Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:999

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-07-2017
Datum publicatie
03-10-2017
Zaaknummer
16/04430
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2533, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Klacht over n-o verklaring verdachte in h.b., art. 449.1 en 450.1.b Sv. H.b. tijdig ingesteld d.m.v. grievenformulier? Hof heeft vastgesteld dat verdachte het grievenformulier binnen de appeltermijn persoonlijk aan de centrale balie van de Rb. heeft afgegeven. Mede gelet op de inhoud van het grievenformulier, die bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een uiting van verdachtes wens om tegen het in deze zaak gewezen vonnis h.b. in te stellen, is niet begrijpelijk ’s Hofs kennelijke oordeel dat verdachte daarmee toen niet - hetzij ex art. 449.1 Sv, hetzij ex art. 450.1.b Sv - op rechtsgeldige wijze h.b. heeft ingesteld of doen instellen. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04430

Zitting: 4 juli 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 1 oktober 2015 de verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De verdachte werd in eerste aanleg wegens “mishandeling” veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis, met de mogelijkheid in termijnen te betalen. Verder werd de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Ik bespreek eerst het tweede middel waarin wordt geklaagd dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, de verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt daarover onder meer het volgende in:

“Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. D. Vong, advocaat te Veghel.

(…)

De voorzitter deelt mede dat op grond van het dossier het hof is gebleken dat het grievenformulier op 28 januari 2015 bij de Centrale Balie van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, is ingekomen en eerst op 12 maart 2015 appel is ingesteld door middel van het opmaken van een akte rechtsmiddel.

De raadsman deelt mede:

Mijn cliënt heeft een grievenformulier ingevuld en heeft deze binnen twee weken na de uitspraak van de politierechter bij de Centrale Balie ingeleverd met de mededeling dat hij hoger beroep tegen het vonnis wilde instellen. De Centrale Balie heeft het grievenformulier vervolgens voorzien van een dagstempel en mijn cliënt een kopie van dit formulier overhandigd. Mijn cliënt was op dat moment in de veronderstelling dat het op deze manier in orde was.

Ik heb de grieven in samenspraak met mijn cliënt opgesteld en hem vervolgens de opdracht gegeven om het appel in te stellen. De intentie is immers dat een verdachte zelf, in persoon, het hoger beroep instelt.

De verdachte verklaart:

Ik had het grievenformulier van mijn raadsman gekregen en ben daarmee zelf naar de rechtbank gegaan. Ik heb vervolgens tegen de baliemedewerkster gezegd dat ik hoger beroep wilde instellen.

De voorzitter deelt mede dat vaststaat dat de grieven tijdig zijn opgegeven, doch het hoger beroep zelf tardief lijkt te zijn ingesteld, nu de akte rechtsmiddel eerst op 12 maart 2015 is opgemaakt. Voorts deelt de voorzitter mede dat in het geval de akte rechtsmiddel buiten de termijn van veertien dagen wordt opgemaakt, het hof zich voor de vraag ziet gesteld of de betreffende termijnoverschrijding verschoonbaar is, zodat de verdachte alsnog ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

De raadsman deelt mede:

Omdat ik er zeker van wilde zijn dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld en ik het bovendien belangrijk vind dat een verdachte dit in persoon doet, heb ik het door mij digitaal ingevulde grievenformulier naar hem gemaild, zodat hij deze bij de Centrale Balie kon inleveren. De baliemedewerker heeft het echter kennelijk niet opgevat als het instellen van hoger beroep, maar slechts als het inleveren van een grievenformulier.

Naar de mening van de verdediging is er hierdoor sprake van enige nalatigheid aan de zijde van de baliemedewerkster. Zij had namelijk aan mijn cliënt moeten vragen of er reeds appel was ingesteld.

U, oudste raadsheer, deelt mij mede dat het grievenformulier normaliter pas wordt ingeleverd na het instellen van het hoger beroep en dat het derhalve niet onbegrijpelijk is dat de baliemedewerkster deze vraag niet heeft gesteld.

Ik ben van mening dat de baliemedewerkster bij mijn cliënt had moeten informeren of hij reeds appel had ingesteld, nu het ook mogelijk is om gelijktijdig met het instellen van appel het grievenformulier in te leveren.

De verdachte verklaart:

Ik heb het grievenformulier bij de Centrale Balie ondertekend. Ik wist niet dat ik nog een akte mee zou moeten krijgen. Ikzelf ben namelijk niet bekend met de procedure tot het instellen van hoger beroep. Ik was in de veronderstelling dat het zo goed was.

De raadsman deelt mede:

U, advocaat-generaal, vraagt wie op het grievenformulier de datum van het instellen hoger beroep, te weten 27 januari 2015, heeft ingevuld. Ik kan mij niet herinneren of ik het grievenformulier inclusief datum aan mijn cliënt heb toegezonden of dat mijn cliënt de datum zelf heeft ingevuld.

Gevraagd naar zijn standpunt, deelt de advocaat-generaal mede:

Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zal, in het geval het appel niet tijdig is ingesteld, heel duidelijk moeten blijken dat er sprake is van een verontschuldigbare overschrijding van de termijn. Hierbij merk ik nog op dat een verdachte die hoger beroep tegen een vonnis wil instellen, dit uitdrukkelijk kenbaar moet maken bij de Centrale Balie.

In onderhavige zaak is de verdachte op 28 januari 2015 met een ingevuld grievenformulier bij de Centrale Balie gekomen.

Op dit formulier stond vermeld dat op 27 januari 2015 appel was ingesteld. Blijkens de Memo d.d. 31 maart 2015, opgesteld door [betrokkene 1], medewerkster Centrale Balie, heeft de verdachte gezegd dat hij het grievenformulier kwam brengen. Gelet op deze feiten en omstandigheden meen ik dat de baliemedewerkster datgene heeft gedaan wat zij moest doen. De verdachte stelt weliswaar dat hij heeft gezegd dat hij hoger beroep wilde instellen, maar dat blijkt verder nergens uit. Bovendien was verdachte voorzien van juridische bijstand.

