Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1004

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-05-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
16/05874
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1687
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vordering tul o.g.v. niet naleving algemene voorwaarde en bepaling van de dag voor het onderzoek van de vordering tul, art. 14h.2 Sr. Heeft het Hof ten onrechte de tul bevolen van aan verdachte voorwaardelijk opgelegde straf terwijl art. 14h.2 Sr niet is nageleefd? Ex art. 14g.3 Sr is in geval de algemene voorwaarde, dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, niet is nageleefd, tot behandeling van de vordering tul bevoegd de rechter bij wie de zaak m.b.t. het nieuwe feit aanhangig wordt gemaakt en kan die vordering slechts bij gelegenheid van een veroordeling t.z.v. dat feit worden toegewezen. Ex art. 361a Sv, maakt de beslissing m.b.t. de gegrondheid van die vordering deel uit van de in de strafzaak gegeven uitspraak. I.g.v. overtreding van de algemene voorwaarde voorziet de wet dus in een gevoegde behandeling van de vordering tul en de (nieuwe) strafzaak (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AX1665). De vordering tul is geen onderdeel van de dagvaarding t.z.v. het nieuwe feit, maar kan gelijktijdig met deze aan verdachte worden betekend of los daarvan, binnen de wettelijk gestelde termijnen. De rechter dient wel in één en hetzelfde vonnis uitspraak te doen m.b.t. het tlgd. nieuwe feit en m.b.t. de vordering tul. Art. 14g.3 Sr dient aldus te worden begrepen dat een afzonderlijke dagbepaling achterwege blijft i.g.v. de vordering tul wordt behandeld gelijktijdig met de behandeling van een feit waarvoor veroordeelde wordt vervolgd. De behandeling van die vordering vindt dan immers plaats op de dag van de tz. die door de voorzitter van de Rb ex art. 258.2, eerste volzin, Sv wordt bepaald op het verzoek en de voordracht van de OvJ. Het bepaalde in art. 14h.2, eerste volzin, Sr is daarom niet van toepassing op vorderingen tul wegens schending van de in art. 14c.1.a Sr bedoelde algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Het middel gaat uit van de opvatting dat art. 14h.2, eerste volzin, Sr ook van toepassing is in een geval als het onderhavige. Die opvatting is onjuist. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05874

Zitting: 22 mei 2018 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 4 oktober 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, wegens “mishandeling” veroordeeld tot een taakstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, met aftrek als omschreven in artikel 27 Sr. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee maanden gelast.1

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof in strijd met het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit is gekomen dan wel zijn oordeel omtrent de bewezenverklaring onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd.

4. Het hof heeft in het bestreden arrest ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

hij op 21 maart 2015 in de gemeente Deventer, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer] op het hoofd heeft geslagen, waardoor [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.’

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen, met weglating van verwijzingen:

1) Een in wettelijke vorm door [verbalisant 1], hoofdagent van politie Eenheid Oost- Nederland, opgemaakt proces-verbaal, (…), gesloten en getekend op 22 maart 2015 te Deventer, als bijlage (…) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de aangifte van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Ik ben vanavond, 21 maart 2015, door mijn ex vriend [verdachte] mishandeld in de slaapkamer van mijn woning, adres [a-straat 1] te Deventer. Hij wilde seks met mij. Ik wilde dit helemaal niet. Hij gaf mij klappen omdat ik volgens hem geen onveilige seks met hem wilde hebben. Wij waren op dat moment in de slaapkamer. Hij sloeg mij met zijn rechter vuist op de linkerzijde van mijn gezicht. Hij deed dit met kracht en deed dit in ieder geval 3 (drie) maal. Ik heb de klappen verder niet geteld. Doordat hij mij sloeg voelde ik pijn aan de linkerzijde van mijn gezicht. Ik heb daar nu een bult.

2) Een in wettelijke vorm door [verbalisant 2], hoofdagent van politie Eenheid Oost- Nederland, opgemaakt proces-verbaal, (…), gesloten en getekend op 22 maart 2015 te Deventer, als bijlage (…) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de bevindingen van deze verbalisant (inclusief foto's), zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van de aanhouding (...) verdachte geslagen zijn.

Ik, verbalisant [verbalisant 2], heb op het hoofd van [slachtoffer] een bult gevoeld die mogelijk door de mishandeling is ontstaan. Deze bult heb ik op de foto’s omcirkeld.

