Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:102

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/04262
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:611
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Ontoereikende motivering veroordeling wegens schuldheling elektrische fiets waarvan ringslot is verwijderd (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BC5957). Art. 417bis lid 1 onder a Sr. Redelijkerwijs vermoeden dat door de verdachte geleende fiets van misdrijf afkomstig was en reikwijdte onderzoeksplicht. Relevantie van feit van algemene bekendheid dat elektrische fietsen kostbaar zijn. Vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04262

Zitting: 6 februari 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 3 mei 2016 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 juli 2014 bevestigd met aanvulling en verbetering van gronden. In het vonnis heeft de rechtbank de verdachte wegens "schuldheling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van voorarrest.

  2. Namens de verdachte heeft mr. P.H. Visser, advocaat te Wormerveer, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte “redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof”, onvoldoende is gemotiveerd.

3.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

“Primair:

Hij op of omstreeks 6 juli 2014 in de gemeente Purmerend, althans in Nederland, een elektrische (dames(fiets) Gazelle Orange Excell I) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van deze elektrische fiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof

Subsidiair:

Hij op of omstreeks 29 april 2014 in de gemeente Purmerend met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een elektrische (dames) fiets (merk Gazelle Orange Excell I), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.”

3.2. Hiervan is bewezenverklaard dat:

“hij op 6 juli 2014 in de gemeente Purmerend een elektrische damesfiets (Gazelle Orange Excell I) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze elektrische fiets redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof”.

3.3. Deze bewezenverklaring steunt allereerst op de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die, na aanvulling en verbetering door het hof, in geconsolideerde vorm, als volgt luiden:

“I.

Een proces-verhaal van aangifte. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als verklaring van aangeefster [betrokkene 1] (dossierpagina 3-4).

Op 29 april 2014 tussen 13.00 – 13.15 uur is mijn elektrische damesfiets (Gazelle Orange Excell I met framenummer [001] ) gestolen aan de Gedempte singelgracht te Purmerend.

Soort slot: ringslot.

Verklaring: Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit

II.

Een proces-verbaal van bevindingen. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina 6):

0p zondag 6 juli 2014 omstreeks 15.50 uur stonden wij op het John F. Kennedyplein te Purmerend. Ik zag de mij bekende [verdachte] aan komen fietsen en zijn fiets in de fietsenstalling parkeren. Het ging om een damesfiets, merk Gazelle, type Orange, een elektrische fiets. ging. Wij zagen dat deze fiets niet voorzien was van een veiligheidsslot. Ik controleerde het framenummer ( [001] ) en zag dat deze fiets als gestolen gesignaleerd stond.

III.

Een proces-verbaal van bevindingen. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] (dossierpagina 8):

Ik zag dat het slot, wat op de fiets hoort te zitten, ontbreekt, Ik zag dat er op het spatbord aan de achterzijde van de fiets een afdruk zichtbaar is. Deze afdruk bevindt zich op de plek waar normaal gesproken het slot is bevestigd. Hierdoor ga ik er vanuit dat hier een zogeheten ringslot heeft gezeten.

Tevens zag ik dat de jasbeschermers ontbraken. Deze jasbeschermers zijn normaal gesproken bevestigd op de fiets ter hoogte van het ringslot.

IV.

Een proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 6 juli 2014 door verdachte [verdachte] ten overstaan van verbalisant [verbalisant 4] afgelegde verklaring (dossierpagina’s 23-25):

U vraagt mij of ik had gezien dat het slot van de fiets ontbrak toen ik de fiets leende. Ik had dat wel gezien.”

3.4.

Verder steunt de bewezenverklaring op de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2016, voor zover inhoudende:

“Op 6 juli 2014 heb ik in Purmerend op een elektrische damesfiets van het merk Gazelle Orange Excell I gereden. Ik had die fiets geleend van [betrokkene 2] . Ik heb [betrokkene 2] niet gevraagd waar de fiets vandaan kwam”.

3.5.

Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging:

“De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat onder de omstandigheden van dit geval niet kan worden gesteld dat de verdachte wist dan wel had moeten vermoeden dat de fiets van diefstal afkomstig was.

