Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1008

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
17/02074
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2065
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over beslissing van het hof dat de termijnoverschrijding bij het instellen van hoger beroep niet verschoonbaar is. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02074

Zitting: 25 september 2018

Mr. A.J. Machielse

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft op 10 april 2017 het hoger beroep van verdachte tegen de veroordeling door de politierechter Den Haag van 19 augustus 2016 niet-ontvankelijk verklaard.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. J.S. Nan, advocaat te Den Haag, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie. Het middel keert zich tegen de beslissing van het hof dat de termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep niet verschoonbaar is.

3.1. De oproeping om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter van 19 augustus 2016 is aan verdachte op 3 juni 2016 in persoon uitgereikt. Op 19 augustus 2016 heeft de politierechter te Den Haag verdachte bij verstek veroordeeld. Vrijdag 2 september 2016 was de laatste dag waarop nog hoger beroep tegen dat vonnis kon worden ingesteld. Het hoger beroep is evenwel eerst op 7 november 2016 ingesteld door mr. J.H. Weermeijer, advocaat te Delft. De appelakte vermeldt dat de beslissing op 3 september 2016 onherroepelijk is geworden en dat veroordeelde lijdt aan een psychische stoornis in de zin dat hij een angst- en paniekstoornis heeft daaruit bestaande dat hij zijn post niet durft te openen.

3.2. Voorop moet worden gesteld dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen rechterlijke uitspraken een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Die termijnen zijn van openbare orde. Als te laat appel wordt ingesteld en als desalniettemin bepleit wordt om het hoger beroep ontvankelijk te verklaren omdat aan verdachte van deze overschrijding van de appeltermijn, bijvoorbeeld wegens psychisch disfunctioneren, geen verwijt kan worden gemaakt,1 moet het hof een onderzoek instellen naar de vraag of en zo ja gedurende welke perioden na het vonnis van de rechtbank de verdachte psychisch disfunctioneerde en niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld. In dat geval kan het verzuim om tijdig hoger beroep in te stellen niet aan verdachte worden toegerekend.2

Daarvoor is wel nodig dat de beschrijving van de psychische problematiek waarmee de verdachte kampt zich niet beperkt tot een globale omschrijving van het ziektebeeld, maar ook aangeeft waarom dit ziektebeeld juist de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maakt.3

3.3. In een zaak waarin verdachte te laat hoger beroep had ingesteld en de advocaat ter terechtzitting had aangevoerd dat verdachte de laatste tijd zichzelf niet is, dat hij eerder twee kinderen heeft verloren en dat alles tegenzit, waardoor hem geen verwijt kan worden gemaakt, had de advocaat ook een verklaring overgelegd van een psychotherapeut waarin is weergegeven dat verdachte psychiatrisch en psychologisch is onderzocht op de afdeling psychotrauma in verband met somberheid, slaapproblemen, opdringende gedachten aan traumatische gebeurtenissen, nachtmerries, verminderde concentratie en belangstelling voor activiteiten van het dagelijks leven, welk klachtenpatroon valt binnen een depressieve stoornis samenhangend met gestagneerde rouw in combinatie met posttraumatische stressklachten. Het hof had een het beroep op verontschuldigbare van de overschrijding van de appeltermijn verworpen. De Hoge Raad casseerde:

"2.4. Gelet op hetgeen door de raadsman onder verwijzing naar de verklaring van drs P. Dessing - waarin sprake is van een depressieve stoornis - is aangevoerd, had het Hof zijn beslissing nader dienen te motiveren. Het had moeten doen blijken een onderzoek te hebben ingesteld naar de vraag of en zo ja gedurende welke periode na het vonnis van de Kantonrechter de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid verkeerde dat hij niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld. Een termijnoverschrijding gedurende een zodanige periode zou de verdachte niet kunnen worden toegerekend. In dat geval is de verdachte ontvankelijk in het door hem ingestelde rechtsmiddel indien hij, nadat een verhindering als hiervoor bedoeld is opgeheven, alsnog zo spoedig mogelijk hoger beroep heeft ingesteld of doen instellen."4