3) Een in wettelijke vorm door [verbalisant 3], hoofdagent van politie Eenheid Oost- Nederland, opgemaakt proces-verbaal, (…), gesloten en getekend op 23 maart 2015 te Deventer, als bijlage (…) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende het verhoor van aangeefster [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Op zaterdag 21 maart 2015 heb ik aangifte gedaan van mishandeling. Ik ben toen mishandeld door mijn ex vriend [verdachte].

(...)

Afgelopen zaterdag was hij bij mij op de slaapkamer. (...) Ik zag dat hij boos werd en wij kregen ruzie. Hij heeft mij vervolgens minimaal drie keer geslagen tegen mijn hoofd en wang. Ik heb daardoor een kleine bult op mijn hoofd vlak onder mijn haargrens. Uw collega’s hebben daar afgelopen zaterdag een foto van gemaakt.

4) Een in wettelijke vorm door [verbalisant 3], hoofdagent van politie Eenheid Oost- Nederland, opgemaakt proces-verbaal, (…), gesloten en getekend op 22 maart 2015 te Deventer, als bijlage (…) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende het verhoor van verdachte, zakelijk weergegeven:

V=Vraag.

A=Antwoord.

O=Opmerking.

V: Kun je mij vertellen hoe het gegaan is gisteravond in de woning van [slachtoffer]?

A: We kregen ruzie om seks. Zij wilde bepalen hoe het gaat, met of zonder condoom.

5) De eigen waarneming van het hof op de foto ’s bij proces-verbaal, (…), gesloten en getekend op 22 maart 2015 te Deventer, als bijlage (…) gevoegd bij het stamproces-verbaal, zakelijk weergegeven inhoudende:

Op de foto’s is een bult te zien aan de linkerzijde van het gezicht, vlak onder de haargrens, van de afgebeelde persoon.’

6. Het hof heeft in het bestreden arrest voorts de volgende bewijsoverweging opgenomen:

‘Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Uit die bewijsmiddelen leidt het hof het volgende af.

Aangeefster [slachtoffer] doet op 22 maart 2015 aangifte tegenover de politie en verklaart dat verdachte haar op 21 maart 2015 met zijn rechtervuist in ieder geval drie maal met kracht op de linkerzijde van haar gezicht heeft geslagen. Hierdoor voelde zij pijn en had zij een bult. Verbalisant [verbalisant 2] heeft op 22 maart 2015 gerelateerd dat hij op het hoofd van [slachtoffer] een bult heeft gevoeld. Deze bult is op de bij het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] gevoegde foto’s omcirkeld. Het hof stelt vast dat de betreffende bult ook daadwerkelijk te zien is en dat deze zich aan de linkerzijde van het gezicht, vlak onder de haargrens, van [slachtoffer] bevïndt.

Op 23 maart 2015 verklaart [slachtoffer] wederom dat verdachte haar op 21 maart 2015 minimaal drie keer heeft geslagen tegen haar hoofd, waardoor zij een kleine bult op haar hoofd vlak onder de haargrens heeft opgelopen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] meermalen op het hoofd heeft geslagen, waardoor zij letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden. Dat aangeefster de mishandeling zou hebben verzonnen omdat zij verdachte uit haar woning wilde hebben, zoals door de verdediging is aangevoerd, is - mede gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden - op geen enkele wijze aannemelijk geworden.’

7. Uw Raad overwoog eerder in verband met het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv:

‘2.3. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM2452, NJ 2010/515).’2

8. In casu vinden de verklaringen die de aangeefster heeft afgelegd over de mishandeling (bewijsmiddelen 1 en 3) steun in de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2], die een bult heeft gevoeld die mogelijk door de mishandeling is ontstaan (bewijsmiddel 2), de waarneming van het hof dat op de foto’s die bij het proces-verbaal van bevindingen zijn gevoegd aan de linkerzijde van het gezicht van de aangeefster, vlak onder de haargrens, een bult zichtbaar is (bewijsmiddel 5 en bewijsoverweging) alsmede in de verklaring van de verdachte dat hij op de avond van 21 maart 2015 met de aangeefster ruzie kreeg om seks (bewijsmiddel 4).