Het hof overweegt hierover als volgt. De verdachte is op 6 juli 2014 aangehouden met een elektrische fiets waarvan later bleek dat deze van diefstal afkomstig was. De fiets was niet voorzien van het bijbehorende ringslot. Bij nader onderzoek bleek dat op de plek waar normaal gesproken het ringslot bevestigd is, een afdruk zichtbaar was. De verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij, toen hij de fiets leende, had gezien dat het slot ontbrak. Het is een feit van algemene bekendheid dat elektrische fietsen zeer kostbaar zijn.

Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden op de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de fiets de plicht rustte om onderzoek te verrichten naar de herkomst ervan. De verdachte heeft dit nagelaten. Derhalve is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte destijds redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fiets een door misdrijf verkregen goed betrof.”

3.6.

Voor een veroordeling ter zake van schuldheling in de zin van art. 417bis lid 1 onder a Sr is vereist dat de verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van het goed “redelijkerwijs had moeten vermoeden” dat het betreffende goed door misdrijf is verkregen. Dat bestanddeel houdt mede een zogenaamde vergewisplicht in.1 De omstandigheden waaronder een goed wordt verkregen kunnen een onderzoeksplicht doen ontstaan naar de herkomst van dat goed. Als de verdachte daarin in ernstige mate tekort is geschoten, dan is er sprake van de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid die maakt dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het goed door misdrijf is verkregen.2De omstandigheden die tot een nader onderzoek verplichten moeten dan wel uit de bewijsvoering blijken.3 Uit de jurisprudentie kan verder worden opgemaakt dat die aanmerkelijke onvoorzichtigheid niet snel wordt aangenomen.4 Omdat de rechtspraak casuïstisch is, is de scheidslijn tussen situaties waarin de verdachte wel of geen schuldverwijt te maken valt, niet altijd even helder te trekken. Het gaat erom of aangenomen kan worden dat ieder weldenkend mens argwaan zou moeten krijgen. Is dat het geval dan is doorvragen of nader onderzoek vereist.

3.7.

Dan kom ik terug op onderhavige zaak. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte door geen onderzoek te doen naar de herkomst van de elektrische fiets, terwijl hij toen hij de fiets leende had gezien dat het bijbehorende ringslot ontbrak en het een feit van algemene bekendheid is dat elektrische fietsen zeer kostbaar zijn, in ernstige mate is tekortgeschoten in de onder die omstandigheden op hem rustende onderzoeksplicht en dat de verdachte dus met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. De vraag is of de door het hof vastgestelde omstandigheden voldoende zijn om van een gebrek aan de vereiste voorzichtigheid te spreken. Voor de beantwoording daarvan zal ik aansluiting zoeken bij twee arresten.

3.8.

In een zaak waarin de feiten erg lijken op de onderhavige, ging het om schuldheling van een damesfiets die de verdachte had geleend van iemand waarvan hij zich niet meer kon herinneren waar deze woonde. Verder had de verdachte verklaard dat hij de fietssleutel niet had, dat op de damesfiets geen origineel slot zat en dat hij geen vragen had gesteld over de herkomst van de fiets. De betrokkene waarvan de verdachte stelde de fiets te hebben geleend, had bovendien tegenover de politie ontkend dat hij een fiets aan de verdachte zou hebben geleend. Deze feiten en omstandigheden achtte het hof voldoende om de verdachte een schuldverwijt te maken dat hij in het bezit was van een damesfiets die van misdrijf afkomstig bleek te zijn. De Hoge Raad oordeelde dat de bewijsvoering ontoereikend was met name voor zover de bewezenverklaring inhield dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de fiets redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.5

3.9.

Als op basis van dit arrest kan worden aangenomen dat het lenen van een fiets zonder origineel slot op zichzelf nog niet voldoende is om de onderzoeksplicht te activeren, dan is de vervolgvraag of dit gegeven in combinatie met de vaststelling van het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat elektrische fietsen kostbaar zijn, de verdachte wel tot nader onderzoek had moeten nopen.

3.10.

