Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:982

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-07-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
17/02882
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2526, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Voorwaardelijke machtiging. Is redelijkerwijs aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven? Art. 14a lid 5 en lid 8 Wet Bopz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/02882

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 21 juli 2017

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Noord-Holland

In deze BOPZ-zaak is een voorwaardelijke machtiging verleend (art. 14a Wet Bopz). Is voldaan aan de wettelijke vereisten ten aanzien van de te stellen voorwaarden?

1 Feiten en procesverloop

1.1.

Op 17 februari 2017 heeft de officier van justitie in het arrondissement Noord-Holland aan de rechtbank verzocht een voorwaardelijke machtiging te verlenen ten aanzien van verzoeker tot cassatie (geboren in 1974, hierna: ‘betrokkene’). Volgens het inleidend verzoekschrift heeft betrokkene ermee ingestemd zich onder behandeling te stellen van de behandelaar overeenkomstig het bij dat verzoekschrift overgelegde behandelingsplan. Bij het verzoekschrift was ook een geneeskundige verklaring gevoegd, op 10 februari 2017 afgegeven door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [de psychiater], die betrokkene daartoe heeft onderzocht. In rubriek 3 van die verklaring is als diagnose gesteld: ‘schizofrenie’ en ‘alcoholafhankelijkheid’. Als de belangrijkste diagnose is ‘schizofrenie’ aangekruist. De geneeskundige verklaring maakt melding van verschillende wanen.

1.2.

Blijkens de overgelegde stukken is betrokkene meermalen in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen, laatstelijk op basis van een rechterlijke machtiging waarvan de geldigheidsduur verstreek op 11 maart 2017. Met ingang van 28 november 2016 heeft de geneesheer-directeur aan betrokkene voorwaardelijk ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis verleend (art. 47 Wet Bopz). Aan dat ontslag waren de volgende voorwaarden verbonden1:

- Medicatie gebruik volgens voorschrift;

- Afspraken met ambulante behandelaars van het FACT2 nakomen;

- Huisbezoek door FACT toestaan;

- Woonbegeleiding toestaan op indicatie;

- Laboratorium controles op indicatie toestaan.

Na de indiening van het inleidend verzoekschrift heeft de raadsvrouwe van betrokkene via de griffie van de rechtbank verzocht om informatie over de bij de verzochte machtiging te stellen voorwaarden. Nadat de casemanager van het FACT-team bij e-mail van 10 maart 2017 had laten weten dat de bedoeling is dat in de voorwaardelijke machtiging de vijf hiervoor genoemde voorwaarden worden opgenomen, is dit per e-mail aan de raadsvrouwe doorgegeven3.

1.3.

De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 30 maart 2017, in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsvrouwe en de behandelaar/casemanager van het FACT-team met een collega. Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft betrokkene ten overstaan van de rechter aangegeven dat hij het ‘niet helemaal eens’ is met de voorwaardelijke machtiging; hij vindt het ‘vervelend’ en ‘niet leuk’ en stelt veel last te hebben van (bijwerkingen van) de clozapine4. De behandelaar heeft ter zitting verklaard dat zij de verzochte voorwaardelijke machtiging nodig acht: zonder machtiging zal betrokkene direct stoppen met het gebruik van de medicatie. Verschillende geneesmiddelen zijn geprobeerd; sinds betrokkene clozapine gebruikt is volgens de behandelaar een duidelijk verschil te zien. Er is lang gewerkt aan het vinden van de goede dosering, i.v.m. bijwerkingen. Betrokkene woont nu tijdelijk bij zijn ouders in, maar die situatie kan niet blijven voortduren.

1.4.

Namens betrokkene heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat betrokkene het niet eens is met de diagnose, maar daartegen niet wil vechten. Het verweer houdt in dat betrokkene geen voorwaardelijke machtiging wil: hij ondervindt veel last van de medicatie. Betrokkene is momenteel niet gevaarlijk en vindt een voorwaardelijke machtiging niet nodig.

1.5.

