Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1016

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-09-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
17/03153
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2060
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de vraag of tegen de afwijzing van een herzieningsaanvraag door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba beroep in cassatie bij de Hoge Raad der Nederlanden openstaat. De AG geeft de Hoge Raad in overweging de veroordeelde niet-ontvankelijk te verklaren in het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03153 A

Zitting: 18 september 2018

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[de veroordeelde]

  1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: het Gemeenschappelijk Hof) heeft bij vonnis van 7 maart 2017 de aanvraag van de veroordeelde tot herziening van een onherroepelijk vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 4 februari 2010, waarbij de veroordeelde ter zake van “moord” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 jaren, afgewezen.

  2. Namens de veroordeelde heeft mr. P. Dingenmanse tegen deze afwijzende beslissing van het Gemeenschappelijk Hof cassatieberoep ingesteld. Namens de veroordeelde heeft mr. G.G.J.A. Knoops, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.1

3. Alvorens aan bespreking van de middelen kan worden toegekomen, dient de vraag te worden beantwoord of voor de veroordeelde tegen de beslissing van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie openstaat.

4. Voorafgaand aan de in het vonnis van 7 maart 2017 afgewezen herzieningsaanvraag is namens de veroordeelde reeds tweemaal eerder herziening van het vonnis van 4 februari 2010 aangevraagd. Beide aanvragen zijn door het Gemeenschappelijk Hof afgewezen, en wel bij vonnis van 13 november 2012 en bij vonnis van 17 december 2013.

5. Tegen het vonnis van 13 november 2012 is namens de veroordeelde het rechtsmiddel van cassatie aangewend. In zijn conclusie van 28 januari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:202 kwam mijn ambtgenoot Aben na een analyse van de relevante wettelijke bepalingen en de (toenmalige) Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen aan een inhoudelijke bespreking van het ingediende middel niet toe, omdat zijns inziens tegen de beslissing van het Gemeenschappelijk Hof cassatieberoep niet openstaat. Bij arrest van 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:692 verklaarde de Hoge Raad de veroordeelde niet-ontvankelijk in het cassatieberoep, mede gelet op de artikelen 1, eerste lid, 10 en 11, eerste lid, Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Rijkswet cassatierechtspraak), art. 427 SvNl, ondergebracht in het hoofdstuk "Gewone rechtsmiddelen", en art. 461, eerste lid, SvC, geplaatst in het hoofdstuk "Buitengewone rechtsmiddelen".2 De Hoge Raad overwoog onder meer:

“Ingevolge art. 10 in verbinding met art. 11, eerste lid, Rijkswet cassatierechtspraak staat - voor zover hier van belang - voor 'de verdachte' beroep in cassatie open tegen 'vonnissen' in 'strafzaken'. Een uitspraak als de onderhavige, waarbij het Hof een aanvrage van een veroordeelde tot herziening van de in kracht van gewijsde gegane einduitspraak houdende zijn veroordeling, heeft afgewezen, kan niet worden aangemerkt als een 'vonnis' in een 'strafzaak' in de zin van de Rijkswet cassatierechtspraak, zoals ook de veroordeelde niet kan worden aangemerkt als 'verdachte' als bedoeld in die wet.

De in art. 461 Sv Curaçao bedoelde afwijzing van een herzieningsaanvrage kan ook niet worden aangemerkt als een uitspraak als bedoeld in art. 427 Sv Nederland.

Voorts is noch in de Rijkswet cassatierechtspraak noch in enige andere wetsbepaling tegen zo een afwijzing beroep op de Hoge Raad opengesteld.

Een en ander strookt met het in het Koninkrijk gangbare systematische onderscheid tussen gewone en buitengewone rechtsmiddelen.

Gelet op het vorenoverwogene kan de veroordeelde niet worden ontvangen in zijn cassatieberoep.”

6. De opsteller van de cassatieschriftuur kan zich met dit standpunt van de Hoge Raad niet verenigen, nu daarbij “de nodige kanttekeningen” zijn te plaatsen en uit deze kanttekeningen zou blijken dat “requirant thans wel degelijk ontvankelijk zou moeten worden geacht in zijn beroep in cassatie.”