Niet nodig is overigens dat het beroep op verontschuldigbaarheid van de overschrijding van de appeltermijn wordt onderbouwd door een bericht van een deskundige over een psychische stoornis die deze overschrijding kan verklaren. In 2011 kreeg de Hoge Raad te maken met een niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep omdat de verdachte het appel niet tijdig had ingesteld. De verdachte had een brief geschreven aan het hof waaruit is op te maken dat hij tevoren op de hoogte was van de terechtzitting in eerste aanleg van 14 augustus 2009. Verdachte heeft deze brief ter terechtzitting van hoger beroep als volgt toegelicht:

"U vraagt mij of ik op de hoogte was van de zitting van 14 augustus 2009. Ik was het vergeten. Ik vergat alles toen ons kind was overleden. Op 25 augustus 2009 is ons kind gestorven.

Mijn vrouw houdt alles bij. De brief, inhoudende de dagvaarding, heb ik niet geopend. Mijn vrouw heeft gezegd dat ze de brief op het postkantoor heeft afgehaald. Ik wist wel dat ik moest voorkomen. Mijn vrouw houdt mijn agenda bij.

Op de dag van de zitting, 14 augustus 2009, werd mijn vrouw in het ziekenhuis opgenomen. Ik ben meegegaan naar het ziekenhuis. We hebben niet over de zitting gesproken. Als ik naar de rechtbank moet, neem ik vrij. Ik was toen ZZP'er. Als ik van de zitting had geweten, was ik geweest.

Mijn vrouw heeft de brief opengemaakt nadat ze die bij het postkantoor had opgehaald. Zij zal mij de inhoud wel hebben verteld.

Mijn geheugen is weg. Tussen de opname van mijn vrouw en het overlijden van ons kind heb ik niet aan de zaak gedacht. Het was een heftige periode."

Het hof verklaarde verdachte toch niet ontvankelijk in zijn hoger beroep omdat verdachte tevoren bekend was met de dag van de terechtzitting in eerste aanleg en niet binnen 14 dagen na het in eerste aanleg gewezen vonnis beroep heeft ingesteld. De Hoge Raad vernietigde en overwoog daartoe:

"2.6.1. Indien duidelijk en gemotiveerd het verweer is gevoerd dat een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel verontschuldigbaar is overschreden, is de rechter verplicht bij verwerping daarvan die beslissing uitdrukkelijk en met redenen omkleed te nemen (vgl. HR 22 februari 2005, LJN AR3700).

2.6.2. Hetgeen door de verdachte is aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een zodanig verweer. Het Hof heeft dat verweer verworpen, maar het heeft nagelaten in dit opzicht een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing te geven. Voor zover het middel daarover klaagt, is het gegrond." 5

Ik maak hieruit op dat een overschrijding van de appeltermijn ook kan worden verontschuldigd als er geen sprake is van een deskundigenrapport waarin een psychiatrisch ziektebeeld wordt beschreven maar van andere ingrijpende gebeurtenissen die een zodanig spoor trekken door iemands leven dat daardoor het besef dat op tijd appel moet worden ingesteld volledig naar de achtergrond wordt gedrongen, waardoor de overschrijding van de appeltermijn weer verontschuldigbaar kan zijn.

3.4. In de onderhavige zaak is verdachte vergezeld van zijn advocaat ter terechtzitting in hoger beroep van 10 april 2017 verschenen. De advocaat heeft daar onder meer aangevoerd:

“Ik heb op 7 april 2017 een verklaring van Brijder van 29 maart 2017 overgelegd. Op het moment van betekening van de oproeping was de verdachte in een zodanige psychische toestand dat hij nauwelijks in staat was zijn post te openen of de inhoud daarvan te interpreteren. De verdachte had last van een alcoholverslaving. Dat is veranderd. Er is nu sprake van abstinentie van alcoholgebruik. Met behulp van maatschappelijk werk is zijn financiële situatie nu op orde. Er is contact met Brijder en goed contact met de reclassering. Dat hij te laat hoger beroep heeft ingesteld komt door zijn stoornis. De verdachte begreep niet dat er een verstekvonnis op zijn naam was. Ik verwijs naar een arrest van de Hoge Raad van 6 januari 2004, NJ 2004,181.