De rechtbank heeft bij beschikking van 30 maart 2017 de verzochte voorwaardelijke machtiging verleend voor de periode tot en met 30 september 2017. De rechtbank overwoog dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar voor zichzelf en voor anderen doet veroorzaken, zoals in de beschikking nader is omschreven. Het gevaar kan buiten een psychiatrisch ziekenhuis slechts worden afgewend door het naleven van de voorwaarde dat hij zich doet behandelen overeenkomstig het behandelingsplan van 10 februari 2017 en de aan hem gestelde aanvullende voorwaarden.

1.6.

Namens betrokkene is – tijdig − cassatieberoep ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Art. 14a Wet Bopz bepaalt dat de rechter op verzoek van de officier van justitie een voorwaardelijke machtiging kan verlenen indien naar het oordeel van de rechter:

a. de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken, en

b. het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis – niet zijnde een zwakzinnigeninrichting of een verpleeginrichting – slechts door het stellen en naleven van voorwaarden kan worden afgewend.

2.2.

Het vijfde lid van art. 14a bepaalt dat de rechter een voorwaardelijke machtiging slechts verleent indien een behandelingsplan wordt overgelegd dat na overleg met de betrokkene is opgesteld door de psychiater die verantwoordelijk zal zijn voor de behandeling (de behandelaar). Aan het behandelingsplan wordt een passage toegevoegd waaruit blijkt dat het overleg tot overeenstemming heeft geleid of, indien zulks niet het geval is, op welke grond de behandelaar tot het oordeel komt dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarde, bedoeld in het zesde lid, zal naleven5. Het behandelingsplan bevat de therapeutische middelen die zullen worden toegepast teneinde buiten de inrichting het gevaar af te wenden. Het behandelingsplan regelt ook de wijze waarop de behandelaar erop toeziet dat het gevaar buiten de inrichting wordt afgewend.

Het achtste lid van art. 14a houdt in dat de rechter slechts toepassing geeft aan het eerste lid van dit artikel “indien de betrokkene zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden of redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven”.

2.3.

Onderdeel I klaagt dat de rechtbank weliswaar heeft onderzocht of aan de vereisten van het tweede lid van art. 14a Wet Bopz is voldaan, maar ten onrechte niet in haar beschikking heeft vastgesteld dat (ook) aan de vereisten in het vijfde lid is voldaan. Volgens de klacht bevat het overgelegde behandelingsplan geen passage waaruit blijkt dat het overleg tussen behandelaar en patiënt tot overeenstemming heeft geleid of, indien zulks niet het geval is, op welke grond de behandelaar tot het oordeel is gekomen dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de betrokkene de te stellen voorwaarden zal naleven. Volgens betrokkene is er geen overeenstemming bereikt over de te stellen voorwaarden.

2.4.

Onderdeel II ziet op de − door de rechtbank niet nader toegelichte − overweging dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven. Volgens de klacht volgt uit de gedingstukken niet dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven. In de geneeskundige verklaring (blz. 3 rubriek 5) is weliswaar een optie opgenomen voor de rapporterende psychiater om aan te kruisen dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven, maar dit hokje is in dit geval niet aangekruist. Evenmin blijkt uit de rest van de geneeskundige verklaring of uit het behandelingsplan zelf, waarop het oordeel van de rechtbank berust dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene zich aan de voorwaarden zal houden.

2.5.

Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Anders dan bij een voorwaardelijk ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis (art. 47 Wet Bopz), is bij een voorwaardelijke machtiging niet de geneesheer-directeur, maar de rechter degene die de voorwaarden vaststelt (art. 14a Wet Bopz). Uitgangspunt van de hele regeling is dat een voorwaardelijke machtiging kan dienen als een geschikt alternatief voor een (onvoorwaardelijke) onvrijwillige opname in een psychiatrisch ziekenhuis, mits het te duchten gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis door middel van het stellen van voorwaarden kan worden afgewend en mits de patiënt zich aan de door de rechter te stellen voorwaarden houdt. De keerzijde is dan ook, dat de patiënt op basis van de verleende voorwaardelijke machtiging alsnog in een psychiatrisch ziekenhuis wordt opgenomen indien buiten de inrichting het gevaar niet langer kan worden afgewend door de naleving van de voorwaarden. Voorts kan de geneesheer-directeur de betrokken patiënt alsnog in het ziekenhuis doen opnemen indien de patiënt een of meer door de rechter gestelde voorwaarden niet naleeft: zie art. 14d lid 1 Wet Bopz.

