende kracht heeft tot het tijdstip van de huwelijksvoltrekking.”

Het onderdeel klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door in zijn oordeel te miskennen dat het tijdstip van de huwelijksvoltrekking bepalend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van goede trouw en dat de afwezigheid van goede trouw bewezen dient te worden door de wederpartij. Het hof oordeelt volgens het onderdeel immers in essentie dat geen sprake is van goede trouw aan de zijde van de man, maar verliest uit het oog dat bepalend is de kennis van de man met de gestelde wilsonbekwaamheid bij het aangaan van het huwelijk en niet de later opgekomen kennis of feiten en omstandigheden die geen betrekking hebben op deze kennis.

Concreet klaagt het onderdeel dat

1) het hof in rov. 3.20 en in het kader van rov. 3.26 ten onrechte de essentiële stellingen van de man in het midden heeft gelaten dat hij tot op de dag van de huwelijksvoltrekking (16 november 2015) geen symptomen of verschijnselen heeft gezien die op gestoorde geestesvermogens zouden kunnen wijzen, dat dit ook geldt voor de abs en de notaris, dat de betrokken artsen en verpleegkundigen de man na de ziekenhuisopname van de vrouw in september 2015 niet hebben gewezen op een mogelijke geestesstoornis en dat ook uit de CT-hersenscan toen niets bleek (hierbij wordt nog aangetekend dat nu het hof eerstgenoemde stelling heeft nagelaten te behandelen, in cassatie van de juistheid van deze stelling moet worden uitgegaan);

2) in elk geval de overweging in rov. 3.26 dat moet worden aangenomen dat het de man duidelijk was althans moest zijn dat bij de vrouw sprake was van een mogelijk dementieel beeld en dat nadere ondersteuning noodzakelijk was, zonder verdere toelichting onbegrijpelijk is, gelet op het feit dat de door het hof in deze overweging genoemde feiten en omstandigheden dateren van na het huwelijk of niet relevant zijn in dit kader;

3) het onjuist is dat het hof in rov. 3.26 nergens onderzoekt of (voldoende gemotiveerd) vaststelt dat de man op de datum van het huwelijk wist of behoorde te weten dat de vrouw wilsonbekwaam was, althans of de man toen op de hoogte was van de bevindingen van de huisarts/geriater in september 2015 en dat de man daaraan de consequentie had moeten verbinden dat de vrouw wilsonbekwaam was in de zin van art. 1:32 BW;

4) het hof in rov. 3.26 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door bij de vraag of de man te goeder trouw was relevant te achten dat de man, om wat voor reden dan ook, al dan niet bewust zorg zou afhouden. Dat laatste betekent nog niet dat hij op de datum van het huwelijk bekend was of bekend had behoren te zijn met de gestelde wilsonbekwaamheid;

5) het oordeel van het hof in rov. 3.26 dat de man bewust zorg afhield onvoldoende is gemotiveerd in het licht van (i) de stelling van de man dat de vrouw de hulp niet accepteerde, (ii) de constatering van het hof op p. 5 van de beschikking (rov. 3.7) dat de man ter zitting had gesteld dat de vrouw geen vertrouwen meer had in de huisarts en de GGZ nadat twee begeleiders tijdens een consult bij de huisarts haar hadden overvallen door onaangekondigd binnen te komen, (iii) de overweging van het hof in rov. 3.18 dat de vrouw als zorgmijdend kon worden aangemerkt, en (iv) het algemene rechtsbeginsel dat kwade trouw moet worden bewezen. Volgens de man ondersteunen deze omstandigheden zijn stelling dat het hier een eigen keuze van de vrouw betrof en geen bewust afhouden van zorg door de man,

6) de overweging van het hof in rov. 3.26 dat de man geen deugdelijke verklaring heeft gegeven voor het ontzeggen van toegang onbegrijpelijk is, nu de man heeft gesteld dat het contact van de vrouw met de dochters is verslechterd, onder meer vanwege het misbruik maken van een verleende volmacht, om welke reden de vrouw deze heeft laten intrekken bij de notaris omstreeks de huwelijksdatum.

2.7

Bij de behandeling van dit onderdeel moet allereerst worden vastgesteld dat het onderdeel op verschillende punten leidt aan een gebrek aan feitelijke grondslag.

