Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:981

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-08-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
17/02742
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2525
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatieprocesrecht. Art. 30c lid 1 Rv; art. 407 lid 3 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Procesinleiding niet ingediend langs elektronische weg. Geen advocaat bij de Hoge Raad aangewezen in procesinleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/02742

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 11 augustus 2017

Conclusie art. 80a RO inzake:

[verzoekster]

tegen

Vereniging van Eigenaars [A]

1. Bij brief met bijlagen van 26 mei 2017, die op 30 mei 2017 is ontvangen door de griffie van de Hoge Raad, aangevuld bij de op 31 mei 2017 ontvangen brief van 29 mei 2017, heeft eiseres tot cassatie (hierna: [verzoekster]) te kennen gegeven cassatieberoep in te stellen tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2017. In dit vonnis is [verzoekster] – samengevat en zakelijk weergegeven – veroordeeld tot betaling aan verweerster in cassatie van een bedrag van € 587,68 te vermeerderen met wettelijke rente en de maandelijkse bijdrage van € 130,00 vanaf 30 september 2016, met inbegrip van de eventuele indexering van de VVE-bijdrage, tot aan de datum van het vonnis alsmede tot betaling van de proceskosten.

2. Het cassatieberoep is niet ingesteld op de in art. 30c lid 1 Rv voorgeschreven wijze door indiening van een procesinleiding langs elektronische weg. Op grond van artikel 3.1.4.1 van het per 1 maart 2017 geldende Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden geschiedt het aanbrengen van een nieuwe vorderingszaak door indiening van de procesinleiding in het webportaal van de Hoge Raad. Evenmin is, zoals art. 407 lid 3 Rv op straffe van nietigheid voorschrijft, in de procesinleiding een advocaat bij de Hoge Raad aangewezen die [verzoekster] in het geding in cassatie zal vertegenwoordigen.

In de genoemde brief van 26 mei 2017 heeft [verzoekster] gesteld dat zij (cassatie)advocaten heeft benaderd maar dat dezen niet bereid waren haar zaak te overwegen en zij daarom is genoodzaakt de zaak zelf aan Uw Raad voor te leggen.

3. De waarnemend griffier van de Hoge Raad heeft [verzoekster] bij brief van 31 mei 2017 bericht dat haar verzoek tot cassatie niet op de voorgeschreven wijze is ingediend, te weten door indiening van een procesinleiding in het portaal van de Hoge Raad onder aanwijzing van een advocaat bij de Hoge Raad en voorts dat de laatste dag waarop ingevolge de daarvoor geldende termijn cassatie kon worden ingesteld maandag 29 mei 2017 was. Daarnaast is [verzoekster] erop gewezen dat zij, indien zij zonder procesvertegenwoordiging door een advocaat en/of buiten de cassatietermijn beroep in cassatie instelt, een gerede kans loopt om door de Hoge Raad niet-ontvankelijk te worden verklaard en zij bij het voortzetten van het cassatieberoep griffierecht is verschuldigd.

4. Bij brief van 20 juni 2017 heeft de waarnemend griffier van de Hoge Raad namens de rolraadsheer aan [verzoekster] bericht dat in de brief van 31 mei 2017 abusievelijk geen termijn zoals bedoeld in art. 30c lid 6 Rv is gesteld voor herstel van de twee geconstateerde gebreken en dat daarvoor alsnog een termijn van twee weken wordt verleend.

5. [verzoekster] heeft van de geboden gelegenheid voor herstel geen gebruik gemaakt. In plaats daarvan heeft zij bij brief van 3 juli 2017, ingekomen op 4 juli 2017, de Hoge Raad verzocht om voor haar een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen zodat het cassatieberoep op de aangegeven wijze kan worden ingesteld. Bij brief van 5 juli 2017 heeft de waarnemend griffier [verzoekster] geïnformeerd dat aan dat verzoek niet kan worden voldaan.

6. Het is de vraag of de termijn voor het instellen van cassatieberoep van art. 402 lid 1 Rv wel op 29 mei 2017 eindigde, zoals in de brief van de waarnemend griffier van 31 mei 2017 is vermeld, en niet op 31 mei 2017 (vgl. mijn conclusie van 12 mei 2017 in de zaak 16/05870, welke zaak betrekking had op het einde van de beroepstermijn van art. 358 lid 2 Rv van een op 29 februari 2016 uitgesproken beschikking). Wat daar verder van zijn, het cassatieberoep kan niet in behandeling worden genomen omdat [verzoekster] niet overeenkomstig de in art. 30c lid 1 Rv voorgeschreven wijze cassatie heeft ingesteld en haar procesinleiding niet voldoet aan het vereiste van art. 407 lid 3 Rv en zij deze gebreken niet binnen de bij brief van 20 juni 2017 gestelde termijn heeft hersteld.

7. De conclusie strekt derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoekster] in haar cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G