2.6.

De rechter stelt in ieder geval de (algemene) voorwaarde dat de betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan. Daarnaast kan de rechter bijzondere voorwaarden stellen: zie lid 7 van art. 14a Wet Bopz. In de aanvankelijke tekst van art. 14a Wet Bopz werd de eis gesteld dat de betrokkene zich bereid heeft verklaard tot naleving van de te stellen voorwaarden. Deze eis − een bereidverklaring − bleek echter voor sommige categorieën patiënten te hoog gegrepen: bijv. patiënten zonder ziekte-inzicht, patiënten die moeite hebben zich consistent te uiten of patiënten in de categorie ‘geen bereidverklaring, maar ook geen bezwaar’. Zij werden daarmee uitgesloten van een voorwaardelijke machtiging en moesten, als gevolg daarvan, onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis worden opgenomen om het te duchten gevaar te keren. In verband met deze problematiek zijn de desbetreffende bepalingen gewijzigd bij wet van 25 februari 2008, Stb. 80. Sedertdien kan de rechter een voorwaardelijke machtiging ook verlenen indien een bereidverklaring ontbreekt, maar niettemin “redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven”.6 Op deze wijze

“(…) wordt ook voorzien in de situatie waarin iemand bijvoorbeeld niet volledig in staat is de reikwijdte te overzien van de voorwaarden, van de gevolgen daarvan en van die van het eventueel niet-naleven van de voorwaarden. Het kan zelfs gaan om situaties waarin betrokkene uitdrukkelijk aangeeft niet in te stemmen met het behandelplan, maar niettemin – gelet op de in het dossier voorhanden informatie en inlichtingen van bijvoorbeeld de behandelaar, andere deskundigen en familieleden – redelijkerwijs aangenomen kan worden dat betrokkene de voorwaarden wel zal naleven. Van belang is of uiteindelijk de rechter van oordeel is dat redelijkerwijs – dat wil zeggen in zekere mate objectiveerbaar – kan worden aangenomen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven, eventueel in weerwil van hetgeen deze daadwerkelijk uit. Voor deze oordeelsvorming is onontbeerlijk dat de rechter beschikt over de informatie bedoeld in art. 14a vijfde lid. Daarbij zal ook moeten blijken dat en waarom het in het onderhavige geval niet nodig is dat de betrokkene zich bereid verklaart tot het naleven van de voorwaarden.”7

2.7.

Dat een uitdrukkelijke instemming van de betrokkene niet noodzakelijk is, blijkt ook uit de behandeling in de Eerste Kamer:

‘Er is een groep patiënten met weinig ziekte-inzicht die soms zeggen dat ze de voorwaarden niet zullen naleven of soms helemaal niets zeggen, terwijl de behandelaar al weet dat ze dat wel zullen doen. In die zin zegt het gedrag van de patiënt meer dan wat hij zegt over wat hij werkelijk wil. (…) Niet meer de instemming van de patiënt is dan de lakmoesproef, maar de verwachting van de rechter dat de patiënt de voorwaarden in de praktijk zal naleven. De voorgestelde wijziging biedt de gelegenheid om het verwachte gedrag te taxeren, zonder dat daarvoor een formeel ja of nee behoeft te worden geuit door de patiënt. Het oordeel dat verwacht mag worden dat de patiënt zich aan de voorwaarden zal houden is er een van de rechter. Die zal zijn oordeel moeten baseren op de gegevens die hij van de behandelaar krijgt8.

2.8.