Alles overziend ben ik van mening dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, zodat ik vorder dat het hof verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.

De raadsman deelt mede:

Mijn cliënt heeft aan de baliemedewerkster medegedeeld dat hij hoger beroep wilde instellen. Dat is de feitelijke gang van zaken. Ik heb de Memo van de Centrale Balie waar de advocaat-generaal zojuist aan refereerde, niet ontvangen.

De jongste raadsheer overhandigt haar kopie van de Memo aan de raadsman.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek ten einde de raadsman in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de inhoud van voormelde Memo en de onderliggende correspondentie en deze te bespreken met de verdachte.

Na hervatting deelt de raadsman mede:

Ik heb kennisgenomen van de Memo en de onderliggende correspondentie. Om het hoger beroep te bespoedigen, heb ik vooraf een grievenformulier digitaal ingevuld en is mijn cliënt zelf als verdachte naar de Centrale Balie gegaan om dit formulier in te leveren en hoger beroep in te stellen. Op het grievenformulier stond als datum van het hoger beroep 27 januari 2015. Mijn cliënt is de volgende dag naar de Centrale Balie gegaan. Uit de Memo volgt niet dat mijn cliënt niet heeft aangegeven dat hij hoger beroep wilde instellen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze ongelukkige samenloop van omstandigheden niet aan verdachte is toe te rekenen.

Voorts merk ik op dat mijn cliënt op het moment van het instellen van het hoger beroep niet was voorzien van juridische bijstand. Het is namelijk niet noodzakelijk om een cliënt bij de hand te nemen en precies te vertellen hoe het instellen van hoger beroep in zijn werk gaat. Ik heb hem de opdracht gegeven om naar de Centrale Balie te gaan en te zeggen dat hij hoger beroep wilde instellen. Indien het instellen van dit hoger beroep inderdaad verkeerd is opgevat door de baliemedewerker, wil ik graag verwijzen naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 27 januari 1981 (NJ 1981, 535) en een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 20 oktober 19891 (NJ 1999, 50). Uit deze uitspraken volgt dat een fout van de baliemedewerker niet aan de verdachte valt toe te rekenen. In het kader van omstandigheden die niet aan de verdachte zijn toe te rekenen, verwijs ik bovendien naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 20 juni 1981 (NJ 1981, 350).

Ter afsluiting wil ik wijzen op het feit dat de officier van justitie in eerste aanleg in een e-mailbericht d.d. 27 maart 2015 heeft medegedeeld dat hij van mening is dat verdachte inderdaad heeft getracht tijdig hoger beroep in te stellen en dat het een verschoonbare termijnoverschrijding betreft.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij verklaart:

Ik begrijp er niets van. Ik ben naar de rechtbank gegaan om hoger beroep in te stellen. Ik heb daar gezegd dat ik hoger beroep wilde instellen en ik dacht dat het toen goed was.”

3.2. Het hof heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende overwogen:

“Ingevolge artikel 408, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering moet het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien verdachte op de terechtzitting is verschenen.

De politierechter heeft op 19 januari 2015 op tegenspraak vonnis gewezen. Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting waren zowel verdachte als zijn raadsman mr. D. Vong verschenen. Blijkens de akte instellen hoger beroep is eerst op 12 maart 2015 appel ingesteld middels een door mr. Vong verstrekte bijzondere volmacht.

Blijkens het vorenstaande is het hoger beroep niet tijdig ingesteld. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof deze vraag negatief dient te beantwoorden. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat enkel is gebleken dat verdachte bij de centrale balie een grievenformulier heeft ingeleverd, hetgeen door de baliemedewerkster juist is afgehandeld. Niet is gebleken dat verdachte uitdrukkelijk heeft medegedeeld dat hij hoger beroep wilde instellen. Bovendien was verdachte voorzien van juridische bijstand. Op grond van deze feiten en omstandigheden is de advocaat-generaal van mening dat niet is gebleken dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is, zodat verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de medewerkster van de centrale balie toen verdachte op 28 januari 2015 het grievenformulier inleverde en mededeelde dat hij appel wilde instellen, het heeft nagelaten om een akte hoger beroep op te maken. Volgens de raadsman is de termijnoverschrijding derhalve het gevolg van een fout van een ambtenaar die verdachte niet mag worden tegengeworpen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 28 januari 2015 en derhalve tijdig naar de centrale balie van de rechtbank is gegaan om hoger beroep in te stellen tegen voormeld vonnis. Bij de medewerkster van de centrale balie heeft hij vervolgens een digitaal ingevuld grievenformulier ingeleverd en heeft hierbij gezegd dat hij hoger beroep wilde instellen.

De raadsman heeft over de gang van zaken medegedeeld dat hij het grievenformulier digitaal in samenspraak met verdachte heeft opgesteld, hij dit formulier naar verdachte heeft gemaild en heeft gezegd dat verdachte bij de rechtbank appel moest instellen en het grievenformulier moest overhandigen.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het feit dat zich op het grievenformulier een stempel bevindt met de datum 28 januari 2015 en dat op het grievenformulier bij datum hoger beroep digitaal is ingevuld 27-jan-2015.

Blijkens de memo van 31 maart 2015 met als onderwerp “hoger beroep akte” van [betrokkene 1], medewerkster centrale balie is verdachte op 28 januari 2015 bij de balie Roermond gekomen om een grievenformulier in te leveren. De medewerkers van de balie zijn ervan uitgegaan dat verdachte al hoger beroep had ingesteld, omdat je een grievenformulier pas ontvangt als het hoger beroep is ingesteld.

Het hof stelt voorop dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.