Daaruit volgt dat onder omstandigheden de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar kan zijn bij een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim om tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Ik wil het hof om een tweede kans vragen, gelet op de onderbouwing van Brijder. De verdachte kon zich geen rekenschap geven van de dagvaarding."

De AG heeft aldus gereageerd:

“Ik zal vorderen de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep te verklaren. De dagvaarding eerste aanleg is in persoon ontvangen en getekend. De verdachte heeft psychische problematiek en er is hulpverlening. De verdachte is in staat om hulp te vragen. Het ligt op zijn pad om hulp te vragen. Met betrekking tot het bekend zijn met de datum van de zitting, verwijs ik naar het arrest van de Hoge Raad met nummer BO4029.”

Verdachte heeft daarop verklaard:

“Ik heb getekend, het is mijn handtekening. Ik heb het me niet gerealiseerd. Ik kreeg veel post. Na 7 november 2016 is hulpverlening op gang gekomen en is de post gedaan.

Medio vorig jaar was ik zo bang voor dingen. Ik heb niet geregistreerd dat ik getekend heb en wat de inhoud daarvan was.”

En:

“Ik had depressieve klachten en paniekstoornissen. Thuis in het donker had ik gedachten dat ik niet verder wilde met leven. Het dieptepunt was vorig jaar rond de zitting, tot ongeveer november, waarna ik door woonbegeleiding en gesprekken in december bij de reclassering me kon oriënteren op behandeling. Het gaat beter nu. Er was een rechterlijke machtiging. Ik had er zelf om gevraagd. Als ik onder druk van een depressie ging drinken werd ik opgenomen. Dat is een aantal keer gebeurd in 2016. Ik weet niet wanneer de laatste keer was. Sinds december vorig jaar gaat het beter en doe ik vrijwilligerswerk. Ik ben aan het solliciteren en wil mijn beroep weer oppakken.”

Voorts houdt het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nog het volgende in:

"De oudste raadsheer vraagt of de verdachte nog weet wanneer de rechterlijke machtiging begon en wanneer de verdachte is opgenomen.

De verdachte verklaart:

Begin 2016 in april of mei. Ik ben in april opgenomen geweest. Ik weet niet meer of dat in het kader van een machtiging was. Vóór april was een machtiging afgegeven, daarna opnieuw. Voor Brijder was dat niet bevorderlijk, er was daar een ander beleid. De voorzitter vraagt of ik na april niet meer ben opgenomen. Dat klopt.

De advocaat-generaal merkt op dat in het proces-verbaal van de politierechterzitting van 7 maart 2016 staat vermeld dat de verdachte toen was opgenomen in een kliniek.”

3.5. De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep heeft het hof aldus gemotiveerd:

“De dagvaarding van de verdachte om op 19 augustus 2016 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen is aan de verdachte in persoon uitgereikt op 3 juni 2016.

De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het op 19 augustus 2016 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 7 november 2016 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer door en namens de verdachte dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is wegens de angst en paniekstoornis waaraan verdachte lijdt, onderbouwd met een verklaring van een psycholoog van Brijder d.d. 29 maart 2017, maakt dit oordeel niet anders. Een overschrijding van de wettelijke termijn waarbinnen een rechtsmiddel dient te worden ingesteld kan slechts in uitzonderlijke, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden verontschuldigbaar zijn. Zonder af te willen doen aan de ernst van de situatie waarin de verdachte toentertijd zal hebben verkeerd, is het hof van oordeel dat noch uit de door de verdachte overgelegde verklaring van Brijder d.d. 29 maart 2017, noch uit het ter terechtzitting gebleken onderzoek op dit punt is gebleken van een min of meer acuut opgekomen psychische stoornis ten gevolge waarvan de verdachte na het vonnis niet in staat was om te beoordelen of een rechtsmiddel moest worden ingesteld. De door de verdachte aangevoerde, omstandigheid dat hij op grond van een rechterlijke machtiging opgenomen is geweest kan de termijnoverschrijding evenmin verontschuldigbaar doen zijn, nu die opname heeft plaatsgevonden enige tijd voordat het bestreden vonnis is gewezen en ook voordat de dagvaarding aan hem werd uitgereikt. Het hof is derhalve van oordeel dat van een uitzonderlijke, de verdachte niet toe te rekenen situatie, geen sprake is en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.”