Uit de parlementaire behandeling volgt dat “cruciaal is (…) of er voldoende vertrouwen bestaat dat betrokkene zich zal houden aan het behandelingsplan en niet of hij met – alle facetten van – het behandelingsplan als zodanig (uitdrukkelijk) instemt”9. De instemming van de patiënt werd tijdens de parlementaire behandeling overigens wel aangemerkt als belangrijk:

“Ook wij achten instemming van groot belang ten einde te bevorderen dat serieus wordt geprobeerd instemming te bereiken – dwang moet immers altijd pas als laatste middel worden ingezet – hebben wij de wetsbepaling zodanig opgezet dat indien in het overleg geen instemming kan worden bereikt, de redenen daarvoor in het behandelingsplan dienen te worden vermeld. Dit maakt dat toetsbaar is – in het bijzonder voor de rechter die belast is met het al dan niet verlenen van de voorwaardelijke machtiging – welke inspanningen de behandelaar zich heeft getroost om instemming te verkrijgen. Die inspanningsverplichting vloeit reeds voort uit de eis van goed hulpverlenerschap en het bieden van verantwoorde zorg10”.

2.9.

Een redelijke inschatting of de patiënt de te stellen voorwaarden zal naleven wordt veelal gebaseerd op ervaringen uit het verleden en het ziektebeeld van betrokkene11. De memorie van toelichting verwoordt het aldus:

“Bij het beantwoorden van de vraag of redelijkerwijs is aan te nemen dat de betrokkene zich aan de voorwaarden zal houden, kunnen verschillende elementen een rol spelen, zoals ervaringen die in het verleden met deze patiënt zijn opgedaan en het ziektebeeld van de betrokkene. Zo zullen patiënten zonder ziekte-inzicht vaak zeggen een behandeling overbodig te vinden, maar zich toch aan de voorwaarden houden”.12

Het woord ‘redelijkerwijs’ geeft aan dat de inschatting objectiveerbaar moet zijn:

“Het gaat om een inschatting van de rechter, op basis van de voor hem beschikbare informatie van de aannemelijkheid of waarschijnlijkheid dat de patiënt zich aan de voorwaarden zal houden. “Redelijkerwijs” betekent niet dat er honderd procent zekerheid moet bestaan. De term strekt er wel toe – zo is “redelijkerwijs” op vele plaatsen in de wetgeving en jurisprudentie gebruikt – dat de inschatting objectiveerbaar moet zijn, dus niet puur een subjectieve opvatting. Het moet voor redelijke mensen begrijpelijk zijn. (…) Het is ook eigenlijk een verwijzing naar de gestelde motiveringseisen. Anders gezegd gaat het niet om een vrijbrief maar om een benadrukken van de verplichting om een en ander te verwoorden en te verantwoorden. De rechter baseert zich daarbij vooral op het dossier zoals hem dat wordt voorgelegd door de behandelaar van de betrokkene.13

2.10.

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank niet vastgesteld dat betrokkene met de te stellen voorwaarden heeft ingestemd. De rechtbank heeft wel geoordeeld dat “redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven”. Tot zover is de bestreden beschikking niet in strijd met de wet. Het oordeel dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven mag dan berusten op een inschatting door de rechter, dit neemt niet weg dat dit oordeel een toereikende motivering behoeft. 14 De in het vijfde lid van art. 14a Wet Bopz bedoelde passage in het behandelingsplan heeft geen zelfstandige betekenis, maar dient ter ondersteuning van de oordeelsvorming van de rechter op dit punt.

2.11.