Het hof is van oordeel dat de medewerkster van de centrale balie ervan uit mocht gaan dat reeds op een eerder moment appel was ingesteld tegen het betreffende vonnis. Immers, verdachte was reeds in het bezit van een grievenformulier dat in de regel pas verstrekt wordt op het moment dat appel is ingesteld. Bovendien was op dit grievenformulier digitaal ingevuld dat reeds een dag eerder, te weten 27 januari 2015, appel was ingesteld. Bij het ontbreken van enige aanwijzing anders dan slechts de verklaring van verdachte, acht het hof het niet aannemelijk dat verdachte uitdrukkelijk heeft medegedeeld dat hij appel wilde instellen. Daarnaast heeft het hof bij de beoordeling of de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar is, in ogenschouw genomen dat verdachte voorzien was van juridische bijstand. Naar ’s hofs oordeel had de raadsman, toen hij de keuze maakte dat verdachte zelf appel diende in te stellen, verdachte goed dienen te instrueren hoe hij dit zou moeten doen en nadien moeten controleren of verdachte juist appel had ingesteld door bijvoorbeeld bij hem te informeren of hij in het bezit was van een appelakte.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn, zodat verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep.”

3.3. In de toelichting van het middel wordt gesteld dat het hof uit de vastgestelde gang van zaken wel degelijk kon opmaken dat het de bedoeling van de verdachte was om hoger beroep in te stellen toen hij binnen de beroepstermijn aan de balie van de rechtbank Limburg verscheen en een grievenformulier indiende en dat de beslissing van het hof de verdachte niet ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep onjuist of in ieder geval onbegrijpelijk is.

3.4. Uit de gang van zaken die het hof heeft vastgesteld komt naar voren dat er sprake is geweest van een ongelukkig misverstand. Dit blijkt uit de Memo en de daaraan gehechte correspondentie waaraan het hof tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting en in zijn arrest heeft gerefereerd. Uit de processtukken die zich in het dossier bevinden kan worden gereconstrueerd dat aan deze Memo het volgende is voorafgegaan.

- Op 16 februari 2015 en 20 februari 2015 heeft de verdachte brieven ontvangen van het CJIB waarin de geldboete en schadevergoedingsmaatregel zoals opgelegd bij het vonnis van de politierechter van 19 januari 2015 worden geïnd met de mededeling dat tegen de beslissing van de politierechter geen hoger beroep open staat.2 Daaruit bleek dat er kennelijk iets mis was gegaan bij het instellen van het hoger beroep.

- Op 25 februari 2015 heeft de raadsman telefonisch van een medewerker van het hof Den Bosch vernomen dat bij het hof wel het grievenformulier in goede orde is ontvangen maar geen appelakte voorhanden is.3

- Op 27 februari 2015 stuurt de raadsman een brief naar de sector strafrecht van het hof Den Bosch waarin hij uiteen zet wat er gebeurd is en verzoekt hij het hoger beroep “alsnog in gang te zetten”.

- Naar aanleiding van deze brief wordt op 2 maart 2015 door [betrokkene 2] van het Ressortsparket telefonisch aan het secretariaat van de raadsman medegedeeld dat er alsnog bij de Rechtbank Limburg, locatie Roermond een appelakte dient te worden opgemaakt.4

- Daarop heeft de raadsman bij brief van 5 maart 2015 de Rechtbank Limburg, locatie Roermond bericht dat het gerechtshof geen appelakte maar enkel een grievenformulier heeft ontvangen. In deze brief verzoekt hij een appelakte op te stellen.

- Blijkens de datumstempel van de rechtbank Limburg is deze brief op 12 maart 2015 ter griffie ingekomen en staat hierop met pen aangetekend: “Deze brief beschouwen als volmacht en alsnog akte opmaken via SPS”.

- Uit de interne email-wisseling die zich in het dossier bevindt en als bijlage aan de Memo is gehecht blijkt dat door de medewerker van de centrale balie van de rechtbank Limburg aan de betrokken officier van justitie is gevraagd of zij de datum waarop de appelakte is opgemaakt op 12 maart moet laten staan of de datum van 28 januari moet vermelden zijnde de dag dat het grievenformulier werd ingediend. Dat laatste lijkt haarzelf het meest logische. De officier van justitie antwoordt haar daarop dat hij de datum van 12 maart zou hanteren omdat toen kennelijk alsnog een akte is aangemaakt en maakt daarbij de opmerking dat het voor de ontvankelijkheid toch geen rol zal spelen nu hij denkt dat de dag waarop de verdachte met zijn grievenformulier verscheen, als dag van appel zal worden aangemerkt.

- Voormelde email-wisseling is aangehecht aan de Memo die het hof op de zitting aan de raadsman heeft voorgehouden en waarin – voor zover hier van belang – staat vermeld:

“Hier een hoger beroepakte, zie alle aangehechte correspondentie.

[verdachte] is op 28 januari bij de balie Roermond gekomen om een grievenformulier in te leveren. Hij is er toen van uit gegaan dat hij hoger beroep heeft ingesteld terwijl wij hier ervan uit gegaan zijn dat dit al gebeurd was, daar het niet vreemd is dat een grievenformulier later wordt ingeleverd, want je ontvangt pas een grievenformulier als het beroep is ingesteld.

Hoger beroep alsnog opgemaakt op 12 maart naar aanleiding van de brief van de advocaat.”