Het onderdeel klaagt in zijn algemeenheid dat het hof heeft miskend dat het tijdstip van de huwelijksvoltrekking bepalend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van goede trouw. Het hof heeft echter in zowel rov. 3.23 als 3.25 vooropgesteld dat het hier ging om de goede trouw aan de zijnde van de man “ten tijde van het sluiten van het huwelijk”. Het hof is derhalve wel degelijk van een juiste rechtsopvatting uitgegaan. Het heeft vervolgens ook daadwerkelijk getoetst of de man ten tijde van het sluiten van het huwelijk te goeder trouw was (vgl. ook rov. 3.27). Het hof heeft daarbij gebruik gemaakt van verklaringen van de huisarts daterend van vóór de huwelijksvoltrekking en ook van verklaringen van de huisarts van daarna, welke laatste echter eveneens uitdrukkelijk mede betrekking hebben op de daaraan voorafgaande periode. Die verklaringen hebben bijvoorbeeld ook betrekking op de reactie van (de vrouw en) de man op het inschakelen van Zorgdomein in verband met de reeds voorafgaand aan de huwelijksvoltrekking bij de vrouw geconstateerde dementie. Dat het hof bij de bepaling van de goede trouw van de man ten tijde van het sluiten van het huwelijk óók gebruik heeft gemaakt van latere gebeurtenissen en verklaringen (zoals die van de huisarts over specifiek de wetenschap van de man van de dementie van de vrouw), getuigt – net als hiervoor ten aanzien van de wilsbekwaamheid al aan de orde kwam – niet van een onjuiste rechtsopvatting, nu hieruit in voorkomende gevallen tevens conclusies vallen te trekken over de (naar een redelijke mate van waarschijnlijkheid aan te nemen) situatie op de relevante datum.

Het hof heeft voorts de hierboven onder 1) genoemde, door de man ingenomen stellingen niet in het midden gelaten. Op de stellingen van de man dat hem (in ieder geval niet voor de dag van de huwelijksvoltrekking, maar pas) in maart 2016 de eerste problemen met haar geheugen zijn opgevallen, is het hof in het laatste deel van de tweede alinea van rov. 3.26 uitgebreid ingegaan. Het heeft hierover overwogen dat deze (en soortgelijke) stellingen het hof, bezien in het licht van de vastgestelde feiten en de door het hof genoemde omstandigheden, onwaarachtig en ongeloofwaardig overkomen. Van het in cassatie uitgaan van de juistheid van dergelijke stellingen is dan ook geen sprake. Zie specifiek over de CT-scan ook reeds hierboven onder 2.5. Dat de abs en de notaris geen symptomen of verschijnselen hebben gezien die op gestoorde geestesvermogens zouden kunnen wijzen, doet aan het voorgaande niet zonder meer af, alleen al omdat zij beiden geen deskundigen ter zake zijn en de vrouw niet langdurig hebben meegemaakt. Ook het hof heeft hierover in rov. 3.20 – evenals de rechtbank, en met verwijzing naar rov. 2.7 van de rechtbank, waartegen de man in het geheel niets heeft ingebracht – overwogen dat de abs en notaris geen deskundigen zijn, in die zin dat van hen verwacht kan worden (vroege) symptomen van een dementieel beeld nota bene bij een eenmalig, althans beperkt contact te herkennen.9 Daar kan nog aan worden toegevoegd dat evenmin is gesteld of gebleken dat zij contact hebben gehad met deskundigen ter zake, terwijl door prof. Dautzenberg – ter zake wel deskundig – is gesteld dat mensen als de vrouw in het najaar van 2015 oppervlakkig gezien normaal lijken, maar moeite hebben met het oplossen van problemen, het benoemen van overeenkomsten en verschillen en zeker beperkt moeten worden geacht in het kunnen overzien van de gevolgen en betekenis van het huwelijk (zoals door het hof aangehaald in rov. 3.19). Uit rov. 2.7 van de rechtbank, waarnaar het hof hier in rov. 3.20 verwijst, blijkt bovendien dat de abs ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat zij door het totaal van de gebeurtenissen, ook na afloop van de huwelijksvoltrekking, twijfelde of zij het huwelijk tussen de man en de vrouw wel had mogen sluiten.10

Zoals in het voorgaande reeds is gebleken, heeft het hof zijn oordeel dat moet worden aangenomen dat het de man duidelijk was althans moest zijn dat bij de vrouw sprake was van een mogelijk dementieel beeld en dat nadere ondersteuning noodzakelijk was, wel degelijk uitgebreid toegelicht, en niet alleen met feiten en omstandigheden die dateren van na het huwelijk (nog los van het feit wat daarvan de consequentie zou zijn) en/of die niet relevant zijn in dit kader, zoals hierboven onder 2) wordt geklaagd.