In de geneeskundige verklaring is inderdaad geen kruisje gezet in het vakje “redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven”. In dat opzicht verschaft die verklaring de lezer geen opheldering over de gronden waarop de bestreden beslissing berust. In de geneeskundige verklaring (rubriek 6) is vermeld dat ter afwending van het gevaar ambulante psychiatrische behandeling op vrijwillige basis is overwogen of geprobeerd, maar: “zonder BOPZ-kader zal hij niet langdurig gemotiveerd zijn om de noodzakelijke medicatie te continueren”. Mogelijk heeft de rechtbank voor ogen gestaan dat de door haar op te leggen voorwaarden inhoudelijk dezelfde zijn als die, welke de geneesheer-directeur aan betrokkene had opgelegd bij het verlenen van voorwaardelijk ontslag per 28 november 2016. Dan zou de redenering van de rechtbank het volgende inhouden: nu betrokkene, ondanks zijn bezwaren tegen de voorgeschreven medicatie, zich in de periode tussen 28 november 2016 en 30 maart 2017 heeft gehouden aan de (bijzondere) voorwaarden met inbegrip van de voorgeschreven medicatie, zal betrokkene ook wel bereid zijn om − na het verlenen van een voorwaardelijke machtiging op de voet van art. 14a Wet Bopz – deze houding te continueren, met inbegrip van het gebruik van de voorgeschreven medicatie.

2.12.

Betrokkene heeft ter zitting aangegeven het niet eens te zijn met de verzochte voorwaardelijke machtiging: hij vond deze niet nodig om het gevaar te keren. De behandeling ter zitting heeft bovendien duidelijk gemaakt dat betrokkene in verband met eventuele bijwerkingen concrete bezwaren had tegen de voorgeschreven medicatie. Het innemen van deze medicatie is één van de door de rechtbank gestelde voorwaarden. Blijkens de aangehaalde wetsgeschiedenis, behoeft dit niet noodzakelijk in de weg te staan aan het oordeel dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene niettemin de voorwaarden zal naleven. Maar daarmee is nog steeds niet voor de lezer van de beschikking kenbaar waarop dit oordeel van de rechtbank berust.

2.13.

Aangenomen dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet opleveren dat een vrijheidsbeneming rechtvaardigt, zal de officier van justitie, al dan niet na toepassing van art. 8a Wet Bopz, een (onvoorwaardelijke) machtiging tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis kunnen verzoeken. Tegen de achtergrond van dat alternatief kan aan een patiënt, ten aanzien van wie een voorwaardelijke machtiging is verzocht, de vraag worden voorgelegd of hij (subsidiair) bereid is de door de rechtbank te stellen voorwaarden na te leven en kan opnieuw door de rechter een inschatting worden gemaakt of redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven. Als die vraag in het psychiatrisch onderzoek aan de orde zou zijn gesteld, had de rechtbank daarop kunnen voortbouwen. Ik acht de motiveringsklacht gegrond.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking en verwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Holland.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv.

1 Zie het behandelingsplan van 10 februari 2017 en de desbetreffende brief van de geneesheer-directeur van 25 oktober 2016.

2 FACT betekent Flexible Assertive Community Treatment en is een methodiek ontwikkeld door GGZ Noord-Holland-Noord. Cliënten die vallen onder een wijkteam dat volgens deze methodiek werkt hebben vaak meervoudige en complexe problemen op verschillende levensgebieden. Dit maakt nauwe samenwerking van verschillende disciplines belangrijk (http://www.ggz-nhn.nl/nl/FACT/FACT-Wat-is-FACT.html).

3 De e-mails zijn als bijlage bij het verzoekschrift in cassatie overgelegd. Zij worden niet genoemd in de beschikking of in het proces-verbaal van de zitting.

4 Clozapine is een antipsychoticum.

5 Het zesde lid bepaalt dat het verlenen van een voorwaardelijke machtiging in elk geval geschiedt onder de voorwaarde dat betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar, overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan.

6 De parlementaire geschiedenis, voor zover hier van belang, is samengevat in de conclusie van de A-G Wesseling-van Gent voor HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5048, NJ 2009/437, BJ 2009/7.

7 MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 492, nr. 3, blz. 14.

8 MvA I, Kamerstukken I 2007/08, 30 492, E, blz. 3.

9 MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 492 nr. 3, blz. 6.

10 MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 492, nr. 3, blz. 6-7.

11 W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar bij Wet Bopz, aant. C.10.3.

12 MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 492, nr. 3, blz. 6

13 Handelingen II 2006/07 nr.36, blz. 2304.

14 Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7239.