3.5. In zijn algemeenheid geldt op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de termijn voor het instellen van hoger beroep van openbare orde is en dat overschrijding van die termijn door de verdachte in de regel betekent dat hij niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen tenzij sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden, waardoor de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is.5

3.6. De Hoge Raad benadrukt hierbij dat het uit oogpunt van rechtszekerheid vereist is over de rechtsgeldigheid van de aanwending van een rechtsmiddel scherpe en vaste grenzen te trekken.6 De Hullu heeft er in dit verband op gewezen dat het voor de strafrechtspleging van groot belang is dat de termijnenregeling strikt wordt nageleefd en dat vanuit dit belang een zekere strengheid kan worden gerechtvaardigd. Vooral met het oog op de tenuitvoerlegging moet duidelijkheid bestaan over de onherroepelijkheid van strafrechtelijke beslissingen.7 Kooijmans schrijft dat in geval van overschrijding van de rechtsmiddeltermijn voor coulance nauwelijks plaats is, gegeven de legitieme eisen van rechtszekerheid.8

3.7. In onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte in persoon op 28 januari 2015 bij de centrale balie van de rechtbank een grievenformulier heeft ingeleverd, dat op dit formulier bij ‘Datum hoger beroep’ digitaal ’27-jan-2015’ was ingevuld, dat er toen geen akte is opgemaakt omdat de griffiemedewerkers ervan zijn uitgegaan dat er reeds hoger beroep was ingesteld en dat vervolgens op 12 maart 2015 alsnog een appelakte is opgemaakt naar aanleiding van een door de raadsman aan een griffiemedewerker verstrekte bijzondere volmacht.

3.8. Het hof heeft niet aannemelijk geacht dat de verdachte, toen hij bij de centrale balie verscheen, uitdrukkelijk heeft medegedeeld dat hij hoger beroep wilde instellen. Op zichzelf is dat oordeel niet onbegrijpelijk en kan het, vanwege de feitelijke aard van deze vaststelling, in cassatie niet verder worden getoetst.

3.9. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat het hoger beroep op 12 maart 2015, dus na afloop van de appeltermijn, is ingesteld en zich de vraag gesteld of de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Dat is volgens het hof niet het geval. In de bestreden uitspraak ligt dus als oordeel van het hof besloten dat het hoger beroep niet is ingesteld op 28 januari 2015 door het door de verdachte inleveren van het grievenformulier bij de centrale balie van de rechtbank. Of dit impliciete oordeel van het hof kan standhouden hangt samen met de beantwoording van de vraag welke vereisten er aan het instellen van hoger beroep in strafzaken worden gesteld. Ik ga daar hierna wat uitgebreider op in, omdat ik mij heb afgevraagd of het hof zich in onderhavige zaak niet “unduly formalistic” heeft opgesteld en of op grond van de bestaande regeling voor het instellen van hoger beroep en de daarop gebaseerde jurisprudentie niet zou kunnen worden aangenomen dat de verdachte tijdig hoger beroep heeft ingesteld, ook al is er niet aan alle formaliteiten voldaan.

3.10. In dat verband zijn de volgende bepalingen van belang:

- Art. 410, eerste en vierde lid, Sv:

“1. De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen.

[…]

4. Ingeval door de verdachte geen schriftuur als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend, dient hij binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank als bedoeld in artikel 410a, eerste lid, een schriftuur in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, met een opgave van de redenen voor het instellen van het hoger beroep. Deze verplichting geldt niet in het geval, omschreven in artikel 410a, tweede lid.”

- Art. 449, eerste lid, Sv:

“1. Voor zover de wet niet anders bepaalt, wordt hoger beroep of beroep in cassatie ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven.”

- Art. 450, eerste tot en met derde lid, Sv:

“1. Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:

a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;

b. een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.

2. Indien de overeenkomstig het eerste lid gemachtigde hoger beroep tegen de einduitspraak instelt, brengt de machtiging tevens mede dat de gemachtigde de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep in ontvangst neemt.

3. Aan een schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel wordt slechts gevolg gegeven indien de verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. De verdachte geeft een adres op voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding.”

- Art. 451, eerste lid, Sv:

“1. Van iedere verklaring of inlevering, als bedoeld in de beide voorgaande artikelen, maakt de griffier eene akte op, die hij met dengene, die de verklaring aflegt of het bezwaarschrift inlevert, onderteekent. Indien deze niet kan teekenen, wordt de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld. De griffier vraagt aan degene die de verklaring aflegt, naar het adres in Nederland waaraan de dagvaarding of oproeping voor de terechtzitting kan worden toegezonden.”

3.11. Wat moet nu onder ‘door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven’ worden verstaan? Hiervoor moeten we teruggaan naar de memorie van toelichting van het Oorspronkelijk Regeringsontwerp, met betrekking tot de artikelen 424-4269 die later door de artikelen 449-451 Sv zijn vervangen. De memorie van toelichting vermeldt hierover:

“Uit het verband van deze artikelen volgt, dat de verklaring betreffende het hooger beroep of beroep in cassatie en de inlevering van het bezwaarschrift, moet worden gedaan in persoon, niet per brief als anderszins, evenals thans is voorgeschreven. Ter griffie van het gerecht wijst op het bureau van den griffier. (…)”10

3.12. Over de inhoud van de verklaring in de zin van art. 449, eerste lid, Sv heeft de wetgever zich nauwelijks uitgelaten.11 Uit de wettelijke regeling volgt wel dat het moet gaan om een mondelinge verklaring ter griffie.12 Daaruit zou kunnen worden opgemaakt dat het inleveren van een grievenformulier, zonder dat de verdachte daarbij tegen de griffiemedewerker zegt dat hij hoger beroep wil instellen, in beginsel niet kan worden aangemerkt als het instellen van hoger beroep.

Daarmee is wat mij betreft echter de kous nog niet af.