9. Deze bewijsmiddelen brengen naar het mij voorkomt mee dat de door de aangeefster gereleveerde feiten en omstandigheden niet ‘op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal’. Dat waarnemingen van (mogelijke) gevolgen van een mishandeling voldoende steunbewijs kunnen opleveren kan worden afgeleid uit HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3472, NJ 2015/484 m.nt. Borgers onder NJ 2015/488. In deze zaak hield een tot het bewijs gebezigd ‘verslaggesprek ambulant’ onder meer in dat aangeefster op de dag waarop de mishandeling had plaatsgevonden waar de aangifte betrekking op had ‘strompelend’ binnen kwam; een als bewijsmiddel gebezigd ‘verslag’ hield onder meer in dat bij de aangeefster vier dagen later ‘drukpijn naast de wervelkolom’ was geconstateerd.3 Dat een verklaring van de verdachte die de context waarin het delict heeft plaatsgevonden bevestigt, kan meebrengen dat de aangifte voldoende wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal kan worden afgeleid uit HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3747, NJ 2011/170. Daarin had de verdachte, die veroordeeld werd wegens het beroven van een taxichauffeur, verklaard dat hij zich per taxi door de aangever had laten vervoeren en dat hij degene was over wie de aangever had verklaard. In deze strafzaak doet zich al met al niet de situatie voor dat de belastende inhoud van de overige bewijsmiddelen slechts te herleiden is tot de verklaring van aangeefster.4

10. Het middel klaagt er voorts over dat het hof het oordeel dat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv voldaan is onvoldoende heeft gemotiveerd. De bewijsoverweging van het hof zou weinig meer inhouden dan hetgeen in de aanvulling op het arrest is uitgewerkt aan bewijsmiddelen.

11. Blijkens zijn aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting gehechte pleitnota heeft de raadsman in hoger beroep het volgende aangevoerd:

‘De zaak is simpel. Aangeefster stelt dat zij geslagen is, mijn cliënt ontkent dit. De verklaringen zijn gelijkluidend, op één essentieel punt na: aangeefster zegt dat ze is geslagen, cliënt ontkent.

- is er steun voor de stelling dat cliënt geslagen heeft? De foto's geven geen steun, en opmerkingen van de politie (op p. 7), inhoudende dat de aangeefster geslagen zou zijn en dat de politie op het hoofd van aangeefster een bult heeft gevoeld, mogelijk door de mishandeling ontstaan, vormen ook weinig overtuigend steunbewijs.

- heeft de aangeefster een motief? Ja, ze wilde mijn cliënt graag uit haar woning hebben.

- kleeft er nog iets merkwaardigs aan de verklaring van aangeefster? Ja. Op p. 3 van het pv lees ik dat zij met mijn cliënt na de mishandeling nog een uur heeft zitten praten. En daarna is ze de woning uitgevlucht. Dit verhaal is niet consistent. Waarom moest ze vluchten? Was ze nog bang? Waarom dan? Er klopt iets niet, in ieder geval is het verhaal niet volledig. Mede tegen deze achtergrond is haar verhaal over de klappen m.i. onvoldoende overtuigend.

- laat mijn cliënt gedrag zien waaruit volgt dat hij iets te verbergen heeft? Integendeel. Mijn cliënt is rustig in de woning gebleven. Dat past bij iemand die niets te verbergen is en zich van geen kwaad bewust is.

Mijn conclusie is dat het bewijs ontbreekt. Ik vraag om vrijspraak.’

12. Uit deze pleitnota blijkt dat de raadsman niet expliciet heeft gewezen op het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv. De pleitnota gaf het hof derhalve geen aanleiding om in de bewijsoverweging aan dat bewijsminimum te refereren. Daarop wijst ook hetgeen de raadsman bij dupliek heeft aangevoerd: ‘Voor wat betreft de strafzaak is de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster slechts aan de kaak gesteld. Ik ben van mening dat deze verklaring onvoldoende betrouwbaar is. Verdachte heeft ook uitgebreid verklaard. Aangeefster heeft een motief om aangifte te doen, verdachte heeft overtuigend, betrouwbaar en consistent verklaard.’ Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat het verweer van de raadsman zag op de vraag of het bewijs overtuigend is en niet op de wettigheid van het bewijs.