7. De argumenten waarmee de zienswijze en de beslissing van de Hoge Raad in de schriftuur worden bestreden, zijn overwegend van (rijks)wetstechnische en rechtspolitieke aard. In de sleutel van het beginsel van concordantie en rechtsgelijkheid binnen het Koninkrijk wordt onder meer gewezen op de vroegere Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen, de daaropvolgende Rijkswet cassatierechtspraak – welke Rijkswet per 1 maart 2017 van naam is veranderd3 en sindsdien wordt aangeduid als Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba4 – art. 453 e.v. SvC5 en art. 461 SvNl.6 Betoogd wordt dat het Wetboek van Strafvordering van Curaçao (evenals de dat van de andere landen in het overzeese deel van het Koninkrijk) de herziening weliswaar als een buitengewoon rechtsmiddel aanduidt, maar zulks niet wegneemt dat de herzieningsprocedure aldaar eerder het karakter van een regulier strafproces heeft. Zo zou de herzieningsprocedure contradictoire trekken vertonen en wordt zij op grond van art. 458 e.v. j° 453 SvC in het openbaar gevoerd voor het Gemeenschappelijk Hof, zou het openbaar ministerie daarin een zelfstandige rol als “volwaardige procespartij” vervullen en zou het advies van het openbaar ministerie meer weg hebben van een requisitoir. De opsteller van de cassatieschriftuur benadrukt dat veroordeelden in het “overzeese deel van het Koninkrijk” op grond van de huidige wetgeving en de uitspraak van de Hoge Raad van 25 maart 2014 geen toegang hebben tot een onafhankelijke en onpartijdige herzieningsrechter van de statuur van de Hoge Raad, doch zijn aangewezen op dezelfde feitelijke instantie die in een eerder stadium over de schuldvraag heeft geoordeeld en de veroordeling van de betrokken persoon heeft uitgesproken. Gesteld wordt dat daarvan rechtsongelijkheid binnen het Koninkrijk het gevolg is, die versterkt wordt door het ontbreken van de mogelijkheid van art. 461, eerste lid, SvNl – het verzoek aan de procureur-generaal tot het doen van nader onderzoek ter voorbereiding van een aanvraag tot herziening – en door een engere uitleg van het novumbegrip in de herzieningswetgeving in het overzeese deel. Deze rechtsongelijkheid zou in strijd zijn met de artikelen 6 en 13 van het EVRM. Volgens de opsteller van de schriftuur zijn daarmee evidente verschillen met de Nederlandse herzieningsprocedure gegeven en pleit het verschil in rechtsgelijkheid binnen het Koninkrijk ervoor de mogelijkheid van cassatie open te stellen tegen de beslissing van het Gemeenschappelijk Hof overeenkomstig de rechtsmiddelenregeling voor reguliere strafprocedures.

8. Hoe men de inhoudelijke kracht van deze argumenten ook waardeert, bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het voorliggende cassatieberoep komt daaraan naar mijn inzicht geen zelfstandige betekenis toe. Een belangrijk uitgangspunt is immers de geslotenheid van het rechtsmiddelenstelsel. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen houdt volgens de rechtspraak van de Hoge Raad in dat “een rechterlijke beslissing in het algemeen alleen door vernietiging door een hogere rechter haar kracht kan verliezen en een beslissing waartegen door de wet geen hogere voorziening is toegelaten daarom in het algemeen niet op grond van daaraan mogelijk klevende gebreken van formele of materiële aard als van onwaarde mag worden beschouwd.”7 Dit gesloten stelsel brengt in de eerste plaats met zich dat rechterlijke uitspraken alleen kunnen worden aangetast door een hogere, rechterlijke voorziening.8 Uit de zojuist aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad blijkt voorts dat de wettelijke openstelling van rechtsmiddelen als uitputtend moet worden begrepen. Aan de regel dat strafrechtelijke rechtsmiddelen niet kunnen worden aangewend in andere dan in de wet omschreven gevallen, houdt de Hoge Raad in strafzaken strak de hand. Onder meer voor de sprongcassatie,9 voor een afzonderlijk cassatieberoep voor de benadeelde partij10 en voor cassatieberoep tegen verlofweigering op grond van art. 410a (vierde lid) SvNl,11 is in cassatie een lans gebroken, maar de Hoge Raad oordeelde telkens dat het zijn rechtsvormende taak te buiten gaat om het gesloten stelsel van rechtsmiddelen te doorbreken.12