3.13. Bij de beoordeling van het middel dient mijns inziens de rechtspraak over het instellen van hoger beroep op de voet van art. 450, eerste lid sub b, Sv te worden betrokken. Die rechtspraak kan als volgt worden samengevat. Indien binnen de termijn voor het instellen van hoger beroep bij de griffie van de rechtbank een brief van de verdachte binnenkomt waarin hij de wens te kennen geeft in hoger beroep te gaan, moet die brief worden aangemerkt als een bijzondere volmacht in de zin van art. 450, eerste lid sub b, Sv. Als in een dergelijk geval het tijdig opmaken van een appelakte achterwege is gebleven, mag dit niet ten nadele van de verdachte strekken.13 Een dergelijke – als een bijzondere volmacht op te vatten – schriftelijke mededeling van de verdachte kan weliswaar niet worden aangemerkt als een verklaring, afgelegd op de griffie van het betrokken gerecht, als bedoeld in art. 449, eerste lid, Sv, maar het hoger beroep moet in voorkomende gevallen wel geacht worden te zijn ingesteld op de datum waarop die brief ter griffie is ingekomen.14

3.14. Hierbij geldt dat ook brieven die niet aan de griffie zijn gericht, maar aan het openbaar ministerie, moeten worden aangemerkt als een bijzondere volmacht tot het namens de verdachte instellen van hoger beroep, indien de inhoud van die brief daartoe aanleiding geeft. Dergelijke brieven zijn immers kennelijk bestemd voor de justitiële autoriteit waar de aanwending van rechtsmiddelen dient te geschieden.15 Als het openbaar ministerie verzuimt de brief door te sturen naar de griffie van het betrokken gerecht, mag ook dit niet ten nadele van de verdachte werken.16

3.15. Ook als de verdachte in zijn brief niet met zoveel woorden het juiste rechtsmiddel noemt, moet die brief worden aangemerkt als een bijzondere volmacht in de zin van art. 450, eerste lid onder b, Sv. Bepalend is of de inhoud van de brief ‘bezwaarlijk anders kan worden verstaan’ dan als een uiting van zijn wens om tegen het vonnis het rechtsmiddel aan te wenden dat volgens de wet openstaat.17 In de zaak die aanleiding gaf tot HR 23 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9916, NJ 1988/352 had de verdachte een brief verzonden aan de griffie van het betrokken gerecht, waarin hij reageerde op een door hem ontvangen acceptgirokaart onder verwijzing naar een daarbij gevoegd informatieblad (“De uitspraak is niet onherroepelijk, zodat daartegen nog een rechtsmiddel openstaat. Voor inlichtingen kunt U zich wenden tot de griffie van het gerecht, dat de uitspraak heeft gedaan.”). Hij vroeg in de brief hem te informeren over de te nemen stappen. De Hoge Raad oordeelde dat deze brief had moeten worden aangemerkt als een bijzondere volmacht omdat de verdachte kennelijk met inachtneming van de bij de wet gestelde voorschriften het hem ter beschikking staande rechtsmiddel wilde instellen.

3.16. In dit verband wil ik ook verwijzen naar een conclusie waarin mijn ambtgenoot Harteveld de hiervoor besproken jurisprudentie als volgt samenvat:18

“(…) Voorop dus staat dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, uiterlijk op de laatste dag van de uit de wet voortvloeiende appeltermijn het hoger beroep moet worden ingesteld. Daarbij geldt de niet onbelangrijke, door de Hoge Raad aangebrachte, nadere restrictie dat het aanwenden van het rechtsmiddel dient te geschieden vóór de sluiting van de griffie. Dat maakt het mogelijk om daadwerkelijk voor ommekomst van de termijn een akte te doen opstellen door de griffier, waarmee het instellen van het rechtsmiddel als het ware voltooid is. Constitutief is het opmaken van een akte echter niet, met name niet indien het achterwege blijven daarvan te wijten is aan een ambtelijk verzuim. Indien nog voor het sluiten van de griffie door de verdachte de wens te kennen is gegeven aan de griffie (of een vergelijkbare instantie) om een rechtsmiddel aan te wenden behoort de griffieambtenaar als vertegenwoordiger van de – immers zorgvuldige – overheid aan die wens tegemoet te komen. De wet, i.c. art. 450 lid 1 sub b Sv, biedt daarvoor die mogelijkheid: als de gedane uiting redelijkerwijze in de richting van een rechtsmiddel wijst dient deze door de griffieambtenaar als bijzondere schriftelijke machtiging voor het instellen van een rechtsmiddel te worden opgevat, waaromtrent dan ook een akte moet worden opgesteld. Hoge eisen worden aan de precieze bewoordingen van de bedoelde uiting als ik het goed zie niet gesteld, als het de verdachte zelf is die zich tot de griffie wendt. (…) Kortom: de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel is weliswaar fataal, maar als vóór sluiting van de griffie op de laatste dag van de appeltermijn maar ‘iets’ binnenkomt bij de griffie dan is er een goede kans dat het hoger beroep nog ontvankelijk is. Zo nee, dan resteert slechts de uitzonderlijke mogelijkheid dat het geheel ongebruikt laten verstrijken van de beroepstermijn verontschuldigbaar is, namelijk als dit is het gevolg is van niet aan de insteller van het rechtsmiddel toe te rekenen omstandigheden. (…)”

3.17. Samengevat komt het er dus op neer dat als binnen de appeltermijn bij de griffie van de rechtbank een brief binnenkomt waaruit redelijkerwijze kan worden afgeleid dat de verdachte een rechtsmiddel wil aanwenden tegen een daarin aangeduid vonnis, die brief voldoende is om te bereiken dat – tijdig – hoger beroep wordt ingesteld. Hoe verhoudt deze jurisprudentie, die toch duidelijke tekenen van deformalisering vertoont, zich tot het oordeel van het hof in onderhavige zaak dat de verdachte, ondanks dat hij binnen de beroepstermijn een grievenformulier heeft ingediend bij de griffie (van het juiste gerecht) in zijn hoger beroep niet kan worden ontvangen?