13. Naar het mij voorkomt kan uit de bewijsoverweging worden afgeleid dat het hof zich er rekenschap van heeft gegeven dat de aangifte door op zichzelf staand ander bewijsmateriaal, te weten waarnemingen inzake de bult op het hoofd van de aangeefster, wordt ondersteund. Het hof heeft niet met zoveel woorden aan dat bewijsminimum gerefereerd, en heeft in de bewijsoverweging ook geen aandacht besteed aan de betekenis die in dit verband aan de verklaring van de verdachte toekwam. Maar daartoe was het hof ook niet verplicht. Zoals uit de bewoordingen van de eerder geciteerde overweging van Uw Raad volgt, kan een nadere motivering van het hof van belang zijn; uit die overweging vloeit echter geen verplichting voort om in alle gevallen waarin de bewezenverklaring in belangrijke mate op verklaringen van één aangever berust, een overweging aan de unus testis nullus testis regel te wijden. In de onderhavige strafzaak volgt uit de bewijsmiddelen reeds dat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan en kon een expliciet daarop toegesneden overweging achterwege blijven.

14. Het eerste middel faalt.

15. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf heeft bevolen, althans dat ’s hofs oordeel omtrent het bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd. Aan deze klacht ligt ten grondslag dat art. 14h, tweede lid, Sr niet zou zijn nageleefd: de rechter zou de dag voor het onderzoek van de zaak niet hebben bepaald.

16. Het hof heeft in het bestreden arrest naar aanleiding van een op deze aanname gebaseerd verweer het volgende overwogen:

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden van 23 juli 2013 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, parketnummer 21-001334-13. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging, nu in strijd met artikel 14h, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de dagbepaling voor het onderzoek van de zaak niet via de rechter maar via de griffie is gegaan, terwijl een dagbepaling door een rechter een absolute voorwaarde is om een vordering tot tenuitvoerlegging aanhangig te maken.

Het hof overweegt in dit verband dat ingevolge artikel 14h, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht het de rechter is die onmiddellijk na indiening van de vordering tot tenuitvoerlegging een dag voor het onderzoek van de zaak bepaalt, tenzij de summiere kennisneming van de stukken hem aanleiding geeft om de vordering buiten behandeling te laten.

Het hof stelt vast dat in het onderhavige geval uit het dossier niet valt af te leiden dat de dag voor het onderzoek door een rechter is bepaald, zodat het hof voor de beoordeling van het verweer als uitgangspunt neemt dat de dagbepaling niet heeft plaatsgevonden op de bij de wet voorgeschreven wijze.

De vraag die vervolgens voorligt, is of en zo ja, welke consequentie(s) dit heeft.

Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, zoals door de raadsman is bepleit, is niet aan de orde reeds omdat de dagbepaling een handeling betreft die is voorbehouden aan de rechter en niet aan het openbaar ministerie. Het hof ziet dan ook geen reden het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.

Het hof heeft zich vervolgens de vraag gesteld of niet naleving van artikel 14h, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht dient te leiden tot nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg. Daartoe wordt overwogen dat niet naleving van genoemd voorschrift in de wet niet uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd en zodanige nietigheid naar het oordeel van het hof evenmin voortvloeit uit de aard van het verzuim. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat:
- de behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging, nu deze ziet op het plegen van een strafbaar feit begaan voor het einde van de proeftijd, gelijktijdig geschiedt met de behandeling van het feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd, zodat de veroordeelde hoe dan ook voor de rechter dient te verschijnen, en:
- anders dan de in artikel 14h, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht genoemde marginale toets, tijdens en na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting de rechter alsnog de vordering tot tenuitvoerlegging in volle omvang toetst.

In het onderhavige geval mag verder worden aangenomen dat de in artikel 14h, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde marginale toets niet zou hebben geleid tot het buiten behandeling laten van de vordering zodat niet blijkt dat verdachte door het verzuim daadwerkelijk in enig belang is geschaad.

Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding enig rechtsgevolg te verbinden aan de omstandigheid dat in dit geval de dagbepaling van de vordering tot tenuitvoerlegging, naar het hof tot uitgangspunt heeft genomen, niet door een rechter is gedaan.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De advocaat-generaal heeft ter zitting de tenuitvoerlegging van de (gehele) voorwaardelijke straf gevorderd. Het hof ziet echter aanleiding om dat slechts voor een gedeelte van die straf te doen.’

