Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:998

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-09-2017
Datum publicatie
03-10-2017
Zaaknummer
16/01762
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2532, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak, medeplegen van afpersing en dragen van vuurwapen in Sint Maarten. Klacht dat de bewezenverklaring van het medeplegen van afpersing uitsluitend/in beslissende mate steunt op door de verdediging betwiste, bij de politie afgelegde verklaringen van een getuige die niet tz. van het Hof is gehoord en klacht over het bewijs van overtreding van de Vuurwapenverordening 1930. HR: art. 80a RO. Samenhang met 16/01761 A.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/01762 A

Zitting: 5 september 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 17 februari 2016 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wegens, onder 1, “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en, onder 2, “overtreding van een bij artikel 3 van de Vuurwapenverordening 1930 gesteld verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

  2. Deze zaak hangt samen met de onder nr. 16/01761 A bij de Hoge Raad aanhangige zaak, in welke zaak ik vandaag eveneens zal concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Ik ben van oordeel dat beide middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en dat de verdachte op de voet van art. 80a RO in zijn cassatieberoep niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Ik zal dat kort toelichten.

4. In het eerste middel wordt gesteld dat het hof de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde (in vereniging gepleegde) afpersing in overwegende mate heeft doen steunen op bij de politie afgelegde verklaringen van een getuige [getuige] die zijn politieverklaringen ter terechtzitting in eerste aanleg op essentiële punten heeft gewijzigd en dat het hof – nu de verdediging de betrouwbaarheid van de betreffende getuige heeft betwist en het hof deze getuige niet heeft opgeroepen om te worden gehoord – de bewezenverklaring niet toereikend heeft gemotiveerd.

4.1. Het middel staat of valt met de vraag of het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd op de verklaring van de getuige [getuige], die ten tijde van het tenlastegelegde feit werkzaam was als beveiligingsmedewerker bij [A] in Sint Maarten waar de afpersing voor de deur heeft plaatsgevonden. Het hof heeft voor het bewijs dat de verdachte als pleger bij de afpersing betrokken is geweest gebruik gemaakt van twee verklaringen van deze getuige, die onder meer inhouden dat de verdachte als eerste geld aan het slachtoffer vroeg tijdens de omsingeling van slachtoffer [slachtoffer] door de verdachte en zijn medeverdachten. Het gedeelte van de bij de politie afgelegde verklaringen waarover [getuige] ter terechtzitting in eerste aanleg anders heeft verklaard, heeft vooral betrekking heeft op de al dan niet significante rol die de verdachte bij de benadering van [slachtoffer] op de tenlastegelegde tijd en plaats heeft gehad. Het hof kon uit de overige gebruikte bewijsmiddelen zelfstandig afleiden:

(i) dat door de verdachte en/of zijn medeverdachten tegen [slachtoffer] is gezegd dat hij geld moest geven en [slachtoffer] door één van de verdachten is geduwd (zie de verklaring van [slachtoffer] zelf) en

(ii) dat [slachtoffer] op enig moment geld aan de verdachte heeft gegeven.

Daardoor bevat het bewijsmateriaal ook naast het door de verdediging betwiste gedeelte van de verklaringen van [getuige] zonder meer voldoende feiten en omstandigheden waaruit de betrokkenheid van de verdachte aan de afpersing en de significante rol van de verdachte daarbij kunnen worden afgeleid.1 Het eerste middel kan om die reden klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.

5. Dit geldt ook voor het tweede middel. Dit middel bevat de klacht dat het hof uit de voor het bewijs van de onder 2 tenlastegelegde overtreding van de Vuurwapenverordening 1930 gebezigde verklaring van verbalisanten wel heeft kunnen afleiden dat de verdachte op de tenlastegelegde tijd en plaats een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voorhanden heeft gehad maar niet dat het daarbij daadwerkelijk om een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 ging, terwijl het hof de gevolgtrekking dat de verdachte op de tenlastegelegde tijd en plaats een echt vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 voorhanden heeft gehad op basis van de verklaring van de verbalisanten en de tevens gebezigde verklaring van de verdachte zelf wel degelijk heeft kunnen maken.

6. In het licht van het voorgaande is mijn standpunt in deze zaak dat de verdachte op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep omdat de voorgestelde middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2753, m.nt. Borgers, rov. 3.5.