3.18. Het grievenformulier dat zich bij de gedingstukken bevindt is blijkens een daarop geplaatste stempel op 28 januari 2015 ingekomen bij de rechtbank Limburg, centrale balie, locatie Roermond, en houdt onder meer het volgende in:

“Grievenformulier

Dit betreft een standaardformulier waarop u grieven tegen het vonnis en/of redenen voor het instellen van hoger beroep kunt weergegeven (art.410 lid 1 en lid 4 Wetboek van Strafvordering)

Verdachte

Naam [verdachte]

Voorna(a)m(en) [voornaam verdachte]

Straat en huisnummer [a-straat 1]

Postcode en woonplaats [woonplaats]

Parketnummer 03-227110-14

Datum hoger beroep 27-jan-2015

Om één of meer van de volgende redenen kom ik in hoger beroep:

Gang van zaken ter terechtzitting

(…)

√ Ik ben wel bij de zitting aanwezig geweest, maar ik wil een nieuwe behandeling, om de volgende redenen(en):

(…)

Schuld/onschuld of bijzondere reden

√ Ik ben onschuldig

(…)

Strafmaat

√ Ik heb bezwaren tegen de (hoogte van) de opgelegde straf:

(…)

Datum 27-jan-2015”

3.19. Dit formulier bevat de volledige naam- en adresgegevens van de verdachte, het parketnummer waaronder de strafzaak in eerste aanleg is behandeld en de mededeling dat de verdachte (om nader in dat formulier omschreven redenen) in hoger beroep komt. Als de verdachte toen hij dit formulier bij de griffie inleverde mondeling een verklaring van deze strekking – de verdachte komt in hoger beroep onder vermelding van het parketnummer van de strafzaak – had afgelegd, dan was er sprake geweest van het afleggen van een verklaring in de zin van art. 449, eerste lid, Sv. Had de verdachte niet de moeite genomen persoonlijk naar de griffie te komen en het grievenformulier opgestuurd, dan had dit formulier gelet op de hiervoor besproken jurisprudentie zonder meer moet worden aangemerkt als een schriftelijke volmacht in de zin van art. 450, eerste lid onder b, Sv aan een griffiemedewerker die op grond daarvan hoger beroep had moeten instellen. In beide gevallen zou een rechtsgeldig ingesteld hoger beroep tot stand zijn gekomen. Dat hiervan door de medewerker van de strafgriffie en de officier van justitie ook werd uitgegaan blijkt uit de hiervoor aangehaalde e-mailwisseling tussen de strafgriffie en de officier van justitie, waarin deze laatste schrijft dat, als de verdachte met het grievenformulier binnen de appeltermijn bij de balie komt, men dat wel als het instellen van hoger beroep had mogen aanmerken, omdat in het grievenformulier is gesteld dat de verdachte in hoger beroep wil gaan.19

3.20. Getuigt onder deze omstandigheden de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep, mede in het licht van het in art. 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter, niet van nodeloos of excessief formalisme? In feite is de verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op de enkele grond dat niet is komen vast te staan, dat toen hij het grievenformulier bij de griffie inleverde, hij daarbij heeft gezegd dat hij hoger beroep wilde instellen.

3.21. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM moeten de waarborgen van art. 6 EVRM ‘practical and effective’ worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor het recht op toegang tot de rechter:

“The Court reiterates that the Convention is intended to guarantee not rights that are theoretical or illusory but rights that are practical and effective. This is particularly so of the right of access to the courts in view of the prominent place held in a democratic society by the right to a fair trial (…).”20

3.22. Ook het niet-ontvankelijk verklaren van een hoger beroep wegens het niet in acht nemen van op zichzelf legitieme procedurele regels kan in specifieke omstandigheden “too formalistic and contrary to the principle of practical and effective application of the Convention” zijn.21 Het EHRM beoordeelt in dergelijke gevallen of de door de verdachte gemaakte fout bij het instellen van hoger beroep en de mate van nalatigheid die hem in dat verband kan worden verweten, rechtvaardigen dat hem de toegang tot de rechter wordt ontzegd.22 Illustratief is de uitspraak van het EHRM in de zaak Frida, LLC tegen Oekraïne, waaraan voor onderhavige zaak aanknopingspunten kunnen worden ontleend.23

3.23. In deze zaak ging het om een ‘appeal on points of law’ dat was ingesteld bij de Higher Commercial Court of Ukraine (HCCU) en dat niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet in acht nemen van de wijze waarop een verzoek tot een verlenging van de beroepstermijn moest worden ingediend.24 Het EHRM oordeelde dat er sprake was van excessief formalisme dat resulteerde in een schending van het recht op toegang tot de rechter:

“34. In the present case, the applicant company’s initial appeal on points of law was returned without consideration, as the relevant court fee had not been paid in full. The applicant company was not given a time-limit for correcting that shortcoming, however, it was entitled to resubmit its appeal on points of law with an application for an extension of time, given that by that point the relevant deadline had expired.

35. When lodging its second appeal on points of law, the applicant company could either submit an application for an extension of time separately in a document enclosed to the appeal on points of law, or include it in the text of the appeal on points of law. Both procedural forms were acceptable according to domestic judicial practice (…). The applicant company included the application for an extension of time in the text of the cover letter to its appeal on points of law. The HCCU disregarded the cover letter, and found that the applicant company had failed to apply for an extension of time. The HCCU therefore declared the belated appeal on points of law inadmissible, and later that ruling was upheld by the Supreme Court.

36. The Court notes that refusing to consider a belated appeal pursues the legitimate aim of ensuring the good administration of justice. In the present case, however, the question arises as to whether the HCCU, in pursuing such a legitimate aim, struck a fair balance between the means employed and the aim sought to be achieved. More specifically, the question arises as to whether the applicant company’s appeal on points of law was declared inadmissible as a result of excessive formalism on the part of the domestic courts.

37. In that regard, the Court notes that the applicant company’s cover letter, submitted together with the appeal on points of law, did not have a title indicating that it was a procedural application. However, the only issue raised in the cover letter was that of the deadline which had expired by the time the appeal on points of law was resubmitted. The cover letter contained the essential elements to identify the case which it concerned. It further set out the circumstances in which the deadline had been missed, and contained a request to the HCCU to extend the relevant time-limit and consider the enclosed appeal on points of law. The letter ended with the list of enclosures, signature and stamp of the lawyer.

