Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:969

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-06-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
16/03598
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2491, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering, art. 359.6 Sv. Voldaan aan art. 359.6 Sv door te overwegen dat gelet op de ondergeschikte rol van verdachte een lagere straf dan gevorderd passend en geboden is, terwijl gevorderde gevangenisstraf elders in de strafmotivering is weergegeven? Strafmotivering bevat in strijd met art. 359.6 Sv geen opgave van de redenen die i.h.b. hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt ex art. 359.8 Sv tot nietigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03598

Zitting: 27 juni 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 3 februari 2016 het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 juli 2014 bevestigd. Daarbij is de verdachte wegens 1 primair “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd” en 2 subsidiair “aan hem als bestuurder van een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, te wijten zijn, dat de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, waarmee volgens artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek administratie is gevoerd, niet in ongeschonden staat worden tevoorschijn gebracht” bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. S.V. Hendriksen, advocaat te Leiden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel begrijp ik in het licht van de toelichting aldus, dat het klaagt over de strafmotivering.

  4. Ten laste van de verdachte is onder 1 - kort gezegd - bewezen verklaard dat hij in de periode van 9 april 2013 tot en met 22 april 2013 in Nederland en in België samen met anderen met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid [A] BV heeft bewogen tot de afgifte van twintig gereedschapskarren door op naam van [B] deze goederen te bestellen en voor te wenden dat deze later betaald zouden worden. Voorts is ten laste van de verdachte onder 2 - kort gezegd - bewezen verklaard dat hij in de periode van 13 februari 2013 tot en met 8 mei 2014 in Nederland als indirect bestuurder (via [C] B.V.) van de in staat van faillissement verklaarde rechtspersoon [D] B.V de gevoerde administratie niet in ongeschonden staat (ten behoeve van de curator) tevoorschijn heeft gebracht.

  5. De gemachtigde raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep in afwezigheid van de verdachte opgemerkt dat er sprake is van een strafmaatappel. Zoals blijkt uit de op die terechtzitting overgelegde pleitnota, heeft de raadsman verzocht een deels voorwaardelijke, lagere gevangenisstraf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan, al dan niet gecombineerd met een taakstraf.

  6. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Het hof heeft ter motivering van de opgelegde straf - door het vonnis van de rechtbank en de daarin opgenomen strafmotivering te bevestigen - het volgende overwogen:

“6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is betrokken geweest bij oplichting. Verdachte heeft zich laten inschrijven als bestuurder van een onderneming, terwijl anderen op naam van die onderneming op grote schaal goederen hebben besteld bij bedrijven zonder deze te betalen, terwijl de goederen ondertussen werden doorverkocht. Verdachte was hiervan op de hoogte. Het handelsverkeer, waarin bedrijven in vertrouwen met elkaar zaken dienen te kunnen doen, is mede door verdachte geschaad.

Voorts is verdachte betrokken geweest bij een eenvoudige bankbreuk. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij als (indirect) bestuurder van een onderneming heeft nagelaten erop toe te zien dat na het faillissement van deze onderneming de volledige administratie aan de curator ter beschikking werd gesteld, waardoor de schuldeisers van deze onderneming ernstig zijn benadeeld. Immers heeft verdachte op deze wijze het de curator onmogelijk gemaakt om het faillissement op juiste wijze af te wikkelen en zijn schuldeisers (voor zover mogelijk) schadeloos te stellen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 juni 2014, waaruit blijkt dat hij meermalen voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ondergeschikte rol die verdachte bij de oplichting heeft gespeeld, een iets lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd passend en geboden is.”

7. Zoals blijkt uit de toelichting, bevat het middel onder meer de klacht het hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv geen opgave van de redenen heeft gegeven die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

8. Ingevolge art. 359, zesde lid, eerste volzin, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, dient het hof bij de oplegging van een vrijheidsbenemende straf in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze van deze strafsoort hebben geleid. Aan dit vereiste is voldaan indien in de strafmotivering tot uitdrukking is gebracht dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

9. Bij wet van 31 maart 1983 tot herziening van bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de economische delicten en enkele andere wetten in verband met de oplegging van vermogenssancties (Wet vermogenssancties; Stb. 1983, 153) is het zesde lid toegevoegd aan art. 359 Sv teneinde de (korte) vrijheidsstraf terug te dringen ten gunste van de geldboete.1 De memorie van toelichting2 bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze wet houdt ten aanzien van deze motiveringsverplichting het volgende in:

"Evenals het zesde lid vormt het zevende lid een uitwerking van de gedachte dat juist vrijheidsstraffen en enkele voor de veroordeelde als zeer belastend te beschouwen bijkomende straffen aan hoge eisen van motivering moeten voldoen. Worden dergelijke straffen geheel of gedeeltelijk onvoorwaardelijk opgelegd, dan moet worden gemotiveerd waarom niet met een voorwaardelijke straf kon worden volstaan. (...) De leden 6 en 7 vormen een signaal van de wetgever dat de nadruk op vermogensstraffen behoort te vallen. Acht de rechter desondanks een vrijheidsstraf (dan wel ontzettings- of ontzeggingsstraf) op zijn plaats, dan dient hij zo duidelijk mogelijk te maken op welke gronden die overtuiging steunt."

10. De memorie van antwoord bij dit wetsvoorstel houdt dienaangaande nog het volgende in:

"De in de nota van wijzigingen voorgestelde tekst van artikel 359, zesde lid, strekt ertoe de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf steeds tot een punt van aparte en nadere afweging door de rechter te maken."3

11. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt het voornoemde vereiste aldus ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat het hof onder ogen heeft gezien dat het een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat een zodanige sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.4

12. De hiervoor onder 6 weergegeven strafmotivering bevat, in strijd met art. 359, zesde lid, Sv, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Het hof heeft in zijn overwegingen immers niet uitdrukkelijk doen blijken dat alleen een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf te dezen passend en geboden is en aldus niet in overeenstemming met art. 359, zesde lid, Sv in het bijzonder de redenen opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden hebben bepaald. De enkele overweging dat gelet op de ondergeschikte rol die de verdachte bij de oplichting heeft gespeeld een iets lagere straf dan gevorderd passend en geboden is, terwijl de gevorderde gevangenisstraf elders in de strafmotivering is weergegeven, is daartoe ontoereikend. Aldus heeft het hof immers niet de redenen opgegeven die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dat verzuim leidt krachtens art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid.5

13. Voor zover het middel klaagt over de schending van art. 359, zesde lid, Sv, is het middel terecht voorgesteld. Dat betekent dat de andere in het middel vervatte strafmotiveringsklacht buiten bespreking kan blijven.6

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Inwerkingtreding op 1 mei 1983 (Stb. 1983, 174).

2 Zie Kamerstukken II 1977-1978, 15 012, nr. 3, p. 54-55 (Stb. 1983, 153).

3 Zie Kamerstukken II 1981-1982, 15 012, nr. 5, p. 26 (Stb. 1983, 153).

4 Vgl. HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2852, rov. 3.3.2, HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2772, rov. 2.3.2 en HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016/437, rov. 4.3.3

5 Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:666, rov. 2, HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2193, rov. 2, HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2202, rov. 2, HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2580, rov. 3, HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2579, rov. 3

6 In de toelichting op het middel wordt voorts geklaagd dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet met redenen omkleed heeft beslist op het “strafmaatverweer” van de raadsman van de verdachte.