Bovendien heeft het hof onderzocht en voldoende gemotiveerd vastgesteld dat moet worden aangenomen dat het de man duidelijk was althans moest zijn dat er bij zijn vrouw ten tijde van het sluiten van het huwelijk sprake was van een mogelijk dementieel beeld en dat nadere ondersteuning van haar noodzakelijk was, nadat het hof al eerder tot het oordeel was gekomen dat is komen vast te staan dat de geestvermogens van de vrouw ten tijde van het sluiten van het huwelijk op 16 november 2015 reeds zodanig waren gestoord dat zij niet in staat was haar wil te bepalen en de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Het hof heeft hiermee kennelijk en in het licht van het deskundigenrapport ook zeker niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de man dan ook wist of behoorde te weten dat de vrouw – vermoedelijk en in ieder geval mogelijk – ten aanzien van het sluiten van een huwelijk wilsonbekwaam was in de zin van art. 1:32 BW.11 Reeds daarmee staat mijns inziens voldoende vast dat de man niet te goeder trouw was. In de overwegingen van het hof in de laatste drie alinea’s van rov. 3.26 worden nog enkele feiten en omstandigheden genoemd die aan dit oordeel volgens het hof nog bijdragen, maar mijns inziens eerder ten overvloede worden genoemd en ook geen noodzakelijke voorwaarde vormen voor het oordeel over (het ontbreken van) de goede trouw van de man. Voor de beoordeling van de wilsbekwaamheid zelf behoeft immers op zich niet vast te staan dat de vrouw, zou zij niet wilsonbekwaam zijn geweest, een andere keuze zou hebben gemaakt, maar volstaat dat haar geestvermogens ten tijde van het sluiten van het huwelijk zodanig waren gestoord dat zij niet in staat was haar wil te bepalen en de betekenis van haar verklaring te begrijpen. De goede trouw van de man behoeft dan ook enkel te zien op het hebben, of behoren te hebben van de wetenschap van deze gestoorde geestvermogens, en niet per se betrekking te hebben op de wetenschap omtrent het feit dat de vrouw zonder de dementie andere keuzes zou hebben gemaakt. Datzelfde geldt overigens ten aanzien van de vaststelling van het hof dat de man de zorg bewust afhield. Het afhouden van zorg is hier niet van doorslaggevend belang, maar slechts het bewustzijn, ofwel de hiervoor bedoelde wetenschap die de man had of behoorde te hebben. Het voorgaande staat in de weg aan het slagen van de hierboven onder 3), 4), 5) en 6) genoemde klachten.

Ten overvloede kan hier nog worden opgemerkt dat het hof niet heeft overwogen dat de man, om wat voor reden dan ook, al dan niet bewust zorg zou afhouden, maar heeft overwogen dat voldoende aannemelijk is dat de man bewust de zorg afhield, terwijl moet worden aangenomen dat het hem duidelijk was althans moest zijn dat er bij zijn vrouw sprake was van een mogelijk dementieel beeld en dat nadere ondersteuning van haar noodzakelijk was. Het hof heeft – gelet op deze formulering – bovendien niet uit de constatering dat de man bewust de zorg afhield geconcludeerd dat de man op de datum van het huwelijk bekend was of had behoren te zijn met de wilsonbekwaamheid, zoals de hierboven onder 4) opgenomen klacht als uitgangspunt lijkt te nemen. Eerder heeft het hof uit zijn conclusie dat de man op de datum van het huwelijk bekend was of had behoren te zijn met de wilsonbekwaamheid geconcludeerd dat de man (dan dus ook) bewust de zorg afhield. In die zin bestaat dan ook wel een zeker verband tussen de twee punten. De conclusie dat de man op de datum van het huwelijk bekend was of had behoren te zijn met de wilsonbekwaamheid, heeft het hof gebaseerd op – kort gezegd – de hiervoor reeds aan de orde gekomen gebeurtenissen en verklaringen. Ook om die reden kan de hierboven onder 4) genoemde klacht niet slagen.

Dat de vrouw mogelijk – wegens ontbrekend vertrouwen en/of een zorgmijdend karakter – geen hulp heeft geaccepteerd, staat bovendien niet in de weg aan de conclusie dat (ook) de man de zorg bewust afhield. De eventuele onwil van de vrouw staat immers niet in de weg aan de keuze van de man voor zijn eigen gedrag, bijvoorbeeld in hoeverre hij in het gedrag van de vrouw meeging en in hoeverre hij zijn eigen gedrag hierdoor – ook in weerwil van de objectieve belangen van de vrouw – liet bepalen. Ook om die reden kan de hierboven onder 5) genoemde klacht niet slagen.