9. Deze terughoudendheid van de Hoge Raad wekt geen verbazing. Simmelink verklaarde de verhouding tussen wetgever en rechter op dit terrein al als volgt:

“Bij het openstellen van een rechtsgang gaat het om een rechtspolitieke afweging van uiteenlopende factoren. Keuzes zullen moeten worden gemaakt aangaande de aard en inrichting van de procedure, de competentie van de rechter, de door hem te nemen beslissingen, etc. Voorts gaat het om keuzes ten aanzien van de te bieden rechtswaarborgen afgezet tegen de aard en ernst van het in het geding zijnde strafbare feit. In dit verband is ook de doelmatigheid van de besteding van publieke gelden van belang. Tot samenhangende keuzes en afwegingen over deze kwesties is de in individuele gevallen oordelende rechter doorgaans niet in staat [..]. Daarom is de regeling van de rechtsmiddelen primair een aangelegenheid voor de wetgever.”13

In de onderhavige zaak ligt het ook zo, lijkt mij, met dien verstande dat daarbij tevens de verhouding tussen wetgeving en rechtspraak in beeld komt. Gevolg is dat in cassatie aan betogen van de strekking dat een rechtsmiddel zou moeten openstaan niet anders dan voorbij kan worden gegaan. Met dergelijke pleidooien dient men zich te richten tot de rijks- en/of de landswetgever. De beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in de onderhavige zaak hangt rechtstreeks samen met het antwoord op de positiefrechtelijke vraag of de rijkswetgever c.q. de landswetgever cassatieberoep tegen de afwijzende beslissing van het Gemeenschappelijk Hof op een herzieningsverzoek daadwerkelijk heeft willen openstellen en mitsdien heeft opengesteld.

10. In het meergenoemde arrest van 25 maart 2014 heeft de Hoge Raad ter zake precies deze laatste vraag uitdrukkelijk onder ogen gezien en vervolgens ontkennend beantwoord. De opsteller van de schriftuur erkent (p. 6) dat de in die uitspraak aan de Rijkswet cassatierechtspraak gegeven uitleg “naar de letter van de wet gezien juist is.” De aangevoerde argumenten ter onderbouwing van het betoog dat deze uitspraak van de Hoge Raad “geen steun in het recht vindt” en dat integendeel de veroordeelde “wel degelijk ontvankelijk zou moeten worden geacht in zijn beroep in cassatie”, nu de in de schriftuur bepleite extensieve interpretatie in het hier toepasselijke wets- en rechtskader past, overtuigen niet. Ik verwijs daarvoor naar de overwegingen van de Hoge Raad, waarin mijns inziens geen onjuistheid besloten ligt, naar de hierboven aangehaalde conclusie van mijn ambtgenoot Aben vóór HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:692 en naar hetgeen ik hierboven heb uiteengezet over de geslotenheid van het rechtsmiddelensysteem, de verhouding tussen wetgever en rechter en de keuze die de rijkswetgever respectievelijk de landswetgever (van Curaçao) op dit vlak heeft gemaakt. De stelling dat “wettelijk gezien niet is uitgesloten dat er tegen de afwijzing van een herzieningsaanvraag beroep in cassatie is opengesteld”, acht ik niet houdbaar en gaat eraan voorbij dat in het gesloten stelsel van rechtsmiddelen een hogere voorziening in beginsel slechts openstaat als de wetgever zulks in zoveel woorden heeft bepaald. Indien de rechter heeft gesproken en alle voorzieningen zijn uitgeput, is – omwille van de stabiliteit van het maatschappelijk verkeer – de rechterlijke beslissing definitief.14De onderstelling in de cassatieschriftuur (p. 7) dat de (rijks)wetgever niet heeft beoogd de afwijkingen van de cassatieregeling uitputtend te benoemen en te regelen, maar evengoed zou hebben kunnen volstaan met het expliciet benoemen van de meest gangbare uitzonderingen, en dat het voorts niet onvoorstelbaar is dat de wetgever de overweging hieromtrent aan de Hoge Raad heeft willen laten, komt mij niet aannemelijk voor. Als immers de (rijks)wetgever van oordeel is dat tegen een bepaalde beslissing van de rechter cassatieberoep dient open te staan, dan zal hij dit – mede gezien de opvatting van de Hoge Raad over zijn beperkte taak op dit terrein – uitdrukkelijk wettelijk regelen en het een en ander niet (stilzwijgend) aan de Hoge Raad overlaten. Om die reden is bijvoorbeeld in 2003 in aanvulling op de Rijkswet cassatierechtspraak een aparte rijkswet tot stand gebracht om cassatieberoep in overzeese uitleveringszaken mogelijk te maken, te weten de Rijkswet cassatierechtspraak in uitleveringszaken voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten van 8 mei 2003, Stb. 2003/204.15