38. Accordingly, the substantive and formal elements of the applicant company’s cover letter corresponded to what would be in a typical application for an extension of time. The only element lacking was the document title announcing that it was a procedural application. Even though this might be a shortcoming, the Court considers that, in the present case, that shortcoming was not crucial and sufficient for the whole document to be disregarded. (…) The Court considers that, in finding that the applicant company had not applied for an extension of time, and consequently in refusing to examine its appeal on points of law, the domestic courts showed excessive formalism. In such circumstances, the Court holds that the applicant company’s right to have its case reviewed on points of law was restricted disproportionately.

39. There has therefore been a violation of Article 6 § 1 of the Convention in that regard.”

3.24. Ook in de onderhavige zaak gaat het om het niet in acht nemen van een procedurele regel, terwijl de handelwijze van de betrokkene niet wezenlijk verschilt van hetgeen volgens deze procedurele regel had moeten plaatsvinden, terwijl het voldoende duidelijk is wat de bedoeling van de betrokkene is geweest. In casu heeft de verdachte zich binnen de appeltermijn gewend tot de juiste instantie, namelijk de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen en daarbij een proceshandeling verricht, het inleveren van een grievenformulier, waaruit zijn wens blijkt om in hoger beroep te komen tegen een in dat formulier met het parketnummer aangeduide strafzaak. Uit het inleveren van het grievenformulier kan mijns inziens zonder meer worden afgeleid dat de verdachte hoger beroep wilde instellen. Waarom zou hij dit anders komen inleveren? Dat heeft hij ook op de zitting verklaard:

“Ik heb het grievenformulier bij de Centrale Balie ondertekend. Ik wist niet dat ik nog een akte mee zou moeten krijgen. Ikzelf ben namelijk niet bekend met de procedure tot het instellen van hoger beroep. Ik was in de veronderstelling dat het zo goed was.”

3.25. Dat van niet juridisch geschoolde personen niet verlangd kan worden dat zij de exacte vereisten voor het instellen van hoger beroep kennen, komt ook tot uitdrukking in de jurisprudentie waarin is bepaald dat een griffiemedewerker de persoon, niet zijnde advocaat, die ter griffie verschijnt om namens een verdachte hoger beroep in te stellen moet wijzen op het vereiste van een bijzondere schriftelijke volmacht en de daaraan te stellen eisen.25

3.26. Alles bij elkaar genomen stel ik mij op het standpunt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven omdat het daarin besloten liggende oordeel van het hof, dat het hoger beroep na afloop van de termijn is ingesteld, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of in elk geval ontoereikend is gemotiveerd. Om tot dit oordeel te komen kunnen twee wegen worden bewandeld.

3.27. Primair meen ik dat het hof het door de verdachte binnen de appeltermijn in persoon bij de griffe van de rechtbank ondertekenen en inleveren van het ingevulde grievenformulier gelijk had moeten stellen aan het afleggen van een verklaring in de zin van art. 449, eerste lid, Sv. Het andersluidende oordeel van het hof acht ik nodeloos formalistisch en niet passend bij de sinds enkele decennia in de rechtspraak tot uitdrukking komende deformalisering van het aanwenden van rechtsmiddelen. Die deformalisering berust op de gedachte dat zo veel mogelijk voorkomen moet worden dat verdachten, indien aangenomen moet worden dat zij tijdig het voor hen openstaande rechtsmiddel hebben willen aanwenden, de dupe worden van vormverzuimen.26

3.28. Indien de Hoge Raad ook in een geval als het onderhavige zou willen vasthouden aan het vereiste van een mondelinge verklaring van de verdachte, kan ook worden geredeneerd dat het hof het inleveren van het grievenformulier had moeten aanmerken als het aan de betrokken griffiemedewerker verlenen van een bijzondere schriftelijke volmacht in de zin van art. 450, eerste lid onder b, Sv. Deze benadering doet op het eerste gezicht wellicht wat vreemd aan, aangezien een verdachte die in persoon ter griffie verschijnt zelf hoger beroep kan instellen zonder tussenkomst van een gemachtigde. Daar staat echter tegenover dat de bewoordingen van art. 450, eerste lid onder b, Sv zich tegen een dergelijke benadering niet verzetten en dat deze past bij de jurisprudentie waaruit volgt dat brieven van een verdachte waarin een wens tot het instellen van hoger beroep kan worden herkend, als een bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep moeten worden aangemerkt, ook indien niet blijkt van het uitdrukkelijk verlenen van een volmacht aan een griffiemedewerker. Ook de omstandigheid dat het grievenformulier in de onderhavige zaak niet voldoet aan de eisen van art. 450, derde lid, Sv staat er niet aan in de weg dat formulier aan te merken als een volmacht. Een strikte wetstoepassing ligt immers niet in de rede indien de volmacht door de verdachte persoonlijk is afgeleverd en hem in redelijkheid geen verwijt kan worden gemaakt van het verzuim dat die volmacht niet aan de wettelijke eisen voldoet.27

3.29. Het middel is terecht voorgesteld en daarom zal ik de in de toelichting op het middel opgenomen klachten die zich keren tegen het oordeel van het hof dat de medewerkster van de centrale balie van de rechtbank Limburg ervan uit mocht gaan dat er reeds hoger beroep was ingesteld toen de verdachte het formulier inleverde, niet bespreken. In mijn visie is dat ook niet relevant voor de beoordeling van de vraag of het hof, gelet op alle omstandigheden die hiervoor uitvoerig zijn uiteengezet, verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

3.30. Het tweede middel slaagt.

4. Het eerste middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase doordat het hof de gedingstukken te laat heeft ingezonden.