De klacht dat het hof de stelling van de man dat het contact van de vrouw met de dochters is verslechterd vanwege het misbruik maken van een verleende volmacht en dat de vrouw die volmacht daarom heeft laten intrekken bij de notaris omstreeks de huwelijksdatum, had moeten betrekken bij zijn oordeel, en bij gebreke hiervan dat oordeel onbegrijpelijk zou zijn, mist voorts ieder doel in het licht van het feit dat het hof in rov. 3.26 heeft overwogen dat het betoog van de man dat de oudste dochter zonder overleg en medeweten van de vrouw de auto van de vrouw heeft verkocht, is betwist en niet aannemelijk is geworden, dat de dochters ter zitting bovendien onbetwist hebben verklaard dat zij na september 2015 hun moeder zonder medeweten van de man heimelijk bij de buren van de man en vrouw ontmoetten en de vrouw en de dochters tot in ieder geval medio september 2015 een hechte band met elkaar hadden, en dat derhalve niet alleen het gestelde incident met betrekking tot de verkoop van de auto niet is komen vast te staan, maar bovendien onvoldoende aannemelijk is dat dit heeft geleid tot een bewuste keuze van de vrouw om alle banden met haar dochters en kleinkinderen te verbreken. Overigens kan over deze klacht ook nog worden opgemerkt dat de volmacht in ieder geval niet vóór 14 januari 2016 – en dus niet omstreeks de huwelijksdatum – is ingetrokken (vgl. ook hierboven bij 1.1 onder (xix)). Ook om die redenen kan de hierboven onder 6) genoemde klacht niet slagen.

De algemene klacht ten slotte, dat het hof zou hebben miskend dat de afwezigheid van goede trouw bewezen dient te worden door de wederpartij (en de klacht dat het algemene rechtsbeginsel dat kwade trouw moet worden bewezen een ander licht op de zaak werpt dan het hof kennelijk zou hebben aangenomen), wordt niet verder onderbouwd. Zo wordt er niet op gewezen met welke overweging het hof blijk heeft gegeven van een dergelijke miskenning of waar het hof die bewijslast verkeerd heeft toebedeeld. Het hof is in zijn oordeel immers ook helemaal niet toegekomen aan bewijslevering; het heeft geen bewijsopdracht gegeven en/of partij toegelaten tot het leveren van bewijs van enige stelling.

2.8

De conclusie moet dan ook zijn dat geen van de klachten van onderdeel 3 tot cassatie kan leiden.

2.9

Onderdeel 4 bevat een voortbouwende klacht, die inhoudt dat bij het slagen van een of meer klachten uit bovengenoemde onderdelen ook rov. 3.29 voor wat betreft de kosten van het deskundigenonderzoek en de naar aanleiding daarvan uitgesproken veroordeling van de man in de volledige kosten daarvan niet in stand blijven.

2.10

Nu geen van de voorgaande klachten slaagt, kan van een dergelijke doorwerking geen sprake zijn.

2.11

In de aanvulling op het verzoekschrift in cassatie naar aanleiding van het opgevraagde proces-verbaal wordt nog geklaagd over een enkele onjuistheid in dat proces-verbaal, die echter geen enkel relevantie heeft voor het oordeel van het hof en de daarvoor door het hof gegeven motivering, en bovendien in rov. 3.7 van de door het hof gewezen beschikking (op p. 4, ongeveer op het midden van die pagina) wel juist is opgenomen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 2.2 van de beschikking in eerste aanleg van 6 december 2016 (waarnaar het hof in de hier bestreden beschikking in rov. 3.14 verwijst), voor zover niet anders vermeld.

2 In cassatie door de man betwist. Zie hierna onder 2.2. en 2.3.

3 Zie voor dit laatste (onder meer) rov. 3.1 van de bestreden beschikking.

4 ECLI:NL:RBZWB:2016:7669, Prg. 2017/33.

5 ECLI:NL:GHSHE:2017:4219, RFR 2018/20.

6 Het cassatieverzoekschrift is op 21 december 2017 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.

7 Dit rapport van 19 september 2016 is in eerste aanleg op 21 september 2016 door de rechtbank ontvangen en bij brief van 27 september 2016 door de rechtbank aan de advocaat van de man verzonden.

8 Ik verwijs hiervoor ook naar HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8782, RvdW 2013/638 en de vóór die beschikking door A-G Langemeijer genomen conclusie, waaruit blijkt (zie o.m. onder 2.4 en 2.10) dat ook daar achteraf met behulp van latere medische verklaringen kon worden vastgesteld dat de geestvermogens van een van de echtgenoten op het tijdstip van de huwelijksvoltrekking reeds zodanig waren gestoord dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen.

9 Zie ook nog het slot van rov. 3.26, waarin het hof de enkele stelling dat de notaris zich ervan moet hebben vergewist dat de vrouw bewust en overtuigd haar erfrechtelijke keuzes maakte, onvoldoende acht om te kunnen concluderen dat de vrouw dit inderdaad heeft gedaan.

10 Zie in dit kader ook de conclusie (onder 2.10; zie ook 2.3) van A-G Langemeijer vóór HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8782, RvdW 2013/638, die meent dat aan het feit dat de abs daar geen huwelijksbeletsel aanwezig heeft geacht, ook in het daar aan de orde zijnde geval geen beslissende betekenis voor het bewijs behoeft te worden toegekend.

11 Hierbij kan nog worden gewezen op het vermoeden van art. 3:34 lid 1 BW: Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.