11. Gelet op het bovenstaande luidt mijn conclusie dat de veroordeelde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beroep in cassatie. Mocht de Hoge Raad daarover een ander oordeel zijn toegedaan, dan ben ik uiteraard graag bereid ten aanzien van de voorgestelde cassatiemiddelen nader te concluderen.

12. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Volledigheidshalve vermeld ik dat de Hoge Raad tevens heeft ontvangen een fax van 28 mei 2018, waarin door mr. Knoops een korte aanvulling is gemaakt op de cassatieschriftuur van 25 mei 2018.

2 Zie voor de tekst van deze wetsartikelen het arrest.

3 Inhoudelijk is voor het strafrecht niet iets wezenlijks gewijzigd. Wel is het een en ander veranderd met het oog op digitaal procederen in de civiele rechtspraak en de bestuursrechtspraak.

4 Zie voor de wijziging van de citeertitel: Stb. 2016/291 en Stb. 2017/17.

5 Regelend het buitengewoon rechtsmiddel van herziening van vonnissen.

6 Het verzoek tot het doen van onderzoek ter voorbereiding van een aanvraag tot herziening, welke processuele mogelijkheid onbekend is in de wetgeving van de overzeese Koninkrijklanden.

7 HR 4 maart 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB3715, NJ 1975/241, m.nt. Van Veen.

8 Zie over dit thema onder meer: J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken (diss. Groningen), Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 462-469; E.S.G.N.A.I. van de Griend, Hiaten in de strafrechtelijke rechtsbescherming (diss. Tilburg), Nijmegen: WLP 2002, p. 36 e.v.; J.B.H.M. Simmelink, ‘Kanttekeningen bij het ‘gesloten stelsel van rechtsmiddelen’’, in: A.E. Harteveld, e.a. (red.), Systeem in Ontwikkeling (Knigge-bundel), Nijmegen: WLP 2005, p. 461-481. Zie voorts de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge vóór HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:256, NJ 2015/197, m.nt. Schalken.

9 HR 27 mei 1997, DD 97.265.

10 Zie o.a. HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7011, NJ 2003/557, HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4207, NJ 2003/329 en daarover A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 142. Vgl. ook mijn aanvullende conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:1951) voorafgaand aan HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1968.

11 Zie o.a. HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6595, NJ 2010/338, m.nt. Buruma en HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO0082, NJ 2013/560, m.nt. Mevis.

12 Zie HR 31 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD7279 en HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5531 voor uitspraken die zien op het cassatieberoep tegen een beschikking van het Gemeenschappelijk Hof, in verbinding met art. 10, eerste lid, van de ‘Rijkswet cassatierechtspraak’ (in beide beschikkingen werd de klager door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard in het beroep).

13 Simmelink, a.w., p. 465.

14 Zie met nadere verwijzingen Simmelink, a.w., p. 464.

15 Laatstelijk gewijzigd bij Rijkswet van 7 juli 2010, Stb. 2010/339.