17. Artikel 14h, eerste en tweede lid, Sr luidden ten tijde van de berechting in eerste aanleg op 30 oktober 2015 en in hoger beroep op 4 oktober 2016 als volgt:

‘1. In de gevallen in de artikelen 14f en 14g bedoeld brengt het openbaar ministerie de zaak aan door de indiening van een met redenen omklede vordering. In het geval dat enige gestelde voorwaarde niet is nageleefd, ziet het openbaar ministerie slechts af van een vordering als bedoeld in artikel 14g, eerste lid, indien naar het oordeel van het openbaar ministerie met een vordering als bedoeld in artikel 14f of met een waarschuwing kan worden volstaan. Is door de veroordeelde een verzoek tot toepassing van artikel 14f tot de rechter gericht, dan dient het openbaar ministerie ten spoedigste nadat het verzoekschrift in zijn handen is gesteld een met redenen omklede conclusie in.

2. Onmiddellijk na de indiening van de vordering of de conclusie bepaalt de rechter, tenzij de summiere kennisneming van de stukken hem aanleiding geeft om de vordering of het verzoek buiten behandeling te laten, een dag voor het onderzoek van de zaak. In het geval, bedoeld in artikel 14g, derde lid, tweede volzin, geschiedt de behandeling van de vordering gelijktijdig met de behandeling van het feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd. In de overige gevallen geschiedt het onderzoek van de zaak binnen dertig dagen nadat de rechter-commissaris op grond van artikel 14fa de voorlopige tenuitvoerlegging heeft bevolen.’

18. In de onderhavige strafzaak is sprake van een vordering tot tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie in de zin van art. 14g, eerste lid, Sr. Uit de eerste beide leden van art. 14h Sr volgt dat de wet in dat geval onderscheid maakt tussen ‘het geval, bedoeld in artikel 14g, derde lid, tweede volzin,’ Sr en andere situaties. Art. 14g, derde lid, tweede volzin, Sr betreft het geval waarin de veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit, begaan voor het einde van de proeftijd.5 In dat geval is tot behandeling van de vordering in beginsel bevoegd ‘de rechtbank, indien deze bevoegd is tot kennisneming in eerste aanleg van het feit’.6 De vordering wordt in dat geval ingediend door het openbaar ministerie belast met de vervolging van het feit en kan slechts bij gelegenheid van een veroordeling terzake worden toegewezen (art. 14g, derde lid, Sr). Ingevolge de tweede volzin van artikel 14h, tweede lid, Sr, geschiedt de behandeling van de vordering in dit geval ‘gelijktijdig met de behandeling van het feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd’. Veel keus bij de dagbepaling heeft de rechter in dit geval derhalve niet. Tegelijk is langs andere weg verzekerd dat de dag van de terechtzitting door de rechter wordt bepaald. Art. 258, tweede lid, eerste volzin, Sv luidt: ‘De voorzitter der rechtbank bepaalt, op het verzoek en de voordracht van den officier van justitie, den dag der terechtzitting’.

19. Bij deze stand van zaken lijkt de eerste zin van artikel 14h, tweede lid, Sr alleen te zien op situaties waarin afzonderlijk op de vordering wordt beslist.7 Steun voor deze interpretatie is te vinden in de parlementaire behandeling van de wet tot herziening van de regeling betreffende de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidstelling, waarin artikel 14h Sr in de kern zijn huidige vorm kreeg.8 Een belangrijke vernieuwing die deze wet bracht was het voorstel ‘om in geval van schending van de algemene voorwaarde de rechter bij wie de berechting van een nieuw strafbaar feit aanhangig wordt gemaakt de bevoegdheid toe te kennen bij de uitspraak over dit feit tevens de tenuitvoerlegging te gelasten van een door hem of een andere rechter voorwaardelijk opgelegde straf of een gedeelte daarvan’.9 Deze vernieuwing leidde ook tot een aanpassing van de regeling van de dagbepaling.10 De memorie van toelichting bevatte daaromtrent de volgende passage:

‘Artikel 14h stemt in grote lijnen overeen met het bestaande artikel 14i. Aan het tweede lid is een zin toegevoegd, die betrekking heeft op het geval dat een vordering tot tenuitvoerlegging wordt gevoegd bij de vervolging ter zake van (BFK: een) nieuw strafbaar feit, binnen de proeftijd begaan.’11