Op zichzelf heeft de steller van het middel een punt dat het door het hof genoemde feit van algemene bekendheid nog niets zegt over de waarde van de elektrische fiets in kwestie. Daarover heeft het hof niets vastgesteld. Het zou ook om een afgetrapte elektrische fiets kunnen gaan. Maar ook afgezien daarvan heeft het hof in zijn motivering niet inzichtelijk gemaakt waarom het de waarde van de fiets van belang acht. Omdat dit soort fietsen vaker gestolen worden? Of omdat het vreemd is dat van zo’n kostbare fiets het ringslot is verwijderd?6 Of omdat de verdachte had moeten weten dat het om een dure fiets ging en op grond daarvan had moeten vragen hoe degene van wie hij die fiets leende aan die fiets was gekomen?

3.11.

Ook is het de vraag of de waarde van het betreffende goed op zichzelf al een onderzoeksplicht met zich brengt. Daarmee kom ik op het tweede arrest. Hierbij ging het om een 22-jarige jongeman die (op de vlucht na een schietpartij) als bestuurder in een gestolen Audi RS4 had gereden. Het hof oordeelde op grond van het volgende dat hij zich schuldig had gemaakt aan schuldheling:

“Verdachte heeft ondanks zijn jeugdige leeftijd en het feit dat hij geen inkomen heeft, de Audi RS4 voorhanden gehad nu hij hem zelf heeft bestuurd. Het voorhanden hebben van een dusdanig dure auto zonder inkomen is zo opmerkelijk, dat daaromtrent van verdachte een nadere verklaring of uitleg mag worden verwacht. Nu van noch verdachte, noch van de andere zich in de auto bevindende personen hieromtrent een verklaring is verkregen, is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de verdachte niet wist, maar wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de Audi RS4 van misdrijf afkomstig was.”

Volgens de Hoge Raad kon echter uit deze bewijsvoering niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto in die mate was tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid had gehandeld.7

3.12.

Ik geef toe dat in onderhavige zaak het dubbeltje twee kanten op kan vallen. De hierboven aangehaalde arresten brengen mij echter tot de conclusie dat het enkele ontbreken van een het ringslot op een elektrische fiets onvoldoende is om van aanmerkelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van de herkomst van de fiets te kunnen spreken. Dat geldt ook wanneer in aanmerking wordt genomen dat elektrische fietsen, zoals het hof heeft overwogen, zeer kostbaar zijn, nu het hof over de waarde van de onderhavige fiets niets heeft vastgesteld. Tot slot is het voor mijn afweging van belang dat de verdachte heeft verklaard dat hij de fiets heeft geleend en het hof hier kennelijk ook vanuit is gegaan nu het hof deze verklaring in de bewijsmiddelen heeft opgenomen. De door het hof genoemde omstandigheden zouden wellicht in een ander daglicht komen te staan als de verdachte de fiets tegen een lage prijs zou hebben gekocht of van iemand zou hebben gekregen.

3.13.

Gelet op het vorenstaande is het oordeel van het hof dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de elektrische fiets van misdrijf afkomstig was, niet zonder meer begrijpelijk en dus ontoereikend gemotiveerd.

3.14.

Het middel slaagt.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dat is al zo sinds HR 11 juli 1944, NJ 1945/580.

2 Uit HR 17 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9146, NJ 1986/428 (aankoop caravan zonder geldige papieren van zigeuners), blijkt dat het moet gaan om grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid.

3 Zie HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8631 (geld van de IJsbaanvereniging); HR 13 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5702, NJ 2003/460 (aantreffen bankpasjes verstopt in een op het Waterlooplein gekochte laptop); HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0625 (lasgenerator); HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:772 (motorblok).

4 HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3191 (kopen telefoon via Marktplaats); HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3263 (aanschaffen van een motorboot via Marktplaats); HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:647 (rijden op een bromfiets zonder contactslot op een schoolplein) en HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4317 (MP3-speler). Zie ook J.W. Fokkens, aant. 1 bij art. 417bis Sr, Noyon/Langemeijer/Remmelink, Strafrecht, bijgewerkt tot 1 oktober 2017.

5 HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5957.

6 Uit de bewijsvoering blijkt overigens niet dat de fiets in het geheel niet, dus ook niet met een ander slot, was afgesloten.

7 HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2530.