3.6. Tot wanneer de opname van verdachte heeft geduurd staat in cassatie niet vast. Wel is zeer aannemelijk dat verdachte op 7 maart 2016, toen zijn strafzaak voor het eerst in eerste aanleg diende, in een psychiatrische inrichting was opgenomen. Verdachte zelf heeft verklaard dat eerst na 7 november 2016 hulpverlening op gang is gekomen en de post is afgewerkt, maar dat hij, zo parafraseer ik medio 2016 nog last had van angstaanvallen. Verdachte zelf heeft verklaard dat hij enige malen in 2016 opgenomen is geweest.

Dat verdachte op 3 juni 2016, toen de oproeping voor de terechtzitting van 19 augustus 2016 aan hem in persoon is uitgereikt niet meer opgenomen was zegt nog niets over de toestand waarin verdachte verkeerde in de weken nadat de politierechter vonnis had gewezen. In aanmerking genomen dat verdachte zelf heeft verklaard dat eerst nadien de hulpverlening goed op gang is gekomen lijkt mij de beslissing van het hof dat de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar was ontoereikend gemotiveerd.6

Het middel lijkt mij gegrond.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Den Haag en tot terugwijzing van de zaak naar dat gerechtshof teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Mijn ambtgenoot mr. Aben onderscheidt in zijn conclusie voor HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2681 twee grote categorieën van de verontschuldigbare termijnoverschrijding: (1) opgewekt vertrouwen en onzorgvuldigheden in de ambtelijke informatievoorziening; (2) psychische stoornis.

2 HR 12 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2064, NJ 2001/696 m.nt. De Hullu; HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1557, NJ 2014/179 m.nt. Schalken; HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3378

3 HR 6 maart 2007, nr. 00453/06 (niet gepubliceerd). In zijn conclusie voor dit arrest schreef mijn voormalig ambtgenoot mr. Vellinga: "9. Voorts is aan de schriftuur nog gehecht een brief van een psychiater van het Sociaal Psychiatrisch Behandelcentrum Zeist d.d. 13 maart 2006. Deze brief houdt in dat de verdachte al langere tijd in zorg is bij dit behandelcentrum, alsmede dat de verdachte psychiatrische problemen heeft die zich uiten in onder andere slaapproblemen en concentratieproblemen. Deze informatie over verdachtes psychiatrische problematiek en de periode waarin deze aan de orde was is zo globaal dat daaruit mijns inziens niet een zodanige psychische gesteldheid van de verdachte ten tijde van de termijn voor het instellen van beroep in cassatie valt af te leiden dat in verband daarmee het verzuim tijdig beroep in cassatie in te stellen niet aan de verdachte zou kunnen worden toegerekend." Dat door de verdediging opgevoerde beeld was dus volgens de Hoge Raad onvoldoende.

4 HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2429, NJ 2011/136. In gelijke zin HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1345; HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2397.

5 HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2681. Kennisneming van de onderliggende stukken in deze zaak leert dat verdachte ter terechtzitting van het hof niet werd bijgestaan door een advocaat.

6 Uit het uittreksel Justitiële documentatie van 27 maart 2017 dat zich bij de stukken bevindt maak ik op dat verdachte door de politierechter Den Haag op 7 november 2016 voor een winkeldiefstal, op 4 november 2016 gepleegd, is veroordeeld in een snelrechtprocedure, welke veroordeling dezelfde dag onherroepelijk is geworden. De politierechter heeft toen verdachte veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Daaraan heeft de politierechter de bijzondere voorwaarde verbonden dat verdachte zich na vrijlating uit detentie zal melden bij de GGZ reclassering Palier en zich zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften hem door deze instelling te geven. Voorts zal verdachte zich onder behandeling moeten stellen van een passende ambulante GGZ-instelling en is hij verplicht om mee te werken aan observatie, diagnostiek, stabilisatie en detoxintoxicatie als deze instelling dat gedurende de behandeling nodig acht. Bovendien kan verdachte worden verplicht tot een korte klinische opname van een kennelijk door de politierechter bepaalde duur. Die beslissing wijst er mijns inziens ook op dat voorafgaand aan 7 november 2016 verdachte in psychische problemen verkeerde.