20. In deze passage kan worden gelezen dat in het geval, bedoeld in art. 14g, derde lid, tweede volzin, Sr een afzonderlijke dagbepaling niet meer nodig is; die dag vloeit uit de wet voort. Het betreft immers de dag van de terechtzitting die de voorzitter van de rechtbank in de (nieuwe) strafzaak op de voet van art. 258, tweede lid, Sv bepaalt. In die lezing ontbeert de rechter, als de vordering (imperatief) wordt behandeld bij gelegenheid van de vervolging wegens een nieuw strafbaar feit, de bevoegdheid om de vordering buiten behandeling te laten indien ‘summiere kennisneming van de stukken’ hem daartoe aanleiding geeft. Mij komt het aannemelijk voor dat de wetgever de rechter destijds die bevoegdheid bij een nieuwe vervolging inderdaad niet heeft willen geven. Men kan zich bij deze bevoegdheid meer in het algemeen afvragen of zij past bij de tegenwoordige verhoudingen tussen de rechter en het openbaar ministerie.12 Daarbij is deze bevoegdheid aan de rechter gegeven om hem in staat te stellen te voorkomen dat capaciteit verloren gaat aan behandeling van een vordering of verzoek die dat niet rechtvaardigt.13 In het geval toch een nieuwe vervolging wordt ingesteld, doet deze ratio zich niet voor.

21. Voor het geval Uw Raad de verhouding tussen de eerste en tweede volzin van art. 14h, tweede lid, Sr anders leest, en van oordeel zou zijn dat ook in het geval van gelijktijdige berechting als bedoeld in art. 14h, tweede lid, tweede volzin jo. art. 14g, derde lid, tweede volzin Sr door de rechter (afzonderlijk) de dag dient te worden bepaald waarop de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld wordt, merk ik nog het volgende op. Het middel bekritiseert de overweging van het hof dat de niet-ontvankelijkheid niet aan de orde is reeds omdat de dagbepaling een handeling betreft die is voorbehouden aan de rechter en niet aan het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie zou op dit punt ook een verantwoordelijkheid hebben, en dienen te wachten met het uit laten gaan van een oproeping totdat de rechter de dag heeft bepaald.

22. Naar het mij voorkomt heeft het hof zonder schending van enige rechtsregel kunnen overwegen dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet aan de orde is, reeds omdat de dagbepaling een handeling is die is voorbehouden aan de rechter. De kern van de klacht richt zich tot de rechter, die artikel 14h, tweede lid, Sr niet zou hebben nageleefd. Het ligt meer in het algemeen gesproken niet snel in de rede het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren omdat de rechter een processuele fout zou hebben gemaakt. Daar komt bij dat de rechter, als het openbaar ministerie de dag zou hebben bepaald en die dag hem minder geschikt voorkomt, alle mogelijkheden heeft om, door de behandeling aan te houden, de zaak te onderzoeken op de dag die hij daarvoor wel geschikt acht. En in het geval de rechter meent dat de grond die tot de vordering aanleiding gaf tenuitvoerlegging niet rechtvaardigt, kan hij de vordering afwijzen. Vanuit de meer algemene gedachte dat herstel van fouten de voorkeur verdient boven processuele sancties (vgl. art. 359a Sv) en gegeven de ruime mogelijkheden van herstel die de rechter heeft, behoeft deze processuele sanctie hier derhalve ook niet in beeld te komen. En naar het mij voorkomt kan tegen de toepassing van deze processuele sanctie ook worden ingebracht dat art. 14h, tweede lid, eerste volzin, Sr niet strekt tot bescherming van de belangen van de verdachte.14

23. Het middel klaagt vervolgens over ’s hofs oordeel dat het niet naleven van artikel 14h, tweede lid, eerste volzin, Sr in de wet niet met nietigheid is bedreigd en zodanige nietigheid ook niet voortvloeit uit de aard van het verzuim. Met de rechterlijke toets zou de verdachte rechtsbescherming verkrijgen en duidelijkheid over het summiere oordeel van de rechter, aldus de steller van het middel.

24. Naar het mij voorkomt heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom nietigheid niet voortvloeit uit de aard van dit (veronderstelde) verzuim. De behandeling van de vordering geschiedt gelijktijdig met de behandeling van het feit waarvoor de verdachte wordt vervolgd, en door de rechter.15 En tijdens en na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting toetst de rechter de vordering tot tenuitvoerlegging in volle omvang.