4.1. Namens verdachte is op 5 oktober 2015 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn bij de Hoge Raad op 31 augustus 2016 binnengekomen, zodat de inzendtermijn van acht maanden inderdaad is overschreden.

4.2. Indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het tweede middel slaagt, kan het eerste middel onbesproken blijven.28 Indien het tweede middel niet tot cassatie leidt, moet ervan worden uitgegaan dat het hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. De klacht dat het hof de gedingstukken niet tijdig na het instellen van het cassatieberoep heeft ingezonden, kan in dat geval niet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest.29

Daar komt bij dat bij een geldboete van € 500,- hoe dan ook volstaan kan worden met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.30

5. Het tweede middel slaagt. Het eerste middel kan onbesproken worden gelaten. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bedoeld is kennelijk: 20 oktober 1998, AG.

2 Dit blijkt uit het faxbericht van de raadsman aan het arrondissementsparket Limburg d.d. 12 maart 2015.

3 Faxbericht van de raadsman aan het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 27 februari 2015.

4 Faxbericht van de raadsman aan de rechtbank Limburg gedateerd 5 maart 2015 en kennelijk per fax verzonden op 12 maart 2015.

5 Zie onder meer HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181, waarin in rov. 3.4. wordt gewezen op de navolgende omstandigheden: “binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt (vgl. HR 20 december 1994, NJ 1995, 253) of aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend (vgl. HR 7 april 1998, NJ 1998, 577; HR 12 juni 2001, NJ 2001, 696).”

6 HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, NJ 2014/108 en HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:16, NJ 2016/117, m.nt. Schalken.

7 J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken (diss. Groningen), Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 365.

8 T. Kooijmans, ‘De raadsman die verzuimde hoger beroep in te stellen’, Ars Aequi 2016, p. 274-280, met name p. 277.

9 Oorspronkelijk regeringsontwerp van wet tot vaststelling van een Wetboek van Strafvordering, Kamerstukken II 1913-1914, 286, nr. 2, p. 35-36. Art. 424 ORO luidde, voor zover hier relevant, als volgt: “Het hooger beroep of het beroep in cassatie wordt ingesteld door eene verklaring, af te leggen door dengene, die van het middel gebruik maakt, op de griffie van het gerecht, door of bij hetwelk de beslissing is gegeven. (…)”.

10 Memorie van toelichting bij het ORO, Kamerstukken II 1913-1914, 286, nr. 3, p. 155.

11 H.K. Elzinga, In beroep (diss. Tilburg), Deventer: Gouda Quint 1998, p. 25.

12 Zie reeds HR 25 juni 1928, NJ 1928, p. 1230, m.nt. Van Dijck. Vgl. ook J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken (diss. Groningen), Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 361 en H.K. Elzinga, In beroep (diss. Tilburg), Deventer: Gouda Quint 1998, p. 20. In dit verband kan verder worden gewezen op HR 18 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0460, NJ 1989/416, rov. 5.1.2 en HR 30 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9705, NJ 2001/293, m.nt. De Hullu, rov. 3.2, met de aantekening dat in HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102, m.nt. Borgers is beslist dat een door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat op de wijze van art. 450, derde lid, Sv hoger beroep kan instellen.

13 HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4314, NJ 1987/535. Zie ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie: HR 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373, NJ 1979/52, m.nt. Van Veen en HR 21 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1597. Zie verder ten aanzien van het niet opmaken van een akte: H.K. Elzinga, In beroep (diss. Tilburg), Deventer: Gouda Quint 1998, p. 44-47.

14 HR 23 november 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7787, NJ 1983/801, rov. 5.2-5.4.

15 HR 3 april 1984, ECLI:NL:HR:1984, NJ 1984/634, m.nt. Van Veen.

16 HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3629 en HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2750.

17 HR 7 april 1981, ECLI:NL:HR:1981:AB9727, NJ 1981/430, m.nt. Van Veen (“verzet aantekenen”) en HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2750 (“de zaak herzien”).

18 Conclusie (onder 3.5) voorafgaand aan HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, NJ 2014/108. Ik laat de voetnoten uit het citaat weg.

19 E-mail van 27 maart 2015.

20 EHRM 22 november 2011 (Andreyev tegen Estland), nr. 48132/07, par. 66.

21 EHRM 1 september 2016 (Marc Brauer tegen Duitsland), nr. 24062/13, par. 43. Zie ook EHRM 22 september 1994 (Lala tegen Nederland), NJ 1994/733, m.nt. Knigge, par. 34 ten aanzien van het recht op bijstand door een advocaat: “For this right to be practical and effective, and not merely theoretical, its exercise should not be made dependent on the fulfilment of unduly formalistic conditions (…).”

22 EHRM 1 september 2016 (Marc Brauer tegen Duitsland), nr. 24062/13, par. 38.

23 EHRM 8 december 2016 (Frida, LLC tegen Oekraïne), nr. 24003/07.

24 Het betreft hier een zaak waarin het niet gaat om de vaststelling van een criminal charge, maar van civil rights and obligations, maar dit onderscheid doet hier naar mijn mening niet ter zake, aangezien het recht op toegang tot de rechter zowel voor civiele als strafzaken geldt.

25 Zie bijvoorbeeld HR 24 april 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8389, NJ 1985/137, HR 12 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8359, NJ 1990/453, HR 29 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6200, HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5971, NJ 2008/232, HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5562, NJ 2009/321, HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8958, HR 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4427 en HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2496, NJ 2010/461.

26 Zie de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Wortel (onder 8-10) voorafgaand aan HR 29 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6200 en ook de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge (onder 15) voorafgaand aan HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3460

27 HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102, m.nt. Borgers, rov. 3.7 en 3.8. Zie hierover ook de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge (onder 14) voorafgaand aan HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2496, NJ 2010/461.

28 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.5.3.

29 HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3112. Zie ook HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5711, NJ 2004/495 en HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1199, NJ 2016/285.

30 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.6.2 onder C.