25. Het tweede middel faalt.

26. Het eerste middel kan worden verworpen met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Blijkens het uittreksel Justitiële documentatie van 19 augustus 2016 is de verdachte bij arrest van 23 juli 2013 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, vestigingsplaats Arnhem, onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. In de onderhavige zaak gelast het hof de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel.

2 Zie recentelijk HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717 en HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:189.

3 Zie ook HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:957, NJ 2014/328 m.nt. Rozemond onder NJ 2014/329, waarin Uw Raad oordeelde dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van aangeefster, de vrouw van de verdachte die ten tijde van de mishandeling in verwachting was, voldoende steun vond in de waarneming van een buurman die onder meer inhield dat de aangeefster tijdens haar zwangerschap niet alleen huilend, maar ook verkrampt en met haar handen op haar buik aan zijn voordeur stond.

4 Vgl. HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1355, rov. 3.3 waarin het steunbewijs voor het misbruik van een aan zijn zorg toevertrouwd nichtje onder meer bestond uit de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudend dat de verdachte vaak op de kinderen van zijn zus paste, dat in de kast van zijn zus pornoromans lagen en dat boven in de slaapkamer op een kast in een tas seksboekjes lagen. Zie ook HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2483, rov. 2.4 alsmede HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1247, NJ 2015/489 m.nt. Borgers, rov. 2.4. Bij de feiten waar die overwegingen betrekking op hadden bleek de belastende inhoud van de overige bewijsmiddelen bij de betreffende feiten steeds te herleiden tot (de eigen verklaring van) de aangeefster.

5 Vgl. in verband met de competentieregeling van art. 14g, derde lid, Sr HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9722, NJ 1994/578 m.nt. Van Veen. Uw Raad besliste daarin dat de tweede zin van dit lid niet van toepassing is als aan de vordering de schending van een bijzondere voorwaarde ten grondslag ligt.

6 De kantonrechter is bevoegd ‘indien deze bevoegd is tot kennisneming van dat feit en van feiten, terzake waarvan de veroordeling, waarop de vordering betrekking heeft, is uitgesproken’ (artikel 14g, derde lid, onder b Sr).

7 Rechtbank Overijssel 20 september 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3657, waar het middel een beroep op doet, betrof zo’n situatie.

8 Wet van 26 november 1986, Stb. 593.

9 Kamerstukken II 1984/85, 18 764, nrs. 1-3, p. 16. Zie over dit onderdeel van de wet nader F.W. Bleichrodt, Onder voorwaarde. Een onderzoek naar de voorwaardelijke veroordeling en andere voorwaardelijke modaliteiten (diss. Nijmegen), Deventer: Gouda Quint 1996, p. 143, 155 alsmede HR 24 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0261, NJ 1996/201 m.nt Schalken, rov. 5.2.1.

10 De aanvankelijke regeling van de dagbepaling was ingevoerd door de eerste wettelijke regeling van de voorwaardelijke veroordeling; die regeling schreef afzonderlijke behandeling van de vordering voor (vgl. Kamerstukken II 1914/15, 32, nr. 2, p. 15; nr. 4-5, p. 21-22).

11 Kamerstukken II 1984/85, 18 764, nrs. 1-3, p. 30.

12 De wetgever lijkt ook (en misschien wel vooral) toepassing bij een verzoek van de veroordeelde op het oog te hebben gehad; genoemd worden ‘veroordeelden, querulanten b.v., die den rechter voortdurend met verzoekschriften tot wijziging van voorwaarden, enz. zouden overstroomen’ (Kamerstukken II 1914/15, 32, nrs. 4-5, p. 22 onder H). P.M. Schuyt wijst in T&C Sr, elfde druk, aant. 2b bij art. 14h Sr, op ‘herhaalde chicaneuze verzoeken’.

13 Vgl. Kamerstukken II 1914/15, nrs. 4-5, p. 22: ‘Het komt bij nadere overweging niet wenschelijk voor om in elk geval, dat het openbaar ministerie optreedt ingevolge artikel 14g of artikel 14h of wel de veroordeelde zelf ingevolge artikel 14g, de vrij omvangrijke procedure te volgen, in de artikelen 14i, 14j en 14k geregeld.’ Vgl. ook Bleichrodt, a.w., p. 140.

14 Vgl. gerechtshof Amsterdam 18 januari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:164. Zie ook noot 12 en 13.

15 Op die gelijktijdige behandeling legt ook gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5733 de nadruk.